Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNHO 050126 opgevoerde (53 i.p.v. 25 km/u) snorfiets en slecht zichtbare voetganger; voetganger overleden; geen overmacht snorfietser; 80% ES na bill. corr.

RBNHO 050126 opgevoerde (53 i.p.v. 25 km/u) snorfiets en slecht zichtbare voetganger; voetganger overleden; geen overmacht snorfietser; 80% ES na bill. corr.
- verzocht 27 uur x € 245 +21% = € 8.004,15, toegewezen 20%: € 1.600,83

2De feiten

2.1.

Op 16 januari 2022 heeft rond 18:20 uur een ongeval plaatsgevonden op de [adres] in [woonplaats] waarbij [verzoekster] en [de overledene] betrokken waren. [verzoekster] reed – met passagier [naam] achterop – op haar snorfiets over het fietspad. [de overledene] liep als voetganger op de rechterzijde van het fietspad, in dezelfde richting als [verzoekster] reed. [verzoekster] is tegen [de overledene] aangereden en ten val gekomen. Als gevolg van het ongeval is [de overledene] overleden. [verzoekster] heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen, bestaande uit (onder meer) aangezichtsfracturen in haar kaak, neus en oogkas, meerdere hoofdwonden en tandletsel.

2.2.

Ten tijde van het ongeval was het donker en regende het. Langs de naastgelegen provinciale weg brandde de straatverlichting.

2.3.

Na het ongeval is er een verkeersongevallenanalyse (VOA) verricht en zijn zowel [verzoekster] als passagier [naam] door de politie verhoord. In het kader van de VOA is een voertuigonderzoek naar de snorfiets verricht en is de situatie ter plaatse onderzocht.

2.4.

Tijdens het voertuigonderzoek is vastgesteld dat de snorfiets is opgevoerd, waardoor de snorfiets 53 km/u kon rijden in plaats van 25 km/u. Ook is geconstateerd dat er een snelheidsbegrenzer op de snorfiets is gemonteerd.

Tijdens het voertuigonderzoek is verder vastgesteld dat de voorrem van de snorfiets niet goed functioneerde.

2.5.

[de overledene] had een particuliere aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij Unigarant.

2.6.

Op 6 april 2022 heeft (de wettelijk vertegenwoordiger van de toen nog minderjarige) [verzoekster] Unigarant aansprakelijk gesteld.

2.7.

Unigarant heeft een voorschot van € 5.000,- aan [verzoekster] betaald.

2.8.

Na ontvangst van het VOA-rapport in 2024 heeft Unigarant zich op het standpunt gesteld dat zij geen nadere vergoeding hoeft te betalen.

3De standpunten van partijen

3.1.

[verzoekster] verzoekt, samengevat en na wijziging van het verzoek, dat de rechtbank:

  1. voor recht verklaart dat er aan de zijde van [verzoekster] sprake is aan overmacht, dan wel in goede justitie een causale verdeling bepaalt;

  2. voor recht verklaart dat Unigarant als aansprakelijkheidsverzekeraar gehouden is de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van [verzoekster] te vergoeden;

  3. Unigarant veroordeelt in de kosten van het geding van € 8.004,15, te vermeerderen met het griffierecht en de wettelijke rente.

3.2.

Aan het verzoek heeft [verzoekster] – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd.

[verzoekster] stelt dat de aanrijding als gevolg waarvan zij schade lijdt is ontstaan door het handelen van [de overledene] . [de overledene] heeft daarmee een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) tegen haar gepleegd, zodat Unigarant als aansprakelijkheidsverzekeraar van [de overledene] haar schade dient te vergoeden. Volgens [verzoekster] is de reflexwerking van artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) niet van toepassing, omdat zij zich kan beroepen op overmacht. [de overledene] liep in donkere kleding, zonder verlichting, op een onverlicht fietspad buiten de bebouwde kom waar een maximale snelheid van 40 km/u geldt en aan de verkeerde kant van het fietspad. [de overledene] was voor [verzoekster] niet zichtbaar en [verzoekster] hoefde [de overledene] hier niet te verwachten. [de overledene] had in de berm of aan de andere kant van het fietspad kunnen lopen of had een andere route via een nabijgelegen wandelpad kunnen nemen.

Mocht de rechtbank geen overmacht aannemen, dan stelt [verzoekster] dat Unigarant haar schade gelet op de ernst van de over en weer gemaakte fouten alsnog moet vergoeden.

