Overslaan en naar de inhoud gaan

PPS Bulletin 2026-01 Petra klein Gunnewiek en Lisan Homan; Het voorlopig deskundigenbericht; De actualiteiten in de rechtspraak en de praktijk

PPS Bulletin 2026-01 Petra klein Gunnewiek en Lisan Homan; Het voorlopig deskundigenbericht; De actualiteiten in de rechtspraak en de praktijk

Dit artikel vormt het slotstuk van ons drieluik. Zowel in 2019 als in 2023 zorgden wij voor een overzichtsartikel over het voorlopig deskundigenbericht. En nu is het wederom tijd voor een update. Niet alleen omdat we inmiddels een jaar onderweg zijn in het nieuwe bewijsrecht, maar ook is er per 1 november 2025 een nieuwe versie van de IWMD-vraagstelling uitgebracht en is er interessante actuele jurisprudentie te bespreken. We trappen af met het juridisch kader.


 

Het nieuwe bewijsrecht
Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (Wvmb) in werking getreden. Het voornaamste doel van deze wet is het bevorderen van een efficiënter verloop van civiele procedures, met de nadruk op het vergaren van bewijs en informatie-uitwisseling voorafgaand aan de procedure. Middels een verzoekschrift kunnen één of meerdere voorlopige bewijsverrichtingen worden verzocht. Voor alle voorlopige bewijsverrichtingen (waaronder het voorlopig deskundigenbericht) gelden voortaan uniforme toetsingscriteria, neergelegd in art. 196 Rv.

Op grond van art. 196 Rv zal een rechter een voorlopige bewijsverrichting toewijzen, tenzij hij van oordeel is dat: i) de informatie die verlangd wordt niet voldoende bepaald is, ii) er onvoldoende belang is, iii) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, iv) er sprake is van misbruik van bevoegdheid, of v) er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. Voor het voorlopig deskundigenbericht – neergelegd in art. 202 Rv – verandert er met deze formulering inhoudelijk niets, maar voor een andere voorlopige bewijsverrichting, te weten het exhibitieverzoek (het recht op inzage), dat onder het oude recht was opgenomen in art. 843a Rv, wel. Dit verzoek is thans geregeld in art. 194 en 195 Rv. Onder het oude recht werd een dergelijk verzoek beoordeeld volgens de maatstaf “ja, mits”, terwijl onder het nieuwe bewijsrecht het uitgangspunt “ja, tenzij” geldt. Dit is een subtiel, maar interessant verschil, naast het feit dat niet langer sprake hoeft te zijn van een rechtmatig belang, maar van voldoende belang.

Naar onze mening zou deze wijziging behulpzaam kunnen zijn in een procedure tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht. In die procedure komt het immers met regelmaat voor dat partijen discussiëren over de vraag welke informatie beschikbaar moet worden gesteld aan de te benoemen deskundige. In dat kader zou een partij ervoor kunnen kiezen om, naast het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht, via een (tegen)verzoek de nog benodigde informatie ten behoeve van het deskundigenbericht te verkrijgen. Bij het bespreken van de jurisprudentie zullen wij zien dat dit instrument daarvoor ook al wordt ingezet.

Een andere belangrijke wijziging ziet op de rechtsmiddelen. Onder het oude recht had de partij van wie het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht werd afgewezen, de mogelijkheid om tegen deze afwijzing hoger beroep in te stellen. Onder het nieuwe recht is in beginsel geen hoger beroep meer mogelijk, tenzij de rechter anders beslist (art. 200 lid 2 Rv). Indien de rechter anders beslist, is het van belang te weten dat de termijn voor het instellen van hoger beroep aanzienlijk korter is: vier weken in plaats van drie maanden onder het oude recht.

