Overslaan en naar de inhoud gaan

GHARL 060326 bejegening en procesbeslissingen (onderbreken, kritische vragen, zittingsregie) vormen i.c. geen wrakingsgrond;

GHARL 060326 bejegening en procesbeslissingen (onderbreken, kritische vragen, zittingsregie) vormen i.c. geen wrakingsgrond;

2De beoordeling van het verzoek
De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1

Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek moet schriftelijk worden gedaan. Het verzoek kan tijdens een zitting ook mondeling worden gedaan.

2.2

Het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de bedoelde feiten en omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden en voordat in de hoofdzaak een aanvang is gemaakt met het doen van de einduitspraak. Het wrakingsverzoek vermeldt de feiten of omstandigheden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden; alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat het schrijven van 16 december 2025 geen uitbreiding van de wrakingsgronden is, maar een nadere toelichting op de wrakingsgronden van 4 december 2025.

2.3

De wrakingskamer acht het verzoek ter zitting op 4 december 2025 tijdig ingediend en acht verzoekster in het daar gedane wrakingsverzoek ook overigens ontvankelijk.

De gronden van het wrakingsverzoek

2.4

Namens verzoekster zijn volgens het proces-verbaal van 4 december 2025 de volgende wrakingsgronden gesteld:

  • -

    Verzoekster wraakt het college, omdat zij niet langer het gevoel heeft dat het college onbevooroordeeld en onafhankelijk is. Ze geeft aan te ervaren dat zij met een aanzienlijk aantal kritische vragen wordt geconfronteerd en dat haar diverse verwijten worden gemaakt. Hierdoor heeft verzoekster het gevoel dat het college het oordeel al klaar heeft en daardoor de wederpartij wordt bevoordeeld.

  • -

    Daar komt nog bij dat zij net als haar advocaat onderbroken wordt, terwijl zij meent een belangrijk verhaal te vertellen. Zij heeft daar een opmerking over gemaakt, maar dat heeft niet geholpen. Dit leidt ertoe dat zij de indruk heeft haar belangen niet goed te kunnen behartigen.

Het standpunt van de gewraakte raadsheren

2.5

De gewraakte raadsheren hebben ieder afzonderlijk te kennen gegeven niet te berusten in de wraking. Samengevat geven zij het volgende aan. Zij hebben vragen gesteld, weliswaar met name aan verzoekster en haar advocaat, maar nog niet alle vragen waren gesteld. Ze hebben geïnterrumpeerd om vragen te preciseren en uitleg gegeven over de procedure. De voorzitter geeft aan dat hij kritisch is geweest bij de ondervraging op de onderbouwing van de stellingen namens verzoekster, maar de gewraakte raadsheren herkennen niet dat de toon verwijtend, onbeleefd of beledigend is geweest.

De inhoudelijke beoordeling van het verzoek

2.6

Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 36 Rv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.

2.7

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

2.8

De verzoekster en haar advocaat hebben duidelijk gemaakt dat de zitting van 4 december 2025 niet goed liep. Verzoekster meent op onbehoorlijke wijze te zijn ondervraagd, zonder dat de wederpartij op eenzelfde wijze werd ondervraagd, en haar advocaat is steeds onderbroken. Duidelijk is dat zij de zitting als heel naar en onprettig hebben ervaren. De klachten van verzoekster betreffen in wezen de manier waarop zij en haar advocaat door de rechter is bejegend, maar de bejegening door een rechter is in beginsel geen grond voor wraking.

De toon waarop de voorzitter zich op de mondelinge behandeling heeft geuit, kan het hof niet uit het proces-verbaal opmaken en de gewraakte voorzitter en andere raadsheren hebben ontkend verzoekster op verwijtende of uiterst onvriendelijke of beledigende toon te hebben bejegend. Hoewel de bejegening ter zitting door verzoekster als onprettig is ervaren en zij daaraan wellicht haar gevoel heeft ontleend dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt, rechtvaardigt dit, ook wanneer de voorzitter daarbij een scherpe toon zou hebben gebezigd, objectief bezien niet de conclusie dat sprake was van vooringenomenheid of de gerechtvaardigde vrees daarvoor.

2.9

Verzoekster kan overigens over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Ter zitting van de wrakingskamer is duidelijk geworden dat zij dit ook al heeft gedaan.

