Overslaan en naar de inhoud gaan

GHDHA 270126 AOV, (bekendheid met) kruisbandletsel knie op 11 jarige leeftijd voorshands bewezen; hof laat appellant toe tot tegenbewijs

GHDHA 270126 AOV, (bekendheid met) kruisbandletsel knie op 11 jarige leeftijd voorshands bewezen; hof laat appellant toe tot tegenbewijs
 

3Feitelijke achtergrond

3.1

Tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht. Ook het hof zal van die feiten uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.2

[appellant] is actief als zelfstandig ondernemer in de cv-installatietechniek. [appellant] heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Allianz met ingangsdatum 7 mei 2011. Voor het afsluiten van die arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft [appellant] op 10 januari 2011 een gezondheidsverklaring afgegeven. Op de gezondheidsverklaring staat onder meer de volgende vraag:

“Lijdt u of heeft u geleden aan een of meer van de volgende aandoeningen, ziekten en/of gebreken (hier vallen ook klachten onder)?
Let op! U moet ook een rubriek aankruisen als u
-een huisarts, hulpverlener of arts heeft geraadpleegd,
- opgenomen bent geweest in het ziekenhuis, sanatorium, psychiatrische inrichting of andere verpleeginrichting,
- geopereerd bent,
- nog medicatie gebruikt of medicatie heeft gebruikt,
- nog onder controle staat.

[…]
I aandoeningen van spieren, ledematen of gewrichten (waaronder knie, nek, schouders), […]?”

3.3

[appellant] heeft een blanco gezondheidsverklaring ingediend, door geen van de in de gezondheidsverklaring genoemde categorieën aan te kruisen.

3.4

In 2012 heeft [appellant] een claim ingediend bij Allianz wegens onder meer knieklachten. Allianz heeft van 2012 tot medio 2015 een arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald aan [appellant].

3.5

Op 24 november 2016 heeft [appellant] opnieuw een claim ingediend bij Allianz wegens klachten aan de linkerknie. Vanaf 25 december 2016 heeft [appellant] opnieuw een uitkering van Allianz ontvangen.

3.6

In de brief van 2 augustus 2017 heeft Allianz aan [appellant] medegedeeld dat zij vermoedt dat [appellant] relevante informatie heeft verzwegen in zijn gezondheidsverklaring en dat Allianz een onderzoek naar de schending van de mededelingsplicht zal starten. Naar aanleiding van het door Allianz uitgevoerde onderzoek heeft zij op 13 juni 2018 de uitkering aan [appellant] gestaakt. Allianz heeft [appellant] middels de brieven van 7 en 13 juni 2018 medegedeeld dat zij met terugwerkende kracht tot 7 mei 2011 de volgende uitsluitingsclausule zal toepassen:

“Geen uitkering wordt verleend voor arbeidsongeschiktheid, welke is ontstaan, bevorderd of verergerd door enige aandoening van en/of klachten aan de linkerknie met bijbehorende banden en spieren, inclusief complicaties en/of gevolgen die daarmee redelijkerwijs verband houden. Deze beperking geldt niet voor arbeidsongeschiktheid ten gevolge van:
- infecties;
- kwaadaardige nieuwvormingen;
- fracturen aan de linkerknie die na het sluiten van de verzekering zijn ontslaan (maximale uitkeringsduur 180 dagen per gebeurtenis).”

4Procedure bij de rechtbank; vordering in hoger beroep

4.1

[appellant] heeft Allianz gedagvaard en – na wijziging van eis – gevorderd, zakelijk weergegeven:

  1. te verklaren voor recht dat de aanvullende voorwaarde op de polis nietig is dan wel dat hieraan geen werking toekomt;

  2. primair:

- Allianz te veroordelen om over te gaan tot uitkering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering ter hoogte van € 49.954,10 bruto met betrekking tot de periode 24 november 2016 tot 12 november 2021, onder aftrek van het reeds door Allianz betaalde bedrag van € 17.604,36 bruto;

- Allianz te veroordelen om de verstrekking van de uitkering vanaf 12 november 2021 voort te zetten dan wel een nieuwe beoordeling te (laten) verrichten vanaf 30 juni 2018;

subsidiair:

- Allianz te veroordelen tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst zonder de beperkende aanvullende voorwaarde en dienovereenkomstig de rechten van [appellant] – binnen één maand na datum van het te wijzen vonnis – vast te stellen;

een en ander te vermeerderen met wettelijke rente, en met veroordeling van Allianz tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.542,19 en de proceskosten.

