Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 260325 beoordeling rapport ad-er over VAV; 2 uur/dag beschikbaar voor arbeid (i.p.v. 4 uur volgens fml vza)

RBLIM 260325 beoordeling rapport ad-er over VAV; 2 uur/dag beschikbaar voor arbeid (i.p.v. 4 uur volgens fml vza)

in vervolg op onder meer:
RBLIM 120423 25 jarige man met dwarslaesie vanaf tepellijn, rolstoelafhankelijk, hulp- en zorgbehoevend na verkeersongeval; smartengeld € 150.000,00, duur van het lijden nvb
- tzv behoefte aan verpleging/verzorging, begeleiding en hh wordt gezamenlijk deskundige (18,5 uur) gevolgd en niet partijdeskundige (25 uur)
- tzv VAV wordt partijdeskundigenrapporte terzijde gesteld; partijen mogen zich uitlaten over vraagstelling en persoon ad-er
- meerkosten autogebruik tov fiets en motor, kilometerkosten adhv ANWB- tabellen; met aftrek van kosten uit jaar voor ongeval
- kosten tzv belangenbehartiging en administratie door familielid en kosten tzv belasting en bezwaar UWV grotendeels afgewezen
Indien [eiser] een goede belangenbehartiger/advocaat heeft, is het niet nodig dat hij daarnaast advies inwint bij zijn tante en zijn vriend
- onvoldoende onderbouwd dat eiser voorafgaand aan ongeluk € 1.000,- netto per jaar verdiende met kluswerkzaamheden
- BGK advocaat; niet gebleken van verrichtingen anders dan schikkingsvoorstel, inwinnen van eenvoudige inlichtingen en samenstellen dossier
- verzekeraar is gehouden om jaarlijks, uiterlijk op 1 februari, een voorschot van € 50.000,00 aan [eiser] te betalen

2Inleiding

2.1.

In het tussenvonnis van 12 april 2023 heeft de rechtbank beslissingen genomen over diverse geschilpunten tussen partijen. Voor wat betreft de grootste schadepost, de schade als gevolg van het verlies aan verdienvermogen, heeft de rechtbank aangegeven het wenselijk te achten een arbeidsdeskundige te raadplegen. Dat is inmiddels gebeurd. Arbeidsdeskundige de heer mr. G.H. De Haan (hierna: De Haan) heeft de vragen van de rechtbank beantwoord in zijn deskundigenrapport van 15 juli 2024. Partijen hebben hierop gereageerd. In dit vonnis zal de rechtbank het rapport en de kritiek van partijen daarop bespreken en vervolgens beslissen hoe de zaak verder moet gaan.

3De verdere beoordeling

Het standpunt van KBC

3.1.

KBC stelt samengevat dat zij steekhoudende en zwaarwegende argumenten heeft op basis waarvan de conclusies van De Haan niet als uitgangspunt kunnen worden genomen bij de berekening van het verlies van verdienvermogen. Primair pleit zij voor benoeming van een nieuwe arbeidsdeskundige en subsidiair stelt zij dat de door de deskundige vastgestelde uitgangspunten voor de berekening van het verlies verdienvermogen moeten worden aangepast. KBC heeft zich voor de formulering van haar standpunten laten bijstaan door Arbeidsdeskundig bureau LLC, meer specifiek [naam] .

Het standpunt van [eiser]

3.2.

[eiser] vraagt de rechtbank de rapportage van [naam] buiten beschouwing te laten. Als kritiek op het rapport van De Haan voert [eiser] aan dat De Haan bij zijn conclusies ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de compensatie toeslaguren, verdere salariële groeistappen, alsmede de werkzaamheden buiten/naast werk bij Jan Linders , de onkostenvergoedingen en personeelskortingen. Ook stelt [eiser] dat hij in het geheel geen arbeid kan verrichten, terwijl de arbeidsdeskundige vindt dat hij twee uur per dag kan werken.

Het juridisch kader

3.3.

De rechtbank stelt het volgende voorop. De deskundige is vrij in de wijze waarop hij het onderzoek verricht. Zijn rapport dient deugdelijk onderbouwd te zijn, wat onder meer inhoudt dat de deskundige inzichtelijk maakt hoe hij tot zijn oordeel is gekomen en hoe zijn oordeel zich verhoudt tot de gebruikelijke zienswijzen en richtlijnen binnen zijn beroepsgroep. Als de deskundige daarvan afwijkt, moet hij dat deugdelijk motiveren.