2.10

De advocaat van verzoekster heeft gesteld dat hij meermalen onderbroken is in zijn beantwoording van vragen van het hof en dat hij daardoor de belangen van verzoekster niet goed kon behartigen. Het is aan de voorzitter om een procedure te leiden. Hij bepaalt het verloop en de voortgang van de zitting en de wijze van behandeling. Het staat de rechter daarbij vrij om partijen wel of niet te onderbreken of aan partijen en hun advocaten kritische vragen te stellen. Hij beslist welke vragen worden gesteld en aan wie en op welke punten eventueel moet worden doorgevraagd. De rechter is vrij partijen voor te houden wat hij tot dan toe uit de processtukken en hetgeen hierover ter zitting is toegelicht, voorlopig heeft afgeleid en hen daarop te laten reageren. Het sturen van de zitting is een "procesbeslissing", en uit vaste jurisprudentie volgt dat een procesbeslissing geen gegronde reden voor wraking vormt. Dat geldt ook voor een – mogelijke – voorlopige visie op de zaak. De vraag of een dergelijke (proces)beslissing juist is of niet, staat niet ter beoordeling voor de wrakingskamer. Wraking is namelijk niet bedoeld als middel om een beslissing aan te vechten waar men het niet mee eens is. Dat is alleen anders als die beslissing zo onbegrijpelijk of gebrekkig gemotiveerd is dat er redelijkerwijs geen andere verklaring voor te vinden is dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. Daarvoor heeft de wrakingskamer onvoldoende aanwijzingen. Uit het proces-verbaal volgt namelijk dat partijen beiden hun standpunten nader mochten toelichten en dat zij dat gedaan hebben aan de hand van hun spreekaantekeningen, die deel uitmaken van het proces-verbaal.

2.11

Verzoekster heeft aangevoerd dat de wederpartij geen vragen kreeg, maar daarin ziet de wrakingskamer evenmin een aanwijzing voor vooringenomenheid. Anders dan verzoekster stelt, zijn niet alleen aan haar vragen gesteld maar – zo blijkt uit het proces-verbaal – ook aan de wederpartij.

2.12

Verzoekster klaagt erover dat de wrakingsgronden ter zitting geformuleerd moesten worden. Zoals reeds is overwogen, dienen alle wrakingsgronden tegelijk te worden voorgedragen zodra de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan verzoeker bekend zijn geworden. Voor zover de voorzitter daarop heeft gewezen ter zitting, ziet de wrakingskamer – anders dan verzoekster – daarin geen aanwijzing voor vooringenomenheid. Dat geldt overigens ook voor de omstandigheid dat de voorzitter vervolgens spijt heeft geuit dat de het zo is gelopen, dat de zaak op dat moment verder niet behandeld kan worden en dat de wraking en het opnieuw plannen van de hoofdzaak leidt tot vertraging van de zaak.

2.13

Verzoekster heeft nog geklaagd dat het proces-verbaal niet volledig is en daarbij voorbeelden gegeven. Een proces-verbaal is een zakelijke, verkorte en dus niet een letterlijke en volledige - weergave van wat op de zitting is voorgevallen. Partijen kunnen hun op- en aanmerkingen op het proces-verbaal aan het hof doen toekomen met het verzoek deze aan het dossier toe te voegen. Ter zitting van de wrakingskamer is gebleken dat verzoekster dat heeft gedaan. De wrakingskamer dient in beginsel uit te gaan van de juistheid van het proces-verbaal. Indien het al zo is dat het proces-verbaal bij de weergave van de partijverklaringen op onderdelen niet helemaal juist en/of volledig is, betekent dat niet dat de raadsheren vooringenomen of niet onpartijdig zijn.

2.14

Weliswaar is de zitting van 4 december 2025 kennelijk stroef verlopen en als heel onprettig ervaren, maar zowel afzonderlijk als in samenhang bezien leveren de door verzoekster aangevoerde wrakingsgronden geen zwaarwegende aanwijzingen op voor het aannemen van partijdigheid van de gewraakte raadsheren. Omdat van enige (schijn van) partijdigheid niet is gebleken, wordt het wrakingsverzoek tegen de gewraakte raadsheren afgewezen.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1384