4.2

Aan deze vorderingen heeft [appellant] kort gezegd ten grondslag gelegd dat hij de meldingsplicht niet heeft geschonden en dat Allianz daarom ten onrechte een aanvullende voorwaarde heeft gesteld en ten onrechte de uitkering onder de verzekering heeft gestaakt.

4.3

Allianz heeft op haar beurt (in reconventie) gevorderd veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 17.604,36 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Aan deze vordering heeft Allianz ten grondslag gelegd dat zij de uitkeringen aan [appellant] onverschuldigd heeft gedaan. De uitkeringen hadden betrekking op een claim voor klachten aan de linkerknie van [appellant]. Bij kennis van de ware stand van zaken zou de verzekering slechts tot stand zijn gekomen met een uitsluitingsclausule voor de linkerknie.

4.4

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en de reconventionele vordering van Allianz toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en reconventie.

4.5

[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de rechtbank en wil dat het hof zijn vorderingen alsnog toewijst en de vordering van Allianz alsnog afwijst, met veroordeling van Allianz in de proceskosten in beide instanties. Allianz concludeert tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5Beoordeling in hoger beroep

Inleiding

5.1

Op grond van artikel 7:928 lid 1 BW is de verzekeringnemer verplicht vóór het sluiten van een verzekeringsovereenkomst aan de verzekeraar alle feiten mee te delen die hij kent of behoort te kennen en waarvan de beslissing van de verzekeraar afhangt of kan afhangen of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, voor zover de verzekeringnemer dat weet of behoort te begrijpen. Deze mededelingsplicht ziet niet op feiten die niet tot een voor de verzekeringnemer ongunstiger beslissing zouden hebben geleid (artikel 7:928 lid 4 BW). Als de verzekeringnemer deze mededelingsplicht heeft geschonden en de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken andere voorwaarden zou hebben gesteld, dan is de verzekeraar op grond van artikel 7:930 lid 3 BW slechts een uitkering verschuldigd als waren deze voorwaarden in de overeenkomst opgenomen.

5.2

In deze zaak gaat het in de kern om de vraag of [appellant] bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst zijn mededelingsplicht heeft geschonden en zo ja, of Allianz bij kennis van de ware stand van zaken andere voorwaarden zou hebben gesteld. Volgens Allianz gaat het om drie feiten die [appellant] zou hebben verzwegen: dat hij in het verleden (op 11-jarige leeftijd) de kruisband van zijn linkerknie heeft gescheurd, dat in 2001 vocht is weggehaald bij zijn linkerknie vanwege een slijmbeursontsteking en dat in 2006 een röntgenopname van zijn linkerknie is gemaakt. Bij kennis van deze feiten zou Allianz een uitsluitingsclausule met betrekking tot de linkerknie hebben opgenomen, aldus Allianz.

5.3

Het hof komt tot het oordeel dat niet vaststaat dat Allianz bij bekendheid met de feiten uit 2001 en 2006 feiten andere voorwaarden zou hebben gesteld. Verder acht het hof voorshands bewezen dat [appellant] in het verleden letsel aan de kruisband van zijn linkerknie heeft opgelopen en dat hij dat wist of behoorde te weten. Het hof laat [appellant] toe om tegenbewijs te leveren. Hierover wordt het volgende overwogen.

