Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 230222 tekortschieten in mededelingsplicht; ASR mag uitkering weigeren; [eiser] hoeft onderzoekskosten niet te betalen, fraude komt niet vast te staan (3)

RBMNE 230222 tekortschieten in mededelingsplicht; ASR mag uitkering weigeren; [eiser] hoeft onderzoekskosten niet te betalen, fraude komt niet vast te staan

2
Waar gaat het over?

2.1.
[eiser] heeft naar zijn zeggen begin mei 2020 in Duitsland een Hyundai i20 (hierna: de auto) met schade aan de linkerzijde gekocht tegen contante betaling van € 11.200,- als koopprijs. De auto kreeg na invoer in Nederland het kenteken [kenteken] en dat kenteken is op naam van [eiser] gesteld. [eiser] heeft de auto met ingang van 2 juni 2020 casco allrisk verzekerd bij ASR na tussenkomst van [onderneming 1] (hierna: [onderneming 1] ). Op de verzekering zijn de Algemene voorwaarden VP 2018-01 van ASR van toepassing. [eiser] heeft de auto weer verkocht op 8 september 2020.

2.2.
Op 18 juni 2020 heeft [eiser] rond 2.00 uur ’s nachts een eenzijdige aanrijding gehad op de [.] . [eiser] reed op dat moment vanuit [plaatsnaam 1] naar [plaatsnaam 2] . Hij was naar eigen zeggen in slaap gevallen en met de rechterzijde van de auto tegen de vangrail gereden. [eiser] zat alleen in de auto, dus er waren geen getuigen. Hij heeft de politie gebeld, maar die kwam niet. Er is wel een medewerker van Rijkswaterstaat gekomen. Hij heeft [eiser] geadviseerd om zelf naar huis te rijden.

2.3.
[eiser] heeft het ongeval op 19 juni 2020 bij ASR gemeld. De schade aan de auto is door een schade-expert namens ASR getaxeerd op € 5.874,59. Dit zijn de kosten voor herstel van de auto.

2.4.
ASR heeft een onafhankelijk expertisebureau (hierna: [onderneming 2] ) ingeschakeld om de toedracht en de omvang van de schade te onderzoeken. [onderneming 2] heeft haar voorlopige bevindingen op 24 augustus 2020 gerapporteerd. Daarna heeft [onderneming 2] op 28 augustus 2020 en 13 oktober 2020 aanvullend gerapporteerd.

2.5.
Mede op basis van de uitkomsten van het onderzoek door [onderneming 2] heeft ASR besloten niet tot uitkering over te gaan. ASR heeft dat bij brief van 29 oktober 2020 aan [eiser] kenbaar gemaakt. ASR heeft de schade van € 5.874,59 dus niet aan [eiser] vergoed. [eiser] is het daarmee niet eens. Hij vordert in deze procedure dat ASR wordt veroordeeld tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook vordert [eiser] dat ASR zijn proceskosten betaalt.

2.6.
ASR voert verweer tegen de vordering van [eiser] en blijft erbij dat zij de schade niet hoeft te vergoeden aan [eiser] . ASR heeft daarnaast in reconventie gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de door haar gemaakte expertise- en onderzoekskosten, samen ter hoogte van € 5.677,04 en met de wettelijke rente. ASR vordert ook dat [eiser] haar proceskosten betaalt.

2.7.
De vorderingen van [eiser] en ASR worden afgewezen. ASR mag de uitkering van de schade namelijk weigeren. [eiser] hoeft de onderzoekskosten van ASR niet te betalen, omdat niet komt vast te staan dat er sprake is van fraude. Hierna wordt uitgelegd waarom de kantonrechter tot deze beslissingen is gekomen.

