RBZWB 200526 beroepsfout advocaat bij klacht tegen geschillencommissie zkh; berisping bij RvD, maar schade komt niet vast te staan
- Meer over dit onderwerp:
RBZWB 200526 beroepsfout advocaat bij klacht tegen geschillencommissie zkh; berisping bij RvD, maar schade komt niet vast te staan
2De feiten
2.1.
Op 25 september 2019 heeft [eiser] een klacht ingediend bij het [ziekenhuis] over de dokter die hem behandelde. Het bestuur van het [ziekenhuis] heeft deze klacht afgewezen.
2.2.
Op 30 maart 2020 heeft [eiser] een klacht ingediend over het [ziekenhuis] bij de Geschillencommissie Zorg.
2.3.
In november 2020 heeft [eiser] juridische bijstand gevraagd van [gedaagde] in het kader van zijn letselschadezaak tegen het [ziekenhuis] .
2.4.
Op 29 december 2020 heeft [gedaagde] in een brief aan [eiser] laten weten dat er een aansprakelijkstelling van het [ziekenhuis] zal moeten plaatsvinden, zoals zij eerder hebben besproken. Ook geeft hij aan dat hij een toevoeging gaat vragen.
2.5.
Op 26 januari 2021 heeft [gedaagde] in een brief aan [eiser] aangegeven dat de situatie hem niet duidelijk is. [gedaagde] vraagt [eiser] naar de actuele stand van zaken bij de Geschillencommissie.
2.6.
Op 26 februari 2021 vond de mondelinge behandeling plaats van de klacht van [eiser] over het [ziekenhuis] door de Geschillencommissie. Diezelfde dag heeft de Geschillencommissie een bindend advies uitgebracht en beslist dat de vordering van [eiser] tot schadevergoeding wordt afgewezen, omdat de Geschillencommissie geen tekortkoming in de nakoming van de behandelovereenkomst heeft vastgesteld.
2.7.
Op 26 mei 2021 heeft [gedaagde] een negatief advies aan [eiser] gegeven voor een procedure via de rechter en aangegeven dat het hem beter lijkt dat [eiser] in overleg treedt met het [ziekenhuis] over een financiële regeling:
“Zowel de Geschillencommissie Zorg als eerder de Raad van Bestuur van het [ziekenhuis] geven je op alle klachten jegens dr. (…) ongelijk. De onderbouwing in beide uitspraken is helder. De mogelijkheid bestaat om de zaak aan de civiele rechter voor te leggen. Los van de inhoud spelen dan in ieder geval twee zaken een rol: mogelijk is er sprake van verjaring en mogelijk zal de rechter slechts marginaal toetsen vanwege de voormelde uitspraken. Ook inhoudelijk gezien ligt de kwestie moeilijk. (…) Op basis van wat er nu ligt, is het niet raadzaam om naar de rechter te stappen. Het lijkt me beter alsnog met het [ziekenhuis] in overleg te treden over een financiële regeling. Ik hoor graag van je.”
2.8.
Op 31 mei 2021 heeft [eiser] in een e-mailbericht aan [gedaagde] onder meer het volgende aangegeven:
“5. Aangezien de raad al (prof. (…) die ook alles ongegrond heeft verklaard) een schikking met een bedrag € 10.000,00 heeft voorgesteld. Dan kunnen we altijd in overleg met [ziekenhuis] voor een financiële regeling, maar in dit geval moet het wel duidelijk naar voren komen als dit financiële overleg niet lukt dan stappen we naar de Rechter.
6. Met alle respect voor u en uw kennis toch wekte bij mij de indruk dat u deze zaak niet helemaal onder de kniën heeft. Met andere woord heb ik geen recht als patiënt.”.
2.9.
Op 7 juni 2021 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht om de werkzaamheden te staken.
2.10.
Op 1 juli 2021 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de geleden schade vanwege het geven van onjuiste informatie met betrekking tot een fatale beroepstermijn.
2.11.
Op 18 en 23 augustus 2021 heeft [eiser] zich tot de [naam] gewend met een klacht over [gedaagde] . De [naam] heeft [eiser] verwezen naar de Raad van Discipline en geeft aan te verwachten dat de tuchtrechter de klachten ongegrond zal verklaren.
2.12.
[eiser] heeft een klacht ingediend over [gedaagde] bij zijn kantoor. Op 1 september 2021 heeft Advocaten Collectief deze klacht ongegrond verklaard.
2.13.
Op 11 april 2022 heeft de Orde van Advocaten aangegeven dat de klachten van [eiser] over [gedaagde] door de Raad van Discipline waarschijnlijk ongegrond zullen worden verklaard.
2.14.
Op 17 oktober 2022 heeft De Raad van Discipline de klacht van [eiser] over het handelen van [gedaagde] bij beslissing gedeeltelijk gegrond verklaard. In deze beslissing (ECLI:NL:TADRSHE:2022:143) staat onder meer:
“Verweerder heeft jegens klager niet die zorgvuldigheid betracht die van een redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Verweerder heeft de inhoud van de opdracht niet bevestigd, klager niet bijgestaan bij het opstellen van de schadestaat en de zitting van de Geschillencommissie, klager niet gewezen op een fatale beroepstermijn, zelfs niet toen hij zijn werkzaamheden beëindigde. De raad acht gelet op de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en de nadelige gevolgen daarvan voor klager de maatregel berisping passend en geboden.”.
