Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNHO 010420 joyrider rijdt tegen stilstaande zoutstrooier aan; veroordeling tot terugbetaling van het uitgekeerde ogv art. 15 WAM

RBNHO 010420 joyrider rijdt tegen stilstaande zoutstrooier aan; veroordeling tot terugbetaling van het uitgekeerde ogv art. 15 WAM

De vordering

3.1.
Vivat vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 10.904,09, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 december 2012 tot aan de dag van algehele voldoening. Voorts vordert Vivat betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.069,69. Dit alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2.
Vivat legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] op grond van artikel 6:162 BW jo. art. 15 lid 1 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen schadevergoeding verschuldigd is aan Vivat. [gedaagde] heeft zonder toestemming van zijn moeder en zonder rijbewijs met haar auto gereden en schade veroorzaakt aan een stilstaand voertuig, te weten: de zoutstrooier van de Meerlanden. [gedaagde] erkent ook dat hij verantwoordelijk is voor de schade. Vivat heeft de schade vergoed aan de Meerlanden en wenst nu de schade op [gedaagde] te verhalen. Nu [gedaagde] de vordering niet tijdig heeft voldaan, is Vivat gerechtigd de wettelijke rente over het schadebedrag te vorderen vanaf de ontstaansdatum van de schade. Nu Vivat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft moeten verrichten ter incasso van haar vordering, is [gedaagde] deze kosten ook verschuldigd aan Vivat.

Het verweer

4.1.
[gedaagde] betwist de vordering gedeeltelijk. [gedaagde] erkent dat hij verantwoordelijk is voor de schade aan de zoutstrooier die is veroorzaakt door zijn toedoen. [gedaagde] is het echter niet eens met de hoogte van de vordering. Volgens [gedaagde] stemt de schade niet overeen met de staat waarin de zoutstrooier zich na het ongeval bevond. Er zitten in de opgestelde rapportages veel onduidelijkheden. Vivat heeft ook ondanks herhaaldelijk verzoek van [gedaagde] niet kunnen aantonen welke schade daadwerkelijk is geleden. De foto’s die [gedaagde] bij brief van 14 juni 2013 van TVM heeft ontvangen, zijn niet de juiste foto’s. De datum op de foto’s klopt niet en het betreft een andere zoutstrooier dan de zoutstrooier die [gedaagde] heeft aangereden. Volgens [gedaagde] is het niet mogelijk om op basis van verkeerde foto’s en een nadien opgestelde nota de schadeomvang en de schadeoorzaak vast te stellen. Ten slotte vermoedt [gedaagde] dat de kosten van achterstallig onderhoud ook op hem worden verhaald.

De beoordeling

5.1.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] is gehouden tot betaling aan Vivat van het volledige door haar gevorderde bedrag van € 10.904,09 aan schadevergoeding.

5.2.
Artikel 15 WAM geeft de verzekeraar die ingevolge de Wet aansprakelijkheids-verzekering motorrijtuigen de schade van een benadeelde geheel of gedeeltelijk vergoedt, terwijl de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem afgesloten verzekering was gedekt, voor het bedrag van de schadevergoeding een zelfstandig recht op verhaal op de aansprakelijke persoon.

5.3.
[gedaagde] heeft erkend dat hij de door Vivat vergoede schade van € 10.904,09 – in verband met het incident van 7 december 2012 - aan de Meerlanden heeft veroorzaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter kan [gedaagde] jegens de Meerlanden, de eigenaar van de zoutstrooiwagen, aansprakelijk worden geacht voor de veroorzaakte schade. Deze schade is immers veroorzaakt door onrechtmatig handelen (joyriding), dat aan [gedaagde] – destijds 18 jaar oud – kan worden toegerekend en waarvoor hij zelf aansprakelijk kan worden gehouden. Voorts is onweersproken gebleven de stelling van Vivat dat de schade niet door een met Vivat gesloten verzekering werd gedekt.