3
De beoordeling
in conventie

Inleiding

3.1.
ASR heeft drie redenen aangevoerd op grond waarvan zij de uitkering van de schade weigert: in de eerste plaats omdat [eiser] zijn mededelingsplicht ex artikel 7:928 BW heeft geschonden, in de tweede plaats omdat [eiser] zijn recht op schadevergoeding heeft verspeeld door een onware opgave van de schade te doen (artikel 7:941 lid 4 BW en artikel 6.2 van de algemene voorwaarden) en in de derde plaats omdat [eiser] geen verzekerbaar belang heeft, als bedoeld in artikel 7:946 BW.

3.2.
De kantonrechter zal hierna vaststellen dat [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden. De twee andere gronden voor weigering van de uitkering hoeven daarom niet te worden beoordeeld.

Weigering dekking vanwege schending mededelingsplicht ex artikel 7:928 BW

3.3.
Bij het aangaan van de verzekering bij ASR heeft [onderneming 1] namens [eiser] op 4 juni 2020 het aanvraagformulier ingevuld. [onderneming 1] heeft volgens ASR met [eiser] het aanvraagformulier doorgenomen en met de door [eiser] verstrekte informatie het formulier ingevuld. Op het formulier staan onder andere de volgende slotvragen, die met ‘Nee’ zijn beantwoord:

Hebt u, of heeft een van de personen die u wilt meeverzekeren, bijvoorbeeld uw gezinsleden, huisgenoten of regelmatig bestuurder, de laatste 5 jaar schade gemeld op een schadeverzekering?
Let op: ook schades die niet met de aangevraagde verzekering verband houden, moet u hier opgeven. Het maakt daarbij ook niet uit of de verzekeraar heeft uitgekeerd.
Als u deze vraag met Ja hebt beantwoord, vermeld dan per schadegeval:
- Schadejaar of -datum
- Verzekeraar
- Oorzaak schade
- Bij een verkeersschade of u daaraan schuldig was
- Schadebedrag
- Of de schade is uitbetaald’

en

‘Heeft een verzekeraar in de afgelopen 8 jaar:
- geweigerd een verzekeringsovereenkomst met u te sluiten? Of met een van de personen die u wilt meeverzekeren, bijvoorbeeld uw gezinsleden, huisgenoten of de regelmatige bestuurder?
- een verzekering opgezegd van u of van een van de personen die u wilt meeverzekeren?
Als u deze vraag met Ja hebt beantwoord, kunt u hier een toelichting geven.

3.4.
Volgens [eiser] heeft [onderneming 1] hem deze vragen niet gesteld. [eiser] stelt dat hij de vragen bevestigend had beantwoord als [onderneming 1] de vragen wel had gesteld. In dat kader is de volgende informatie relevant, die bij ASR bekend is geraakt nadat [eiser] op 19 juni 2020 melding heeft gemaakt van het ongeval.

3.5.
[eiser] heeft eerder op grond van een schadeverzekering schade bij een verzekeraar gemeld. [eiser] heeft op 21 januari 2020 namelijk een soortgelijk ongeval gehad. Hij reed die nacht in een Suzuki op de [.] , viel in slaap en zijn auto is tegen de vangrail tot stilstand gekomen. De Suzuki was eveneens geïmporteerd en begin januari 2020 allrisk verzekerd. De Suzuki is total loss verklaard. De verzekeraar heeft de schade uitgekeerd.

3.6.
[eiser] is bovendien eerder geweigerd door een schadeverzekeraar. Voordat [eiser] de aanvraag bij ASR heeft ingediend, heeft hij via zijn voormalige assurantietussenpersoon [onderneming 3] en [onderneming 1] op 3 juni 2020 twee aanvragen gedaan via gevolmachtigd agent [onderneming 4] (hierna: [onderneming 4] ) bij verzekeringsmaatschappij [onderneming 5] . Beide aanvragen zijn door [onderneming 4] op 3 juni 2020 afgewezen omdat [eiser] bij [onderneming 4] intern staat gesignaleerd vanwege het niet betalen van zijn verzekeringspremie.

