Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 190226 delay 2,25 uur bij hartinfarct; aansprakelijkheid huisarts erkend; verschil functieverlies linker hartkamer met en zonder ongeval

RBLIM 190226 delay 2,25 uur bij hartinfarct; aansprakelijkheid huisarts erkend; verschil functieverlies linker hartkamer met en zonder ongeval
- verzocht 31,5 uur x € 270 + 21%, toegewezen 25,5 uur x € 270 + 21% = 8.330,85
 

3De feiten

3.1.

[B.V.] is een regionale huisartsenorganisatie van, voor en door huisartsen in de westelijke mijnstreek, midden-Limburg en midden-limburg oost. Zij levert onder andere op diverse huisartsenpostlocaties in deze regio’s spoedzorg.

3.2.

VvAA is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [B.V.] .

3.3.

[verzoeker] kreeg na middernacht, op 8 april 2023, klachten in de vorm van moeite hebben met lucht krijgen en pijn in de linkerarm en op de borst en bovenmatig transpireren. Hij was alleen thuis en heeft de klachten enige tijd afgewacht, maar om 03:28 uur heeft hij telefonisch contact opgenomen met [B.V.] . De dienstdoende assistente heeft naar aanleiding van de klachten huisarts mevrouw [huisarts] (hierna [huisarts] ) geraadpleegd. [huisarts] nodigde [verzoeker] uit om naar de huisartsenpost te komen, maar [verzoeker] voelde zich daarvoor te slecht1. Op dat moment heeft [huisarts] geen actie ondernomen en volstaan met het verstrekken van enkele afwachtende adviezen. Het eerste gesprek is om 03:53 uur beëindigd.

3.4.

Om 06:00 uur bracht [huisarts] een bezoek aan [verzoeker] bij hem thuis en om 06:13 uur bestelde zij een ambulance. Deze ambulance bracht [verzoeker] eerst naar het [ziekenhuis 1] in [plaats 3] waar hij cardiologisch is onderzocht door middel van en hartfilmpje (ECG), laboratoriumonderzoek en een echocardiogram. Uit de onderzoeken bleek dat sprake was van een hartinfarct. [verzoeker] moest gedotterd worden, wat in het ziekenhuis in [plaats 3] niet mogelijk was. Daarom is [verzoeker] omstreeks 07:10 uur met de ambulance vervoerd naar het [ziekenhuis 2] in [plaats 4] , waar hij rond 07:50 uur een dotterbehandeling onderging. Daarnaast werden twee stents geplaatst tijdens deze behandeling. [verzoeker] heeft blijvende klachten overgehouden aan de hartinfarct.

3.5.

Bij e-mailbericht van 17 april 2023 heeft [verzoeker] [B.V.] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van onzorgvuldig medisch handelen door [huisarts] . [huisarts] heeft volgens [verzoeker] verwijtbaar gehandeld door [verzoeker] niet tijdig door te verwijzen en te (laten) behandelen. De aansprakelijkheid voor deze vermijdbare vertraging (in de stukken ook “undue delay” of “delay in treatment” genoemd) is door VvAA namens [B.V.] diverse keren erkend, voor het eerst in de e-mail van 9 augustus 2023.

3.6.

Vervolgens is de schadebehandeling door VvAA opgestart. Dat een hartinfarct kan leiden tot permanente schade aan het hart is tussen partijen niet in geschil. Partijen zijn verwikkeld geraakt in een discussie over de vraag of de vermijdbare vertraging heeft geleid tot extra schade aan het hart. Partijen hebben daarvoor gezamenlijk advies ingewonnen bij cardioloog de heer [cardioloog] (hierna [cardioloog] ). [cardioloog] heeft op 10 april 2025 zijn definitieve rapport naar partijen gestuurd.

4Het verzoek en het verweer

4.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) samengevat om:

1. voor recht te verklaren dat de huidige LVEF2 van [verzoeker] 25-30% bedraagt ,

2. voor recht te verklaren dat de LVEF van [verzoeker] 45-50% zou bedragen in de situatie zonder vermijdbare vertraging,

3. veroordeling in de kosten van het deelgeschil.

4.2.

