Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Oost-Brabant 010317 Motor met hoge snelheid door oranje, botst op door rood rijdende, zwaailicht en sirene voerende brandweerauto. Geen aansprakelijkheid brandweerauto

Rb Oost-Brabant 010317 Motor met hoge snelheid door oranje, botst op door rood rijdende, zwaailicht en sirene voerende brandweerauto. Geen aansprakelijkheid brandweerauto 

2 De feiten
Bij de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1.
Op zondag 22 juni 2014 rond 16.20 uur reed [eiser] (toen 22 jaar oud) op zijn Harley-Davidson motorfiets op de Eindhovenseweg te Waalre in de richting van Valkenswaard. Hij is de met verkeerslichten beveiligde kruising met de Julianalaan opgereden met de bedoeling deze kruising rechtdoor over te steken richting de Valkenswaardseweg. Op dat moment kwam vanuit de Julianalaan - vanuit de positie van [eiser] gezien van rechts - een brandweerauto met sirene en zwaailicht aan de kruising oprijden. Deze brandweerauto was kort daarvoor uitgerukt naar aanleiding van een zogenaamde ‘prioriteit 1’ melding over een heidebrand.

2.2.
[eiser] heeft geremd, is met zijn motorfiets onderuit gegaan en vervolgens tegen de linkerzijde (het linker voorwiel) van de brandweerauto aangebotst. [eiser] liep bij dit ongeval ernstig letsel op waarvoor hij omstreeks twee maanden in een ziekenhuis heeft moeten verblijven en vervolgens nog enige tijd in een revalidatiecentrum. Hij had onder meer vele botbreuken en ernstige brandwonden op zijn benen. Het herstel is redelijk goed verlopen.

2.3.
De brandweerauto is voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Achmea.

2.4.
De politie heeft onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. Er is een ongevalsanalyse gemaakt en er zijn twaalf getuigen gehoord alsmede de bestuurder van de brandweerauto als verdachte.

2.5.
De officier van justitie heeft in september 2014 besloten de bestuurder van de brandweerauto niet strafrechtelijk te vervolgen wegens overtreding van de geldende verkeersregels omdat deze bestuurder naar het oordeel van de officier van justitie handelde conform de voorwaarden die daarvoor zijn gesteld in de Brancherichtlijnen optische en geluidssignalen brandweer.

3 Het geschil
3.1.
[eiser] vordert samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (1) voor recht zal verklaren dat de brandweer en Achmea aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval van 22 juni 2014 en de hieruit door [eiser] geleden en nog te lijden schade, vermeerderd met wettelijke rente, op te maken bij staat, en (2) Achmea zal veroordelen tot vergoeding en betaling van dat bedrag, (3) met veroordeling van de brandweer en Achmea in de kosten de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.
[eiser] legt hieraan ten grondslag dat de bestuurder van de brandweerauto aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW en dat hij schadevergoeding kan vorderen van Achmea op grond van artikel 6 WAM.

3.3.
Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt [eiser] kort gezegd dat de bestuurder van de brandweerauto de in de ‘Brancherichtlijn optische en geluidssignalen brandweer’ opgenomen veiligheidsnorm heeft overschreden door met een te hoge snelheid (van ongeveer 28 km per uur) het rode verkeerslicht te negeren en de kruising op te rijden, terwijl het overige verkeer slecht zicht had op het verkeer komend vanuit de Julianalaan en bij groen licht geen verkeer van rechts behoefde te verwachten. De bestuurder van de brandweerauto heeft hierdoor een gevaarlijke situatie doen ontstaan en het overige wegverkeer in gevaar gebracht, aldus [eiser] , die zich voor wat betreft de snelheid van de brandweerauto beroept op de ongevalsanalyse van de politie.

3.4.
Ter zitting heeft de raadsman van [eiser] de totale schade (zeer) voorlopig geschat op een bedrag van omstreeks € 80.000,-, onder andere omvattend een vergoeding voor de schade die [eiser] lijdt doordat hij een jaar studievertraging heeft opgelopen.