3.3.

Unigarant verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en verzoekt bij wijze van tegenverzoek dat de rechtbank voor recht verklaart dat op haar als aansprakelijkheidsverzekeraar van [de overledene] geen vergoedingsplicht rust.

3.4.

Unigarant voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Van overmacht is geen sprake. Uit het voertuigonderzoek is gebleken dat [verzoekster] reed op een opgevoerde snorfiets, waarvan de snelheidsbegrenzer tijdens het ongeval uit stond. Verder is gebleken dat de voorrem van de snorfiets ten tijde van het ongeval niet functioneerde. Daarbij mocht [de overledene] als voetganger gewoon gebruik maken van het fietspad, nu ter plaatse geen voetpad aanwezig was. [verzoekster] diende rekening te houden met zowel fietsers als voetgangers die zich langzamer voortbewegen dan zij zelf. Unigarant betwist dat [de overledene] voor [verzoekster] niet zichtbaar was. Langs de autoweg die naast het fietspad loopt staan lantaarnpalen, waarvan het licht ook op het fietspad schijnt. Daarbij voerde [verzoekster] zelf ook verlichting waarmee de rijbaan van het fietspad verlicht werd. Dit alles maakt [verzoekster] risico-aansprakelijk voor de veroorzaakte schade. Als door de rechtbank wordt aangenomen dat [de overledene] heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, valt de ernst van de over en weer te maken verwijten zo sterk uit in het nadeel van [verzoekster] dat de vergoedingsplicht van Unigarant geheel komt te vervallen.

3.5.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Behandeling in deelgeschil

4.1.

[verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

4.2.

In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of Unigarant (een deel van) de schade die [verzoekster] als gevolg van de aanrijding heeft geleden en nog zal lijden moet vergoeden. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.

Inhoudelijke beoordeling

Juridisch kader

4.3.

Bij het ongeval waar het in deze zaak over gaat waren een gemotoriseerde ( [verzoekster] ) en een ongemotoriseerde ( [de overledene] ) verkeersdeelnemer betrokken. Voor deze situatie is in beginsel artikel 185 WVW geschreven. Omdat [verzoekster] als gemotoriseerde verkeersdeelnemer een verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, moeten de geschilpunten worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:162 BW, waarbij geldt dat artikel 185 WVW reflexwerking heeft.

4.4.

De reflexwerking van artikel 185 WVW houdt in dat bij een aanrijding tussen een gemotoriseerde en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer, waarbij schade aan de gemotoriseerde verkeersdeelnemer ontstaat, de schade, ook als de ongemotoriseerde verkeersdeelnemer schuld heeft aan de aanrijding, in beginsel voor een gedeelte voor rekening blijft van de gemotoriseerde verkeersdeelnemer. Dit is anders als sprake is van overmacht aan de zijde van de gemotoriseerde verkeersdeelnemer. Dan is de ongemotoriseerde verkeersdeelnemer aansprakelijk. Is geen sprake van overmacht, dan blijft in beginsel steeds een gedeelte van de schade van de gemotoriseerde verkeersdeelnemer voor zijn eigen rekening. Het antwoord op de vraag voor wélk gedeelte, hangt af van de causaliteitsafweging die in het kader van artikel 6:101 BW dient te worden gemaakt, waarna de in dat artikel opgenomen billijkheidscorrectie aan de orde kan komen.

Overmacht

4.5.

Een beroep op overmacht kan alleen slagen als [verzoekster] als bestuurster van de snorfiets rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop zij aan het verkeer heeft deelgenomen. Daarbij zijn fouten van de andere verkeersdeelnemers alleen van belang, als deze voor [verzoekster] als bestuurster van de snorfiets zo onwaarschijnlijk waren dat zij met die mogelijkheid geen rekening behoefde te houden bij het bepalen van haar verkeersgedrag. Dit laatste betekent dat men er in het verkeer in het algemeen niet op mag vertrouwen dat iedere verkeersdeelnemer zich nauwgezet aan de verkeersregels houdt en dat men zich zo moet gedragen dat een adequate reactie op onvoorzichtig gedrag van anderen mogelijk blijft.

Het is daarom aan [verzoekster] om de feiten te stellen en aannemelijk te maken dat het ongeval is te wijten aan overmacht. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] daarin niet is geslaagd en dat geen sprake is van overmacht. Dit legt de rechtbank hierna uit.

