Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 010426 tekortkomingen huisarts bij oogklachten, delay bij diagnose ulcus aan hoornvlies; NHG standaard "rood oog en oogtrauma"

RBROT 010426 tekortkomingen huisarts bij oogklachten, delay bij diagnose ulcus aan hoornvlies; NHG standaard "rood oog en oogtrauma" 
 

3De feiten

3.1.

Door of namens [eiseres] , geboren op [geboortedag] 2006, is met de huisartsenpraktijk een geneeskundige behandelingsovereenkomst aangegaan. De in de huisartsenpraktijk werkzame huisarts, [naam 1] (hierna: de huisarts), is de (enig) bestuurder van de huisartsenpraktijk.

3.2.

Bij de verzekeraar heeft de huisartsenpraktijk een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten.

3.3.

Op donderdag 12 mei 2022 is [eiseres] bij de huisarts geweest met klachten over haar linkeroog. Zij klaagde over pijn en roodheid van dat oog.

3.4.

Het patiëntdossier van [eiseres] van de huisartsenpraktijk vermeldt op die dag (de letters “S “O” “E” en “P” in het huisartsdossier staan voor: “Subjectief”, “Objectief”, “Evaluatie” en “Plan”):

S apotheek: chloramfenicol niet leverbaar. Wordt Fucithalmic

S ontstoken oog links; lenzen +

O Conjunctivitis

E Infectieuze conjunctivitis

P MED: Westpolder 12-05-2022 CHLOORAMFENICOL OOGDRUPPELS 5MG/ML FL 10ML 4-6D1DR IOG MX1W 10 milliliter (Inv: WD) (Aut: WD)

En bij de datum van vrijdag 13 mei 2022 vermeldt het genoemde dossier:

S nog steeds veel pijn aan het oog. stekende hoofdpijn bij wenkbrauw.

P med zijn werk laten doen, koelen met koude compressen

afspr aangeboden op su. wel aangegeven op dit moment niet meer te kunnen doen waarschijnlijk.
zie advies hierboven

3.5.

In de ochtend van vrijdag 13 mei 2022 kon [eiseres] geen licht meer verdragen. De moeder van [eiseres] heeft op die dag omstreeks 13.50 uur gebeld met de huisartsenpraktijk en toen gesproken met de doktersassistente mevrouw [naam 2] . Omstreeks 16.30 uur diezelfde dag is de moeder van [eiseres] naar de huisartsenpraktijk gegaan en heeft daar opnieuw gesproken met mevrouw [naam 2].

3.6.

[eiseres] heeft op zaterdag 14 mei 2022 een andere huisarts geraadpleegd. Deze huisarts zag bij [eiseres] een “zogenaamd vissenoog met hypopyon, grijze doffe cornea en visusdaling < 0,1”. Na spoedoverleg met de oogkliniek Papendrecht, heeft hij haar onmiddellijk verwezen naar het oogziekenhuis in Rotterdam, waar [eiseres] diezelfde dag om 18.00 uur is opgenomen.

3.7.

In het oogziekenhuis werd een ulcus aan het hoornvlies geconstateerd, die na onderzoek bleek te zijn veroorzaakt door een besmetting met de pseudomonasbacterie.

3.8.

Bij latere controle in dat ziekenhuis zijn vertroebelingen en littekenvorming aan het hoornvlies vastgesteld. Het zicht van het linkeroog van [eiseres] is nog maar 15%.

3.9.

[eiseres] heeft de huisartsenpraktijk aansprakelijk gesteld voor haar schade en de verzekeraar daarop eveneens aangesproken (artikel 7:954 BW). De huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben aansprakelijkheid afgewezen.

4De vordering en het verweer

4.1.