3.5.
De brandweer en Achmea voeren gemotiveerd verweer. Onder meer betwisten zij de door [eiser] gestelde toedracht van het ongeval. Zij voeren aan dat de brandweer geen verwijt kan worden gemaakt en dat [eiser] geen beroep kan doen op de door hem aangehaalde (intern werkende) Brancherichtlijn. Zij beroepen zich er op dat [eiser] in strijd heeft gehandeld met artikel 50 Rv door de brandweerauto niet voor te laten gaan en dat hij door zijn roekeloze rijgedrag in strijd heeft gehandeld met artikel 5 WVW, zodat de schade voor zijn eigen rekening en risico dient te blijven.

3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling
4.1.
In deze zaak staat de vraag centraal of de brandweer aansprakelijk is voor het ongeval dat [eiser] is overkomen op 22 juni 2014.

4.2.
Het is juist, zoals de brandweer aanvoert, dat [eiser] heeft nagelaten aan te geven op welke juridische grondslag de brandweer als korps, naast de bestuurder van de brandweerauto, aansprakelijk zou zijn. De rechtbank zal de vorderingen van [eiser] evenwel niet op deze grond afwijzen en aannemen dat [eiser] de brandweer aanspreekt als werkgever van de bestuurder van de brandweerauto op grond van artikel 6:170 BW.

4.3.
Vast staat dat de brandweerauto bij het naderen van de kruising gebruik maakte van zowel sirene als zwaailichten. De brandweerauto was ten tijde van het ongeval derhalve een voorrangsvoertuig als gedefinieerd in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) en [eiser] diende de bestuurder van de brandweerauto daarom op grond van artikel 50 RVV voor te laten gaan, ook al reed [eiser] op een voorrangsweg en stond het verkeerslicht voor hem mogelijk op groen. Zoals hierna nog aan de orde zal komen was dit laatste overigens niet het geval.

4.4.
[eiser] heeft derhalve een verkeersfout gemaakt door de brandweerauto niet voor te laten gaan en is daarmee in beginsel aansprakelijk voor het ongeval. De brandweer kan niettemin geheel of gedeeltelijk aansprakelijk zijn voor het ongeval indien komt vast te staan dat de bestuurder van de brandweerauto de kruising met zodanig hoge snelheid is opgereden dat [eiser] onvoldoende gelegenheid werd geboden om de brandweerauto op te merken en voorrang te verlenen.

4.5.
[eiser] beroept zich in dit verband op het algemeen verbod op gevaarlijk verkeersgedrag van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) en meer in het bijzonder op de Brancherichtlijn optische en geluidssignalen brandweer (hierna: Brancherichtlijn) waarin voor bestuurders van brandweerauto’s staat voorgeschreven dat bij het door rood licht rijden de nodige voorzichtigheid moet worden betracht, dat de maximale snelheid hierbij lager dient te zijn dan 20 km per uur en dat het door rood licht rijden geen onnodig gevaar mag opleveren voor overige weggebruikers.

4.6.
In de inleiding van de Brancherichtlijn zoals deze luidde ten tijde van het ongeval staat onder meer dat deze is opgesteld om werkgevers en personeel van brandweerkorpsen een handreiking te bieden bij het op verantwoorde wijze toepassen van de regelgeving inzake het gebruik van de optische en geluidssignalen en de opleiding daarvoor. In de inleiding staat ook dat de inhoud van de richtlijn niet verplichtend is maar dat het wel aanbeveling verdient om zoveel mogelijk in overeenstemming met de richtlijn te handelen. Ook vermeldt de inleiding dat het gebruik van optische en geluidssignalen niet rechtvaardigt dat het overige verkeer in gevaar wordt gebracht als bedoeld in artikel 5 WVW, dat bij een ongeval de in de richtlijn neergelegde uitgangspunten in het (strafrechtelijk) onderzoek zullen worden betrokken en dat ook rekening zal worden gehouden met het feit dat de betrokken chauffeur de maatschappij - onder druk van grote spoed - als hulpverlener ten dienste was.

