GHAMS 270126 geen letsel; voorlopig getuigenverhoor na uitspraak rb, maar voor inschrijving hoger beroep; ontvankelijk
- Meer over dit onderwerp:
GHAMS 270126 geen letsel; voorlopig getuigenverhoor na uitspraak rb, maar voor inschrijving hoger beroep; ontvankelijk
3Beoordeling
bevoegdheid en ontvankelijkheid
3.1.
Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Het nieuwe bewijsrecht geldt voor gerechtelijke procedures die op of na 1 januari 2025 zijn gestart. Het verzoekschrift is na 1 januari 2025 bij het hof ingediend, zodat het nieuwe bewijsrecht van toepassing is.
3.2.
Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift was het hof Amsterdam vermoe-delijk bevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen als deze aanhangig wordt gemaakt. Het hof is daarmee op grond van artikel 197 lid 1 Rv bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van [verzoekster] .
3.3.
Op grond van artikel 196 lid 1 Rv kan de rechter, voordat een zaak aanhangig is, of voordat de zaak op de rol is ingeschreven, op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. Deze regel is ook in hoger beroep van toepassing, mits indiening van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden voordat de procedure in hoger beroep op de rol van het hof is ingeschreven (Kamerstukken II 2019/2020, 35498, nr. 3, p. 43-44).
3.4.
Het verzoekschrift is ingediend op 9 mei 2025 en de hoofdzaak is op 22 juli 2025 op de rol van het hof ingeschreven, zodat het verzoek tijdig is ingediend. Het verzoekschrift bevat naar het oordeel van het hof een kernachtige omschrijving van het geschil waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek, zodat is voldaan aan het vereiste van artikel 197 lid 2 onder a Rv. [verzoekster] is dus ontvankelijk in haar verzoek.
het verzoek
gronden en doel van het verzoek
3.5.
In het verzoekschrift heeft [verzoekster] als grond voor het verzoek gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoekster] met het door haar overgelegde schriftelijk bewijs niet heeft bewezen dat [naam 2] de overeenkomst met [naam 1] had beëindigd. De mededelingen van [naam 2] aan [naam 1] en [belanghebbende] over de insourcing-plannen moeten volgens [verzoekster] worden begrepen als een beëindiging van de duurovereenkomst met [naam 2] , althans van een substantieel gedeelte daarvan.
3.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [verzoekster] – onder verwijzing naar nummer 2.31 van het verzoekschrift en op vragen van het hof – het doel van het verzoek nader toegelicht en gepreciseerd. Het hof begrijpt het standpunt van [verzoekster] thans – verkort – aldus dat het verzoek (vooral) tot doel heeft om [verzoekster] in staat te stellen te bewijzen dat [belanghebbende] bekend was met de ernst en impact voor [naam 1] van de insourcing-plannen van [naam 2] , dat deze plannen een ingrijpende verandering van de relatie met [naam 1] meebrachten en dat dit, in verband met de ernstige financiële gevolgen daarvan voor [naam 1] , als een majeure kwestie werd gezien bij [naam 1] , waarvan [belanghebbende] in het kader van haar informatieverplichting mededeling had moeten doen. Deze feiten zijn – naar het hof begrijpt – volgens [verzoekster] in eerste aanleg onvoldoende belicht gebleven en het voorlopig getuigenverhoor is bedoeld om duidelijkheid over deze feiten te verkrijgen.
door [verzoekster] gesteld belang bij het verzoek
3.7.
[verzoekster] stelt onder 5.2 sub a. tot en met c. van het verzoekschrift haar belang bij het verzoek. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [verzoekster] dit belang nader toegelicht en gepreciseerd. Het verzoek van [verzoekster] stekt er, naar het hof begrijpt, thans nog slechts toe:
a. het mogelijk te maken dat nu zo spoedig mogelijk na het plaatsvinden van de in dit verzoekschrift beschreven feiten daaromtrent getuigenverklaringen onder ede kunnen worden afgelegd, en te voorkomen dat bewijs verloren gaat;
b. bewijs te verzamelen van (deels nog niet precies bekende) feiten en omstandigheden; en
c. [verzoekster] de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van de in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen meer duidelijkheid te krijgen over de relevante feiten en omstandigheden en aldus beter de grieven tegen het vonnis te kunnen formuleren.