Alleen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren kunnen er toe leiden dat de rechter zal afwijken van het rapport. Daarvan is sprake:

- als het rapport intern inconsistent of onbegrijpelijk is

- als in het rapport zonder goede redenen relevante beschikbare informatie wordt genegeerd

- als in het rapport niet wordt gereageerd op door partijen gestelde relevante vragen

- als het rapport logische denkfouten bevat

- als het rapport op partijdige wijze tot stand is gekomen.

De enkele omstandigheid dat de deskundige zijn beoordeling naar de mening van een partij niet voldoende heeft toegelicht of onderbouwd is onvoldoende reden om het oordeel van de deskundige niet te volgen.

De conclusie van de rechtbank

3.4.

De rechtbank is van oordeel dat de uitgangspunten zoals opgenomen in het rapport van De Haan moeten worden gevolgd bij de berekening van het verlies van verdienvermogen. De door partijen aangevoerde bezwaren zijn onvoldoende steekhoudend en bezwarend om van het rapport van De Haan af te wijken. Hierna wordt toegelicht hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. Meer specifiek zal de rechtbank hierna ingaan op:
(i) de conclusie van De Haan dat [eiser] - gelet op zijn belastbaarheid - ongeveer twee uur per dag beschikbaar is om arbeid te verrichten,

(ii) de hoogte van het uurloon dat als uitgangspunt dient bij het vaststellen van de restverdiencapaciteit,
(iii) de door De Haan genoemde promoties die [eiser] zou hebben kunnen maken in het geval het ongeval hem niet was overkomen.

Ad (i) situatie met ongeval: aantal uren beschikbaar voor arbeid

3.5.

[eiser] heeft voor het ongeval op 3 september 2014 fulltime (40 uren per week) gewerkt in de functie van 1e verkoopmedewerker bij supermarkt Jan Linders . Deze functie kan hij niet meer uitoefenen. De rechtbank heeft aan De Haan gevraagd of hij [eiser] geschikt vindt voor andere arbeid die gelet op zijn beperkingen, ervaring, opleiding en belangstelling passend is en zo ja in welke omvang. In zijn rapport heeft De Haan de uitgangspunten benoemd die de beschikbaarheid en belastbaarheid voor arbeid bepalen en beïnvloeden. In dat kader geeft De Haan op pagina 18 van zijn rapport aan dat hij voor de belastbaarheid van [eiser] na het verkeersongeval uitgaat:

-van het verzekeringsgeneeskundig verslag van 6 juli 2016 van de verzekeringsarts van het UWV, de heer J.T.H.M. Jagt (hierna Jagt) en de bijbehorende de Functionele Mogelijkhedenlijst van dezelfde datum (productie 14 dagvaarding), ,

- het rapport van Haver Droeze d.d. 12 februari 2018 (productie 27 dagvaarding, voortbouwend op haar eerder rapport dat is overgelegd als productie 21 dagvaarding),

- de wijze waarop [eiser] zijn leven heeft ingericht om een zo goed mogelijke gezondheidstoestand en conditie te houden. [eiser] heeft dagelijks tijd nodig voor zijn persoonlijke verzorging, voor rustmomenten, voor frequente fysiotherapeutische behandelingen, voor oefeningen, voor het staan aan een statafel, voor elektrostimulatie en voor sport. Rekening houdende met het voorgaande concludeert De Haan tot een beschikbaarheid voor arbeid van ongeveer twee uren per dag.

3.6.

KBC stelt dat De Haan de beschikbaarheid voor twee uur per dag onvoldoende heeft onderbouwd. Zij concludeert op basis van het verzekeringsgeneeskundig rapport van Jagt, het herbeoordelingsrapport van de heer J.A.M. Houberg van Incentivo en de door hen opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijsten (productie 14 en 24 bij dagvaarding) dat [eiser] vier uur per dag beschikbaar is voor arbeid.

3.7.

