Overslaan en naar de inhoud gaan

CRvB 200126 college van B&W had smartengeld € 65.000 in zijn geheel moeten vrijlaten en niet slechts 1/3 deel

CRvB 200126 college van B&W had smartengeld € 65.000 in zijn geheel moeten vrijlaten en niet slechts 1/3 deel
 

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Betrokkenen ontvangen sinds 1998 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden. Betrokkene A heeft in de nacht van 27 op 28 mei 2011 een hartinfarct gehad. Die diagnose is te laat gesteld waardoor sprake is van een medische fout. In verband met de afwikkeling van de als gevolg daarvan geleden schade heeft betrokkene A op 23 februari 2021 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de verzekeringsmaatschappij van het ziekenhuis. Daarbij is overeengekomen dat betrokkene A een schadevergoeding ontvangt van € 87.000,-, waarvan een bedrag van € 65.000,- uit immateriële schadevergoeding bestaat. De uitbetaling heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021.

1.2.

Met een besluit van 2 augustus 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 20 december 2021, heeft het college de bijstand van betrokkenen met ingang van 4 maart 2021 ingetrokken en met ingang van 30 augustus 2021 beëindigd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat betrokkenen na ontvangst van de schadevergoeding over te veel vermogen beschikken en het college moet beoordelen in hoeverre dit uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Het beleid van het college is om materiële schadevergoedingen geheel buiten beschouwing te laten en van immateriële schadevergoedingen 1/3 deel vrij te laten. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op de uitspraak van de Raad van 14 juli 2015.1 Het college heeft daarom 2/3 deel van het door betrokkenen ontvangen bedrag voor immateriële schade als vermogen in aanmerking genomen. Het vermogen van betrokkenen overschrijdt daarmee de voor hen geldende vermogensgrens van € 12.950,-. Om die reden hebben betrokkenen met ingang van 4 maart 2021 geen recht op bijstand. De over de periode van 4 maart 2021 tot en met 31 maart 2021 verleende bijstand wordt van betrokkenen teruggevorderd tot een bedrag van € 1.318,27.

1.3.

Betrokkenen hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 20 december 2021. Met een uitspraak van 10 november 2022 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 december 2021 vernietigd en het college opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het college op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de PW, zoals die bepaling destijds en nog ten tijde van het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak luidde (hierna: oud), dient te beoordelen in hoeverre een ontvangen immateriële schadevergoeding uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. De regel die het college voor deze beoordeling hanteert wordt door het college enerzijds als richtlijn en anderzijds als beleid aangeduid. Ter zitting van de rechtbank heeft het college deze regel gekwalificeerd als een vaste gedragsregel. De rechtbank heeft in het midden gelaten wat het karakter is van de gehanteerde regel, omdat het voor de oordeelsvorming geen verschil uitmaakt. De regel houdt in dat in alle gevallen 1/3 deel van de ontvangen immateriële schadevergoeding buiten beschouwing wordt gelaten en 2/3 deel als vermogen in aanmerking wordt genomen. De rechtbank is van oordeel dat het, gezien de tekst van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m (oud), van de PW, niet juist is om deze regel uniform toe te passen zonder acht te slaan op individuele omstandigheden van de ontvanger van de schadevergoeding. Het staat het college vrij om een regel zoals het college die hanteert tot uitgangspunt te nemen, maar vervolgens zal per geval bezien moeten worden of er redenen zijn om van de regel af te wijken. Door dit bij de besluitvorming na te laten heeft het college geen belangenafweging gemaakt zoals bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb en daarnaast niet getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft het college daarom opgedragen om een nieuwe beoordeling te maken. Daarbij dient het college in ieder geval te betrekken: de leeftijd van betrokkene A, haar mogelijkheden om in de toekomst eigen inkomsten te verwerven, de duur van de nog te verwachten periode van bijstandsverlening en de kenmerken van de schadevergoeding. De rechtbank heeft in dat verband verwezen naar de uitspraak van de Raad van 14 juli 2015.2 Het college heeft geen hoger beroep tegen deze uitspraak van de rechtbank ingesteld.

1.4.

Het college heeft vervolgens ter uitvoering van de uitspraak van 10 november 2022 betrokkenen verzocht om een nadere toelichting te geven over hun individuele omstandigheden die zouden maken dat afgeweken moet worden van de algemene regel. In reactie daarop hebben betrokkenen te kennen gegeven dat betrokkene A nu 54 jaar oud is en zij, tot zij 67 jaar oud is, bijstand zal moeten ontvangen. Door gemaakte medische fouten functioneert haar hart niet meer goed. Daarvoor staat zij al jaren onder behandeling. Afgelopen jaren is er een dalende lijn in haar gezondheid te zien en is duidelijk geworden dat zij op den duur volledig invalide zal worden. Dat betekent dat zij het huishouden en de boodschappen niet meer kan doen. Het is met haar gezondheid haast onmogelijk om een inkomen te genereren.