[eiseres] vordert:
1. een verklaring voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met haar;
2. veroordeling van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, hoofdelijk, om aan haar te vergoeden alle schade die zij heeft geleden en lijdt als gevolg van het schadeveroorzakende handelen van de huisartsenpraktijk, en
3) veroordeling van beide gedaagden tot betaling van de door [eiseres] gemaakte expertisekosten van € 2.254,23 inclusief btw,
4) de buitengerechtelijke incassokosten van € 925,- en de proceskosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 11 maart 2025 en over de proceskosten wanneer deze niet zijn betaald binnen veertien dagen na betekening van het eindvonnis, vanaf 14 dagen na datum betekening van dat vonnis.
4.2. [eiseres] baseert haar vordering tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven, stellingen. De huisartsenpraktijk is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Door de huisarts is niet de vereiste zorg van een goed hulpverlener in acht genomen en hij heeft niet gehandeld in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de van toepassing zijnde professionele standaard, te weten de Standaard Rood oog en oogtrauma van het Nederlands Huisartsen Genootschap. Bij een oogafwijking zoals bij [eiseres] moet volgens die richtlijn bij de anamnese worden gevraagd naar alarmsymptomen, anamnestische symptomen die kunnen wijzen op ernstige aandoeningen. Alarmsymptomen volgens die richtlijn zijn, behalve pijn, visusverandering, lichtschuwheid en misselijkheid of braken. Bij aanwezigheid van alarmsymptomen geldt volgens de richtlijn dat vervolgonderzoek moet worden gedaan en dat de patiënt zonodig alsnog moet worden verwezen. Bovendien blijkt uit de richtlijn dat er bij dragers van contactlenzen een verhoogd risico op complicaties bij een conjunctivitis is.

4.3.

De huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben de vordering gemotiveerd weersproken. Op het gevoerde verweren gaat de rechtbank hierna, waar nodig, nader in.

5
5. De beoordeling
het verlenen van de zorg van een goed hulpverlener

5.1.

In artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt bepaald dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon, de hulpverlener, die in de uitoefening van een geneeskundig beroep voor een ander, de patiënt, handelingen verricht op het gebied van de geneeskunst, bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen. In dit geval oefent de huisarts zijn praktijk uit door middel van een rechtspersoon, de huisartsenpraktijk. Zowel de huisartsenpraktijk als de huisarts zijn als hulpverlener in de zin van de wet te beschouwen. Dit is tussen partijen overigens ook geen discussiepunt.
het goed hulpverlenerschap wordt nader bepaald door de geldende professionele standaard
5.2. De hulpverlener moet als goed hulpverlener in de zin van artikel 7:453 BW in overeenstemming handelen met de op hem rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard en kwaliteitsstandaarden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Het “in acht nemen van de zorg van een goed hulpverlener” wordt dus onder meer ingevuld door “de voor hulpverleners geldende professionele standaard”. De professionele standaard is het geheel van private normen en regels, medisch wetenschappelijke inzichten en ervaringen dat invulling geeft aan het professioneel handelen van zorgverleners of zorgaanbieders (zie artikel 1 lid 1 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg).

5.3.

De inhoud van de professionele standaard is onder andere vastgelegd in de Standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Een van die standaarden is de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, versie 2017 (hierna: de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma of de NHG-Standaard). Dat is de standaard zoals deze gold tijde van het handelen van de huisarts. Het handelen van de huisartsenpraktijk en de huisarts dient aan deze professionele standaard te worden getoetst.
de huisarts is in dit geval in het naleven van de geldende professionele standaard tekortgeschoten
5.4. De rechtbank is van oordeel dat de huisarts en daarmee de huisartsenpraktijk in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] is tekortgeschoten omdat de huisarts de van toepassing zijnde professionele standaard, de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma, niet, althans in onvoldoende mate, in acht heeft genomen.

wat staat er in de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, voor zover van belang?

5.5.

De NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma geeft aanbevelingen voor de huisarts voor diagnostiek en behandeling van patiënten met een rood oog en oogtrauma en geeft aan hoe de huisarts onderscheid kan maken tussen onschuldige en visusbedreigende aandoeningen. De standaard beveelt huisartsen aan om bij de anamnese van patiënten met oogklachten zonder traumatische oorzaak te vragen naar zogenoemde “alarmsymptomen”. In de standaard worden als alarmsymptomen genoemd: pijn, visusverandering, fotofobie (lichtschuwheid), misselijkheid of braken. De huisarts dient dan alert te zijn op visusbedreigende aandoeningen. Bij aanwezigheid van alarmsymptomen beveelt de NHG-Standaard aan om vervolgonderzoek te verrichten als bij aanwezigheid van alarmsymptomen de verdere anamnese en het lichamelijk onderzoek niet leiden tot een diagnose waarbij (spoed)verwijzing geïndiceerd is. Als ook het vervolgonderzoek niet tot die diagnose leidt, is de aanwezigheid van alarmsymptomen reden om na 1 of 2 dagen te controleren. Bij blijvende aanwezigheid van alarmsymptomen dient de huisarts alert te zijn op een ernstige aandoening. Dit is vrijwel altijd reden om de patiënt te verwijzen.

5.6.

Of de huisarts al dan niet de zorg van een goed hulpverlener in acht heeft genomen moet tegen de achtergrond van de aanbevelingen in de NHG-Standaard worden beoordeeld. Het gaat in dit geval meer specifiek om de vraag of de huisarts [eiseres] op vrijdag(middag) 13 mei 2022 had moeten onderzoeken, controleren en, zo nodig naar het oogziekenhuis had moeten verwijzen, nadat de moeder van [eiseres] de huisartsenpraktijk had gebeld en zich daar in persoon had gemeld om aandacht te vragen voor de situatie van [eiseres] . Deze acties heeft de huisarts achterwege gelaten.

situatie op vrijdag 13 mei 2022 was zodanig dat [eiseres] veel pijn had

5.7.

In het medisch dossier van [eiseres] bij de huisarts is bij de datum 13 mei 2022 genoteerd dat [eiseres] klaagt over: “nog steeds veel pijn” en “stekende hoofdpijn bij wenkbrauw. Er moet van worden uitgegaan dat deze pijnklachten door de moeder van [eiseres] aan de huisartsenpraktijk zijn gemeld, toen zij de praktijk in de middag van vrijdag 13 mei 2022 belde of toen zij de huisartsenpraktijk aan het eind van die middag bezocht. De door de huisarts genoemde omstandigheid dat hem deze pijnklachten niet hebben bereikt (wat alleen mogelijk zou zijn als de assistente hem dit niet zou hebben doorgegeven), dient voor rekening van de huisartsenpraktijk te blijven.

5.8.

De huisarts heeft verklaard dat de pijn die [eiseres] bij haar bezoek aan de huisartsenpraktijk op donderdag 12 mei 2022 aan de huisarts aangaf “niet bijzonder” was, maar passend bij een conjunctivitis, die verklaard kon worden door het dragen van contactlenzen door [eiseres] . De huisartsenpraktijk en de verzekeraar betwisten dat [eiseres] op donderdag 12 mei 2022 bij haar bezoek aan de huisartsenpraktijk “alarmsymptomen” in de zin van de NHG-Standaard had. Dit verweer treft geen doel.

5.9.

Als [eiseres] op donderdag inderdaad nog geen ernstige pijn aan het oog had, volgt uit de hiervoor weergegeven, op vrijdagmiddag door de moeder van [eiseres] aan de huisartsenpraktijk gemelde, pijnklachten dat de huisarts rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat de pijn van [eiseres] door de oogontsteking zodanig was toegenomen dat deze (inmiddels wél) als alarmsymptoom in de zin van de NHG-Standaard gekwalificeerd diende te worden. Het verweer dat [eiseres] op donderdag 12 mei 2022 nog niet zulke symptomen had, mist dus relevantie en slaagt daarom niet.

verplichting tot het actief doen van navraag naar (toegenomen) pijn als alarmsymptoom

5.10.