Hoewel [verzoeker] aanvankelijk ook nog om een verklaring voor recht verzocht dat geen sprake is van eigen schuld ex artikel 6:101 BW, heeft hij dat verzoek tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken, zodat de rechtbank dat verzoek en het beroep op eigen schuld door [B.V.] en VvAA verder niet meer zal bespreken.

4.3.

Aan het verzoek heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat door onzorgvuldig handelen door [huisarts] een vermijdbare vertraging heeft plaatsgevonden, waardoor [verzoeker] schade heeft geleden. Volgens [verzoeker] volgt uit het rapport van [cardioloog] dat hij nu een LVEF heeft van 25-30 % en dat hij zonder verwijtbaar handelen door [B.V.] een LVEF van 45-50 % zou hebben gehad. [verzoeker] meent dat een impasse in de schadeafwikkeling wordt doorbroken als de rechtbank deze juridische uitgangspunten bij de schadebegroting vaststelt

4.4.

[B.V.] en VvAA verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren in de eerste plaats aan dat het verzoek zich niet leent voor deelgeschil omdat vanwege de vele andere geschilpunten tussen partijen onvoldoende vooruizicht bestaat op een buitengerechtelijke regeling. In de tweede plaats kunnen de verzochte verklaringen voor recht volgens hen niet worden toegewezen, omdat [verzoeker] het rapport van [cardioloog] verkeerd uitlegt. [verzoeker] heeft volgens hen geen extra schade geleden als volg van de vermijdbare vertraging.

4.5.

Voor zover relevant zal de rechtbank hierna meer gedetailleerd ingaan op de stellingen van partijen.

5De beoordeling

De ontvankelijkheid

5.1.

[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.

5.2.

De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

5.3.

In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de uitleg van de conclusies van deskundige [cardioloog] over de hoogte van het LVEF percentage in de situatie met en zonder schadeveroorzakende gebeurtenis (de vermijdbare vertraging). Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken en dat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn verzoeken.

Inhoudelijke beoordeling

De huidige LVEF

5.4.

De rechtbank zal overeenkomstig het verzoek van [verzoeker] voor recht verklaren dat de huidige LVEF van [verzoeker] 25-30%. bedraagt. De rechtbank zal deze beslissing hierna uitleggen.

5.5.

[cardioloog] is een door partijen in gezamenlijk overleg ingeschakelde deskundige. Over de vraagstelling waren partijen het eens. Ook stond de deskundigheid van de deskundige niet ter discussie. Partijen hebben zich daarmee verbonden om de rapportage van de deskundige als uitgangspunt te nemen voor de verdere afhandeling van hun geschil.

5.6.

Voor zover relevant heeft [cardioloog] het volgende over de LVEF van [verzoeker] geschreven (waarbij de rechtbank in vet gedrukt de LVEF heeft weergegeven).

  • -

    Op pagina 9 van zijn rapport beschrijft hij de onderzoeken die hij heeft gedaan. Daarin is als resultaat van een echocardiogram een LVEF opgenomen van 25-30%.

  • -

    Daarnaast geeft hij als antwoord op de vraag e (Wat is de diagnose op uw vakgebied):“Verminderde fysieke conditie NYHA f.c. 1-2 bij doorgemaakte voorwandinfarct op [nummer] na enig delay in presentatie met forse restschade (LVEF 30%), passagiere pericardeffusie en passagiere linkerkamertrombus ondanks coronaire stenting. Voorts profylactische s-ICD plaatsing.”

  • -

    Op de eerste vraag die [verzoeker] bij brief van 12 februari 2025 naar aanleiding van het rapport aan [cardioloog] heeft gesteld, heeft [cardioloog] als volgt geantwoord: “Het delay van 4u50 min leidde tot een gemeten LVEF na de acute fase van 36%. In de followupperiode wisselde de nieuwe metingen tusen een LVEF van 30-39% en bij eigen onderzoek geschat 25-30%. Er hebben zich sinds het acute infarct geen nieuwe infarcten voorgedaan, zodat ik een LVEF van 25-30% aanneem als laat gevolg van het eerste infarct. Opgemerkt zij dat dit steeds schattingen betreft. Wel mag ervan worden uitgegaan dat er een correlatie is tussen de (langere) duur van het opgetelde delay en de (grotere) schade aan de linker kamerfunctie. Deze vatte u correct samen in de tabel.”