1.5.

Met een besluit van 24 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 2021 wederom ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het beleid in redelijkheid is vastgesteld en toegepast. Het is bij toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m (oud), van de PW aan het college om te bepalen wat uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Het college moet daarbij rekening houden met de omstandigheid dat bij zeer aanzienlijke schade-uitkeringen de belanghebbende in een zodanige financiële positie kan komen te verkeren dat het onverkort buiten toepassing laten daarvan niet in overeenstemming is met de minimumbehoefte en het complementaire karakter van de bijstand. Het college acht het, ook gelet op de persoonlijke omstandigheden van betrokkenen, redelijk om conform het beleid 1/3 deel van de immateriële schadevergoeding buiten beschouwing te laten en 2/3 deel als vermogen in aanmerking te nemen. Dit beleid wordt gebruikt in alle soortgelijke gevallen. Daarbij is van belang dat de kans groot is dat betrokkenen, gezien hun medische omstandigheden, blijven aangewezen op bijstand tot zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Dit maakt naar oordeel van het college dat de schadevergoeding zich moet verhouden tot de vaste gedragsregels van het college. Anders zou er verschil ontstaan tussen verschillende bijstandsgerechtigden in dezelfde gemeente met dezelfde uitkering en zou afbreuk gedaan worden aan de vangnetfunctie van de bijstand.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 2 augustus 2021 herroepen. Daaraan heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd. Het college heeft berust in de uitspraak van de rechtbank van 10 november 2022 en heeft dus ingestemd met het doen van een nader onderzoek naar de situatie van betrokkene A in plaats van het zonder meer vasthouden aan zijn vaste gedragslijn. Het door het college verrichte onderzoek is onvoldoende. Het college heeft bij betrokkene A om een schriftelijke toelichting gevraagd over haar individuele omstandigheden. Vervolgens heeft het college genoegen genomen met de namens betrokkene A gegeven summiere reactie, dat verwerkt in het bestreden besluit om daarna onder verwijzing naar het gelijkheidsbeginsel opnieuw te concluderen dat conform de vaste gedragsregel 1/3 deel van de ontvangen immateriële schadevergoeding buiten beschouwing moet worden gelaten en 2/3 deel als vermogen in aanmerking wordt genomen. Daarmee heeft het college niet voldaan aan de in de uitspraak van 10 november 2022 gegeven opdracht. Daarbij is nog van belang dat namens betrokkene A ter zitting is verklaard dat zij een zielig hoopje mens is, niet meer haar dagelijkse bezigheden en zorg kan uitoefenen, en nu afhankelijk is van de zorg van anderen en haar situatie uitzichtloos is. Met die omstandigheden heeft het college, vanwege onvoldoende onderzoek, geen rekening gehouden. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien door te beoordelen of de door betrokkene A ontvangen schadevergoeding uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 25 april 20233 heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat in het geval van betrokkene A ook sprake is van blijvende letselschade en de immateriële schadevergoeding bedoeld is voor de rest van het leven van betrokkene A. In dit geval kan, gelet op de medische situatie van betrokkene A, niet worden uitgegaan van de voor haar geldende statistische eindleeftijd, maar dient te worden uitgegaan van een eindleeftijd van 75 jaar. Hiervan uitgaande en gelet op de leeftijd die betrokkene A op het moment van het hartinfarct had, moet zij met de toegekende immateriële schadevergoeding van € 65.000,- een periode van 32 jaar en 2 maanden overbruggen. Dit komt neer op een bedrag van € 168,39 per maand. Gelet op de (beperkte) hoogte van dit bedrag, de aard en bijzondere bestemming van de ontvangen immateriële schadevergoeding, afgezet tegen de (hoogte van de) aan betrokkenen toegekende bijstand naar de norm voor gehuwden, maakt dat het college in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de immateriële schadevergoeding voor het resterende 2/3 deel vanuit het oogpunt van bijstandsverlening onverantwoord is. Het college had het hele bedrag aan immateriële schadevergoeding moeten vrijlaten. Het college heeft daarom ten onrechte de bijstand van betrokkenen ingetrokken, beëindigd en teruggevorderd.

3. Het college is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep van betrokkenen gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit heeft vernietigd en het besluit van 2 augustus 2021 heeft herroepen aan de hand van wat het college in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt, maar ook dat de aangevallen uitspraak – met verbetering van gronden – bevestigd kan worden. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

De in rechte vaststaande uitspraak van de rechtbank van 10 november 2022

4.1.1.