De (kennelijk) toegenomen pijnklachten van [eiseres] hadden voor de huisarts aanleiding moeten zijn om naar de precieze aard en ernst bij haar moeder, of bij [eiseres] zelf, navraag te doen of hiernaar door zijn assistente te laten vragen. Pijn op zichzelf is immers een alarmsymptoom in de zin van de NHG-Standaard, waarnaar door de huisarts actief moet worden gevraagd. Waarom de huisarts de moeder niet nader heeft uitgevraagd over de kennelijk toen toegenomen pijnklachten van [eiseres] is te meer niet goed navolgbaar, nu de huisarts [eiseres] zelf (op donderdag) had geadviseerd contact op te nemen met de huisartsenpraktijk als de situatie erger zou worden, zoals de moeder dus daadwerkelijk op vrijdagmiddag heeft gedaan.

lichtschuwheid als (tweede) alarmsymptoom

5.11.

Dat de huisarts de moeder van [eiseres] actief had moeten uitvragen naar het door haar gemelde alarmsymptoom is ook van belang voor het volgende. Als de huisarts bij de moeder van [eiseres] navraag zou hebben gedaan naar de kennelijk toegenomen pijn van [eiseres] aan en rondom het oog op vrijdag, zoals de huisarts zou hebben moeten doen, zou hem door de moeder zijn meegedeeld dat [eiseres] inmiddels ook geen licht meer kon verdragen. Dat die situatie zich feitelijk voordeed is tussen partijen niet in geschil. Tussen partijen is slechts in geschil of de moeder van [eiseres] dat aan de huisartsassistente heeft gemeld. De moeder van [eiseres] heeft verklaard dit wel te hebben gemeld maar de huisartsenpraktijk heeft betwist dat dit is gezegd. Op zichzelf lijkt het voor de hand te liggen dat de moeder van [eiseres] dit heeft gezegd omdat het een verklaring vormt waarom zij en niet [eiseres] zelf zich bij de huisartsenpraktijk had gemeld: door haar lichtschuwheid verbleef zij in een donker gemaakte kamer en voelde zij zich niet in staat het huis te verlaten. Hoe de vork op dit punt in de steel zit, kan in het midden blijven, omdat buiten twijfel verheven is dat als de huisarts bij de moeder of [eiseres] navraag had gedaan (of laten doen) naar eventuele andere alarmsymptomen dan de gemelde toename van pijn, wat hij op grond van de NHG-Standaard had behoren te doen, de moeder en/of [eiseres] deze lichtschuwheid zouden hebben gemeld. Lichtschuwheid of fotofobie is, volgens de NHG-Standaard, immers eveneens “een alarmsymptoom” waarnaar door de huisarts actief moet worden gevraagd.

het niet verrichten van vervolgonderzoek en het niet onderzoeken van de mogelijke noodzaak van verwijzing naar de oogarts is aan te merken als een tekortkoming

5.12.

De aanwezigheid van de alarmsymptomen pijn en lichtschuwheid hadden, zoals hiervoor onder 5.5 aan de orde gekomen, voor de huisarts aanleiding moeten zijn alert te zijn op een visusbedreigende aandoening en die alarmsymptomen hadden voor hem reden moeten zijn om vervolgonderzoek te verrichten, zo is in de NHG-Standaard bepaald. Dit vervolgonderzoek heeft de huisarts evenwel achterwege gelaten. Daardoor heeft hij ook niet kunnen vaststellen of verwijzing van [eiseres] naar de oogarts nodig was.

5.13.

De rechtbank verwerpt het verweer van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar dat de huisarts niet te kort is geschoten in de zorg van goed hulpverlener omdat aan [eiseres] is aangeboden dat zij door de huisarts op het spreekuur zou kunnen worden gezien. Dit aanbod doet geen recht aan de alertheid en actieve houding die van een huisarts in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Uit het patiëntdossier blijkt niet dat de huisarts die actieve houding heeft ingenomen. Hoewel daarin is genoteerd dat aan [eiseres] is aangeboden “op su” (d.i. spreekuur) te komen, is volgens die aantekening tevens aan [eiseres] meegedeeld dat er voor haar “op dit moment” waarschijnlijk niet meer kon worden gedaan en is haar geadviseerd om het medicament zijn werk te laten doen en om met koude compressen te koelen. Zonder dat blijkt dat navraag is gedaan naar de aanwezigheid van de alarmsymptomen pijn en lichtschuwheid is dat onvoldoende.