3.7.
[eiser] betwist dat hij deze informatie opzettelijk heeft verzwegen. De kantonrechter kan niet vaststellen dat [eiser] opzettelijk onjuiste informatie heeft opgegeven. Er is namelijk geen opname van het vraaggesprek tussen [onderneming 1] en [eiser] beschikbaar. De betrokken medewerker van [onderneming 1] heeft weliswaar bevestigd dat hij alle slotvragen met [eiser] heeft doorgenomen, maar hij heeft ook gemeld dat de aanvraag op dat moment al anderhalve maand geleden is ingediend en hij er het fijne niet meer van weet. Op basis van deze verklaring kan daarom niet worden vastgesteld dat [onderneming 1] de slotvragen aan [eiser] heeft voorgehouden en dat [eiser] die ontkennend heeft beantwoord.

3.8.
Wel staat vast dat voor ASR relevante informatie op het aanvraagformulier onjuist is. [eiser] is daardoor tekortgeschoten in zijn mededelingsplicht. Dat [onderneming 1] het aanvraagformulier namens hem heeft ingevuld, doet daaraan niet af. [eiser] draagt namelijk de verantwoordelijkheid voor het handelen van [onderneming 1] als zijn vertegenwoordiger. De vragenlijst is volledig beantwoord, zodat opzet als genoemd in artikel 7:728 lid 6 BW niet is vereist.

3.9.
ASR heeft daarnaast voldoende aannemelijk gemaakt dat de informatie van belang is voor de beoordeling van het risico (mede vanwege de leeftijd van [eiser] ) en [eiser] heeft dat niet weersproken. Daar komt bij dat de verzekering is gesloten op grond van een door ASR opgestelde vragenlijst: ASR geeft daarmee al te kennen dat de feiten die volgen uit de antwoorden op de vragen, voor haar van belang zijn.

Twee-maandentermijn ex artikel 7:729 BW

3.10.
[eiser] voert als verweer aan dat ASR hem te laat heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van het feit dat hij niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan. ASR zou daardoor als gevolg van artikel 7:929 BW de uitkering niet mogen weigeren. Op grond van artikel 7:929 BW kan een verzekeraar die ontdekt dat aan de in artikel 7:928 BW omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, de gevolgen daarvan slechts inroepen als hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Dat laatste heeft ASR bij brief van 29 oktober 2020 gedaan.

3.11.
ASR is pas op 26 oktober 2020 door [onderneming 1] geïnformeerd over het feit dat [eiser] kort voordat hij de verzekering bij ASR afsloot, tweemaal was geweigerd bij een andere verzekeraar (de aanvragen via [onderneming 4] ). [eiser] heeft dit niet weersproken. ASR heeft in ieder geval ten aanzien van de schending van de mededelingsplicht op dit punt door [eiser] op 29 oktober 2020 tijdig melding gemaakt van de mogelijke gevolgen daarvan.

3.12.
De kantonrechter volgt ASR niet voor zover zij stelt dat zij ook ten aanzien van de schending van de mededelingsplicht over de eerdere schade tijdig melding heeft gemaakt. Het eerste rapport van [onderneming 2] is op 24 augustus 2020 uitgebracht. [eiser] heeft tijdens het onderzoek door [onderneming 2] gemeld dat hij schade heeft gereden met een Suzuki Alto door tegen de vangrails aan te rijden. Volgens ASR was er meer onderzoek nodig om de schending van de mededelingsplicht te onderzoeken en heeft zij daarom niet direct aan [eiser] een mededeling gedaan. ASR had echter al op basis van deze informatie kunnen vaststellen dat [eiser] niet aan zijn mededelingsplicht had voldaan en melding kunnen maken van de mogelijke gevolgen daarvan. Dat de toe te passen gevolgen vaststaan, is namelijk geen vereiste. Dat het nader onderzoek bij ASR was ingegeven vanwege haar vermoedens van fraude door [eiser] , maakt dat niet anders. Deze omstandigheid is immers niet beslissend voor de vraag of de mededelingsplicht is geschonden. Dat ASR wel belang had bij dat nader onderzoek met het oog op de door haar eventueel nader te nemen vervolgstappen tegen [eiser] staat daar los van.