4.7.
Met de brandweer is de rechtbank van oordeel dat de Brancherichtlijn slechts interne aanbevelingen bevat en geen wettelijke normen waar [eiser] zich rechtstreeks op kan beroepen. Dit neemt niet weg dat de in de Brancherichtlijn gegeven aanbeveling aan bestuurders van brandweerauto’s om bij het passeren van een rood verkeerslicht niet sneller dan 20 km per uur te rijden wel een rol kan spelen bij de beantwoording van de vraag of de bestuurder van de brandweerauto zich in dit geval gevaarzettend heeft gedragen als bedoeld in artikel 5 WVW en (mede) aansprakelijk kan worden geacht voor de gevolgen van het ongeval.

4.8.
Over de snelheid waarmee de bestuurder van de brandweerauto de kruising is opgereden zijn partijen het niet eens. [eiser] stelt dat dit is geweest met een snelheid van ongeveer 28 km per uur en hij verwijst daarvoor naar de ongevalsanalyse van de politie en naar de verklaringen van enkele getuigen. De brandweer betwist dat de bestuurder van de brandweerauto met een snelheid van meer dan 20 km per uur heeft gereden en wijst daarbij op de kanttekeningen die de politie bij haar snelheidsberekening heeft gemaakt en op een aantal (andere) getuigenverklaringen.

4.9.
De politie heeft in de ongevalsanalyse over de snelheid van de brandweerauto het volgende gerapporteerd:

“Aan de hand van de gelogde datafiles van de fasen van de verkeersregelinstallatie werd door ons een globale berekening gemaakt met betrekking tot de gereden snelheid van de brandweerauto, kort voor de botsing met de motorfiets.
Hieruit bleek dat:
De brandweerauto kort voor de stopstreep detectielus d04.1 in een tijdbestek van 1.1 seconde had geactiveerd. De brandweerauto had een totale lengte van 7.56 meter en de detectielus van 1 meter. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de maximale snelheid van de brandweerauto over deze detectielus (…) 28 km/h bedroeg.
De werkelijk gereden snelheid van de brandweerauto zal zeer waarschijnlijk lager hebben gelegen, dit omdat de snelheid is berekend over de totale lengte van de brandweerauto, geen rekening is gehouden met de afwijking van de verkeersregelinstallatie en gezien dat de brandweerauto in 3.85 meter na de botsing met de motorfiets stilstond.”