Slijmbeursontsteking in 2001 en röntgenopname in 2006

5.4

Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] in 2001 een slijmbeursontsteking bij zijn linkerknie had waaraan hij destijds is geholpen en dat in 2006 een röntgenopname van zijn linkerknie is gemaakt. Evenmin is tussen partijen in geschil dat [appellant] deze gebeurtenissen niet heeft vermeld in de gezondheidsverklaring.

5.5

Het hof laat in het midden of [appellant] deze feiten had moeten melden en daarmee de vraag of hij zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Het hof is namelijk, anders dan de rechtbank, van oordeel dat niet vaststaat dat Allianz bij bekendheid met de feiten uit 2001 en 2006 de verzekering alleen zou hebben geaccepteerd met een uitsluitingsclausule voor de linkerknie (artikel 7:930 lid 3 BW). Dat Allianz bij bekendheid met de feiten vóór het sluiten van de verzekeringsovereenkomst een röntgenopname zou hebben laten maken van de linkerknie van [appellant], heeft [appellant] niet betwist. Allianz heeft in het licht van de betwisting van [appellant] echter onvoldoende gemotiveerd gesteld dat beoordeling van die röntgenopname tot een uitsluitingsclausule voor de linkerknie zou hebben geleid. Op 24 oktober 2012 – en dus ruim zeventien maanden na aanvang van de verzekering – zijn röntgenopnamen gemaakt van de linkerknie van [appellant]. Uit het rapport van dr. Ph.J. Edixhoven van 20 juni 2017 (p. 5) blijkt dat die röntgenopnamen slechts minimale afwijkingen en een beetje sclerose toonden:

“De AP-opname en de poortopname tonen een minimale afname van de mediale gewrichtsspleet en wat osteofytvorming aldaar, een beetje sclerose subchondraal. De laterale opname is een opname in lichte buigstand, waarbij geen duidelijke afwijking zichtbaar is behalve wat meer dan normaal sclerose subchondraal vooral mediaal.”

Allianz heeft zelf ook bevestigd dat de röntgenopnamen die in 2012 zijn gemaakt niet deden vermoeden dat sprake was van ernstige afwijkingen, maar dat pas op de MRI-scan (die volgde op het röntgenonderzoek) de ware problematiek zichtbaar werd.1 Dat Allianz al bij minimale afwijkingen en een beetje sclerose tot het opnemen van een uitsluitingsclausule was overgegaan, heeft zij onvoldoende gemotiveerd – nog los van de vraag of die afwijkingen en sclerose meer dan zeventien maanden eerder ook al zichtbaar zouden zijn geweest.

5.6

[appellant] heeft nog betoogd dat Allianz de feiten uit 2001 en 2006 te laat aan haar afwijzing ten grondslag heeft gelegd. Gelet op voorgaand oordeel, laat het hof dit betoog onbesproken.

Letsel aan kruisband

5.7

Vervolgens komt het hof toe aan de stelling van Allianz dat [appellant] in het verleden (vóór het sluiten van de verzekeringsovereenkomst) letsel aan de kruisband van zijn linkerknie heeft opgelopen en dat hij dat had moeten melden. [appellant] heeft die stelling gemotiveerd betwist, zodat Allianz die stelling moet bewijzen. Naar het oordeel van het hof heeft Allianz het bewijs voorshands geleverd. Het hof baseert dit bewijsvermoeden op de volgende feiten en stukken.

5.8

Op 19 juli 2012 is [appellant] gezien door [huisarts] (apotheekhoudend huisarts) naar aanleiding van de klachten aan zijn linkerknie. [huisarts] heeft [appellant] verwezen naar de poli orthopedie. In de verwijsbrief van 20 juli 2012 staat onder “Relevante journaalregels”:

“Vroeger OK’s aan die knie, toen ook vocht eruit gehaald.”