Tot slot wijzen wij op art. 186 lid 5 en art. 192 lid 5 Rv. Deze nieuwe bepalingen zijn opgenomen om een opeenstapeling van deskundigenberichten, met alle vertraging en kosten van dien, te voorkomen. Art. 186 lid 5 Rv bepaalt dat de rechter bij onduidelijkheden in eerste instantie de benoemde deskundige om een nadere toelichting of aanvulling moet vragen. Indien dit nog steeds onvoldoende duidelijkheid verschaft, kan de rechter overgaan tot benoeming van een nieuwe deskundige. Een uitzondering geldt wanneer de rechter vooraf van oordeel is dat het vragen van een nadere toelichting aan de oorspronkelijke deskundige geen zin heeft. Art. 192 lid 5 Rv bepaalt dat deze regeling eveneens van toepassing is op deskundigen die niet door de rechter zijn benoemd, zoals partijdeskundigen of deskundigen die op gezamenlijk verzoek van partijen zijn ingeschakeld.

Met de invoering van het nieuwe bewijsrecht wordt geen fundamenteel andere koers gevaren, maar is veeleer sprake van een herijking van de wijze waarop de waarheidsvinding moet worden vormgegeven. De wetgever benadrukt het belang van een tijdige vaststelling van de waarheid, om te voorkomen dat een procedure onnodig wordt vertraagd door onzekerheid over de feiten. In dat licht wordt van partijen verwacht dat zij zoveel mogelijk bewijs verzamelen voordat een bodemprocedure aanhangig wordt gemaakt.

De IWMD-vraagstelling
Zoals gezegd is de nieuwe versie van de IWMD-vraagstelling op 1 november 2025 in werking getreden. Deze versie is het resultaat van een jarenlang herzieningsproces. De bevindingen en opties voor aanpassingen werden in 2022 gepubliceerd in TVP, waarna de sector werd uitgenodigd om te reageren. Er kwamen reacties uit diverse geledingen, die door de werkgroep zijn verwerkt en uiteindelijk hebben geleid tot deze nieuwe versie, die de versie uit 2015 vervangt.

De doorgevoerde wijzigingen hebben tot doel om medische rapportages duidelijker, beter onderbouwd en transparanter te maken. De nieuwe versie sluit bovendien beter aan bij de NVMSR-richtlijn en is naar verwachting van de werkgroep beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen die werkzaam zijn binnen het medisch traject bij letselschadezaken. De nieuwe vraagstelling is in de praktijk wisselend ontvangen, waarbij met name de reactie van de ASP in het oog springt. De ASP heeft bezwaren tegen zowel de inhoud als de totstandkoming van de nieuwe versie en adviseert haar leden om voorlopig nog niet met de nieuwe vraagstelling in te stemmen.

Wij zullen niet alle wijzigingen bespreken in dit artikel, maar wel de meest in het oog springende. Zo is allereerst de algemene toelichting gewijzigd. Daarbij valt vooral op dat nu expliciet wordt gewezen op het belang van het in kaart brengen en wegen van pre-existente en predisponerende factoren. Verder valt op dat, zij het in een voetnoot, er nadrukkelijk voor is gekozen om de criteria uit ‘Zwolse-De Greef’ niet op te nemen, onder de overweging dat deze niet medisch van aard zijn. Een andere relevante wijziging is dat de deskundige niet langer kan volstaan met een antwoord als ‘n.v.t.’; wanneer een vraag niet te beantwoorden is, moet de deskundige gemotiveerd aangeven waarom dat zo is.

Bij de vragen naar de situatie mét ongeval valt allereerst op dat bij de anamnese niet langer wordt gevraagd naar ‘beperkingen’, maar naar het meer subjectieve begrip ‘belemmeringen’. Dit is een logische en begrijpelijke aanpassing, nu het bij de beantwoording van deze vraag gaat om de anamnese. Verder valt op dat bij de aanbeveling met betrekking tot de beschrijving van de medische gegevens wordt aangegeven dat de informatie op zakelijke en zo getrouw mogelijke wijze moet worden weergegeven. Daarbij wordt zelfs opgemerkt dat brieven uit de behandelend sector bij voorkeur letterlijk moeten worden geciteerd. Dit verschilt wezenlijk van de voorheen verzochte ‘samenvatting’. Deze wijze van rapporteren komt de leesbaarheid ten goede en maakt het voor de lezer die niet beschikt over de onderliggende medische informatie eenvoudiger om bepaalde conclusies van de deskundige te volgen of zelfs te herleiden.