2.15.
Op 9 november 2022 heeft [gedaagde] hoger beroep aangetekend tegen de beslissing van de Raad van Discipline van 17 oktober 2022. Op 24 augustus 2023 heeft [gedaagde] zijn hoger beroep ingetrokken.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - een verklaring voor recht dat [gedaagde] beroepsfouten heeft gemaakt en [eiser] daardoor schade heeft geleden en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van deze schade van € 12.867,50, vermeerderd met rente en proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft zich voor juridische bijstand in verband met een letselschadezaak laten bijstaan door [gedaagde] . Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hierbij verschillende beroepsfouten gemaakt die ook zijn vastgesteld door de Raad van Discipline. Door deze beroepsfouten heeft [eiser] schade geleden van in totaal € 12.867,50 en dit bedrag wil hij graag vergoed hebben van [gedaagde] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. [gedaagde] betwist dat hij beroepsfouten heeft gemaakt. Daarnaast is er geen sprake van een causaal verband tussen de verwijten die [eiser] maakt en de gestelde schade. [eiser] heeft zijn schadeposten ook niet onderbouwd.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Tussen partijen is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen, waarbij [gedaagde] [eiser] juridisch heeft bijgestaan in het kader van een letselschadezaak tegen het [ziekenhuis] . Bij het verrichten van deze werkzaamheden moet [gedaagde] als advocaat de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen.1 In deze zaak gaat het om de vraag of [gedaagde] de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
Onvoldoende zorgvuldig handelen
4.2.
[eiser] stelt dat [gedaagde] beroepsfouten heeft gemaakt. Deze bestaan uit het niet bevestigen van de inhoud van de opdracht aan [eiser] , [eiser] niet bijstaan bij het opstellen van de schadestaat, het niet aanwezig zijn bij de zitting bij de Geschillencommissie en het niet (goed) informeren van [eiser] over de fatale beroepstermijn tegen de beslissing van de Geschillencommissie. [eiser] verwijst daarbij naar de beslissing van de Raad van Discipline van 17 oktober 2022, waarin is geoordeeld dat [gedaagde] op deze punten niet die zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk handelend advocaat verwacht mag worden.
4.3.
Vast staat dat [eiser] de procedure bij de Geschillencommissie al was gestart op het moment dat hij bij [gedaagde] kwam voor juridische bijstand. [eiser] had toen zelf al een klacht ingediend bij de Geschillencommissie en hiervoor een schadestaat opgesteld. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij alleen de opdracht had om [ziekenhuis] aansprakelijk te stellen via een aparte civiele procedure. Volgens hem was het daarbij duidelijk dat hij [eiser] niet bijstond in de procedure bij de Geschillencommissie, want hij zou daarvoor ook een aparte toevoeging moeten aanvragen. Ook heeft hij aangevoerd dat hij pas later hoorde dat er een procedure speelde bij de Geschillencommissie, maar dit alles wordt door [eiser] betwist.
4.4.
De kantonrechter begrijpt dat er tussen partijen onduidelijkheid is ontstaan over de vraag of [gedaagde] [eiser] ook bijstond in de procedure bij de Geschillencommissie. De kantonrechter is van oordeel dat deze onduidelijkheid voor rekening van [gedaagde] komt. Van een redelijk handelend advocaat mag verwacht mocht worden dat hij de inhoud van de opdracht aan zijn cliënt bevestigt. Niet gebleken is dat [gedaagde] de inhoud van de opdracht duidelijk aan [eiser] heeft gecommuniceerd. Mede hierdoor is het niet duidelijk of [gedaagde] [eiser] zou bijstaan bij het opstellen van de schadestaat en het bijwonen van de zitting bij de Geschillencommissie. Hiermee heeft [gedaagde] niet zorgvuldig gehandeld.
4.5.
Over het niet informeren van [eiser] over de beroepstermijn tegen de beslissing van de Geschillencommissie heeft [gedaagde] ter zitting nog het volgende aangevoerd. [gedaagde] stelt dat hij, onder meer in zijn brief van 26 mei 2021, heeft aangegeven dat de rechter de uitspraak van de Geschillencommissie in beroep marginaal zou toetsen. Het aansprakelijk stellen van het [ziekenhuis] in een aparte civiele procedure achtte hij niet raadzaam. Om die reden heeft hij [eiser] geadviseerd om in gesprek te gaan met het [ziekenhuis] over het treffen van een financiële regeling. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] in zijn brief van 31 mei 2021 deze strategie van [gedaagde] bevestigd, maar de kantonrechter gaat niet mee in het standpunt van [gedaagde] dat uit dit e-mailbericht volgt dat [eiser] heeft afgezien van een eventueel beroep van de uitspraak van de Geschillencommissie. [gedaagde] benoemt in zijn brief van 26 mei 2021 twee zaken, namelijk verjaring en marginale toetsing door de rechter, maar hij geeft daarbij niet duidelijk aan dat het hierbij gaat om twee verschillende procedures. Het lag naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [gedaagde] om als redelijk handelend advocaat [eiser] duidelijk te informeren over de verschillende (beroeps- danwel verjarings)termijnen in beide procedures en dit heeft hij niet gedaan. De omstandigheid dat [eiser] vervolgens op 7 juni 2021, binnen de beroepstermijn van de uitspraak van de Geschillencommissie, [gedaagde] verzocht heeft om zijn werkzaamheden te staken, maakt dit niet anders.