5.14.

De rechtbank bereikt op grond van het voorgaande de conclusie dat de huisarts door (i) geen actieve navraag te doen naar de op vrijdag 13 mei 2022 gemelde toegenomen pijnbeleving van [eiseres] , (ii) niet te vragen naar eventuele andere alarmsymptomen, (iii) vervolgens geen vervolgonderzoek te doen, waardoor (iv) hij niet heeft onderzocht of [eiseres] gezien haar toestand naar de oogarts had moeten worden verwezen, niet de zorg heeft verleend die van een goed hulpverlener mag worden verlangd. Daarmee staat vast dat de huisartsenpraktijk in de nakoming van de verplichtingen uit de met [eiseres] gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst tekort is geschoten.

aansprakelijkheid; toewijzing van de onder 1 gevorderde verklaring voor recht

5.15.

De hiervoor vastgestelde tekortkoming leidt ertoe dat de huisartsenpraktijk aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden, lijdt en zal lijden als gevolg van die tekortkoming. Dat de tekortkoming niet aan de huisartsenpraktijk toerekenbaar zou zijn (artikel 6:75 BW) is niet aangevoerd, zodat daarop niet behoeft te worden ingegaan. De onder 1 gevorderde verklaring voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] , is derhalve toewijsbaar.

toewijzing van de onder 2 gevorderde schadevergoeding

5.16.

[eiseres] vordert onder 2, geheel in het algemeen, “vergoeding van alle schade die zij heeft geleden en lijdt als gevolg van het schadeveroorzakende handelen van de huisartsenpraktijk”. Dat betekent dat zij schadevergoeding verlangt voor zover sprake is van causaal verband tussen de aan de huisarts verweten tekortkoming en haar schade. Of dat verband er is, wordt door de huisartsenpraktijk en de verzekeraar betwist, althans als onzeker bestempeld.

5.17.

Dit verweer leidt echter niet tot de conclusie dat de vordering niet toewijsbaar zou zijn. Bij een vordering tot schadevergoeding als deze, waarbij nog geen concrete schadeposten worden gevorderd, is immers voldoende als de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden, zoals het vaste criterium is bij vorderingen tot vergoeding van schade op te maken bij staat. Uit het feit dat het zicht in het linkeroog nog maar 15% is en dat in elk geval in de toekomst een of meerdere malen operatief moet worden ingegrepen ( [eiseres] heeft dat onweersproken gesteld) blijkt in voldoende mate van door haar geleden en nog te lijden concrete schade.

5.18.

Voor zover het verweer van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar inhoudt dat de schade van [eiseres] niet het gevolg is van handelen van de huisarts, maar van de ontsteking, gaat dit verweer niet op. Het gaat in deze zaak niet om de vaststelling van de medische oorzaak van het oogletsel van [eiseres] , maar om de vraag of de schade van [eiseres] zou zijn ingetreden als van een tekortkoming van de huisarts(enpraktijk) geen sprake zou zijn geweest.

5.19.

