RBLIM 280623 dwarslaesie na verkeersongeval; benoeming ad-er t.z.v. verlies verdienvermogen;
- Meer over dit onderwerp:
RBLIM 280623 dwarslaesie na verkeersongeval; benoeming ad-er t.z.v. verlies verdienvermogen;
in vervolg op onder meer:
RBLIM 120423 25 jarige man met dwarslaesie vanaf tepellijn, rolstoelafhankelijk, hulp- en zorgbehoevend na verkeersongeval; smartengeld € 150.000,00, duur van het lijden nvb
- tzv behoefte aan verpleging/verzorging, begeleiding en hh wordt gezamenlijk deskundige (18,5 uur) gevolgd en niet partijdeskundige (25 uur)
- tzv VAV wordt partijdeskundigenrapporte terzijde gesteld; partijen mogen zich uitlaten over vraagstelling en persoon ad-er
- meerkosten autogebruik tov fiets en motor, kilometerkosten adhv ANWB- tabellen; met aftrek van kosten uit jaar voor ongeval
- kosten tzv belangenbehartiging en administratie door familielid en kosten tzv belasting en bezwaar UWV grotendeels afgewezen
- Indien [eiser] een goede belangenbehartiger/advocaat heeft, is het niet nodig dat hij daarnaast advies inwint bij zijn tante en zijn vriend
- onvoldoende onderbouwd dat eiser voorafgaand aan ongeluk € 1.000,- netto per jaar verdiende met kluswerkzaamheden
- BGK advocaat; niet gebleken van verrichtingen anders dan schikkingsvoorstel, inwinnen van eenvoudige inlichtingen en samenstellen dossier
- verzekeraar is gehouden om jaarlijks, uiterlijk op 1 februari, een voorschot van € 50.000,00 aan [eiser] te betalen
2Rechterswissel
2.1.
[eiser] heeft verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling, omdat nadat het tussenvonnis van 12 april 2023 is gewezen, een rechterswissel heeft plaatsgevonden. Dit verzoek wordt afgewezen in het belang van een voortvarende procesvoering.
2.2.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat een rechtelijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling (behoudens bijzondere omstandigheden) dient te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, teneinde te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing (r.o. 3.4.2 ECLI:NL:HR:2014:3076, r.o. 3.8 ECLI:NL:HR:2016:662 en r.o. 3.7.1. tot en met 3.8 ECLI:NL:HR:2020:472).
2.3.
Aan dit uitgangspunt wordt voldaan. Het tussenvonnis van 12 april 2023 is mede gewezen door rechter mr. F. Alink-Steinberg en deze beslissing is onder meer gebaseerd op de inlichtingen die partijen tijdens de mondelinge behandeling op 12 januari 2023 hebben gegeven. De rechtbank heeft in dat tussenvonnis op alle geschilpunten die op de mondelinge behandeling aan de orde zijn geweest beslist. Daaraan doet niet af dat op het punt van verlies van verdienvermogen nog nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Pas na het uitspreken van de beslissing is rechter mr. F. Alink-Steinberg benoemd tot raadsheer bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch en derhalve voor de verdere behandeling van de onderhavige zaak vervangen door rechter mr. R.J.M.G. Rulkens.
2.4.
In dit vonnis benoemt de nieuw samengestelde Meervoudige Kamer de arbeidsdeskundige en worden de onderzoeksvragen geformuleerd. Dit vonnis is niet meer dan een uitvoering van het tussenvonnis van 12 april 2023: er wordt geen beslissing genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, maar op grond van een eerder vonnis.
2.5.
In een toekomstig vonnis behoeft alleen nog een inhoudelijke beslissing te worden genomen over de hoogte van het verlies van verdienvermogen. Deze beslissing zal in beginsel worden gebaseerd op het nog op te maken rapport door de nog te benoemen arbeidsdeskundige en de conclusies na deskundigenbericht van partijen. Eventueel kunnen partijen alsdan nog om een nadere mondelinge behandeling verzoeken, maar die zal dan alleen nog gaan over het rapport en de hoogte van de schade als gevolg van het verlies van verdienvermogen.
3De verdere beoordeling
3.1.