3.8.
[verweerders] en [belanghebbende] hebben tegen de nadere toelichting en precisering door [verzoekster] van het verzoek zoals hiervoor onder 3.6. en 3.7 verwoord geen bezwaren kenbaar gemaakt. Het hof gaat hierna dan ook uit van dit verzoek.
Volgens [verzoekster] te bewijzen feiten
3.9.
[verzoekster] stelt onder 3.3 sub a. tot en met e. van het verzoekschrift dat zij met het voorlopige getuigenverhoor onder meer bewijs wil vergaren over de volgende feiten:
a. de precieze inhoud van de insourcing-plannen van [naam 2] en wat daarover door [naam 2] aan [belanghebbende] en [naam 1] is medegedeeld in de periode vóór de overname en wat overigens hierover met [belanghebbende] is gedeeld en bij [belanghebbende] bekend was;
b. de ernst en impact voor [naam 1] van de mededelingen van [naam 2] aan [naam 1] én (direct of indirect aan) [belanghebbende] over de insourcing;
c. de kenbare negatieve gevolgen van de insourcing voor [naam 1] in de periode vóór de overname (bestaande uit onder meer een daling van het aantal testen en omzet van [naam 2] bij [naam 1] , en negatieve vooruitzichten) zowel bij [naam 1] als [belanghebbende] ;
d. de beslissing van [belanghebbende] om de mededelingen van [naam 2] over de insourcing te verzwijgen voor [belanghebbende] voorafgaand aan de overname;
e. de beslissing van [belanghebbende] om de mededelingen van [naam 2] over de insourcing te verzwijgen voor de corporate adviseurs van [belanghebbende] , hetgeen relevant is, omdat die adviseurs deze informatie anders zeker hadden opgenomen in het zogenoemde Information Memorandum dat [belanghebbende] vóór het sluiten van de koopovereenkomst aan [verzoekster] had verstrekt.
3.10.
[verweerders] en [belanghebbende] hebben verzocht het verzoek af te wijzen met een beroep op de in artikel 196 lid 2 Rv vermelde afwijzingsgronden. De verweren van [verweerders] en [belanghebbende] zijn inhoudelijk grotendeels gelijkluidend. Het hof zal deze verweren bij de beoordeling van het verzoek van [verzoekster] betrekken en oordeelt als volgt.
juridisch kader
3.11.
Op grond van artikel 196 lid 1 Rv kan de rechter, voordat een zaak aanhangig is, of voordat de zaak op de rol is ingeschreven, op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen (zoals een voorlopig getuigenverhoor) bevelen. Op grond van artikel 196 lid 2 Rv wijst de rechter het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat:
a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
3.12.
De regeling van (onder meer) artikel 196 Rv geldt ook in hoger beroep in verband met de herkansingsfunctie in hoger beroep (Kamerstukken II 2019/2020, 35498, nr. 3, p. 43-44). Een voorlopig getuigenverhoor is dus toegestaan vóórdat het inhoudelijke debat in hoger beroep tussen partijen wordt gevoerd. Het wettelijk uitgangspunt voor de beoordeling van het verzoek is verder het principe ‘toewijzen, tenzij’.
3.13.