De rechtbank is, met betrekking tot die laatstgenoemde vraag, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [eiseres] niet in dezelfde mate oogletsel en/of andere schade zou hebben geleden indien de huisarts de moeder of [eiseres] zelf op vrijdag 13 mei 2022 naar aanleiding van de meldingen van de moeder van [eiseres] naar het bestaan van verdere mogelijke alarmsymptomen zou hebben uitgevraagd. De huisarts zou dan hebben vernomen dat [eiseres] over (inmiddels) veel pijn klaagde (terwijl haar pijn de dag daarvoor als “niet bijzonder” kon worden gekwalificeerd) maar inmiddels ook leed aan lichtschuwheid , zoals hiervoor overwogen. De huisarts had dan ook een vervolgonderzoek verricht, zoals hij had behoren te verrichten en waarvan aannemelijk is dat hij dat zou doen. Uit de NHG-Standaard volgt dat de huisarts de patiënt met alarmsymptomen naar de oogarts dient te verwijzen als bij (herhaalde) controle blijkt dat alarmsymptomen aanhouden of verergeren. De NHG-Standaard bepaalt expliciet dat bij verergering van klachten, alarmsymptomen of tekenen van infectie, onvolledig herstel na 2 dagen, de patiënt dezelfde dag naar de oogarts wordt verwezen. Voorts wordt over contactlensdragers opgemerkt dat “al na 1 dag bij geen verbetering” verwijzing diezelfde dag moet plaatsvinden. Zoals hiervoor overwogen, waren de pijnklachten van [eiseres] toegenomen, zoals uit het eigen standpunt van de huisarts in combinatie met de aantekeningen in het patiëntdossier volgt, en was [eiseres] bovendien een contactlensdrager. Het ligt daarom in de lijn der verwachting, althans is voldoende aannemelijk, dat de huisarts [eiseres] nog op vrijdag naar de oogarts zou hebben verwezen. Daarmee zou een tijdwinst van om en nabij 24 uur zijn behaald. Mede nu niet in geschil is dat de ooginfectie van [eiseres] met de pseudomonasbacterie een agressief verloop kan hebben, is voldoende aannemelijk dat [eiseres] bij eerdere opname in het ziekenhuis niet hetzelfde ernstige oogletsel zou hebben opgelopen zoals zij nu heeft gekregen.

5.20.

Voor zover de huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben willen betogen dat niet zeker is of [eiseres] door de huisarts op vrijdag naar de oogarts zou zijn verwezen omdat niet duidelijk is of haar klachten daarvoor op dat moment voldoende ernstig waren, wordt dat verweer op grond van voorgaande overwegingen verworpen. Overigens geldt dat als het door de huisarts uit te voeren vervolgonderzoek, wat hij dus niet heeft verricht maar wel had behoren te verrichten, niet al direct tot de conclusie had gevoerd dat verwijzing van [eiseres] naar de oogarts geïndiceerd was, de huisarts ingevolge het door de NHG-Standaard voorgeschreven controlebeleid [eiseres] had moeten blijven monitoren. In dat geval zou [eiseres] niet pas na de constatering door de toen door [eiseres] geraadpleegde andere huisarts van haar ernstige afwijkingen in het oog op zaterdagmiddag, maar eerder, naar het oogziekenhuis zijn verwezen en daar zijn opgenomen omdat niet aannemelijk is dat de huisarts de ontsteking in het oog van [eiseres] zo ver op zijn beloop zou hebben gelaten. Dat dit anders zou zijn, is door de huisartsenpraktijk en de verzekeraar niet gesteld, maar ook niet onderbouwd, zodat als zij dat zouden hebben willen betwisten, daaraan voorbij wordt gegaan. Die onderbouwing van die betwisting had van hen mogen worden verlangd, omdat kan worden vastgesteld dat de onzekerheid of de huisarts eerder zou hebben verwezen door de huisarts zelf in het leven is geroepen door geen vervolgonderzoek te verrichten. Het is daarom gerechtvaardigd van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar te verlangen dat zij die onderbouwing zouden hebben verschaft.

‘eigen schuld’ (artikel 6:101 BW) niet aan de orde

5.21.

De huisartsenpraktijk en de verzekeraar voeren het verweer dat de schade van [eiseres] op grond van artikel 6:101 BW aan [eiseres] zelf moet worden toegerekend. Voor dit verweer geldt dat op hen ter zake de stelplicht en de bewijslast rusten. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar voeren voor hun verweer aan dat [eiseres] zelf de keuze heeft gemaakt om niet in te gaan op het gestelde aanbod op vrijdagmiddag 13 mei 2022 om naar het spreekuur van de huisarts te komen en zich door de huisarts te laten beoordelen. Dit verweer treft geen doel.