5.7.

[verzoeker] leidt hieruit af dat zijn LVEF 25-30% is, maar [B.V.] en VvAA leiden hieruit af dat het huidige LVEF minimaal 30% is. Zij wijzen erop dat [cardioloog] dit percentage noemt bij de beantwoording van vraag e. Ook verwijzen zij naar eerder gemeten hogere percentages en specifiek op het percentage 30-39%, zoals gemeten tijdens het cardiologisch onderzoek op 23 augustus 2023 in het [ziekenhuis 1]3. Verder stellen zij dat [verzoeker] in een gesprek met de schadebehandelaar op 25 juni 2025 (dus na het rapport van [cardioloog] ) heeft gezegd een LVEF van 35% te hebben, wat in het bezoekrapport is vastgelegd4.

5.8.

De rechtbank overweegt dat partijen het op de zitting erover eens waren dat het LVEF in de tijd kan fluctueren. Het betreft een momentopname. In het kader van de schadeafwikkeling is het noodzakelijk dat een representatief percentage wordt genomen, dat als uitgangspunt voor de berekening kan gelden.

[cardioloog] heeft in zijn deskundigenrapport de verschillende gemeten LVEF’s weergegeven. Daaruit kan geconcludeerd worden dat de LVEF’s van [verzoeker] gestaag dalen. [cardioloog] heeft in het kader van zijn onderzoek een echocardiogram heeft laten maken waaruit blijkt dat [verzoeker] tijdens het onderzoek een LVEF had van 25-30%. Voor de rechtbank levert het echocardiogram dat tijdens het onderzoek van [cardioloog] is gedaan het representatieve percentage op dat als uitgangspunt voor de schadeberekening moet gelden. Dat [cardioloog] dit percentage in zijn beantwoording van vraag e afrond op 30% wil niet zeggen dat van het percentage van 30 % moet worden uitgegaan. In zijn reactie op de eerste vraag van [verzoeker] naar aanleiding van het rapport neemt [cardioloog] ook een LVEF van 25-30% aan.

5.9.

Ook als [verzoeker] inderdaad, zoals [B.V.] en VvAA stellen, nadien tegenover een schadebehandelaar heeft gezegd dat zijn LVEF 35% was, doet dat aan voorgaande conclusies van [cardioloog] niets af. Het LVEF kan immers fluctueren. Daar komt bij dat [verzoeker] op zitting heeft uitgelegd dat het in het bezoekrapport opgenomen percentage van 35% betrekking had op een eerder gemeten LVEF en dat dit fout in het rapport is opgenomen.

5.10.

De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het LVEF van [verzoeker] 25-30% is.

De LVEF in de situatie zonder vermijdbare vertraging

5.11.

De rechtbank zal overeenkomstig het verzoek van [verzoeker] voor recht verklaren dat de LVEF van [verzoeker] 45-50% zou bedragen in de situatie zonder vermijdbare vertraging. De rechtbank zal deze beslissing hierna uitleggen.

5.12.

De rechtbank neemt in dit verband tot uitgangspunt dat het hartinfarct om 02:00 uur is begonnen. Weliswaar verdedigen [B.V.] en VvAA het standpunt dat het infarct al eerder is begonnen, maar de rechtbank gaat daar niet in mee. [B.V.] en VvAaA beroepen zich op de opmerking van [cardioloog] in het rapport op pagina 12 ”Mogelijk is het infarct zelfs al ruim voor [nummer] begonnen doch mede door de deels atypische klachten niet als zodanig door betrokkene vermoed of herkend.”. [cardioloog] schrijft echter ook in zijn rapport dat hij desondanks geneigd is uit te gaan van een begin van het infarct om 02:00 uur. Bovendien is dit tijdstip in het ritformulier van de ambulance ook als tijd aangegeven5, staat in het verslag van het [ziekenhuis 1]6“Vannacht om 2u ontstane POB met radiatie naar linker arm vastzittend aan ademhaling” vermeld en is dit tijdstip door de medisch adviseur van VvAA zelf ook aangenomen7. Daarom is de rechtbank van oordeel dat in rechte moet worden uitgegaan van een starttijd van 02:00 uur.