[verweerders] en [belanghebbende] hebben – samengevat – aangevoerd dat [verzoekster] geen belang heeft bij het verzoek, dat dit verzoek in strijd is met de goede procesorde en dat [verzoekster] met haar verzoek misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW) maakt. Het verzoek komt neer op een verkapt hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat het bewijsaanbod van [verzoekster] wordt gepasseerd en vormt daarmee een ondermijning van het gesloten systeem van rechtsmiddelen. Een voorlopig getuigenverhoor is ook niet bedoeld als herstelmogelijkheid voor een ondeugdelijk of gepasseerd bewijsaanbod, dit alles aldus [verweerders] en [belanghebbende] . Het hof oordeelt als volgt.
3.14.
Zoals hiervoor reeds overwogen, heeft de wetgever het instrument van voorlopig getuigenverhoor ook mogelijk willen maken in de fase voorafgaand aan de procedure in hoger beroep. Dit neemt niet weg dat bij de beoordeling van een verzoek in deze fase van de procedure niet voorbij kan worden gegaan aan de omstandigheid dat in eerste aanleg reeds een volledig debat is gevoerd over de voor de zaak relevante feiten. Deze omstandigheid dient dan ook te worden meegewogen bij de beoordeling van de afwijzingsgronden.
3.15.
Het verzoek van [verzoekster] strekt ertoe – zoals hiervoor onder 3.6 besproken – om [verzoekster] de gelegenheid te bieden voorafgaand aan het nemen van de memorie van grieven en dus aan het inhoudelijke debat in hoger beroep opheldering te verkrijgen over bepaalde feiten teneinde haar in staat te stellen haar processuele positie beter te beoordelen, waar nodig haar standpunten in de hoofdzaak nader te onderbouwen of aan te passen en daarmee haar bewijspositie te versterken.
3.16.
Dat in dit stadium de omvang van het debat tussen partijen in hoger beroep nog niet, althans niet volledig vast staat is geen reden om te oordelen dat het verzoek van [verzoekster] enkel om die reden in strijd is met de goede procesorde of als misbruik van bevoegdheid van [verzoekster] moet worden gekwalificeerd. Dit is immers eigen aan het instrument van een voorlopig getuigenverhoor. Het is [verzoekster] verder toegestaan in hoger beroep de grondslagen van haar vorderingen en/of haar eis te wijzigen (artikel 353 lid 1 juncto artikel 130 lid 2 Rv). Daarnaast kan in dit stadium ook niet worden uitgesloten dat de uitkomst van de getuigenverhoren ertoe leidt dat [verzoekster] de hoofdzaak niet zal voortzetten. Het door [verzoekster] verzochte voorlopig getuigenverhoor dient er aldus mede toe [verzoekster] in staat te stellen hierover een gefundeerd oordeel te vormen en het verzoek past ook op dit punt in de herkansingsfunctie van het hoger beroep.
3.17.
Het hof is van oordeel dat [verzoekster] daarmee in beginsel een gerechtvaardigd belang bij het verzochte voorlopig getuigenverhoor heeft en dat het verzoek in beginsel niet in strijd is met de goede procesorde of misbruik van bevoegdheid van [verzoekster] oplevert. Het hof verwerpt daarmee de op dit punt door [verweerders] en [belanghebbende] aangevoerde (principiële) bezwaren.
3.18.
Het hof is echter tevens van oordeel dat de door [verzoekster] geformuleerde bewijsthema’s van het voorlopig getuigenverhoor in de specifieke omstandigheden van dit geval en tegen de achtergrond van het partijdebat in eerste aanleg te ruim zijn geformuleerd. In zoverre zijn de op dit punt door [verweerders] en [belanghebbende] aangevoerde bezwaren terecht voorgesteld.
3.19.
De bewijsthema’s (hiervoor onder 3.9) dienen – met name vanuit het oogpunt van een goede procesorde en teneinde in dit stadium en tegen de achtergrond van het partijdebat in eerste aanleg een ongewenste fishing expedition zoveel mogelijk te voorkomen – nader te worden ingekaderd.
3.20.