In dezelfde aanbeveling wordt de deskundige erop gewezen dat, indien onvoldoende medische broninformatie beschikbaar is – zowel binnen als buiten het eigen vakgebied – deze informatie kan worden opgevraagd. Deze mogelijkheid is op zichzelf niet nieuw en deskundigen werden daar in de praktijk al op gewezen, maar niet eerder stond dit zo expliciet in de vraagstelling zelf.

Ten slotte valt bij de vragen naar de situatie mét ongeval op dat het confronteren van de onderzochte met eventuele inconsistenties nu een expliciet vereiste is. Hoewel dit onder de oude vraagstelling ook als zodanig kon worden gezien, bood de eerdere formulering meer ruimte. Daarin stond immers slechts dat uit het rapport moest blijken dat de onderzochte met eventuele inconsistenties was geconfronteerd en wat diens reactie daarop was.

Wat betreft de vragen naar de situatie zonder ongeval, is een van de meest opvallende en naar onze mening zeer nuttige wijzigingen dat de deskundige er expliciet op wordt gewezen dat hij verplicht is de voorgeschiedenis te onderzoeken en, waar nodig, de daarvoor benodigde informatie op te vragen. De beschikbaarheid van medische voorgeschiedenis leidt in de praktijk niet zelden tot discussie tussen benadeelde en aansprakelijke partij. De bereidheid om informatie van vóór het ongeval aan te leveren is niet altijd aanwezig, terwijl deze informatie vaak essentieel is om de gevolgen van het ongeval goed te kunnen duiden. Hoewel ook onder de oude IWMD-vraagstelling naar de voorgeschiedenis werd gevraagd, is de expliciete onderzoeksplicht en informatievergaring nieuw.

In dezelfde aanbeveling wordt de deskundige nadrukkelijk gewezen op het onderscheid dat moet worden gemaakt tussen de situatie vóór het ongeval en de hypothetische situatie zonder ongeval. Dat onderscheid bestond ook al onder de oude vraagstelling, maar werd in de praktijk niet altijd correct toegepast.

Voorts wordt in een volgende aanbeveling toegelicht dat de causaliteitsvraag door de deskundige uitsluitend vanuit medisch perspectief moet worden beantwoord. De beoordeling van het juridisch causaal verband is expliciet voorbehouden aan partijen en uiteindelijk aan de rechter. Dit is een nuttige verduidelijking, aangezien het in de praktijk voorkwam dat deskundigen zich uitlieten in juridische termen.

Bij de vraag naar de situatie vóór het ongeval wordt nu ook gevraagd naar klachten die destijds wel bestonden, maar inmiddels zijn verdwenen. Onder de oude vraagstelling werd uitsluitend gevraagd naar klachten en afwijkingen die ten tijde van het onderzoek nog aanwezig waren. De vraagstelling is in dat opzicht verruimd.

Ten slotte wordt de deskundige bij de beoordeling van de situatie zonder ongeval gevraagd om ook de algemene gezondheidstoestand van de onderzochte mee te wegen. Ook dit vormt een verruiming ten opzichte van de oude vraagstelling.

Over het geheel genomen menen wij dat beantwoording van deze nieuwe vraagstelling kan leiden tot een completer beeld van de gezondheidssituatie van de benadeelde. Dit stelt partijen beter in staat om een vergelijking te maken tussen de feitelijke situatie met ongeval en de hypothetische situatie zonder ongeval, en daarmee ook om de schade te begroten. In dat opzicht sluit de nieuwe vraagstelling goed aan bij het nieuwe bewijsrecht, waarin de nadruk ligt op tijdige waarheidsvinding en het zoveel mogelijk verzamelen van bewijs voorafgaand aan een procedure.

