Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 051225 vdo verzekeringsarts; IWMD-vraagstelling (oud); verzoekster dient toegezegde stukken te verstrekken

RBROT 051225 vdo verzekeringsarts; IWMD-vraagstelling (oud); verzoekster dient toegezegde stukken te verstrekken


1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een aantal afspraken met elkaar gemaakt, waaronder dat [verzoekster] bepaalde stukken aan de medisch adviseur van de gemeente zou verstrekken. De zaak is vervolgens aangehouden om die stukken te verstrekken en om vervolgens te proberen tot een regeling of afspraken over het vervolg te komen. Dat is niet gelukt. Beide partijen hebben, conform afspraak, vervolgens een akte genomen waarin zij hun huidige standpunt hebben weergegeven. Mr. Eskes heeft nadien nog een factuur nagestuurd, waarvan hij aangaf die per abuis niet bij de akte te hebben meegestuurd. De gemeente heeft tegen deze indiening bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft de gemeente gelegenheid gegeven om op die factuur te reageren, waarvan zij gebruik heeft gemaakt.

2Waar gaat de zaak over?

2.1.

[verzoekster] is op 28 juni 2019 betrokken geweest bij een aanrijding. Haar geparkeerde auto, waar zij op dat moment naast stond, werd aan de achterzijde geraakt door een losgeschoten aanhanger van een voertuig van de gemeente, als gevolg waarvan zij is gevallen. [verzoekster] stelt dat zij door het ongeval arm-, schouder-, rug- en psychische klachten heeft opgelopen en beperkingen ondervindt. De gemeente heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Tussen partijen bestaat echter discussie over of er een medisch causaal verband bestaat tussen de gestelde (pijn)klachten en ervaren beperkingen enerzijds en het ongeval anderzijds.

2.2.

[verzoekster] verzoekt een voorlopig deskundigenbericht door een pijnarts te gelasten naar die medische causaliteit, om een inschatting te kunnen maken van haar proceskansen in een eventueel in te stellen rechtsvordering. De gemeente voert hiertegen verweer. Volgens haar is het verzoek prematuur, omdat er onvoldoende medische informatie voorhanden zou zijn om een adequaat deskundigenonderzoek te kunnen (laten) verrichten. Vervolgens zijn de onder 1.2 bedoelde afspraken gemaakt.

2.3.

De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht toe, met dien verstande dat het onderzoek wordt uitgevoerd door een verzekeringsarts – zoals subsidiair door [verzoekster] verzocht – en [verzoekster] de eerder door haar toegezegde (medische) stukken aan die deskundige moet verstrekken. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.

3De beoordeling

Het beoordelingskader

3.1.

Bij de beoordeling van het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht in de zin van artikel 202 lid 1 Rv ‘oud’1 wordt het volgende vooropgesteld. Het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht moet in beginsel worden toegewezen, als het ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Het verzoek kan evenwel worden afgewezen als (i) de verzoeker daarbij geen belang heeft als bedoeld in artikel 3:303 BW, (ii) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, (iii) misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid een voorlopig deskundigenbericht te verlangen of (iv) er een ander, zwaarwichtig bezwaar is tegen toewijzing van het verzoek.

Het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht is niet prematuur en wordt toegewezen

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek voldoet aan de in 3.1 genoemde vereisten en dat het verweer van de gemeente niet slaagt. Dat licht de rechtbank hierna toe.

3.3.

Het verzoek is ter zake dienend, voldoende concreet en betreft feiten die met een deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Een deskundige kan een oordeel geven over de vraag die partijen verdeeld houdt, namelijk of de door [verzoekster] gestelde klachten in medische zin verband (kunnen) houden met het ongeval.

3.4.