[eiser] meent daarentegen dat het voor hem niet haalbaar is om twee uur per dag betaalde arbeid te verrichten, laat staan vier uur. Hij wijst erop dat hij dagelijks heel veel pijn heeft en moet rusten als de pijn te erg wordt. Ook moet hij dagelijks allerlei oefeningen doen en moet hij sporten en naar fysiotherapie om zijn lichaam in conditie te houden en zodoende complicaties te voorkomen. Verder wijst [eiser] erop dat in het herbeoordelingsrapport van Houberg/Incentivo de conclusies van het verzekeringsgeneeskundig rapport van Jagt volledig zijn weerlegd. In dat laatste rapport stond namelijk dat [eiser] - ondanks dat hij vanaf de tepellijn volledig verlamd is - kon hurken, knielen, buigen, reiken en traplopen. Als gevolg van het herbeoordelingsrapport is aan [eiser] een IVA-uitkering toegekend in plaats van een WGA-uitkering. Verder heeft [eiser] nog gewezen op het feit dat hij al eerder een re-integratietraject bij ICL heeft gevolgd en dat dit niet is gelukt.

3.8.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft De Haan voldoende begrijpelijk en consistent onderbouwd waarom hij tot de conclusie komt dat [eiser] twee uur per dag beschikbaar is voor arbeid. Uit de tijd die [eiser] dagelijks nodig heeft voor zijn persoonlijke verzorging, voor rustmomenten, voor frequente fysiotherapeutische behandelingen, voor oefeningen, voor het staan aan een statafel, voor elektrostimulatie en voor sport blijkt dat er niet meer tijd en energie overblijft om te werken dan twee uur per dag. Bij al deze dingen gaat het niet om luxe, maar om wat nodig is om [eiser] in een zo goed mogelijke gezondheid en conditie te houden.

3.9.

Dat hier allemaal dagelijks tijd voor nodig is, heeft De Haan kunnen en mogen afleiden uit het rapport van Haver-Droeze en uit zijn persoonlijk gesprek met [eiser] . Dit laatste heeft te gelden als eigen onderzoek van de arbeidsdeskundige waaraan hij zijn eigen conclusies mag verbinden. Wat in dit persoonlijk gesprek aan de orde is gekomen, is vermeld in het rapport van De Haan op pagina 10. [eiser] vertelt dat hij ’s ochtends en ’s avonds last heeft van spasmen en moet rekken en strekken. Hierdoor staat hij om 7 uur op en is hij pas om 10 uur klaar om aan de dag te beginnen. [eiser] vertelt ook dat hem is geadviseerd dagelijks 1 uur aan een soort statafel te staan voor fysieke stimulatie van de botbelasting en doorbloeding. Ook is hem geadviseerd dagelijks 1 uur elektrostimulatie te ondergaan van benen/billen om decubitus te voorkomen. Verder heeft hij op maandag en donderdag fysiotherapie en fysio fitness van 10 uur tot 14 uur, op woensdag handbiketraining en donderdagavond zwemmen. In het rapport van Haver-Droeze staat dat het [eiser] ’s ochtends ongeveer drie uur kost voordat hij klaar is om aan de dag te beginnen en dat hij twee keer per dag ongeveer 60 tot 90 minuten moet liggen om zijn rug te ontlasten vanwege pijnklachten. Bij elkaar, zo constateert de rechtbank, levert dit al zes uur per dag op die [eiser] niet beschikbaar is voor werk. Ook blijkt uit het rapport van Haver-Droeze dat [eiser] tijd nodig heeft voor fysiotherapie, fysio fitness en trainen op de handbike zowel binnenshuis als buitenshuis. Wat [eiser] aan De Haan heeft verteld, komt dus overeen met het rapport Haver-Droeze.

3.10.

Volgens de Functionele Mogelijkhedenlijsten bij de rapporten van Jagt en Houberg/Incentivo kan [eiser] 4 uur per dag werken, maar dat past naar het oordeel van de rechtbank niet bij de tijd die [eiser] dagelijks nodig heeft voor alles wat hierboven is omschreven. De rechtbank gaat aan deze lijsten dan ook voorbij. In de Functionele Mogelijkhedenlijst van Jagt stonden bovendien meer onjuistheden waaronder dat iemand met een hoge dwarslaesie kan hurken en knielen en traplopen. Het rapport van Jagt wat was opgesteld in het kader van de WIA-beoordeling is dan ook niet voor niets terzijde gesteld door het rapport Houberg/Incentivo waarin een herbeoordeling is gedaan. In dat laatste rapport staat als conclusie dat [eiser] duurzaam en blijvend arbeidsongeschikt is voor loonvormende arbeid in de zin van sociale zekerheidswetgeving waardoor hij een IVA-uitkering (voor volledige arbeidsongeschiktheid) ontvangt in plaats van een WGA-uitkering (voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid). De rechtbank kan deze conclusie in het rapport Houberg/Incentivo niet rijmen met de mogelijkheid om vier uur per dag te werken in de bijbehorende Functionele Mogelijkhedenlijst.