Jurisprudentie
Wij beperken ons in dit artikel tot een aantal interessante beschikkingen uit 2025. Eerst bespreken wij enkele zaken waarin de vraagstelling voor de deskundige en het inzageverzoek centraal staan, gevolgd door een aantal afwijzende beschikkingen, waarin wordt afgeweken van de hoofdregel dat een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht in beginsel wordt toegewezen.

Een eerste te bespreken zaak is de beschikking van 18 december 2025 van de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2025:14987). Het betrof een verzoek van een gedupeerde van de toeslagenaffaire tot benoeming van een psychiater. De rechtbank overwoog dat, in afwijking van het verzoek, de nieuwste versie van de IWMD-vraagstelling aan de deskundige moest worden voorgelegd. Volgens de rechter besteedde de door verzoeker voorgestelde vraagstelling te weinig aandacht aan de medische voorgeschiedenis en bevatte deze een vraag naar causaal verband die een juridische beoordeling leek te veronderstellen.

Zoals hiervoor aangegeven, menen wij dat het nieuwe bewijsrecht en de nieuwe IWMD-vraagstelling ruimere mogelijkheden bieden voor het opvragen van ontbrekende medische informatie binnen procedures inzake voorlopige bewijsverrichtingen. De Rechtbank Gelderland lijkt dat – overigens nog onder het oude recht – niet te onderschrijven. In haar beschikking van 7 juli 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:6047) overwoog zij dat geen aanleiding bestond om aan te nemen dat de wetgever met het nieuwe bewijsrecht heeft beoogd af te wijken van de lijn uit de patiëntenkaartarresten. Het verzoek van de verzekeraar om aanvullende medische informatie werd daarom afgewezen. De rechtbanken Noord-Holland en Midden-Nederland lijken daarentegen wel ruimte te zien voor een ruimere toepassing.

In de zaak bij de Rechtbank Noord-Holland van 21 november 2025 (ECLI:NL:RBNHO:2025:13871) ging het om een verzoek tot benoeming van deskundigen, gecombineerd met een tegenverzoek tot verstrekking van medische informatie uit de voorgeschiedenis. De rechtbank maakte in het kader van dit tegenverzoek een belangenafweging, waarbij zij onder meer verwees naar de proportionaliteitscriteria uit de medische paragraaf van de Gedragscode Behandeling Letselschade. Daarbij werd gekeken naar onder meer de looptijd van de schade, de omvang van de vordering, de aard en complexiteit van het letsel en de opstelling van de benadeelde. De rechtbank concludeerde dat de medische voorgeschiedenis beschikbaar moest worden gesteld en wees het tegenverzoek toe.

Ook in de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:3577) werd een tegenverzoek ingediend tot het verkrijgen van medische informatie. Hoewel de rechtbank dit verzoek inhoudelijk beoordeelde aan de hand van art. 194 en 195 Rv, werd het uiteindelijk afgewezen. De rechtbank achtte aannemelijk dat bepaalde informatie niet bestond of niet kon worden verkregen en oordeelde bovendien dat niet was voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

In de besproken rechtspraak met betrekking tot het inzageverzoek zien wij dat rechtbanken nog steeds een belangenafweging maken, terwijl kan worden betwijfeld of dat onder het nieuwe criterium van ‘voldoende belang’ nog steeds de juiste benadering is. De Rechtbank Rotterdam benoemde dit expliciet in haar uitspraak van 21 november 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:14955), zij het in een niet-letselschadezaak. De rechtbank overwoog dat, indien een partij aannemelijk maakt dat zij belang heeft bij inzage in bepaalde gegevens, die inzage in beginsel moet worden verleend.