5.4.
Het voorgaande leidt ertoe dat Vivat op grond van artikel 15 WAM het recht heeft verhaal te nemen op [gedaagde] .

5.5.
[gedaagde] betwist de hoogte van vordering tot betaling van de schadevergoeding. Duidelijk is geworden dat [schade-expert A] namens [expertisebureau A] de factuur heeft opgesteld, nadat de reparatie van de zoutstrooier al was voltooid. De schade is opgenomen aan de hand van foto’s en de werkplaatsadministratie van de reparateur.

5.6.
[gedaagde] betwist dat de onderdelen die zijn vervangen allen voortvloeien uit het incident van 7 december 2012. [gedaagde] heeft aangevoerd dat enkele onderdelen dubbel zijn gefactureerd, zoals de onderdelen “sensor” en “inlegdeel stortkoker”. Ter zitting heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij aan de hand van tekeningen van de zoutstrooier wil aantonen dat sommige onderdelen niet voor schadevergoeding in aanmerking komen, omdat deze zich aan de voorzijde van het voertuig bevinden terwijl [gedaagde] de achterzijde van de zoutstrooier heeft geraakt. Hoewel de kantonrechter [gedaagde] in de gelegenheid heeft gesteld om zich na de zitting hierover bij akte uit te laten, heeft hij hier geen gebruik van gemaakt.

5.7.
Vivat heeft betwist dat de kosten van achterstallig onderhoud op [gedaagde] worden verhaald. De onderdelen die in rekening zijn gebracht, vloeien allen voort uit de schade die door [gedaagde] is veroorzaakt. Uit het rapport contra-expertise van 18 juni 2014 blijkt dat [expertisebureau B] de bevindingen van de eerste expert, [schade-expert A] , onderschrijft. Op vragen van de kantonrechter hoe het komt dat onderdelen dubbel zijn gefactureerd, heeft Vivat geen antwoord kunnen geven.

5.8.
Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat de gehele gang van zaken omtrent de opgestelde schaderapportages geen schoonheidsprijs verdient. Ter zitting is duidelijk geworden dat de (donkere) foto’s die bij het aanvullende schaderapport van 4 december 2013 zijn gevoegd, de juiste foto’s zijn van de schade aan de zoutstrooier. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de dubbele posten van de factuur van 8 april 2013 moeten worden geschrapt. [gedaagde] heeft echter niet kunnen aangeven wat de hoogte van de schadevergoeding volgens hem wel zou moeten zijn. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om aan te tonen in welk opzicht de reparatie afweek van het noodzakelijke in verband met het incident van 7 december 2012. Hoewel [gedaagde] daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft hij dat nagelaten. De kantonrechter neemt dan ook aan dat de factuur, behoudens het hiernavolgende, conform de reparatie is opgesteld.

5.9.
Nu Vivat niet heeft kunnen verduidelijken waarom de posten “sensor” en “inlegdeel stortkoker” dubbel zijn gefactureerd, zal de kantonrechter deze posten in mindering brengen op de vordering van Vivat. Dit betekent dat de kantonrechter [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 10.280,38 aan schadevergoeding.

5.10.
Nu [gedaagde] in verzuim is met de tijdige betaling, zal de kantonrechter de betaling tot wettelijke rente toewijzen over voornoemd bedrag. Op vragen van de kantonrechter waarom Vivat pas nu tot dagvaarden is overgegaan, heeft Vivat geantwoord dat het voor het voormalige incassobureau (TBK) – omdat zij geen gegevens uit het bevolkingsregister kon inzien en het in verband met de wisselende adressen waar [gedaagde] woonachtig was – lastig was om [gedaagde] te traceren. De kantonrechter acht het niet redelijk dat dit tijdsverloop voor rekening van [gedaagde] komt. Blijkens de in het geding gebrachte producties is [gedaagde] pas bij brief van 28 juli 2018 op het juiste adres aangemaand tot betaling van de vordering. De kantonrechter zal daarom de vordering tot betaling van wettelijke rente toewijzen vanaf 11 augustus 2018.

5.11.
Ten aanzien van de vordering tot betaling van buitengerechtelijk incassokosten, overweegt de kantonrechter dat voldoende is gebleken dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen volgens het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe [gedaagde] zal worden veroordeeld. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.062,14 aan buitengerechtelijke incassokosten.

5.12.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt. ECLI:NL:RBNHO:2020:2560