3.11.

De rechtbank zal dan ook conform het rapport van De Haan een 10-urige werkweek in de situatie met ongeval tot uitgangspunt nemen bij de berekening van het verlies van verdienvermogen.

3.12.

De rechtbank gaat ervan uit dat [eiser] met ingang van drie maanden na datum van dit vonnis deze werkzaamheden zal kunnen verrichten omdat er door de arbeidsdeskundige geen verdere belemmeringen worden genoemd.

Ad (ii) Uurloon restverdiencapaciteit

3.13.

De Haan heeft geconcludeerd dat het beginsalaris voor de berekening van de restverdiencapaciteit op € 15,03 per uur exclusief 8 % vakantietoeslag moet worden gesteld. Ter onderbouwing van deze conclusie verwijst De Haan naar drie vacatures, te weten voor Callcenter Medewerker Rabobank, Klantenservicemedewerker Rabobank en een vacature bij Clarna.

3.14.

KBC vindt deze onderbouwing onvoldoende. KBC wijst erop dat in feite maar twee vacatures zijn genoemd omdat in de vacaturetekst van Clarna geen salaris staat. Bovendien zijn die twee vacatures voor dezelfde functie bij verschillende locaties van dezelfde werkgever, te weten de Rabobank. Verder merkt KBC op dat het salaris in de vacatures een reikwijdte heeft van € 15,03 tot € 21,46. KBC vindt onvoldoende toegelicht waarom De Haan het laagste uurloon aanhoudt terwijl dit vanwege de leeftijd van [eiser] niet voor de hand ligt. KBC stelt dat uitgegaan moet worden van € 18,00 per uur.

3.15.

[eiser] voert geen verweer tegen het door De Haan gehanteerde tarief van € 15,03 exclusief vakantietoeslag.

3.16.

De rechtbank is van oordeel dat uitgegaan moet worden van de conclusie van De Haan op dit punt, omdat het door hem gehanteerde tarief blijkt uit de door hem overgelegde stukken en hij daarbij vermeldt dat het gaat om een beginsalaris. Het betreffen functies die volledig nieuw zijn voor [eiser] en het is redelijk om dan uit te gaan van het startsalaris, ongeacht de leeftijd van [eiser] .

Ad (iii) Promoties in de situatie zonder ongeval

3.17.

Uit het deskundigenrapport van De Haan blijkt dat [eiser] sinds 2006 werkzaam was bij supermarkt Jan Linders BV. Aanvankelijk was het een vakantiebaantje naast school (MBO4-opleiding), maar sinds 2012 had [eiser] een traineecontract met de intentie om een leidinggevende functie te gaan bekleden. Hij heeft destijds ook als leidinggevende gewerkt. Sinds 2013 (en ook ten tijde van het ongeval) was [eiser] namelijk werkzaam in de functie van 1ste verkoopmedewerker, wat een leidinggevende functie is. Deze functie viel in CAO-functieschaal C en werd verricht in een 40-urige werkweek tegen een salaris van destijds € 12,52 bruto per uur exclusief vakantiegeld. Indien [eiser] het ongeval niet was overkomen dan was volgens De Haan de verwachting dat [eiser] per januari 2016 zou zijn gepromoveerd naar Manager Food- non food/houdbaar of manager Vers (CAO-functieschaal F) tegen een salaris van € 14,34 bruto per uur oplopend tot € 14,85 bruto per uur tot november 2017. Deze conclusie baseert De Haan op het feit dat [eiser] een MBO4-opleiding heeft afgerond, hij ambities daartoe had uitgesproken en hij een traineeship daartoe had doorlopen. Ook baseert De Haan dit op interviews met de supermarktmanager en rayonmanager van Jan Linders BV.

3.18.

Partijen zijn het eens met de conclusie dat [eiser] op enig moment zou zijn gepromoveerd naar Manager Food-non food/houdbaar of manager Vers, maar KBC stelt dat dit niet eerder dan januari 2018 zou zijn geweest omdat [eiser] er ook 6/7 jaren (periode 2006-2013) over heeft gedaan om 1ste verkoopmedewerker te worden.