Conclusie

3.13.
[eiser] heeft zijn mededelingsplicht als bedoeld in artikel 7:928 BW geschonden doordat de vraag over eerdere weigeringen onjuist is beantwoord. Deze informatie was voor ASR van belang voor de beoordeling van het risico. ASR heeft tijdig aan [eiser] gemeld welke mogelijke gevolgen kunnen worden verbonden aan de schending. Op grond van artikel 7:930 lid 1 jo lid 2 BW bestaat er daarom geen recht meer op uitkering van de schade. Dat betekent de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

3.14.
[eiser] heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten van ASR betalen. Die zijn totaal € 622 en bestaan uit het salaris van de gemachtigde (2 punten x € 311).

in reconventie

3.15.
ASR stelt dat zij aanzienlijke onderzoeks- en expertisekosten heeft moeten maken door de handelswijze van [eiser] . De kosten bestaan uit die voor het [onderneming 2] -onderzoek (€ 5.145,04) en een SODA boete van € 532. De SODA boete bestaat uit interne kosten van ASR die verband houden met het inschakelen van de [sichting] . Primair stelt ASR dat er sprake is van fraude en zij daarom op grond van 6.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden de kosten op [eiser] kan verhalen. Subsidiair stelt ASR dat zij de onderzoekskosten kan terugvorderen omdat [eiser] in strijd heeft gehandeld met artikel 7:928 BW. [eiser] bestrijdt dat hij de onderzoekskosten aan ASR verschuldigd is.

3.16.
De kantonrechter heeft onder 3.7 overwogen dat voor de beoordeling in dit vonnis niet kan worden vastgesteld dat [eiser] opzettelijk onjuiste antwoorden heeft gegeven op de vragenlijst. Volgens ASR heeft [eiser] haar echter ook over andere punten onjuist geïnformeerd, ASR stelt in dat kader dat:

- [eiser] een onware opgave heeft gegeven van de koopprijs van de auto,
- [eiser] de auto niet voor zichzelf heeft gekocht en zich ten onrechte voordoet als eigenaar,
- [eiser] een onjuiste opgave van de schade naar aanleiding van de gestelde aanrijding heeft gedaan.

3.17.
ASR heeft onvoldoende onderbouwd dat [eiser] haar over deze punten onjuist heeft geïnformeerd. Daarbij is het volgende relevant.

3.18.
[eiser] stelt dat hij de auto heeft gekocht voor € 11.200 bij een garage in [plaatsnaam 3] , Zuid-Duitsland. Het taxatierapport voor import van de auto is opgesteld door [onderneming 6] en vermeldt een inkoopwaarde van € 10.600 bij inkoop door handelaren van particulieren in onbeschadigde staat. De inkoopwaarde op het moment van de genoemde taxatie, in beschadigde staat, is volgens [onderneming 6] € 900. ASR stelt op basis van één Duitse verkoopadvertentie op Ebay dat de vraagprijs van een beschadigde Hyundai € 6.950 is en dat het daardoor ongeloofwaardig is dat [eiser] € 11.200 heeft betaald voor de auto. ASR heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. Op basis van de enkele overgelegde verkoopadvertentie kan niet worden vastgesteld dat [eiser] een lagere kooprijs dan € 11.200 heeft betaald. ASR heeft bovendien onvoldoende toegelicht dat het om een soortgelijke auto gaat (voor wat betreft opties, bouwjaar, schade et cetera). Het verschil in de taxatiewaarden is opvallend, maar niet slechts te relateren aan mogelijke verzekeringsfraude. Het had op de weg van ASR gelegen haar stellingen te onderbouwen met feiten waaruit moet volgen dat een in Nederland wonende particulier geen of te weinig relevant voordeel geniet van het kopen van een beschadigde auto van het betreffende type en bouwjaar, bovendien niet vlak over de grens maar in Zuid-Duitsland, mede gelet op de voordelen die het kopen van een beschadigde auto kan hebben in verband met de in Nederland verschuldigde belastingen. Dat de auto contant is betaald, de naam van het garagebedrijf onbekend is en de koopovereenkomst niet kan worden overgelegd geeft alle reden voor argwaan aan ASR maar is onvoldoende om het standpunt te steunen dat de opgegeven koopprijs niet juist kan zijn.

