Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 291225 Wrakingsverzoek toegewezen; weigering om pleitnota voor te laten dragen; schijn van partijdigheid

RBDHA 291225 Wrakingsverzoek toegewezen; weigering om pleitnota voor te laten dragen; schijn van partijdigheid

2Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de hoofdzaak tussen de gemeente Den Haag (als verzoekster) en verzoekster (als verweerder).

2.2. (

De gemachtigde van) verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak van 2 december 2025 (hierna: het proces-verbaal) en zoals toegelicht tijdens de zitting van de wrakingskamer, het volgende aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De rechter is bevooroordeeld jegens verzoekster en heeft haar geen eerlijk proces gegeven in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tijdens de zitting heeft de rechter de wederpartij in de gelegenheid gesteld om een pleitnota voor te dragen en toen de gemachtigde vervolgens ook een pleitnota wilde voordragen, heeft de rechter dit niet toegestaan. De rechter heeft gezegd dat de gemachtigde alleen mocht reageren op de standpunten die de wederpartij in eerste termijn, in de pleitnota, naar voren had gebracht, omdat de gemachtigde als laatste in de procedure had gereageerd door middel van een verweerschrift en daarin alle standpunten van zijn cliënte had moeten opnemen. De gemachtigde heeft meermalen voorgesteld het aldus te doen dat hij eerst reageert op de standpunten van de wederpartij en daarna zijn pleitnota voordraagt, maar ook dit heeft de rechter niet toegestaan.

2.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna, voor zover nodig, besproken.

3De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen worden gewraakt als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.

3.2.

Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 december 2025 volgt dat de rechter na aanvang van de zitting eerst de gemachtigde van de gemeente de gelegenheid heeft gegeven om haar pleitnota voor te dragen en de gemachtigde van verzoekster vervolgens heeft gevraagd daarop te reageren. Toen deze gemachtigde daarop zei dat hij ook een pleitnota wilde voordragen, heeft de rechter gezegd dat hij eerst moest reageren op hetgeen de gemeente tijdens de zitting naar voren had gebracht. Over het verdere verloop van de zitting lopen de zienswijzen van (de gemachtigde van) verzoekster en de rechter uiteen.

3.3.

Uit de schriftelijke reactie van de rechter en zijn toelichting tijdens de zitting van de wrakingskamer volgt dat hij regie heeft willen voeren en structuur heeft willen aanbrengen en hij de gemachtigde van verzoekster met dat doel heeft verteld dat het tijdens de zitting de bedoeling is dat eerst wordt gereageerd op het verweer van de verzoekende partij. Toen de gemachtigde van verzoekster zei dat in zijn pleitnota punten stonden die nog niet aan de orde waren geweest, heeft de rechter tot drie keer toe geprobeerd uit te leggen dat in een verweerschrift in beginsel alle elementen van het verweer moeten staan en dat nadien geen nieuwe punten meer kunnen worden ingebracht. Volgens de rechter heeft de gemachtigde hem daarbij steeds onderbroken met de vraag of hij zijn pleitnota mocht voordragen. De rechter heeft telkens gezegd dat hij daarop zou terugkomen. Naar zijn mening heeft de rechter de gemachtigde op geen enkele wijze belet om het woord te voeren. Uit het proces-verbaal blijkt ook niet, aldus de rechter, dat hij heeft gezegd dat de gemachtigde zijn pleitnota niet mócht voordragen.

3.4.

Volgens de gemachtigde is het verloop van de zitting in het proces-verbaal onvolledig en niet correct weergegeven. In dat proces-verbaal wordt niet vermeld dat de gemachtigde meermalen heeft voorgesteld om eerst te reageren op de standpunten van de gemeente en daarna zijn pleitnota voor te dragen en dat de rechter ook dit niet toestond. Anders dan in het proces-verbaal is vermeld, heeft de rechter niet tegen de gemachtigde gezegd dat hij de gelegenheid krijgt om alles te zeggen wat hij wil. In ieder geval blijkt uit het proces-verbaal niet dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om zijn pleitnota voor te dragen. Als dit wel zo was geweest, had de gemachtigde het wrakingsverzoek niet hoeven indienen.

3.5.

De wrakingskamer stelt vast dat het in de hoofdzaak gaat om een verzoekschrift van de gemeente tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met verzoekster wegens ernstig verwijtbaar handelen en over de vraag of zij recht heeft op een transitievergoeding. Nadat de gemeente haar verzoekschrift had ingediend en verzoekster daarop had gereageerd bij verweerschrift, is een mondelinge behandeling bepaald. De rechter heeft gezegd dat hij – juist in het kader van het recht op een eerlijk proces – tijdens die mondelinge behandeling regie heeft willen voeren en structuur heeft willen aanbrengen door de gemeente eerst te laten reageren op het verweerschrift en (de gemachtigde van) verzoekster vervolgens de gelegenheid te geven om daar weer op te reageren. De wrakingskamer stelt vast dat de gemachtigde van verzoekster op dat moment heeft gezegd dat hij (ook) een pleitnota wilde voordragen en dat de rechter hem toen direct heeft beknot en hem heeft verteld dat hij alleen mocht reageren op de standpunten van de gemeente zoals verwoord in de zojuist voorgedragen pleitnota. Terwijl de gemeente een pleitnota van negen pagina’s had voorgedragen, heeft de rechter de gemachtigde van verzoekster (op dat moment) dus niet toegestaan om zijn pleitnota voor te dragen, zonder kennis te nemen van de inhoud daarvan. Hoewel het tot de taak en de functie van de rechter behoort om de orde op zitting te bewaken en regie te voeren, is het gevolg van deze handelwijze dat de gemeente haar voorbereide standpunt ter zitting heeft kunnen uitspreken en dat dat standpunt door overlegging van pleitaantekeningen aan de rechtbank onderdeel van de processtukken is geworden, terwijl verzoekster daartoe niet in de gelegenheid is gesteld. Partijen verschillen van mening over wat er tijdens de mondelinge behandeling wel en niet gezegd is, maar uit het proces-verbaal blijkt in ieder geval niet dat de rechter heeft gezegd dat de gemachtigde zijn pleitnota in een later stadium alsnog zou mogen voordragen, eventueel nadat hij had gereageerd op de standpunten van de gemeente. Uit het proces-verbaal volgt evenmin dat de rechter – zoals hij in zijn schriftelijke standpunt heeft verwoord – drie keer zijn zin niet heeft kunnen afmaken en daardoor niet heeft kunnen zeggen of hij aan de gemachtigde van verzoekster al dan niet de gelegenheid zou geven om de pleitnota voor te dragen. De wrakingskamer acht het ook niet aannemelijk dat de rechter van plan was om de gemachtigde zijn pleitnota alsnog te laten voordragen, nu dat een eenvoudige mededeling was geweest, en de gemachtigde in dat geval geen aanleiding had gehad om het wrakingsverzoek in te dienen.

3.6.

De rechter heeft (de gemachtigde van) verzoekster niet toegestaan zijn pleitnota voor te dragen, terwijl de andere partij onmiddellijk daarvoor wel in de gelegenheid was gesteld een pleitnota voor te dragen. Door zonder kennis te nemen van de inhoud van de pleitnota te weigeren dat deze wordt voorgedragen en te eisen dat de gemachtigde eerst (zonder pleitnota) reageert op de standpunten van de wederpartij, heeft de rechter te veel ingegrepen in de processuele verhouding tussen partijen, hetgeen tenminste de schijn van partijdigheid oplevert. Het wrakingsverzoek wordt dan ook toegewezen. Rechtbank Den Haag 29 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25947