De rechtbank neemt de conclusie van De Haan over. Het feit dat [eiser] enige tijd erover heeft gedaan om 1ste verkoopmedewerker te worden, is te verklaren doordat [eiser] in 2006 als vakantiewerker (als bijbaantje) bij Jan Linders BV is gestart en dat hij pas in 2013 fulltime is gaan werken. Wat KBC stelt is in ieder geval onvoldoende steekhoudend om aan de gemotiveerde conclusie van De Haan dat [eiser] binnen twee jaar zou promoveren van 1ste verkoopmedewerker naar Manager Food-non food/houdbaar of manager Vers voorbij te gaan. Het schetsen van een carrièreverloop zonder ongeval is nu eenmaal arbitrair, maar De Haan heeft voldoende inzichtelijk en gemotiveerd uiteengezet hoe hij tot zijn conclusie is gekomen.

3.19.

De Haan concludeert vervolgens dat het mogelijk was geweest dat [eiser] – zonder ongeval – begin 2018 zou zijn doorgestroomd naar assistent supermarktmanager en in januari 2020 naar supermarktmanager. Daar is een HBO-diploma voor vereist, maar De Haan motiveert dat het aannemelijk is dat [eiser] met succes een HBO-opleiding zou hebben gevolgd nu [eiser] al een MBO4-diploma had behaald en bij Jan Linders een traineeship heeft gevolgd. In dat kader heeft [naam] (de supermarktmanager bij Jan Linders BV ten tijde van het ongeval) verklaard dat een traineeship alleen wordt aangeboden als de verwachting bestaat dat de betrokken werknemer de kwaliteiten heeft om door te stromen naar een leidinggevende functie.

3.20.

KBC betwist dat [eiser] deze promotie zonder ongeval zou hebben gemaakt, omdat hij geen HBO-diploma heeft en omdat [eiser] de kernkwaliteiten die De Haan benoemd (namelijk managementvaardig, leidinggeven en technisch) volgens KBC niet heeft. Volgens KBC is door De Haan niet onderbouwd dat [eiser] die eigenschappen heeft, terwijl in het rapport van Haver Droeze staat dat de moeder van [eiser] iets heeft gezegd over negatieve uitkomsten van een persoonlijkheidstest die [eiser] in 2013 zou hebben ondergaan.

3.21.

[eiser] is het eens met de conclusies van De Haan.

3.22.

De rechtbank is van oordeel dat De Haan voldoende duidelijk en consistent heeft uitgelegd waarom hij tot de conclusie komt dat [eiser] een promotie tot assistent supermarktmanager en supermarktmanager zou hebben kunnen maken als hem het ongeval niet was overkomen. [eiser] had immers bij Jan Linders een traineeship doorlopen met de intentie om een leidinggevende functie binnen Jan Linders te gaan bekleden. Hij heeft ook als zodanig gewerkt, namelijk als 1ste verkoopmedewerker. Supermarktmanager [naam] , waarmee De Haan heeft gesproken, heeft bovendien verklaard dat traineeships alleen aan medewerkers worden aangeboden als die de kwaliteiten hebben om door te stromen naar leidinggevende functies. Rayonmanager [naam] (rayonmanager bij Jan Linders BV ten tijde van het ongeval) heeft nog aangegeven dat al bij de start van een HBO-opleiding een medewerker zou kunnen doorgroeien naar assistent supermarkmanager en bij diploma en gebleken geschiktheid (en vacature) naar supermarktmanager. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er – zeker in de huidige krappe arbeidsmarkt – geen duidelijke objectieve contra-indicaties waardoor de conclusie van De Haan inconsistent of onbegrijpelijk zou zijn. De Haan heeft de voorhanden zijnde informatie gewaardeerd en is tot een conclusie gekomen. De enkele omstandigheid dat de deskundige zijn beoordeling naar de mening van een partij niet genoegzaam heeft toegelicht of gemotiveerd is een onvoldoende grond om het oordeel van de deskundige ter zijde te kunnen stellen.

Verdere bespreking van het rapport

3.23.