4.10.
De getuigen hebben over de snelheid van de brandweerauto verklaard:

De heer [naam getuige 1] , bewoner van een woning aan de [straatnaam] :
“(…) Ik hoorde en zag dat de brandweerauto komende vanaf de Julianalaan begon over te steken richting Wilhelminalaan. De brandweerauto reed rustig (…).”
Mevrouw [naam getuige 2] , fietste over de Julianalaan en werd kort voor de kruising door de brandweerauto ingehaald:
“(…) Ik zag dat de brandweerauto door het rood reed en mijn inziens met behoorlijke snelheid de kruising opreed. (…)”.
De heer [naam getuige 3] , stond in zijn auto op de Julianalaan voor het verkeerslicht voorgesorteerd om linksaf te slaan en werd door de brandweerauto rechts gepasseerd:
“(…) De brandweerauto reed langzaam, hooguit 30 km per uur. (…)”.
De heer [naam brandweerman 1] , brandweerman die links achterin de brandweerauto zat:
“(…) Op de kruising (…) wilden wij stapvoets de kruising recht oversteken. Opeens hoorde ik een harde klap. Vrijwel direct erna stonden wij stil. (…)”.
De heer [naam brandweerman 2] , brandweerman die rechts achterin de brandweerauto zat:
“(…) Ik vond dat de chauffeur van de brandweerauto rustig reed. Het was druk en we konden niet sneller rijden dan 60 km/u. Toen we de kruising met de Valkenswaardseweg naderden remde de chauffeur af en reed stapvoets de kruising op. (…)”.
Mevrouw [naam getuige 4] , fietste over de Eindhovenseweg in de richting van de kruising:
“(…) Ik zag dat van rechts een brandweerauto kwam gereden, ook met behoorlijke snelheid, maar niet zo hard als de motor.(…)”.
De heer [naam bevelvoerder brandweer] , bevelvoerder van de brandweer die voorin de brandweerauto zat:
“(…) Ik heb de chauffeur aangegeven dat hij niet hoefde te haasten omdat het een bosbrand betrof. Hieraan gaf de chauffeur gevolg. (…) Op de kruising (…) reden we met gepaste snelheid. De chauffeur minderde snelheid door af te remmen. We reden langzaam de kruising op. (…) Op dat moment hoorde ik een harde klap aan de linkerzijde van ons voertuig. Ons voertuig stond direct stil. Wanneer we met hoge snelheid hadden gereden dan had ik vast en zeker tegen de voorruit aangeplakt gezeten. Dit was zeker niet het geval (…).”.
De heer [naam bestuurder brandweerauto] , de bestuurder van de brandweerauto:
“(…) Ik ben de kruising stapvoets opgereden in de richting van de Wilhelminalaan. Dit is langzamer dan dat de branche richtlijnen van de brandweer aangegeven (…) Ik was (…) de kruising grotendeels opgereden. Ik zag op dat moment links in mijn ooghoek een motor aan komen rijden. (…) Ik zag de motor tien meter voor dat deze bij de stopstreep was. Ik bedoel hiermee de stopstreep die voor hem bedoeld is. (…) Op het moment dat ik de motor voor het eerst zag was ik de kruising al ver opgereden. (…) Toen ik de motor zag besefte ik me dat stoppen zeker een ongeluk zou veroorzaken. Ik heb dus vol gas gegeven, dit was de enige mogelijkheid die er was om de weg vrij te maken voor de motorrijder. Dit mocht helaas niet meer baten. Het brandweervoertuig was gevuld met water en weegt dan circa 17 ton en dus accelereert deze nauwelijks als je plankgas geeft. (…)”.

4.11.
De rechtbank kan op basis van de ongevalsanalyse door de politie en de verschillende getuigenverklaringen niet komen tot de vaststelling dat de brandweerauto met een snelheid van ongeveer 28 km per uur de kruising is opgereden, zoals [eiser] stelt. De politie vermeldt in de ongevalsanalyse uitdrukkelijk dat en waarom de gemeten snelheid vermoedelijk lager heeft gelegen dan 28 km per uur. Daar komt bij dat de meting is gedaan ter hoogte van de detectielus die is gelegen vóór de stopstreep, terwijl de bevelvoerder van de brandweer heeft verklaard dat de bestuurder van de brandweerauto remde alvorens de kruising op te rijden. Daarom valt niet uit te sluiten dat de brandweerauto tussen de plaats van de detectielus en het daadwerkelijk oprijden van de kruising nog snelheid heeft verminderd. Uit de verklaringen van de brandweerlieden in de brandweerauto en de bestuurder van de brandweerauto blijkt niet dat de bestuurder, toen hij de motorrijder zag aankomen, op de rem is gaan staan voordat de aanrijding plaatsvond. De bestuurder van de brandweerauto heeft daarentegen verklaard nog even gas te hebben gegeven. Niettemin staat vast dat de brandweerauto binnen de zeer korte afstand van 3.85 meter na de botsplaats tot stilstand is gekomen. Deze korte remweg toont aan dat de brandweerauto met een (zeer) lage snelheid heeft gereden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de brandweerauto met een snelheid van in ieder geval minder dan 28 km per uur heeft gereden en mogelijk ook met een snelheid van minder dan 20 km per uur.

4.12.
Dat de brandweer in strijd met het bepaalde in artikel 5 WVW een gevaarlijke verkeerssituatie heeft doen ontstaan door de kruising met zodanig hoge snelheid op te rijden dat [eiser] onvoldoende gelegenheid werd geboden om de brandweerauto op te merken en voorrang te verlenen, staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet vast. Zoals de rechtbank hierna zal toelichten, is veeleer aannemelijk dat de aanrijding het gevolg is geweest van gevaarlijk rijgedrag van [eiser] .