Vervolgens is [appellant] op 24 oktober 2012 gezien door [orthopeed] (orthopeed). Op een polikaart heeft [orthopeed] met de hand aantekeningen gemaakt. Hoewel die aantekeningen niet allemaal even goed leesbaar zijn, staat naar het oordeel van het hof in ieder geval vast dat de aantekeningen beginnen met de woorden “op 11jr lft scopie van li. knie”, wat zou staan voor: op 11-jarige leeftijd scopie van linkerknie. Die lezing van de aantekeningen sluit aan bij de inhoud van de e-mail van [orthopeed] van 29 augustus 2018, waarin hij schreef:

“Bij het eerste polibezoek heeft hijzelf [lees: [appellant]; toevoeging hof] tijdens de anamnese verteld dat hij op 11 jarige leeftijd aan zijn knie geopereerd is geweest en dat er sprake zou zijn van een kruisband scheur.”

[appellant] heeft de vraag opgeworpen of die e-mail wel van [orthopeed] afkomstig is (omdat de afzender ontbreekt). Echter, voor zover dat al als betwisting moet worden aangemerkt, heeft hij die betwisting onvoldoende gemotiveerd, zeker gelet op de inhoud van de brief van 17 augustus 2020 waarvan als onbetwist vaststaat dat die van [orthopeed] afkomstig is:

“In de verwijzing [van [huisarts]; toevoeging hof] wordt vermeld vroegere operatie aan de knie met daar ook vocht uitgehaald. […] De informatie dat het geheel op 11-jarige leeftijd is is geweest meld ik tijdens mijn anamnese met de patient. Gezien deze informatie niet in de verwijsbrief stond neem ik aan dat ik deze informatie destijds van patient zelf heb vernomen.”

Na het bezoek aan [orthopeed] zijn (op 24 oktober 2012) röntgenopnamen en (op 30 oktober 2012) een MRI-scan gemaakt van de linkerknie van [appellant]. De radioloog schreef in zijn verslag bij de MRI-scan:

“Diagnoses: op 11-jarige leeftijd uitgebreid knieletsel gehad. Momenteel recidiveert hydrops. Achterste kruisbandlaesie? Meniscuslaesie?”

Dr. Edixhoven heeft in 2017 kennisgenomen van de MRI-scan. In voormeld rapport van 20 juni 2017 (zie hiervoor, 5.5) komt hij tot de conclusie dat uit die scan volgt dat sprake moet zijn van “ernstig ligamentair letsel uit een ver verleden, met gonartrose”. Ter zitting heeft Allianz toegelicht dat ligamentair letsel verwijst naar letsel aan de kruisband. [appellant] heeft dat niet weersproken. Tot slot is opmerkelijk dat op de verwijsbrief van [huisarts] van 20 juli 2012 (zie hiervoor, 5.8) handgeschreven staat:

“Geen informatie gevonden over knietrauma in ± 1990 na val uit boom.”

Allianz heeft opgemerkt dat een val uit een boom goed zou kunnen passen bij wat [appellant] op 24 oktober 2012 blijkens de polikaart aan [orthopeed] zou hebben verteld, evenals het jaartal van 1990; [appellant] (geboren in 1978) was rond 1990 namelijk 11 jaar oud.

5.9

Het benodigde tegenbewijs wordt niet geleverd door het rapport van [chirurg 1] (chirurg niet-praktiserend) van 5 mei 2021 of het rapport van [chirurg 2] (orthopedisch chirurg) van 1 december 2025, beide rapporten overgelegd door [appellant]. [chirurg 1] noch [chirurg 2] gaat immers in op de conclusie die dr. Edixhoven trekt op basis van de MRI-scan, namelijk dat sprake moet zijn van ernstig ligamentair letsel uit een ver verleden. Uit de rapporten blijkt overigens ook niet dat [chirurg 1] of [chirurg 2] zelf kennis heeft genomen van de MRI-scan.

5.10

Het hof zal [appellant] toelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat [appellant] vóór het aangaan van de verzekeringsovereenkomst letsel heeft opgelopen aan de kruisband van zijn linkerknie en dat hij dat wist of behoorde te weten.

Verdere beslissingen aangehouden

5.11

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

1Par. 7 conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie.

 

Gerechtshof Den Haag 27 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:173