4.6.

Het ongeval heeft plaatsgevonden op een fietspad, gelegen naast een provinciale weg. Tussen het fietspad en de provinciale weg ligt een berm waarin straatlantaarns staan. Hoewel deze voornamelijk uitstralen over de provinciale weg, bieden de straatlantaarns ook enige verlichting op het fietspad.

[verzoekster] stelt dat [de overledene] voor haar niet zichtbaar was omdat [de overledene] donkere kleding droeg toen hij op het donkere fietspad liep. [verzoekster] beroept zich ter onderbouwing van haar standpunt op twee foto’s uit het proces-verbaal van het onderzoek ter plaatse dat de politie heeft uitgevoerd. Op deze foto’s wordt uitgebeeld in hoeverre een persoon die donkere kleding draagt zichtbaar is, op een afstand van tien en twintig meter. De rechtbank stelt vast dat de persoon die op die foto’s is afgebeeld, nauwelijks zichtbaar is. Bij het maken van deze foto’s is echter geen rekening gehouden met de verlichting van de snorfiets van [verzoekster] , die ten tijde van het ongeval aan stond. Het licht van een snorfiets is zo ontworpen dat de weg zodanig te overzien is dat (bij oplettend verkeersgedrag) op eventuele obstakels geanticipeerd kan worden. De rechtbank volgt [verzoekster] daarom niet in haar standpunt dat [de overledene] in het geheel niet zichtbaar voor haar is geweest.

De rechtbank is verder van oordeel dat [verzoekster] bij het rijden over het fietspad rekening diende te houden met de mogelijke aanwezigheid van andere weggebruikers met een lagere snelheid, zoals fietsers of - bij gebreke van een direct naast het fietspad gelegen voetpad - voetgangers. Bovendien zullen andere weggebruikers lang niet altijd verlichting voeren, zodat [verzoekster] hier niet op mocht vertrouwen. [verzoekster] had gelet op de omstandigheden dat het donker was en dat het regende haar snelheid zodanig moeten aanpassen en zodanig moeten opletten tijdens het rijden dat zij tijdig op onverwachte obstakels (in dit geval: een voetganger die op het fietspad liep) kon anticiperen. Het is dus niet zo, dat [verzoekster] geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop zij aan het verkeer heeft deelgenomen. Zij kan daarom niet met succes een beroep doen op overmacht.

4.7.

Dit betekent dat de schade in beginsel voor een gedeelte voor rekening blijft van [verzoekster] . Voor welk gedeelte hangt af van de causaliteitsafweging en eventuele billijkheidscorrectie die in het kader van artikel 6:101 BW dient te worden gemaakt.

Causaliteitsverdeling

4.8.

Bij de causaliteitsverdeling wordt de schade verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Het gaat dus om de vraag in welke mate het handelen van [de overledene] en anderzijds het rijgedrag van [verzoekster] aan het ontstaan van het ongeval hebben bijgedragen.

4.9.

Vast staat dat [de overledene] in donkere kleding, zonder verlichting over een vrij donker fietspad liep. Hierdoor was hij niet goed zichtbaar voor andere weggebruikers. Daarbij liep [de overledene] “met het verkeer mee” in plaats van “tegen het verkeer in”, waardoor hij zelf niet kon anticiperen op het verkeer dat hem van achteren naderde. De rechtbank is van oordeel dat [de overledene] hiermee in enige mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en dat [de overledene] daarmee verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verzoekster] .

Aan de andere kant heeft [verzoekster] gelet op de omstandigheden dat het donker was en het regende onvoldoende geanticipeerd op de aanwezigheid van een andere weggebruiker, zoals in dit geval een voetganger. Hoewel is vastgesteld dat [verzoekster] reed op eensnorfiets met een niet goed functionerend remsysteem, kan dit niet leiden tot een hogere mate van aansprakelijkheid aan haar zijde. Uit het onderzoek ter plaatse is immers gebleken dat zij in het geheel niet heeft geremd of is uitgeweken. Juist daaruit kan de fout van [verzoekster] – het onvoldoende anticiperen – worden afgeleid. Dat [verzoekster] op een opgevoerde snorfiets reed, vormt ook geen grond om een groter deel van de schuld voor het ontstaan van het ongeval aan haar toe te rekenen, omdat niet is komen vast te staan dat zij ten tijde van het ongeval harder dan 25 km/u heeft gereden.