Het eerder in rechtsoverweging 4.29 van het vonnis van 12 april 2023 aangekondigde deskundigenbericht zal nu worden bevolen. De rechtbank heeft kennis genomen van de aktes van partijen over de persoon van de deskundige(n), de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen en de aan de arbeidsdeskundige ter beschikking te stellen (medische) stukken. Mede gelet daarop zal de rechtbank de onder de beslissing vermelde deskundige benoemen. De rechtbank heeft eerder al aangegeven zelf een keuze te maken en zich vrij te achten een deskundige te benoemen waartegen partijen niet op voorhand (gemotiveerd) bezwaar hebben gemaakt. Aan deze deskundige zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd.
3.2.
De rechtbank zal hierna ingaan op de reacties van partijen op de door de rechtbank in het vonnis van 12 april 2023 geformuleerde vraagstelling.
3.2.1.
Aangezien partijen in 2017 al overeenstemming hadden over de vraagstelling zal de rechtbank zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij de vraagstelling zoals verwoord in de brief van 12 april 2017 van mr. Van (zoals inmiddels door Achmea als productie 14 overgelegd) en geaccordeerd zijdens [eiser] (producties 3 van Achmea).
3.2.2.
Aan vraag twee wil [eiser] graag toegevoegd zien ”rekening houdend met de belasting die uitgaat van zijn dagelijkse leven en het woon-werkverkeer”. Deze zin zal niet worden toegevoegd, omdat de rechtbank zonder nadere toelichting niet inziet wat dit toevoegt. In de zin daarvoor staat immers al dat de deskundige rekening moet houden met de beperkingen, ervaring, opleiding en belangstelling en bij vraag 4 wordt al aandacht gevraagd voor de afstand wonen-werken.
3.2.3.
[eiser] acht vragen 6 en 7 zoals verwoord in het vonnis van 12 april 2023 niet relevant. De rechtbank acht die vragen wel relevant en dan met name voor de berekening van het verlies aan verdienvermogen en gaat er vanuit dat de arbeidsdeskundige bij de beantwoording van deze vragen rekening houdt met de ontwikkelingen in de afgelopen negen jaren en de voorzienbare toekomstige ontwikkelingen. De vragen 6 en 7 zullen derhalve aan de deskundige worden voorgelegd.
3.2.4.
De door [eiser] voorgestelde toevoeging op vraag 8 wordt ook niet overgenomen. In feite zit dit al geïncorporeerd in de nieuwe vraag 5. Bovendien zitten daar aannames in, die zonder nadere onderbouwing niet zonder meer de basis kunnen zijn voor een arbeidsdeskundig onderzoek (zoals dat hij veel overuren maakte en onregelmatig werk verrichtte en als klusser heeft laten zien dat hij veel aanleg had voor het verrichten van werkzaamheden in de bouw en als hovenier).
3.2.5.
De extra vraag 10 (luidende: “Heeft u in de afgelopen vijf jaar opdrachten uitgevoerd of anderszins werkzaam geweest voor Achmea of aan Achmea gerelateerde ondernemingen?”) wordt ook niet toegevoegd. De rechtbank heeft voorafgaande aan dit vonnis de deskundige bij brief van 7 juni 2023 het tussenvonnis toegestuurd en de volgende vragen gesteld:
- “Staat u onpartijdig en onafhankelijk ten opzichte van [eiser] enerzijds en KBC Verzekeringen/Achmea Schadeverzekeringen NV anderzijds (zie daarover par. 4.5. van bijgaand vonnis)? In dat kader zou de rechtbank in ieder geval graag van u willen weten of u de afgelopen vijf jaar opdrachten heeft uitgevoerd voor Achmea of anderszins werkzaam geweest voor Achmea of aan Achmea gerelateerde ondernemingen.
- Bent u bereid om als deskundige te worden benoemd?
- Indien het antwoord op vraag b ja is:
- kunt u nu al een kostenbegroting maken of wilt u daarmee wachten totdat u de processtukken (inclusief het rapport van Haver Droeze) van partijen heeft ontvangen? Als u dat nu al kunt, ontvang ik graag een offerte/kostenbegroting van u.