5.22.

In het licht van het tekortschieten van de huisarts kan aan [eiseres] , als al zou vaststaan dat haar voldoende duidelijk is gemaakt dat zij die vrijdagmiddag nog bij de huisarts in consult kon komen, die omstandigheid niet worden toegerekend. De huisarts heeft haar immers niet op de noodzaak van een consult gewezen, maar haar, integendeel, te verstaan gegeven dat een bezoek aan het spreekuur waarschijnlijk toch niet veel zou opleveren en het advies gegeven het medicijn zijn werk te laten doen en te koelen met compressen. In elk geval dient op grond hiervan de omstandigheid dat [eiseres] niet op de mogelijkheid om de huisarts te bezoeken is ingegaan, op grond van billijkheid niet tot vermindering van de vergoedingsplicht van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar jegens [eiseres] te leiden.

5.23.

Uit wat hiervoor onder 5.16 tot en met 5.22 is overwogen volgt dat de vordering tot vergoeding van schade tegen de huisartsenpraktijk toewijsbaar is.

directe actie: de verzekeraar wordt mede veroordeeld (artikel 7:954 BW)

5.24.

Artikel 7:954 BW bepaalt dat wanneer in geval van een verzekering tegen aansprakelijkheid aan de verzekeraar op grond van artikel 7:941 BW de verwezenlijking van het risico is gemeld, de benadeelde kan verlangen, dat indien de verzekeraar een uitkering verschuldigd is, het bedrag dat de verzekerde daarvan ter zake van de schade van de benadeelde door dood of letsel te vorderen heeft, aan hem wordt betaald. Op grond van deze bepaling is ook de vordering tot schadevergoeding tegen de verzekeraar toewijsbaar.

de expertisekosten van € 2.254,23 zijn toewijsbaar

5.25.

Deze kosten zijn inhoudelijk niet betwist, maar slechts bestreden met een verwijzing naar het verweer dat de vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen. Ook deze vordering is daarom toewijsbaar.

buitengerechtelijke incassokosten van € 925,- zijn toewijsbaar met wettelijke rente

5.26.

Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en wijst deze kosten toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2025.
hoofdelijke veroordeling wordt niet toegewezen
5.27. De gevorderde hoofdelijke veroordeling van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar kan niet worden toegewezen. De verzekeraar is door de mogelijkheid van directe actie geen debiteur van [eiseres] geworden. Hoofdelijke verbondenheid (artikel 6.6 BW e.v.) is dan ook niet aan de orde, ook al kan [eiseres] wel van de verzekeraar rechtstreeks betaling aan haar verlangen. Zij heeft de keuze om ofwel de verzekerde, de huisartsenpraktijk, ofwel de verzekeraar, ofwel beiden tot betaling aan te spreken, in dat laatste geval “des dat betaling door de een de ander bevrijdt”. Aldus zal de rechtbank de vordering tot schadevergoeding toewijzen.

uitvoerbaarheid bij voorraad
5.28. De verklaring voor recht kan als declaratoire beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Bij uitvoerbaarverklaring van de vordering tot betaling van schadevergoeding, zonder dat concrete schade wordt gevorderd, heeft [eiseres] onvoldoende belang, zodat ook ten aanzien die vordering geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring zal worden uitgesproken. Voor het overige geldt dat de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad op de wet is gebaseerd en door de huisarts en de verzekeraar niet is weersproken. Daarom zal het vonnis voor het overige uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

proceskosten

5.29.

De huisartsenpraktijk en de verzekeraar worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten dragen. De rechtbank begroot die kosten aan de zijde van [eiseres] op € 148,04 aan dagvaardingskosten, € 1.374,- aan griffierecht en € 1.306,- (2 punten à € 653,-) aan salaris voor de advocaat, en veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar tot betaling van de wettelijke rente over deze proceskosten, wanneer deze niet zijn betaald binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. In totaal bedragen de proceskosten € 2.828,04. Rechtbank Rotterdam 1 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:3552