De gemeente voert als verweer dat het verzoek prematuur en daarmee in strijd met de goede procesorde is. Daartoe voert zij – samengevat – het volgende aan. Er is onvoldoende medische informatie voorhanden om een adequaat deskundigenonderzoek te kunnen (laten) verrichten, en zelfs om te kunnen bepalen welke deskundige zou moeten worden benoemd. Met name de voor de beoordeling van de medische causaliteit relevante en noodzakelijke stukken over de medische voorgeschiedenis van [verzoekster] ontbreken. De gemeente heeft [verzoekster] hier veelvuldig op gewezen en herhaaldelijk om nadere (specifieke) medische informatie en stukken verzocht, maar [verzoekster] heeft die niet verstrekt. [verzoekster] is ook de ter zitting gemaakte afspraak om bepaalde stukken te verstrekken niet nagekomen. Het verzochte onderzoek kan dus niet op een zinvolle manier plaatsvinden en bijdragen aan het vaststellen van de schadeomvang en heeft op dit moment dan ook geen enkele meerwaarde.

3.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen bestaat discussie over of [verzoekster] al dan niet voldoende medische informatie aan de medisch adviseur van de gemeente heeft verstrekt om de medische causaliteit te kunnen (laten) beoordelen, waarbij zij zich beide baseren op de bevindingen van hun medisch adviseurs. De rechtbank is van oordeel dat deze discussie niet aan toewijzing van het verzoek in de weg staat. Op basis van hetgeen partijen in deze procedure hebben aangevoerd en aan stukken hebben overgelegd, kan een deskundige worden aangewezen (zie r.o. 3.7). [verzoekster] heeft ter zitting toegezegd bepaalde door de gemeente verzochte stukken te verstrekken en zal daaraan worden gehouden (zie r.o. 3.14). Indien de te benoemen deskundige nog andere informatie of stukken in het door [verzoekster] te verstrekken medische dossier mist die hij noodzakelijk acht om de medische causaliteit te kunnen beoordelen, kan en moet hij die – op grond van zijn verplichting om de opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen2 – opvragen. [verzoekster] is dan verplicht die gevraagde informatie en/of stukken te verstrekken en zij heeft toegezegd dat te doen. Bij deze stand van zaken – en mede in aanmerking nemend dat het ongeval al ruim 6 jaar geleden heeft plaatsgevonden en partijen buiten rechte in een impasse zijn komen te verkeren – is het verzoek dan ook niet prematuur.

3.6.

Er wordt dus een voorlopig deskundigenbericht bevolen.

Er wordt een verzekeringsarts benoemd

3.7.

[verzoekster] heeft primair verzocht een pijnarts te benoemen. De rechtbank acht een pijnarts in dit geval echter niet de aangewezen deskundige. [verzoekster] heeft immers op zichzelf objectief vaststelbaar letsel opgelopen bij het ongeval, dat als uitgangspunt bij dit onderzoek dient. Dat op dit moment kennelijk met name de pijnklachten op de voorgrond staan doet daaraan niet af.

De rechtbank ziet wel aanleiding een verzekeringsarts te benoemen, zoals subsidiair door [verzoekster] verzocht. Gelet op de door [verzoekster] gestelde klachten op uiteenlopende gebieden is het redelijk dat zij onderzoek door een arts met een meer holistische invalshoek wenst. De verzekeringsarts kan voorts kennisnemen van gestelde diagnoses in de behandelende sector en desgewenst artsen van andere specialismes raadplegen en op basis daarvan een beeld geven van [verzoekster] ’s klachten en eventuele beperkingen als gevolg van het ongeval. Indien hij anderen raadpleegt dient hij dat in zijn rapport te vermelden.

De te benoemen deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen

3.8.

[verzoekster] heeft onder meer de heer drs. J.P.G. Kurris (hierna: Kurris) als deskundige voorgedragen. De gemeente heeft aangegeven tegen deze deskundige geen bezwaar te hebben. Kurris heeft zich bereid en in staat verklaard om als deskundige op te treden. De rechtbank gaat dan ook over tot benoeming van Kurris als deskundige.

3.9.

Partijen zijn het erover eens dat aan de deskundige de IWMD-vraagstelling dient te worden voorgelegd.

Het voorschot

3.10.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door de deskundige opgestelde begroting van het voorschot van € 4.140,- tot € 7.590,- inclusief btw. Beide partijen hebben aangegeven hiertegen geen bezwaren te hebben. De rechtbank begroot het voorschot derhalve (ruim) op € 7.590,- inclusief btw.

3.11.