3.19.
ASR vindt het daarnaast ongeloofwaardig dat [eiser] ongeveer 1.500 kilometer heeft gereden om een alledaagse, flink beschadigde auto te kopen voor privégebruik. [eiser] heeft namelijk verklaard dat hij (ook) voor bedrijven auto’s ophaalt in het buitenland en hij heeft in Nederland gereden met een groene kentekenplaat. ASR is er daardoor van overtuigd dat [eiser] de auto heeft opgehaald in opdracht van [onderneming 7] in [plaatsnaam 4] . Ook deze stelling heeft ASR onvoldoende onderbouwd, mede in het licht van het feit dat de auto ten naam is gesteld van [eiser] en hij op het moment van het ongeval gebruiker was van de auto. De handelswijze van [eiser] doet wellicht vermoedens rijzen, maar die zijn in het kader van deze procedure onvoldoende om vast te stellen dat [eiser] onjuist heeft geïnformeerd over de eigenaar van de auto.

3.20.
[eiser] heeft aangegeven dat hij alleen de schade claimt die is ontstaan door het ongeval op 18 juni 2020. Uit het [onderneming 2] -onderzoek komt naar voren dat de rechterzijde van de auto ook schade vertoonde van een dynamisch contact, bestaande uit krassen, die de expert niet aan het ongeval kon koppelen. Volgens ASR geeft het beschreven schadebeeld sterk de indruk dat de schade die [eiser] heeft geclaimd, niet volledig is veroorzaakt door het ongeval. [eiser] zou daardoor in strijd met de waarheid hebben verklaard over de schade. Het is echter niet duidelijk of bij de schadeberekening ook rekening is gehouden met de zogenoemde dynamische schade. Het is evenmin duidelijk of [eiser] bij opgave van zijn schade heeft verklaard dat de rechterzijde van de auto volledig gaaf was.

3.21.
Uit het voorgaande volgt weliswaar dat ASR voldoende aanleiding had om onderzoek in te stellen. De verklaringen van [eiser] hangen van toevalligheden aan elkaar. Het is op zijn minst opmerkelijk dat hij tweemaal rijdend op de [.] in slaap valt en een vangrail raakt met een auto die kort daarvoor allrisk is verzekerd. Op basis van deze omstandigheden alleen is er alle reden voor onderzoek maar kan niet zonder meer worden vastgesteld dat er sprake is van fraude. Daarvoor is meer nodig en ASR is er, zoals hiervoor is overwogen, niet in geslaagd dat voldoende te onderbouwen. De onderzoekskosten kunnen daarom niet op grond van 6.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden op [eiser] worden verhaald.

3.22.
Subsidiair heeft ASR gesteld dat [eiser] kan worden veroordeeld tot betaling van de onderzoekskosten omdat hij in strijd heeft gehandeld met onder meer artikel 7:928 BW. Onder 3.8 is geoordeeld dat [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden doordat de vraag over eerdere weigeringen ten onrechte ontkennend is beantwoord. Niet is vastgesteld dat hierbij sprake was van opzet. ASR heeft niet onderbouwd dat het (externe) [onderneming 2] -onderzoek en de SODA boete noodzakelijk waren om deze schending vast te stellen. ASR heeft de informatie hierover immers, naar eigen zeggen, op 26 oktober 2020 ontvangen van [onderneming 1] . Daarom kunnen de kosten evenmin op deze grondslag op [eiser] worden verhaald.

Conclusie

3.23.
De vordering van ASR wordt afgewezen. Zij moet daarom de proceskosten van [eiser] in reconventie betalen. Die bestaan uit 1 punt voor het salaris gemachtigde ter hoogte van € 311. ECLI:NL:RBMNE:2022:817