5.13.

Pas om 03:28 uur heeft [verzoeker] zich telefonisch gemeld bij de huisartsenpost van [B.V.] . Partijen zijn het erover eens dat de tijd tussen 02:00 uur en 03:28 uur als “patients delay” aan [verzoeker] zelf moet worden toegerekend en dus niet voor rekening van [B.V.] komt. De rechtbank neemt dit over.

5.14.

Partijen verschillen van mening over de vraag welk tijdsverloop daarna als vermijdbare vertraging moet worden aangemerkt die voor rekening van [B.V.] dient te komen en welke gevolgen daaraan verbonden moeten worden.

5.15.

[B.V.] en VvAA komen uit op een vermijdbare vertraging van 2 uur en 20 minuten. [B.V.] en VvAA erkennen dat er naar aanleiding van het eerste contact tussen 03:28 en 03:53 uur een spoedvisite had moeten worden afgelegd dan wel een ambulance had moeten worden gestuurd en dat er daardoor niet geheel zorgvuldig is gehandeld. De vermijdbare vertraging start volgens hen nadat het gesprek heeft plaatsgevonden, namelijk om 03:53 uur. Als toen meteen een ambulance was gebeld en vergelijkbare tijdsverlopen worden aangehouden als in werkelijkheid zijn verstreken, dan zou de ambulance om 04:00 uur zijn gearriveerd bij [verzoeker] thuis en vervolgens rond 04:30 uur in het ziekenhuis te [plaats 3] zijn aangekomen. Om 04:50 uur zou die weer zijn vertrokken om vervolgens rond 05:10 uur aan te komen bij het ziekenhuis te [plaats 4] . De dotterbehandeling zou dan rond 05:30 uur hebben kunnen starten. Het verschil tussen 03:53 uur en 05:30 uur levert ongeveer een tijdsverloop van 2 uur en 20 minuten op.

5.16.

[verzoeker] komt uit op een vermijdbare vertraging van 3 uur en 13 minuten. [verzoeker] stelt dat [B.V.] op basis van de NHG-standaard Acuut Coronair Syndroom8 met spoed een ambulance had moeten sturen tijdens het eerste consult om 03:28 uur en ook dat hij meteen naar [ziekenhuis 2] gestuurd had moeten worden (zonder tussenstop bij Laurentius). Omdat hij dan ’s nacht zou zijn vervoerd, had de rit ook korter geduurd dan nu die tijdens de ochtendspits werd gemaakt. In die redenatie had hij al om 04:37 uur gedotterd kunnen worden. Aangezien hij in werkelijkheid pas om 07:50 uur is gedotterd is sprake van een vermijdbare vertraging van 3 uur en 13 minuten.

5.17.

Aanvankelijk heeft deskundige [cardioloog] geconcludeerd dat sprake is van een vermijdbare vertraging van in totaal 3 uur. Daarna heeft hij dit echter bijgesteld naar 2,25 uur naar aanleiding van de vragen van [verzoeker] in zijn definitieve rapport.

5.17.1.

[cardioloog] baseerde de eerste conclusie op het feit [verzoeker] gedotterd had kunnen worden om 05:00 uur als meteen na het eindigen van het telefoongesprek om 03:53 uur een ambulance was besteld9. Het verschil 05:00 uur en 07:50 uur (het moment waarop werd gedotterd) rondde hij af op 3 uur vermijdbare vertraging. [cardioloog] motiveert in zijn rapport dat [verzoeker] heftige pijn op de borst had met meerdere verdachte symptomen passend bij een hartinfarct (acuut coronair syndroom) toen hij zich telefonisch om 03:28 uur bij [B.V.] meldde. Volgens [cardioloog] start de vermijdbare vertraging om 03:53 uur, het tijdstip waarop het telefoongesprek eindigde, omdat er toen – gelet op de klachten van [verzoeker] - een ambulance besteld had moeten worden. [cardioloog] concludeerde verder dat als [verzoeker] rond 05:00 uur was gedotterd, (3 uur na het hartinfarct die om 02:00 uur was gestart) er ook hartschade zou zijn opgetreden, maar in dat geval zou die schade naar verwachting kleiner zijn geweest. Er zou dan een LVEF resteren van “hoger dan 40%” en de kans op pericarditis (ontsteking van het hartzakje) en LV trombus (bloedstolsel in de linkerhartkamer) was dan kleiner geweest. Ook zou er waarschijnlijk geen noodzaak zijn geweest om een s-ICD (defibrillator) te implanteren. Verder zou [verzoeker] dan waarschijnlijk ook een betere fysieke conditie hebben en minder medicatie hoeven slikken10.