Wat het college in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd begrijpt de Raad zo dat het college meent dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan haar in rechte vaststaande uitspraak van 10 november 2022. Volgens het college heeft de rechtbank in die uitspraak geoordeeld dat de met beleid gelijk te stellen vaste gedragslijn van het college redelijk is. De rechtbank heeft het college alleen de opdracht gegeven om te onderzoeken of er met (analoge) toepassing van artikel 4:84 van de Awb in de specifieke situatie van betrokkenen aanleiding bestaat om af te wijken van deze vaste gedragsregel. Dat heeft het college met het bestreden besluit gedaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.1.2.

De Raad is van oordeel dat de uitspraak van 10 november 2022 zo uitgelegd moet worden dat de rechtbank in deze uitspraak heeft geoordeeld dat de in de vaste gedragslijn neergelegde regel van het college – kort gezegd de 1/3 - 2/3 verdeling – te algemeen geformuleerd is en niet toegepast kan worden zonder een individuele belangenafweging te maken. De rechtbank heeft namelijk, onder verwijzing naar artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m (oud), van de PW, overwogen dat het college de regel niet uniform kan toepassen zonder acht te slaan op de individuele omstandigheden van de ontvanger van de schadevergoeding en dat het college per geval zal moeten bezien of er redenen zijn om van de regel af te wijken. Ook heeft de rechtbank onder verwijzing naar artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de Awb het besluit van 20 december 2021 vernietigd. De Raad begrijpt dit zo dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het college de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m (oud), van de PW neergelegde beoordelingsruimte niet kan invullen met deze vaste gedragslijn. Nu de uitspraak van 10 november 2022 in rechte onaantastbaar is geworden, betekent dit dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat de vaste gedragslijn van het college bij de vraag of de toegekende immateriële (letsel)schadevergoeding vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is niet meer als uitgangspunt genomen kan worden zonder individuele belangenafweging.

4.1.3.

Hieruit volgt dus dat het college met het bestreden besluit geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 10 november 2022. Daarom heeft de rechtbank het bestreden besluit terecht vernietigd. Vervolgens moet beoordeeld worden of de rechtbank terecht het besluit van 2 augustus 2021 heeft herroepen.

De immateriële schadevergoeding

4.2.1.

Het college is het verder niet eens met de wijze waarop de rechtbank in de aangevallen uitspraak invulling heeft gegeven aan de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m (oud), van de PW neergelegde beoordelingsruimte. Het college heeft in dit verband allereerst aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte uit is gegaan van een eindleeftijd van 75 jaar voor betrokkene A, omdat daar geen onderbouwing voor bestaat. Deze beroepsgrond slaagt.

4.2.2.

Hoewel uit de door betrokkene A overgelegde medische stukken kan worden afgeleid dat zij als gevolg van de medische fout ernstige gezondheidsklachten ervaart die progressief zijn, is in die stukken geen onderbouwing te vinden voor de conclusie dat voor betrokkene A niet kan worden uitgegaan van de voor vrouwen geldende statistische eindleeftijd van 86,3 jaar.

4.3.1.

Het college kan zich voorts niet vinden in de wijze waarop de rechtbank uitvoering heeft gegeven aan de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m (oud), van de PW neergelegde beoordelingsruimte. Zo is het college het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat op basis van de statistische eindleeftijd van een betrokkene de ontvangen immateriële schadevergoeding moet worden toegerekend aan een bedrag per jaar en per maand. Dit leidt er volgens het college toe dat bijstandsgerechtigden die een immateriële schadevergoeding hebben ontvangen stelselmatig een hoger bestedingsniveau hebben dan andere bijstandontvangers en dat leidt tot ongelijkheid. Het college heeft veelvuldig te maken met personen die verschillende vormen van leed hebben ervaren. Die mensen hebben doorgaans geen immateriële (letsel)schadevergoeding ontvangen. Daarom is het volgens het college onjuist om specifiek de ontvangers van een dergelijke schadevergoeding een hoger inkomen dan bijstandsniveau te gunnen vanwege het door hen geleden leed. Bovendien is bij het vaststellen van de hoogte van de letselschadevergoeding al rekening gehouden met de aard, ernst en de gevolgen voor de toekomst. Het zou dubbelop zijn als het college met deze omstandigheden bij het bepalen van de vrij te laten immateriële schadevergoeding ook nog rekening zou moeten houden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3.2.