Gelet op de hiervoor onder 3.6 omschreven doelstelling zal het verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor worden toegewezen uitsluitend voor zover dat betrekking heeft op:
a. de precieze inhoud van de insourcing-plannen van [naam 2] en wat daarover door [naam 2] aan [belanghebbende] en [naam 1] is medegedeeld in de periode vóór de leveringsdatum en wat overigens hierover met [belanghebbende] in deze periode is gedeeld en bij [belanghebbende] bekend was;
b. de ernst en impact voor [naam 1] van de mededelingen van [naam 2] aan [naam 1] én (direct of indirect aan) [belanghebbende] over de insourcing, gedaan in de periode vóór de leveringsdatum; en
c. de kenbare negatieve gevolgen van de insourcing voor [naam 1] in de periode vóór de leveringsdatum (bestaande uit onder meer een daling van het aantal testen en omzet van [naam 2] bij [naam 1] , en negatieve vooruitzichten) zowel bij [naam 1] als [belanghebbende] .
Hiermee wordt in voldoende mate tegemoet gekomen aan de ten aanzien van de bepaaldheid van de bewijsthema’s door [verweerders] en [belanghebbende] aangevoerde bezwaren en staan deze bezwaren dus niet aan toewijsbaarheid van het verzoek in de weg.
3.21.
[verzoekster] wenst in het voorlopig getuigenverhoor de in het verzoekschrift onder 6.1 onder a) tot en met e) genoemde vijf personen ( [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] ) als getuigen te laten horen en behoudt zich het recht voor nadere getuigen (waaronder [naam 8] , [naam 9] en [naam 10] ) naar voren te brengen.
3.22.
Het hof acht in dit stadium voldoende aannemelijk dat de vijf met name genoemde personen (nadere) verklaringen zouden kunnen afleggen in relatie tot de onder 3.20 vermelde bewijsthema’s. Het feit dat correspondentie van of met een aantal van deze personen al in de bodemprocedure is overgelegd en door de rechtbank is beoordeeld doet daar niet aan af. Het hof ziet in dit stadium dan ook geen aanleiding deze door [verzoekster] voorgestelde getuigen op voorhand van het voorlopig getuigenverhoor uit te sluiten.
3.23.
Ten aanzien van het door [verzoekster] gemaakte voorbehoud van het horen van nadere getuigen geldt het volgende. Voor zover dit voorbehoud zou moeten worden gelezen als een thans reeds gedaan verzoek om toestemming tot het te zijner tijd laten horen van deze personen, wijst het hof dit verzoek in dit stadium af. Een andersluidende beslissing hierover kan – indien nog nodig– in een later stadium worden genomen nadat de verhoren van de andere getuigen hebben plaatsgevonden.
3.24.
[belanghebbende] heeft nog als gewichtige reden als bedoeld in artikel 196 lid 2 onder e Rv aangevoerd dat het verzoek van [verzoekster] de door [verzoekster] en [belanghebbende] uitdrukkelijk overeengekomen risicoverdeling doorkruist en in strijd is met de aard en partijbedoelingen van de polis van de verzekering is. De verzekering zou voor [belanghebbende] een clean exit bewerkstelligen en daarom zou van [verzoekster] terughoudendheid mogen worden verwacht met het verzoeken van voorlopige bewijsverrichtingen die ook voor [belanghebbende] belastend zijn. Wat daar ook van zij, het hof ziet hierin geen gewichtige reden die aan toewijzing van het verzoek in de weg staat. Het hof is verder ambtshalve niet gebleken van andere gewichtige redenen of bezwaren die aan toewijzing van het verzoek in de weg staan.
Slotsom
3.25.
De slotsom is dat het verzoek van [verzoekster] toewijsbaar is op de hierna te bepalen wijze en dat de daartegen door [verweerders] en [belanghebbende] opgeworpen bezwaren niet aan toewijzing in de weg staan. [verweerders] en [belanghebbende] hebben geen belang bij een verdere behandeling van hun bezwaren.
Gerechtshof Amsterdam 27 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:217