Wij vervolgen met enkele beschikkingen uit 2025 waarin verzoeken zijn afgewezen op één van de wettelijke afwijzingsgronden. In de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 juli 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:4186) werd het verzoek afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. In die zaak was eerder een conceptrapport geblokkeerd op grond van het medisch blokkeringsrecht. De rechtbank oordeelde dat dit recht – dat primair is bedoeld ter bescherming van de privacy – onjuist was gebruikt om inhoudelijke bezwaren tegen het rapport naar voren te brengen. Daarmee werd het buitengerechtelijke deskundigentraject doorkruist. Volgens de rechtbank had het op de weg van verzoekster gelegen om opmerkingen te maken of aanvullende vragen te stellen naar aanleiding van het conceptrapport, zodat de deskundige daarop inhoudelijk had kunnen reageren.

In twee uitspraken van de Rechtbank Gelderland werd een verzoek tot benoeming van een deskundige afgewezen wegens het ontbreken van voldoende belang. In de beschikking van 19 maart 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:2532) oordeelde de rechtbank dat een aanvullend deskundigenbericht onvoldoende toegevoegde waarde had, gelet op de reeds bestaande rapportages en de nog onopgeloste discussie over het juridisch causaal verband. In de beschikking van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:1321) ging het om een verzoek in het kader van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De rechtbank oordeelde dat niet was voldaan aan de polisvoorwaarde van een medisch objectiveerbare stoornis, zodat geen aanspraak op uitkering bestond en het verzoek werd afgewezen.

Ook de Rechtbank Rotterdam wees een verzoek tot benoeming van een deskundige af wegens gebrek aan belang. In de beschikking van 24 januari 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:1113) overwoog de rechtbank dat het verzochte onderzoek geen feiten betrof die daarmee nog bewezen konden worden. Er was reeds uitgebreid politieonderzoek verricht en essentiële loggegevens van de verkeerslichtinstallatie waren niet meer beschikbaar. Bovendien is de beoordeling van tegenstrijdige verklaringen een juridische taak die aan de rechter is voorbehouden.

Tot slot verdient een opvallende uitspraak vermelding van de Rechtbank Oost-Brabant van 17 februari 2025 (ECLI:NL:RBOBR:2025:963). In die zaak werd een neurologisch onderzoek gelast, maar geen van de tien benaderde neurologen was bereid de opdracht te aanvaarden vanwege het zogenoemde ‘afbreukrisico’. De rechtbank zag zich daarop genoodzaakt de procedure te beëindigen wegens onuitvoerbaarheid.

Afsluiting
Er zijn diverse ontwikkelingen gaande die relevant zijn voor het voorlopig deskundigenbericht. Zo is er het nieuwe bewijsrecht, waarmee een efficiënter verloop van civiele procedures wordt beoogd, met nadruk op het vergaren van bewijs en informatie-uitwisseling voorafgaand aan de procedure. Hoewel met deze wet geen fundamenteel andere koers wordt gevaren, menen wij dat zij in de praktijk meer ruimte biedt voor het opvragen van medische informatie, mede doordat het toetsingskader is verschoven van het terughoudendere “ja, mits” naar “ja, tenzij”.

Daarnaast is er een nieuwe IWMD-vraagstelling ontwikkeld, die eveneens beoogt bij te dragen aan efficiëntie, door te sturen op rapportages die duidelijker, beter onderbouwd en transparanter zijn. Daarbij wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de algehele gezondheidssituatie van de benadeelde, zowel vóór het ongeval als in de hypothetische situatie zonder ongeval.

De praktische betekenis van zowel het nieuwe bewijsrecht als de nieuwe IWMD-vraagstelling zal zich in de komende jaren verder uitkristalliseren in de rechtspraak. Wij blijven benadrukken hoe belangrijk het is dat partijen beschikken over een deskundigenbericht dat daadwerkelijk bijdraagt aan duidelijkheid over aansprakelijkheid en causaliteit. Daarbij is essentieel dat alle relevante informatie beschikbaar wordt gesteld aan de deskundige, zodat het onderzoek volledig kan worden uitgevoerd en het doel van het nieuwe bewijsrecht – effectieve waarheidsvinding – wordt bereikt. PPS Bulletin