GHARL 130126 geen letsel; geen schade geleden a.g.v. beroepsfout advocaat; alimentatie zou volledig in mindering zijn gebracht op bijstandsuitkering
- Meer over dit onderwerp:
GHARL 130126 geen letsel; geen schade geleden a.g.v. beroepsfout advocaat; alimentatie zou volledig in mindering zijn gebracht op bijstandsuitkering
5De beoordeling van de grieven en de vorderingen in hoger beroep
5.1
De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen. Zij heeft vier bezwaren (grieven) tegen het bestreden vonnis geformuleerd, die het hof thematisch zal bespreken
5.2
Het hof zal oordelen dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Dat wordt hierna uitgelegd.
Doel en reikwijdte van de schadestaatprocedure
5.3
De schadestaatprocedure strekt er alleen toe om tot een vaststelling te komen van de schade die [appellante] heeft geleden doordat [geïntimeerde] haar, zonder haar voldoende te informeren over de consequenties daarvan en zich ervan te vergewissen dat die consequenties haar duidelijk waren en zij daarmee instemde, te adviseren in te stemmen met de op 26 juli 2012 tijdens de zitting van het hof Arnhem met haar ex-partner getroffen regeling.1
5.4
Bij de begroting van de omvang van de schade van [appellante] gaat het, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad2, uiteindelijk erom dat de toestand zoals die is na de tekortkoming van [geïntimeerde] wordt vergeleken met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien [geïntimeerde] niet tekort zou zijn geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens haar. Het gaat daarbij om een vergelijking tussen twee vermogenssituaties. De werkelijke situatie van [appellante] nu, waarin zij na het treffen van de regeling verkeert, dient dan ook te worden vergeleken met de hypothetische situatie waarin er geen regeling was getroffen, maar het hof Arnhem uitspraak had gedaan. Die hypothetische situatie kan niet nauwkeurig worden vastgesteld - de situatie heeft zich immers niet voorgedaan -, maar alleen worden benaderd. Bij die benadering gaat het om de redelijke verwachtingen.
5.5
Het hof is gehouden om bij de beoordeling in deze schadestaatprocedure uit te gaan van de uitgangspunten die het hof in zijn arrest in het hoofdgeding heeft geformuleerd, namelijk dat [appellante] ook in het geval (er geen regeling tot stand was gekomen en) het hof Arnhem indertijd een beschikking had gegeven in beginsel aanspraak zou hebben kunnen maken op het vruchtgebruik.
De vorderingen in dit hoger beroep
5.6
[appellante] heeft zich in dit hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van:
a) het mislopen van alimentatie;
b) het niet kunnen effectueren van het vruchtgebruik;
c) het niet kunnen delen in de waarde van de woning.
5.7
Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft [appellante] ook aanspraak gemaakt op immateriële schade en materiële proceskosten, maar deze vorderingen zijn geen onderdeel van dit hoger beroep, omdat [appellante] niet heeft gegriefd tegen de afwijzing daarvan door de rechtbank.
a) het mislopen van alimentatie
5.8
In de huidige situatie leeft [appellante] van een bijstandsuitkering. In de hypothetische situatie dat [geïntimeerde] niet tekort was geschoten en er destijds bij het hof Arnhem geen regeling was getroffen, had het hof Arnhem moeten oordelen over de destijds voorliggende verzoeken in hoger beroep. De rechtbank Arnhem had de door de man aan [appellante] te betalen alimentatie met toepassing van de Trema- normen vastgesteld op € 267 bruto per maand. [appellante] heeft zich destijds in haar appelschrift op het standpunt gesteld dat dit bedrag te laag was omdat de man naar haar mening meer draagkrachtruimte had. Zij verzocht het hof de door de man te betalen bijdrage te bepalen op een bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
De man was zijnerzijds ook in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank. Hij verzocht het hof de bijdrage in het levensonderhoud van [appellante] op nihil te bepalen.
5.9
[appellante] heeft in deze schadestaatprocedure betoogd dat zij gedurende een periode van minstens 12 jaar een alimentatie had kunnen verwerven van € 2.000 bruto per maand. Zij becijfert haar schade in dat verband op € 288.000.
5.10
[appellante] heeft aan deze vordering de stelling ten grondslag gelegd dat de man beschikte over een inkomen van € 80.000 bruto per jaar.
Uit de stukken die aan het hof Arnhem zijn overgelegd, blijkt echter dat het inkomen van de man in de loop der jaren fors is teruggelopen. Dat hield verband met het feit dat hij niet langer als beroepsmilitair werd uitgezonden voor vredesmissies, maar een bureaufunctie had gekregen. Zijn bruto jaarinkomen bedroeg blijkens de stukken in 2010 € 66.127, in 2011
€ 53.695 en in 2012 € 46.666.
Iemand met een bruto jaarinkomen van € 46.666 is niet in staat een bruto alimentatiebijdrage te betalen die uitkomt boven de bijstandsnorm. Tussen partijen staat – zoals namens [appellante] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 19 november 2025 is erkend – ook vast dat de man volgens de Trema-normen geen draagkrachtruimte had.
Dat betekent dat àls het hof de man in de hypothetische situatie al had veroordeeld tot het betalen van een alimentatiebijdrage, die bijdrage volledig in mindering zou hebben gestrekt op de bijstandsuitkering die [appellante] ontvangt, omdat de man nimmer een bedrag gelijk aan of hoger dan de bijstandsnorm zou hebben kunnen betalen. [appellante] lijdt dan ook geen schade door het mislopen van alimentatie. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [appellante] niet heeft onderbouwd dat zij in de fictieve situatie wel in staat zou zijn geweest om zelf inkomsten uit arbeid te verwerven. Zij is in de feitelijke situatie steeds aangewezen geweest op een bijstandsuitkering. Dat dit het gevolg is van de tekortkoming van [geïntimeerde] , zoals zij lijkt te suggereren, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.
5.11
[appellante] heeft in haar vierde grief geklaagd dat de rechtbank bij de beoordeling van deze schadepost ten onrechte is uitgegaan van het rapport alimentatienormen (Trema) versie 2012-1. [appellante] meent dat de alimentatie niet op basis van de draagkracht van de man had moeten worden vastgesteld, maar op basis van zijn inkomen, omdat zij gezien het bepaalde in artikel A7 van het convenant aanspraak kon maken op een levenslange bijdrage van de man in de kosten van haar huishouding.
5.12
Die grief is vergeefs voorgedragen. Nog daargelaten dat [appellante] ook in dit verband van een te hoog inkomen van de man uitgaat, [appellante] heeft destijds ook niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank Arnhem dat de alimentatie volgens de Trema-normen moest worden berekend. Bovendien geldt ook hiervoor wat onder 5.8 tot en met 5.10 is overwogen.
b) het niet kunnen effectueren van het vruchtgebruik (etc. red. LSA LM)
1Arrest in het hoofdgeding van 20 juli 2021 ECLI:NL:GHARL:2021:6944
2vgl. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483
3HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:162