- hoe lang denkt u nodig te hebben voor uw onderzoek? Standaard neemt de rechtbank in het benoemingsvonnis op dat de deskundige uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot zijn definitieve rapport en declaratie bij de rechtbank dient in te leveren. Is dit voor u voldoende tijd?”
Per e-mailbericht van 16 juni 2023 heeft de deskundige de rechtbank als volg geantwoord:
“In antwoord op uw bericht van 7 juni jl. kan ik u mededelen dat noch in mijn herinnering, noch uit het raadplegen van mijn boekhouding, is gebleken dat ik in de afgelopen 5 jaren een opdracht voor Achmea of aan Achmea gerelateerde ondernemingen heb uitgevoerd. Ik ben in ieder geval onpartijdig en onafhankelijk.
Ik heb inmiddels het tussenvonnis bestudeerd.
Het is een complex en bewerkelijk onderzoek waarbij diverse bronnenonderzoeken dienen plaats te vinden.
Om een indicatie van de uren te maken is kennisname van de processtukken wel vereist.
Een termijn van 3 maanden is wellicht te krap, gezien de aankomende vakantieperiode en daarmee ook het moeizamer verzamelen van informatie.
Met vriendelijke groet
Dhr. Mr. G.H. (Ger) de Haan.”
3.2.6.
Tegen de overige toevoegingen van [eiser] ziet de rechtbank geen bezwaren, zodat die in de vraagstelling zullen worden verwerkt.
3.3.
In de vorige beslissing is al aangekondigd dat Achmea/KBC het voorschot op de kosten van de deskundige moet deponeren.
3.4.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
3.5.
Verder wijst de rechtbank de arbeidsdeskundige erop dat indien hij het noodzakelijk acht om een verzekeringsarts te bevragen, hij deze dan zelfstandig als hulpdeskundige kan inschakelen. De voorwaarden waaronder dat dient te geschieden zijn opgenomen in hoofdstuk 10 van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie).
3.6.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.
3.7.
De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan. Zij zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
- Kunt u een volledige en gedetailleerde inventarisatie maken van de opleidingen, kennis, vaardigheden en het arbeidsverleden van [eiser] ?
- Vast staat dat [eiser] zijn laatstelijk (voorafgaande aan het ongeval op 3 september 2014) uitgeoefende functie van 1ste verkoopmedewerker bij supermarkt Jan Linders te [plaatsnaam] niet meer kan uitoefenen. Acht u [eiser] geschikt voor andere arbeid die gelet op zijn beperkingen, ervaring, opleiding en belangstelling passend te achten is? Zo ja, in welke omvang?
- Welk inkomen kan [eiser] daarmee genereren?
- Acht u het aannemelijk dat [eiser] de arbeid waarvoor hij door u eventueel nog geschikt wordt geacht ook daadwerkelijk op voor [eiser] in redelijkheid te bereizen afstand kan verwerven? Zo ja, op welke termijn? Indien daartoe een opleiding of begeleiding noodzakelijk is, wordt u verzocht aan te geven wat de mogelijkheden daartoe zijn. Wilt u uw antwoord uitgebreid motiveren en onderbouwen?
- a. Kunt u, op basis van opleidingen, kennis, vaardigheden, arbeidsverleden
en andere door u relevant geachte feiten en omstandigheden aangeven hoe
het redelijkerwijs te verwachten carrièreverloop van de heer [eiser] zou
zijn geweest in de situatie waarin het ongeval van 3 september 2014 wordt
weggedacht?
b. Kunt u bij het in vraag a beschreven te verwachten carrièreverloop een
bijpassende, verwachte salarisontwikkeling geven? - Tot welke leeftijd wordt het beroep/de functie van [eiser] doorgaans uitgeoefend?
- Bestaat de mogelijkheid in de functie van [eiser] gebruik te maken van een regeling om vervroegd uit te treden? Hoeveel procent van de werknemers maakt daarvan gebruik?
- Onder welke voorwaarden komt men in het algemeen in aanmerking voor een bevordering tot afdelingsmanager en daarna tot supermarktmanager? Voldoet [eiser] in de hypothetische situatie zonder ongeval op 3 september 2014 naar uw oordeel aan die voorwaarden voor promotie?
- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
4.2.
benoemt tot deskundige:
Dhr. Mr. G.H. de Haan,
werkzaam bij Klaver Expertise