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat de fouten van [verzoekster] aanzienlijk meer hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval dan de fouten van [de overledene] . Dit leidt tot de slotsom dat de fouten van [de overledene] voor 15% heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de fouten van [verzoekster] voor 85%.

Billijkheidscorrectie

4.11.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de billijkheidscorrectie tot een andere verdeling dan de causale verdeling leidt. Voor toepassing van die correctie moet het gaan om de aanwezigheid van specifieke, individuele omstandigheden die tot gevolg hebben dat de billijkheid een andere verdeling eist dan de uitkomst van de beoordeling op basis van causaliteit. Daarbij moet rekening worden gehouden met onder andere de mate en ernst van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten, de ernst van het letsel en het al dan niet verzekerd zijn.

4.12.

In dit kader heeft [verzoekster] aangevoerd dat zij als gevolg van het ongeval zeer ernstig letsel heeft opgelopen waar zij nog altijd veel last van heeft, waaronder aangezichtsfracturen en ernstig tandletsel. In de toekomst zal zij nog verschillende medische behandelingen moeten ondergaan. Ook ervaart zij als gevolg van het ongeval psychische klachten. Ten tijde van het ongeval was [verzoekster] slechts zeventien jaar oud en is zij gezien de ernst van het letsel op haar jeugdige leeftijd zwaar getroffen door het ongeval. De impact van het ongeval heeft ook gevolgen gehad voor de studie van [verzoekster] en zij heeft studievertraging opgelopen. Ten slotte heeft [verzoekster] aangevoerd dat zij niet is verzekerd voor de door haar geleden schade.

4.13.

De rechtbank ziet in wat [verzoekster] heeft aangevoerd – haar jeugdige leeftijd, de ernst van het letsel dat zij heeft opgelopen en de gevolgen voor de studie, in combinatie met het feit dat zij niet (volledig) verzekerd is voor haar schade – aanleiding om de vastgestelde causale verdeling met toepassing van de billijkheidscorrectie zodanig te corrigeren dat Unigarant gehouden is 20% van de schade van [verzoekster] te vergoeden.

Conclusie

4.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de onder a. verzochte verklaring voor recht dat sprake is van overmacht zal worden afgewezen. Wel zal de rechtbank de causale verdeling bepalen, in de zin dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat Unigarant aansprakelijk is voor 20% van de schade van [verzoekster] en dat 80% van de schade van [verzoekster] dus voor haar eigen rekening blijft. De onder b. verzochte verklaring voor recht zal worden toegewezen, in die zin dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat Unigarant gehouden is om 20% van de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van [verzoekster] te vergoeden. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het tegenverzoek van Unigarant zal worden afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.15.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.16.

[verzoekster] maakt aanspraak op € 8.004,15 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht en de wettelijke rente.

4.17.

De rechtbank stelt vast dat Unigarant geen verweer heeft gevoerd tegen het aantal gedeclareerde uren of het gehanteerde uurtarief, zodat de rechtbank de totale kosten zal begroten zoals verzocht.

4.18.

De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank worden begroot op 27 uren × € 245,00 exclusief btw, dus op € 6.615,00 exclusief btw. Inclusief btw gaat het dus om een bedrag van € 8.004,15. Vermeerderd met het griffierecht van € 331,00 bedragen de kosten van het deelgeschil in totaal € 8.335,15.

4.19.

De rechtbank overweegt dat, indien de schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW evenredig met de mate van eigen schuld van de benadeelde wordt verminderd, ook de verplichting om de in artikel 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten te vergoeden in beginsel in dezelfde mate verminderd dient te worden. Dit geldt ook voor de kosten van de behandeling van het deelgeschil, nu deze op grond van artikel 1019aa Rv hebben te gelden als kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Eerder in deze beschikking is bepaald dat Unigarant 20% van de schade van [verzoekster] dient te vergoeden. Dit betekent dat Unigarant ook 20% van de kosten van de behandeling van het deelgeschil, derhalve een bedrag van € 1.667,03, aan [verzoekster] dient te vergoeden.

4.20.

De verzochte wettelijke rente zal worden toegewezen in die zin, dat als Unigarant de proceskosten niet binnen veertien dagen na het wijzen van deze beschikking heeft betaald over deze kosten ook de wettelijke rente moet worden betaald. Rechtbank Noord-Holland 5 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2391