De rechtbank heeft – bij het zelf afdoen van de zaak – bij de invulling van de beoordelingsruimte over de vraag of (een deel van) de ontvangen immateriële schadevergoeding vanuit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is en om die reden kan worden uitgezonderd van de middelen terecht aansluiting gezocht bij de uitspraak van de Raad van 25 april 2023.4 Uit die uitspraak volgt dat de bijstandverlenende instantie bij de beoordeling of het uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is om een ontvangen immateriële schadevergoeding wel of niet (gedeeltelijk) tot de middelen te rekenen zwaarwegende betekenis moet toekennen aan de omstandigheid dat sprake is van blijvende letselschade. Ook volgt uit deze uitspraak dat een immateriële letselschadevergoeding in beginsel is bedoeld voor het resterende deel van het leven van de betrokkene om steeds tegemoet te komen aan de gevolgen van het blijvende letsel. Anders dan het college lijkt te betogen is dus geen sprake van een compensatie van inkomen, maar van een compensatie voor leed dat permanent aanwezig is. De bijstandverlenende instantie moet beoordelen of die immateriële schadevergoeding voor de betrokken bijstandsontvanger vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is of niet. Daarbij heeft het college beoordelingsruimte, maar daarbij is niet van belang hoe dit bedrag individueel is of kan worden aangewend. Ook is niet van belang hoe dat zich verhoudt tot andere personen met leed die geen (letsel)schadevergoeding hebben ontvangen. De door het college gestelde ongelijkheid speelt daarbij dus ook geen rol.

4.3.3.

Uit de uitspraak van 25 april 2023 volgt verder dat voor de vraag of (een deel van) de ontvangen immateriële schadevergoeding vanuit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord uitgezonderd kan worden van de middelen moet worden uitgegaan van het ontvangen bedrag aan immateriële schadevergoeding gedeeld door het aantal jaren waarin een betrokkene naar verwachting te leven heeft. Dit bedrag per jaar is bepalend voor de vraag of het (geheel of gedeeltelijk) uitzonderen van de middelen van de ontvangen immateriële schadevergoeding vanuit een oogpunt van bijstandsverlening al dan niet verantwoord is. Anders dan het college heeft betoogd heeft de rechtbank dus terecht de door betrokkenen ontvangen immateriële schadevergoeding toegerekend aan een bedrag per jaar en vervolgens per maand. Uit 4.2.2 volgt wel dat de rechtbank daarbij is uitgegaan van een onjuiste eindleeftijd voor betrokkene A.

4.4.

Gelet op het ter zitting door partijen gedane verzoek om het geschil finaal te beslechten zal de Raad beoordelen of, uitgaande van de statistische eindleeftijd van betrokkene A, de door haar ontvangen immateriële schadevergoeding uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Niet in geschil is dat betrokkene A als gevolg van de onder 1.1 genoemde medische fout ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen en zij in verband daarmee een immateriële letselschadevergoeding van € 65.000,- heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat haar medische situatie progressief is. Betrokkene A was ten tijde van de medische fout 42 jaar en 10 maanden oud. Zij heeft een statistische eindleeftijd van 86,3 jaar.5 Dit betekent dat zij met het bedrag van € 65.000,- een periode van 43 jaar en ruim vijf maanden moet overbruggen. Dit komt neer op (afgerond) € 1.498,- per jaar en € 125,- per maand. De (beperkte) hoogte van dit bedrag, de aard en bijzondere bestemming van de ontvangen immateriële schadevergoeding, afgezet tegen de aan betrokkenen toegekende bijstand naar de norm voor gehuwden, maken dat het college in redelijkheid niet tot het oordeel kan komen dat de immateriële schadevergoeding in geval van betrokkenen uit het oogpunt van bijstandsverlening niet onverantwoord is. Het college had dus het gehele bedrag aan immateriële schadevergoeding moeten vrijlaten.

Conclusie en gevolgen

4.5.

Wat onder 4.4 is overwogen betekent dat de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd en het daarbij gehandhaafde besluit van 2 augustus 2021 heeft herroepen, omdat deze besluiten niet zorgvuldig zijn voorbereid en niet deugdelijk zijn gemotiveerd. De aangevallen uitspraak zal daarom, gelet op 4.2.2, met verbetering van gronden, worden bevestigd. Dit betekent dus dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de bijstand van betrokkenen niet had mogen intrekken, beëindigen en terugvorderen.

5.1.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep. Deze worden begroot op een bedrag van € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand (één punt voor het bijwonen van de comparitiezitting en één punt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep, met een waarde per punt van € 934,-).

5.2.

Omdat het college, gelet op 4.2.2, terecht hoger beroep heeft ingesteld ziet de Raad geen aanleiding om van het college griffierecht te heffen. Centrale Raad van Beroep 20 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:132