4.13.
[eiser] , die geen enkele herinnering heeft aan het ongeval of aan wat kort daarvoor gebeurde, stelt op basis van de ongevalsanalyse van de politie dat hij met een snelheid van ongeveer 44 km per uur de kruising is opgereden en dat hij de brandweerauto niet tijdig heeft kunnen opmerken door het belemmerde uitzicht ter plaatse (door de hoge heg van het hoekpand op de Eindhovenseweg) en door de hoge snelheid waarmee de brandweerauto kwam aanrijden. [eiser] stelt dat het verkeerslicht voor hem op groen stond en dat hij daarom mocht verwachten dat hij veilig de kruising kon oprijden. In de dagvaarding is namens [eiser] naar voren gebracht dat hij door de helm en de gehoorbescherming die hij droeg de sirene niet kon horen. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat hij met de integraalhelm die hij droeg wel de geluiden van buiten kon horen.

4.14.
De brandweer betwist het relaas van [eiser] . Volgens de brandweer volgt uit het politierapport in samenhang met de verschillende getuigenverklaringen dat [eiser] sneller heeft gereden dan de toegestane maximumsnelheid van 50 km per uur, dat het verkeerslicht voor hem niet op groen stond maar waarschijnlijk op rood of mogelijk nog net op oranje toen hij de kruising op reed, en dat van een belemmerd zicht geen sprake was. Voor zover dat zicht wel belemmerd was, had dat voor [eiser] een reden moeten zijn om extra oplettend te zijn, aldus de brandweer, die concludeert dat [eiser] zijn snelheid en weggedrag onvoldoende heeft aangepast aan de concrete verkeersomstandigheden en onvoldoende heeft geanticipeerd op de verkeerssituatie die voor hem op de drukke kruising bestond.

4.15.
De politie heeft ter zake het volgende gerapporteerd:

“Het uitzicht ter plaatse werd voor beide bestuurders ten opzichte van het wegverloop en ten opzichte van elkaar (mogelijk) enigszins belemmerd door de hoge heg van het hoekpand, gelegen aan de Eindhovenseweg 1 te Waalre.
(…) Aan de hand van de gelogde datafiles van de fasen van de verkeersregelinstallatie bleek dat:
- de motorfiets niet was gedetecteerd door de detectielussen
(…) Gezien de motorfiets niet was gedetecteerd door de detectielussen was het voor ons niet mogelijk om een analyse te maken van de gereden snelheid van de motorfiets aan de hand van de gelogde datafiles van de verkeersregelinstallatie.
Door de zware schade aan de motorfiets konden door ons geen remproeven genomen worden. Voor de vertraging van de motorfiets hebben we een vertraging aangenomen van 7 m/s? (remblokkeerspoor van het achterwiel) en 2 m/s? (schuifsporen motorfiets).
Aan de hand van het afgetekende remblokkeerspoor van ongeveer 9.50 meter en een aangetroffen schuifspoor van ongeveer 4.30 meter, werd door ons een globale berekening gemaakt met betrekking tot de gereden snelheid van de motorfiets.
(…) = 44 km/h
De werkelijk gereden snelheid van de motorfiets zal hoger hebben gelegen, dit omdat het voor ons niet mogelijk was het snelheidsverlies van de botsimpact mee te nemen in de berekening.
(…) Door ons kon technisch niet aangetoond worden, welke kleur het verkeerslicht uitstraalde, geldend voor de bestuurder van de motorfiets. Dit moet blijken uit tactisch onderzoek.
(…)”

