HR 200126 Straf; SO seksueel misbruik vordert smartengeld als pm post, hof legt schadevergoedingsmaatregel op voor € 5000; cassatiemiddel daartegen faalt
HR 200126 Straf; SO seksueel misbruik vordert smartengeld als pm post, hof legt schadevergoedingsmaatregel op voor € 5000; cassatiemiddel daartegen faalt
5. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld
5.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de benadeelde partij geen concreet bedrag aan immateriële schade heeft gevorderd en dat in het strafproces dus geen vordering tot vergoeding van immateriële schade voorligt.
5.2
De benadeelde partij heeft onvoldoende belang bij deze klacht. Zoals hierna aan de orde zal komen heeft het hof immers ten behoeve van de benadeelde partij een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor het bedrag dat zij volgens haar verklaring op de terechtzitting in hoger beroep zou vorderen ‘als zij een vordering zou indienen’, en het daartegen gerichte cassatieberoep van de verdachte faalt.
5.3
Opmerking verdient dat de rechter immateriële schade naar billijkheid begroot. Dat brengt mee dat de benadeelde partij zich met een vordering tot vergoeding van immateriële schade in het strafproces kan voegen, ook zonder dat zij de schade heeft begroot op een concreet bedrag. De vordering strekt er dan toe dat de rechter de schade begroot (vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7539, rechtsoverweging 3.6). Ook in zo’n geval zal de benadeelde partij feiten en omstandigheden moeten stellen over de manier waarop en de mate waarin zij in haar persoon is aangetast en over de gevolgen die zij van het strafbare feit heeft ondervonden, om de rechter voldoende aanknopingspunten te bieden voor het naar billijkheid begroten van de immateriële schade. De rechter moet ervoor zorgen dat de verdachte in voldoende mate in de gelegenheid is geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten.
6. Beoordeling van het derde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
6.1
Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door een schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor door het slachtoffer geleden immateriële schade, terwijl het slachtoffer zich ter zake van die schade niet met een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.
6.2
Het cassatiemiddel miskent dat de schadevergoedingsmaatregel door de rechter ook kan worden opgelegd als het slachtoffer zich niet met een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd. Dit lijdt uitzondering als de rechter aanwijzingen heeft dat het slachtoffer geen prijs stelt op een schadevergoeding. Die aanwijzingen kunnen niet zonder meer worden afgeleid uit het feit dat een slachtoffer zich niet met een vordering in het strafproces heeft gevoegd. Voor zover het cassatiemiddel tot uitgangspunt neemt dat het slachtoffer geen prijs stelde op een schadevergoeding mist het feitelijke grondslag, nu het hof weliswaar heeft vastgesteld dat de benadeelde partij noch op het voegingsformulier, noch ter terechtzitting in eerste aanleg een concreet bedrag ter zake van immateriële schade heeft gevorderd, zodat “er thans geen vordering ter zake van immateriële schadevergoeding ter beoordeling voorligt”, maar uit het voegingsformulier en de toelichting daarop ter terechtzitting kennelijk heeft afgeleid dat het slachtoffer aanspraak maakte op vergoeding van immateriële schade.
6.3
Het cassatiemiddel klaagt verder dat het hof zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, nu uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op basis van welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het slachtoffer geleden immateriële schade.
6.4.1
Artikel 36f Sr bepaalt, kort gezegd, dat de rechter aan de verdachte de verplichting kan opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f lid 2 Sv, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en, voor zover de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, toewijzing van de vordering van de benadeelde partij kunnen naast elkaar plaatsvinden. (Vgl. HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1408.)
6.4.2
De rechter moet de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 359 lid 2 en 5 Sv motiveren. Dat betekent dat uit de motivering in ieder geval zal moeten blijken dat en in hoeverre de verdachte naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
6.4.3
Als de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, de rechter deze vordering toewijst en ook de schadevergoedingsmaatregel oplegt, zal de begrijpelijkheid van de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in het algemeen volgen uit de motivering van de beslissing over de vordering van de benadeelde partij.
6.4.4
Voor zover de rechter de schadevergoedingsmaatregel oplegt en niet ook een vordering van de benadeelde partij toewijst, omdat de benadeelde partij zich niet met een vordering in het strafproces heeft gevoegd of omdat er gronden zijn die in de weg staan aan toewijzing van die vordering die niet zien op de materiële verschuldigdheid van die vordering, zal uit de beslissing van de rechter moeten volgen waarom de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Daarbij is ook voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van belang dat het in beginsel, conform de hoofdregel van artikel 150 Rv, aan het slachtoffer is de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – waaruit de schade kan worden afgeleid. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.8.1). Hierbij kan ook het openbaar ministerie een rol spelen. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is dus niet mogelijk als de rechter over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen vaststellen dat de verdachte jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor door het slachtoffer geleden schade, waaronder gegevens die bepalend zijn voor de aard en omvang van de geleden schade (vgl. artikel 149 Rv). Verder moet de rechter er ook bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor zorgen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten. De begrijpelijkheid van de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is in zo’n geval mede afhankelijk van de manier waarop het debat over die schade is gevoerd en de stukken die in dat verband in het geding zijn gebracht.
6.5
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de benadeelde partij buiten haar medeweten heeft gedrogeerd door het toedienen van GHB en dat hij, toen zij als gevolg daarvan in een toestand van bewusteloosheid verkeerde, zich vervolgens schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat ten tijde van het feit zestien jaar oud was, en dat dit buitengewoon vernederend en traumatisch voor haar moet zijn geweest. Het hof heeft kennelijk hierop zijn oordeel gebaseerd dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade die door dit bewezenverklaarde feit aan het slachtoffer is toegebracht, zoals het hof bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel heeft overwogen. Het hof heeft de omvang van die schade naar billijkheid vastgesteld op € 5.000.
6.6
Het in deze overwegingen besloten liggende oordeel van het hof dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet onbegrijpelijk.
6.7
Het cassatiemiddel faalt. Hoge Raad 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:73