4.6.
Gelet op het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen.
Geen schade
4.7.
De vraag is vervolgens of het voorgaande meebrengt dat [gedaagde] hiervoor een schadevergoeding verschuldigd is. Daarvoor moet eerst vast komen te staan dat als [gedaagde] wel de zorg van een goed opdrachtnemer in acht zou hebben genomen, [eiser] in zijn zaak bij de Geschillencommissie gelijk had gekregen.
4.8.
De kantonrechter stelt voorop dat als [gedaagde] [eiser] de inhoud van de opdracht wel aan [eiser] had bevestigd, dan was het voor [eiser] duidelijk geweest dat [gedaagde] hem wel of niet zou bijstaan in de zaak bij de Geschillencommissie. Voor zover er van uit zou worden gegaan dat [gedaagde] [eiser] wel zou bijstaan in de procedure bij de Geschillencommissie, is het de vraag in hoeverre dat invloed zou hebben gehad op de inhoudelijke behandeling en uitkomst van de zaak.
4.9.
Ter zitting heeft [gedaagde] heeft toegelicht dat hij tegen [eiser] heeft gezegd dat hij de schadestaat keurig had opgesteld met de bijbehorende kosten. Aan het feitelijke verhaal van [eiser] over zijn klachten over het [ziekenhuis] had [gedaagde] verder niets kunnen veranderen. Als het gaat om de inhoudelijke beoordeling van de zaak en de vraag of bijstand door [gedaagde] hierin verschil had kunnen maken overweegt de kantonrechter als volgt. In die procedure ging het om de vraag of er sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de behandelovereenkomst door het [ziekenhuis] . De Geschillencommissie heeft geoordeeld dat hier geen sprake van was en om die reden is de vordering van [eiser] tot schadevergoeding afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de Geschillencommissie de klachten van [eiser] gemotiveerd heeft afgewezen. Zo heeft [eiser] bij de Geschillencommissie onder meer geklaagd over dat er geen overleggen hebben plaatsgevonden met de viroloog over vervangende medicatie, maar gebleken is dat deze wel hebben plaatsgevonden. Het verwijt dat er geen nieuwe medicatie aan hem is voorgehouden is het gevolg geweest van zorgvuldige afwegingen, waarbij rekening is gehouden met zijn medische situatie en zijn therapie- en medicatieontrouw in het verleden. [eiser] was het niet eens met een behandeling door een assistente, maar dat heeft hij niet op tijd aangegeven, zodat het [ziekenhuis] niet de gelegenheid heeft gekregen om daar iets mee te doen. Ook is niet gebleken dat het [ziekenhuis] onzorgvuldig heeft gehandeld door [eiser] conform protocol te verwijzen naar de huisarts toen hij klaagde over een bultje op zijn hand. Volgens [gedaagde] stond [eiser] niet sterk in zijn zaak en daarom heeft hij [eiser] ook afgeraden om te procederen. Nu [eiser] verder niet heeft toegelicht waarom hij denkt dat hij wel gelijk zou hebben gekregen, heeft de kantonrechter hier ook geen verdere aanknopingspunten voor. Dat [eiser] gelijk zou hebben gekregen in zijn zaak bij de Geschillencommissie als hij was bijgestaan door [gedaagde] komt dus niet vast te staan.
4.10.
Gelet op het voorgaande is het ook niet aannemelijk dat [eiser] in een eventueel beroep van de uitspraak van de Geschillencommissie inhoudelijk (alsnog) gelijk had gekregen. [gedaagde] heeft hierbij toegelicht dat de rechter de uitspraak in beroep slechts nog marginaal toetst. Dat is ook de reden geweest waarom hij [eiser] heeft geadviseerd om in gesprek te gaan met het ziekenhuis voor het treffen van een financiële regeling. Ter zitting heeft [gedaagde] nog eens benadrukt dat dit nog steeds een optie is voor [eiser] .
Conclusie
4.11.
De conclusie is dat [gedaagde] op bepaalde punten niet helemaal de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen, maar dat [eiser] hier schade door heeft geleden is niet komen vast te staan. De kantonrechter begrijpt dat de situatie voor [eiser] niet gemakkelijk is gelet op zijn gezondheidssituatie, maar dit is niet iets wat voor rekening van [gedaagde] komt. De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4418