4.16.
De getuigen hebben over [eiser] verklaard:

De heer [naam getuige 5] , die met zijn auto achter [eiser] op de Eindhovenseweg reed en toevallig ook een bekende was van [eiser] :
“(…) Bij de kruising gelegen bij restaurant de Gouverneur (links is Brabantialaan) stond het verkeerslicht op rood. Ik zag daar als eerste een motorrijder staan. Ik ben toen achter de motorrijder gestopt. Ik zei tegen mijn vriendin: zijn spiegels zijn van zijn stuur gevallen want ze hangen onder zijn stuur met de beugels. (…) Op het moment dat ik de opmerking maak over de spiegels kijk ik ook in de spiegel van de motor. Ik zie dat de bestuurder van de motorrijder gelijktijdig in de spiegel kijkt. Ik zie dat hij mij aankijkt en lacht. Op dat moment worden de lichten groen en de motorrijder trekt met redelijke snelheid op. Ik kan dat niet schatten. (…) Ik zag dat de motor optrok en naar zijn tweede versnelling schakelt. Ik ben ook opgetrokken en heb hem gevolgd. Ik zag dat hij ter hoogte van de ijssalon op de Eindhovenseweg (rechterzijde) niet meer gas bij gaf. De verkeerslichten bij de oversteekplaats voor voetgangers bij het winkelcentrum in Aalst stonden op groen. Ik reed op dat moment in de 3e versnelling. Ik denk dat ik reed met een snelheid van 50 kilometer. Terwijl ik ter hoogte van de oversteek ben is de motorrijder al bij de volgende verkeerslichten. Dat wil zeggen bij de kruising met de Koningin Wilhelminalaan te Waalre. Ik zie dat de verkeerslichten van groen naar oranje gaan. Dit is het moment dat de motorrijder de verkeerslichten nadert. Vervolgens zie ik van rechts uit de Koningin Julianalaan een brandweerauto naderen. Ik kan niet zeggen of de brandweerauto optische en geluidssignalen gebruikte. Ik denk op dat moment: dat gaat niet goed.(…)”
Mevrouw [naam getuige 6] , die naast [naam getuige 5] in de auto zat:
“Wij kwamen aanrijden en de verkeerslichten stonden op rood. Wij reden op de rechter rijbaan en ik zag daar een motorrijder en een auto voor de verkeerslichten stil staan. Wij zijn naar de linkse rijbaan gegaan. Wij stonden op dat moment vooraan langs de motor. (…) Wat ons opviel was dat zijn spiegels aan de onderkant van zijn stuur hingen. Dat heeft [naam getuige 5] (rb: [naam getuige 5] ) nog tegen mij gezegd. (…) De lichten gaan op groen en de motor trekt op. Voor mij niet opvallend hard, iets harder dan normaal. Wij rijden aan en komen achter de motorrijder te rijden. Bij de volgende kruising bij de Brabantialaan kan ik me niet herinneren of wij door konden rijden of moesten stoppen. Ik denk dat we daar wel hebben moeten stoppen of bijna stil stonden want ik kan me herinneren dat dan de motor wel met hogere snelheid flink optrok. Ik zei tegen [naam getuige 5] nog: dat is asociaal, dan bedoelde ik de snelheid. Ook zag ik dat hij meteen een grote afstand schepte tussen ons voertuig en hem. Wij hebben een gewone snelheid aangehouden. [naam getuige 5] weet dat ik boos wordt als hij te hard rijd. Op het moment dat wij de voetgangersoversteekplaats passeerde zag ik dat de motor al bij de volgende kruising was. Meteen zag ik van rechts uit de straat (…) een brandweerauto komen. Ik heb niet gezien of gehoord dat de brandweerauto optische en geluidssignalen voerde. Ik zag dat motorrijder door oranje licht ging. Meteen dat ik dit dacht zag ik dat de lichten op rood gaan. Het was een fractie van een seconde dat de motorrijder door oranje licht ging.(…)”
Mevrouw [naam getuige 2] , fietste over de Julianalaan en werd kort voor de kruising door de brandweerauto ingehaald:
“(…) Ik zag dat over de Eindhovenseweg, komende vanuit de richting Eindhoven en rijdende in de richting van Valkenswaard een motor kwam gereden. Ik vond dat ook deze behoorlijk hard reed.(…)”
De heer [naam getuige 3] , stond in zijn auto op de Julianalaan voor het verkeerslicht voorgesorteerd om linksaf te slaan en werd door de brandweerauto rechts gepasseerd:
“(…) Ik zag dat er een motorrijder aan kwam rijden, links van mij, vanuit de Eindhovenseweg, dus vanuit de richting snelweg. Ik zag dat de motorrijder voor mijn gevoel behoorlijk hard reed. Ik schat harder dan 50 km/uur.(…)”
Mevrouw [naam getuige 4] , fietste over de Eindhovenseweg in de richting van de kruising waar het ongeval plaatsvond:
“(…) Ik hoorde al geruime tijd sirenes maar had geen idee waar deze vandaan kwamen. Op enig moment werd ik ingehaald door een motor, welke reed in dezelfde richting als ik. Ik zag dat deze motor reed richting de kruising Eindhovenseweg / Koningin Julianalaan / Koningin Wilhelminalaan. Ik zag dat deze motor behoorlijk hard reed. Ik dacht in een split second dat gaat fout, omdat ik zag dat de motor de kruising naderde en ik hoorde de sirenes. Ik zag dat het verkeerslicht voor de motor oranje of zelfs rood licht uitstraalde op het moment dat deze de kruising opreed. Ik zag dat van rechts een brandweerauto kwam gereden, ook met behoorlijke snelheid maar niet zo hard als de motor. (…)”
Mevrouw [naam getuige 7] , eigenaresse van restaurant De Meiboom, Eindhovenseweg 29, die op het terras bezig was met de menukaarten:
“(…) Ik zag en hoorde een motor heel hard voorbij komen rijden. Ik zag de motor in een flits voorbij komen “vliegen” en ik hoorde alleen “vroem”, zo hard reed de motor. Ik schatte dat de motor ongeveer tussen de 130 en 180 kilometer per uur reed. Ik zag namelijk alleen een flits en toen was de motor alweer voorbij en ik hoorde alleen maar het geluid van de motor toen hij voorbij reed. (…) Ik hoorde ook een sirene en omdat er een brand was op de heide dacht ik dat het een brandweerauto zou zijn. Bij de kruising gelegen na het restaurant hoorde ik een klap en zag ik vuur.(…)”
De heer [naam getuige 8] , die met de fiets de Eindhovenseweg wilde oversteken bij de oversteekplaats bij de Goudbergstraat:
“(…) Ik zag vanuit de positie waar ik stond dat bij het verkeerslicht Eindhovenseweg / Brabantialaan een motor stond te wachten voor dit verkeerslicht. Ik zag dat het verkeer begon te rijden. De motor accelereerde en trok de motor even kort op het achterwiel. Ik hoorde aan het geluid van de motor dat deze bleef accelereren. (…) Ik vond de snelheid van deze motor onverantwoord en hoger liggen dan de snelheid van het verkeer dat daar normaal voorbij komt rijden. Ik schat de snelheid ongeveer 80 kilometer per uur. Ik zag dat voornoemde motor verder reed richting Valkenswaard, ik heb de motor niet nagekeken en ik weet dus niet of dat deze zijn snelheid nog verder heeft verhoogd.(…)”
De heer [naam bestuurder brandweerauto] , de bestuurder van de brandweerauto:
“(…) Toen ik ongeveer bij de stopstreep van de verkeerslichten was toen zag ik vanuit de richting van Eindhoven geen verkeer aan komen rijden. Ik zag wel een aantal voertuigen naast de Eindhovenseweg geparkeerd staan. Om precies te zijn stonden deze als je vanuit Eindhoven komt aan de rechterkant op een afstand van ongeveer 100 meter van mij af. Ik zag dus in totaal geen verkeer aan komen rijden. Ook vanuit de richting Valkenswaard zag ik geen verkeer aan komen rijden. Ik was dus tot de conclusie gekomen dat ik veilig de voornoemde kruising kon oversteken. Ik ben de kruising stapvoets opgereden in de richting van de Wilhelminalaan. (…) Ik was, (…) de kruising grotendeels opgereden. Ik zag op dat moment links in mijn ooghoek een motor aan komen rijden. (…) Ik zag de motor tien meter voordat deze bij de stopstreep was. Ik bedoel hiermee de stopstreep die voor hem bedoeld is. (…) Op het moment dat ik de motor voor het eerst zag was ik de kruising al ver opgereden. Ik zie dat de motor te hard rijd, ik zie dit omdat hij niet vertraagde. Ik denk dat de motorrijder mij niet gezien heeft.(…)”