[eiser] heeft als commentaar op het rapport aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de compensatie toeslaguren, verdere salariële groeistappen, alsmede de werkzaamheden buiten/naast werk bij Jan Linders , de onkostenvergoedingen en personeelskortingen. De rechtbank concludeert dat De Haan naar aanleiding van de opmerkingen van [eiser] op de conceptrapportage in zijn definitieve rapportage onregelmatigheidstoeslag en overuren heeft meegenomen als loonelementen (pagina 19, 20 en 22 van het rapport). Onkostenvergoedingen en personeelskortingen zijn terecht buiten beschouwing gebleven omdat die geen relatie met het arbeidsvermogen hebben. Verder geeft [eiser] zelf aan dat zijn werkzaamheden buiten zijn werk bij Jan Linders niet structureel waren, zodat ook daarmee geen rekening hoeft te worden gehouden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat dat de kritiek van [eiser] op het eindrapport van De Haan onvoldoende zwaarwegend en steekhoudend is om daarvan af te wijken.

Vervolg van de procedure: rekenkundige en rekenrente

3.24.

Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat bij de berekening van het verlies aan verdienvermogen moet worden uitgegaan van de uitgangspunten zoals door De Haan geformuleerd. Dat houdt in grote lijnen in dat [eiser] met ongeval nog zou kunnen werken op basis van een 10-urige werkweek met een startsalaris van € 15,03 exclusief 8% vakantiegeld en zonder ongeval per januari 2016 promotie zou hebben gemaakt naar Manager Food-non food/houdbaar of manager Vers en begin 2018 zou zijn doorgestroomd naar assistent supermarktmanager en per januari 2020 naar supermarktmanager.

3.25.

Voor de berekening van het verlies aan verdienvermogen ziet de rechtbank aanleiding om een rekenkundige in te schakelen. Voor een rekenkundige is het essentieel dat uit de uitspraak volgt welk percentage voor rendement en welk percentage voor inflatie moet worden gehanteerd. Als het gaat om de toekomstige rente- en inflatieontwikkeling komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter op dit moment. De rechtbank is voornemens voor de rekenrente aan te sluiten bij de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van 1 augustus 2024 (hierna de Aanbevelingen) die vanuit de rechtspraak (LOVCK/LOVC-Hoven en Expertgroep Personenschade) zijn gedaan en te vinden zijn op www.rechtspraak.nl. Aan de redelijke verwachting van de rechter is met de Aanbevelingen een invulling gegeven. Deze Aanbevelingen heeft de rechterlijke macht bovendien juist ook gedaan om discussies als deze zoveel mogelijk uniform, en afgestemd op de economische situatie ten tijde van de kapitalisatie, te beslechten. Het gaat dan om de volgende percentages: <afbeelding>

Periode Rente Inflatie
0-5 jaar 1,5% 2,0%
6-30 jaar 2,0% 2,0%
> 30 jaar 2,0% 2,0%
 

(afbeelding weggevallen op rechtspraak.nl, waarschijnlijk zijn deze cijfers bedoeld, red. LSA LM)

 

3.26.

De rechtbank is voornemens om de volgende vragen aan de rekenkundige te stellen:

  1. Kunt u, rekening houdend met de door de rechtbank in dit vonnis vastgestelde uitgangspunten, , een rekenkundige opstelling van het verlies van verdienvermogen van [eiser] vaststellen?
  2. Zo ja, wat is het verlies verdienvermogen van [eiser] ?

3. Heeft u opmerkingen die u van belang acht voor een goede beoordeling van deze zaak?

3.27.

Voordat de rechtbank overgaat tot benoeming van een rekenkundige zal zij partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de rekenrente die de rechtbank voornemens is te hanteren en over de te benoemen rekenkundige en de hiervoor genoemde onderzoeksvragen. Het staat partijen vrij om in onderling overleg een rekenkundige voor te dragen, maar mochten partijen hier niet in slagen dan draagt de rechtbank partijen op ieder afzonderlijk drie rekenkundigen voor te stellen van hun voorkeur en drie rekenkundigen met wie zij zich niet kunnen verenigen en om deze keuze te motiveren. Hiertoe zal de zaak naar de rol worden verwezen. De rechtbank zal dan met inachtneming van de door partijen ingediende voorstellen in dat geval zelf een keuze maken, waarbij de rechtbank zich vrij acht een rekenkundige te benoemen waartegen partijen niet op voorhand (deugdelijk gemotiveerd) bezwaar hebben gemaakt.

4De beslissing

De rechtbank

4.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 23 april 2025 voor het nemen van een akte uitlating over de rekenrente, de persoon van de te benoemen rekenkundige op de wijze zoals omschreven in rechtsoverweging 3.27 en de voorgestelde vraagstelling aan de zijde van beide partijen,

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan. Rechtbank Limburg 26 maart 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:2714