5.17.2.

In zijn antwoorden op de vragen van [verzoeker] naar aanleiding van zijn rapport erkent [cardioloog] echter dat de ambulance al om 03:28 uur had kunnen worden gestuurd vanuit de huisartsenpost in plaats van om 03:53 uur. Gelet daarop en rekening houdende met het feit dat [verzoeker] vermoedelijk even had moeten wachten in [ziekenhuis 2] totdat de medewerkers vanuit huis zouden zijn gekomen in de nacht om hem te dotteren en ervan uitgaande dat de ambulance geen tijdsverlies had gehad door rijden tijdens de ochtendspits zou volgens [cardioloog] al om 4.45 uur kunnen zijn gedotterd, waardoor er een vermijdbare vertraging van 2,25 uur was ontstaan in plaats van 3 uur. Dat had volgens [cardioloog] iets minder hartschade opgeleverd met een hogere LVEF, namelijk een LVEF van 45-50%11.

5.18.

De rechtbank volgt [cardioloog] in deze conclusie. Zoals hiervoor al onder randnummer 5.5. overwogen, hebben partijen zich verbonden om de rapportage van de deskundige als uitgangspunt te nemen voor de verdere afhandeling van hun geschil. Dat betekent dat de uiteindelijke conclusie van [cardioloog] moet worden gevolgd dat er een vermijdbare vertraging is ontstaan van 2,25 uur en dat zonder deze vermijdbare vertraging [verzoeker] een LVEF van 45-50% had gehad.

5.19.

[B.V.] en VvAA gaan uit van een vermijdbare vertraging van 2 uur en 20 minuten die volgens hen tot een LVEF van minder dan 40% zou leiden, waardoor er niet meer schade zou zijn dan wanneer er geen vermijdbare vertraging was. Zij onderbouwen dit door te stellen dat het LVEF van een gezonde 31-jarige 60% bedraagt. Aangezien het hartinfarct volgens hen al enkele uren voor 02:00 uur heeft plaatsgevonden, zou ook zonder de vermijdbare vertraging het LVEF 40% of minder bedragen. Zoals al overwogen gaat de rechtbank er echter vanuit dat het hartinfarct om 02:00 uur is aangevangen en niet eerder. Deze stellingen van [B.V.] en VvAA gaan dus niet op.

5.20.

De rechtbank is verder van oordeel dat [cardioloog] er terecht van uitgaat dat er al om 3.28 uur een ambulance gestuurd had moeten worden. [verzoeker] heeft erop gewezen dat [huisarts] volgens de NHG-standaard12 meteen om 3.28 uur een ambulance had moeten sturen. [B.V.] en VvAA betwisten dat de NHG-standaard van toepassing is omdat deze norm pas in juli 2025 (dus na het onrechtmatig handelen) in de NGH-standaard is opgenomen. Deze stelling gaat echter niet op omdat de NHG-standaard een vastlegging van een norm is die ook al in april 2023 door huisartsen werd gehanteerd. Bovendien hebben [B.V.] en VvAA erkend dat de klachten die [verzoeker] tijdens het eerste contact uitte voor [huisarts] aanleiding hadden moeten zijn om een spoedvisite af te leggen danwel een ambulance te sturen.

5.21.

De rechtbank gaat er dan ook overeenkomstig de conclusie van [cardioloog] vanuit dat zonder vermijdbare vertraging de LVEF 40-45% zou zijn geweest, toegewezen.

De kosten van het deelgeschil

5.22.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

5.23.

[verzoeker] maakt aanspraak op € 10.291,05 inclusief btw (31,5 uren x uurtarief € 270,00 exclusief btw), te vermeerderen met het griffierecht. [B.V.] en VvAA Schadeverzekeringen N.V. voeren aan dat het in rekening brengen van 20 uur voor het opstellen van het verzoekschrift onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is.