4.17.
De rechtbank overweegt dat reeds op basis van de bevindingen van de politie als vaststaand kan worden aangenomen dat [eiser] de kruising is opgereden met een snelheid van meer dan 44 km per uur. De politie geeft immers aan het snelheidsverlies door de botsimpact niet te hebben meegenomen in de berekening. Gelet op de gevolgen van de botsing - de motorfiets is met de voorzijde tegen het linker voorwiel van de brandweerauto gebotst, waardoor de motorfiets aan de voorzijde zwaar beschadigd raakte en in brand is geraakt en [eiser] bekneld is geraakt tussen de linker voorband, de wielkast van de brandweerauto en zijn motorfiets - heeft deze botsing ondanks het remmen en schuiven van de motorfiets nog met een behoorlijke snelheid plaatsgevonden. Met het snelheidsverlies door de botsing, dat aanmerkelijk moet zijn geweest, heeft de politie naar eigen zeggen geen rekening gehouden in de berekening. De snelheid van [eiser] bij het naderen van de kruising moet daarom aanmerkelijk hoger zijn geweest dan 44 km per uur. Ook de getuigenverklaringen wijzen zonder uitzondering in de richting van een (te) hoge snelheid van [eiser] . Op grond van de getuigenverklaringen van [naam getuige 5] , [naam getuige 6] en [naam getuige 4] moet bovendien worden aangenomen dat het verkeerslicht voor [eiser] op oranje stond toen hij de kruising bereikte, of misschien zelfs al op rood was gesprongen. Voor zijn stelling dat hij door groen licht is gereden heeft [eiser] geen onderbouwing gegeven.