Het uitgangspunt is dat de verzoekende partij met het voorschot wordt belast.3 In de omstandigheid dat de gemeente de aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend, ziet de rechtbank echter aanleiding af te wijken van die hoofdregel en te bepalen dat de gemeente het voorschot moet voldoen. De gemeente krijgt hiervoor een nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak.

De medewerkingsplicht

3.12.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

3.13.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

De aan de deskundige over te leggen stukken

3.14.

Naar de rechtbank begrijpt verzoekt de gemeente om [verzoekster] bij toewijzing van het verzoek te verplichten in ieder geval de door haar ter zitting toegezegde stukken aan de deskundige – en dus ook aan de medisch adviseur van de gemeente – te verstrekken, te weten: (a) het Arbo-dossier vanaf de eerste dag van ziekmelding (zoals bedoeld onder 5.5 tweede punt van het verweerschrift), (b) het dossier van de longarts vanaf twee jaar vóór het ongeval tot aan dat moment en (c) het dossier van de GGZ vanaf twee jaar vóór het ongeval tot aan dat moment. Gelet op de toezegging die [verzoekster] ter zitting, bijgestaan door haar advocaat, heeft gedaan, wordt zij verplicht die stukken aan de deskundige en aan de medisch adviseur van de gemeente te verstrekken (dan wel te zorgen dat de betrokken artsen die verstrekken en daartoe toestemming te geven). Als er bij de GGZ geen dossier van haar bekend is dient zij een bevestiging van die strekking over te leggen. Indien en voor zover [verzoekster] zich op het standpunt stelt dat zij niet over het Arbo-dossier kan beschikken omdat zij niet weet bij welke organisatie de bedrijfsarts van destijds werkt, geldt dat zij via haar toenmalige werkgever kan achterhalen bij welke Arbodienst die destijds was aangesloten (voor zover dat niet bij haar bekend is) en haar dossier bij die Arbodienst kan opvragen. Die inspanning kan in redelijkheid van haar worden verwacht.

De gemeente is nog steeds gebonden aan de afspraak dat zij de met het opvragen gemoeide (redelijke) kosten zal vergoeden.

3.15.

Voor het overige wordt het aan de deskundige overgelaten om te beslissen of het nodig is medische informatie op te vragen. Dit valt onder de vrijheid van de deskundigen om hun onderzoek zelfstandig in te stellen en behoeft niet afzonderlijk door de rechtbank te worden bepaald.

Buitengerechtelijke kosten

3.16.

[verzoekster] verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de gemeente de buitengerechtelijke kosten in verband met het raadplegen van haar medisch adviseur en de daarbij behorende werkzaamheden van haar advocaat vergoedt. Ter onderbouwing heeft [verzoekster] twee facturen met specificaties overgelegd. Dit verzoek wordt afgewezen. De enige grondslag op basis waarvan een dergelijk verzoek in deze procedure zou kunnen worden toegewezen is de door partijen gemaakte afspraak ter zitting. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heeft de gemeente slechts toegezegd om de door [verzoekster] te maken kosten van het opvragen van de (medische) stukken, de kosten van het advies van haar medisch adviseur en haar buitengerechtelijke kosten in dat verband, te vergoeden. De gefactureerde kosten vallen echter niet onder die toezegging nu die niet zijn gemaakt naar aanleiding van het opvragen van de medische stukken.

Proceskosten

3.17.

De gemeente is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoekster] worden begroot op:

- griffierecht € 320,00

- salaris advocaat € 1.535,00 (2,5 punten × tarief € 614,00)

- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 2.033,00

4De beslissing

De rechtbank

4.1.

beveelt een onderzoek door een verzekeringsarts ter beantwoording van de volgende vragen:

1. DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Consistentie

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Beperkingen

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Medische eindsituatie

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalsgerelateerde klachten en afwijkingen?

g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

3. OVERIG

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

4.2.

benoemt tot deskundige:

 

drs. J.P.G. Kurris

verzekeringsarts bij Kappamedico


(etc. red. LSA  LM)

1Gelet op de datum van indiening van het verzoekschrift is hier het recht dat gold vóór 1 januari 2025 van toepassing (artikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht).

2Artikel 205 lid 1 Rv (oud) jo. artikel 198 lid 1 Rv (oud).

3Artikel 195 Rv (oud).

 

Rechtbank Rotterdam 5 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14619