5.24.

Niet in geschil is dat het redelijk is dat kosten voor rechtsbijstand zijn gemaakt. In tegenstelling tot [B.V.] en VvAA menen, is de rechtbank van oordeel dat het uurtarief van € 270,00 exclusief btw redelijk is, aangezien (onweersproken) ter zitting door mr. Van Eck is aangevoerd dat hij de [opleiding] personenschade heeft afgerond en daarmee voldoende specialistische kennis in huis heeft om een dergelijk uurtarief te mogen rekenen. Een specialist behoort echter ook sneller en efficienter te kunnen werken dan een niet gespecialiseerde collega. 20 uur besteedde tijd aan het opstellen van het verzoekschrift acht de rechtbank gelet op voormeld uitgangspunt onredelijk, ook gezien het feit dat uit onderzoek is gebleken dat landelijk gemiddeld 17,5 uur aan het totale deelgeschil wordt besteed door een gespecialiseerde belangenbehartiger13. De rechtbank acht het redelijk dat het aantal uren voor het opstellen van het verzoekschrift wordt gematigd tot 14 uren. Tegen het overige aantal opgevoerde uren is geen verweer gevoerd en dat komt de rechtbank ook niet onredelijk voor.

5.25.

De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 25,5 uren × € 270,00 exclusief btw, dus op € 8.330,85 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 331,00. [B.V.] en VvAA zullen tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.

1In het verslag van [B.V.] staat voor zover relevant (inclusief taalfouten): “Klacht/beloop: Sinds 1 uur in een keer moeite met lucht krijgen, pijn in de li arm, en op de borst vemroed van de longen gaat evne weg komt terug, stkeende en drukkende pijn. Transpireren +, is alleen thuis, koude rillingen +, temp: ? geen thermometer (…) Pt afspraak aangeboden, lukt pt niet om te komen. Geeft aan als op benen staat heeft gevool licht hoofd wordt, en door been zakt met moment even om stukje te lopen. Erg angstig, bang iets met longen is. Sat laag is. Heeft geen familie of kennis kunnen brengen. Voert zich ook te slecht om na de deur te lopen om met een taxi te komen. Wil nog 30 min aankijken belt anders 112. IOM dr. [huisarts] over 30 min opnieuw tel. contact.” Meneer gebeld, het transpireren is wat weg, naar in ademn in zakje. Hij wil nog even aankijken. Over 1 uur opnieuw contact. Bij klachten eerder contact. Insturen longartsehbo.”

2LVEF staat voor Linker Ventrikel Ejectie Fractie. Het gaat om een percentage functieverlies van de linkerhartkamer. Hoe lager de LVEF, hoe lager de hartfunctie en hoe meer klachten en beperkingen de diegene ervaart.

3Productie 18 bij verzoekschrift

4Pagina 6 van productie 4 bij verweerschrift

5Productie 2 bij verweerschrift

6Productie 8 bij verweerschrift

7Productie 5 bij verzoekschrift

8Productie 19 bij verzoekschrift

9Pagina 10 van zijn rapport van 10 april 2025

10Pagina 12 van zijn rapport van 25 april 2024

11Zie productie 12, pagina 14 van het rapport.

12Hierin staat productie 20 pagina 47: “het diagnosticeren van een ACS [aanvulling rechtbank: Accuut Coronair Syndroom oftewel infarct] (AMI en IAP) vormt een dilemma voor huisartsen. Het missen van een ACS heeft ene grote negatieve impact, omdat de mortaliteit van onbehandelde ACS hoog is, terwijl vroege adequate behandeling de kans op hartschade vermindert en de prognose verbetert. De diagnose zo vroeg mogelijk stellen is daarom essentieel. Dit is moeilijk en daarom worden bijna alle patiënten ingestuurd naar de spoedeisende hulp” en op blz. 10; “Bel onmiddellijk een ambulance met directe inzet (..) bij een vermoeden van een ACS”.

13Zie p. 59 in artikel: “De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?” TVP 2025, nummer 2.

 

Rechtbank Limburg 19 februari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:1757