4.18.
De rechtbank is van oordeel dat hiermee vast staat dat [eiser] niet alleen een verkeersfout heeft gemaakt door de brandweerauto niet voor te laten gaan, maar zich daarnaast ook gevaarzettend heeft gedragen als verboden in artikel 5 WVW. Er is aanleiding om te veronderstellen dat [eiser] de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km per uur heeft overschreden. Maar ook als wordt aangenomen dat [eiser] heeft gereden met een snelheid van niet meer 50 km per uur dan betekent dit nog niet dat sprake was van een veilige snelheid. De kruising die [eiser] moest oversteken was een drukke kruising en bij het passeren daarvan moest [eiser] daarom de nodige voorzichtigheid betrachten. Anders dan [eiser] veronderstelt betekent het enkele feit dat men groen licht heeft nog niet dat men er zonder meer op mag vertrouwen dat men een kruising ongestoord kan oversteken. Overigens had [eiser] geen groen licht maar reed hij door oranje en moest hij daarom, zo hij niet meer tijdig kon stoppen, bij het oversteken extra alert zijn. Indien het juist is, zoals [eiser] stelt, dat zijn uitzicht op het verkeer vanuit de Julianalaan werd belemmerd door de hoge heg van het hoekpand ter plekke, dan had dit voor hem te meer reden moeten zijn om de kruising met gematigde snelheid te naderen en oplettend te zijn. Ook een eventueel verminderd gehoor door het dragen van een integraalhelm met gehoorbescherming, waarvan overigens niet duidelijk is of daarvan sprake is geweest, is een voor rekening van [eiser] komende omstandigheid die hem extra voorzichtig had moeten maken.

4.19.
De te hoge snelheid waarmee [eiser] de kruising is opgereden, ondanks of misschien wel vanwege het oranje verkeerslicht voor hem, is naar het oordeel van de rechtbank aan te wijzen als de oorzaak van het ongeval. Dat het ongeval is veroorzaakt omdat de brandweerauto te snel de kruising is opgereden en dat [eiser] tijdig had kunnen stoppen en de brandweerauto voor had kunnen laten gaan als deze iets langzamer had gereden, acht de rechtbank niet aannemelijk.

4.20.
De rechtbank kan daarom niet anders dan concluderen dat de zonder meer ernstig te noemen gevolgen van het ongeval voor eigen rekening en risico van [eiser] blijven.
De vorderingen zullen daarom worden afgewezen. ECLI:NL:RBOBR:2017:986