Overslaan en naar de inhoud gaan

RBZWB 020626 straf; trainer/leraar filmt jongens in kleedkamers; seksuele handelingen met minderjarige; oplegging schadevergoedingsmaatregel t.z.v. bedrag uit vso met slachtoffers

RBZWB 020626 straf; trainer/leraar filmt jongens in kleedkamers; seksuele handelingen met minderjarige; oplegging schadevergoedingsmaatregel t.z.v. bedrag uit vso met slachtoffers

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft gedurende ongeveer 15 jaar kinderporno gemaakt. Als voetbaltrainer van jeugdteams van diverse voetbalclubs had hij toegang tot kleedkamers waar jonge jongens zich omkleedden en douchten. Verdachte kon stiekem foto’s en video’s maken met behulp van een speciale app waarbij het scherm van zijn telefoon zwart bleef. In totaal zijn ongeveer 500 tot 600 jongens van ongeveer 10 tot 14 jaar hiervan slachtoffer geworden. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze jongens. Hij heeft zijn positie, rol en verantwoordelijkheid als voetbaltrainer misbruikt om zijn eigen seksuele gevoelens te bevredigen. Namens de ouders van twaalf gefilmde jongens is ter zitting gebruikgemaakt van het spreekrecht. Daaruit komt naar voren dat een voetbalclub bij uitstek een veilige en vertrouwde omgeving behoort te zijn, terwijl dat hier niet het geval is geweest. De kleedkamer van een voetbalclub hoort de plaats te zijn waar (jonge) spelers onderling ongedwongen als teamspelers plezier moeten kunnen maken. Zij moeten zich kunnen verheugen op de wedstrijd die aanstaande is en achteraf met elkaar daarop terugkijken. De ongedwongenheid en het plezier zijn door het handelen van verdachte ernstig en, zo mag worden aangenomen, blijvend beschadigd. Ook is uit de spreekrechtverklaring gebleken hoezeer de gebeurtenissen de gezinnen heeft beïnvloed. Het handelen van verdachte heeft impact gehad op de spelers en daarmee ook op de betrokken gezinnen. Het heeft ook in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt.

Verdachte heeft ook kinderporno gedownload. Uiteindelijk zijn op de in beslag genomen gegevensdragers van verdachte (inclusief de door hem gemaakte kinderporno) in totaal 27.801 foto’s en 2.728 video’s aangetroffen, waarbij een deel van de gedownloade kinderporno betrekking heeft op vergaande seksuele handelingen. Verdachte heeft hiermee bijgedragen aan het in stand houden van de vraag naar kinderporno. Daarmee is hij indirect betrokken bij het misbruik van kinderen.

Verder heeft verdachte ongeveer een jaar lang meerdere keren ontucht gepleegd met [slachtoffer] en seksuele foto’s en video’s van hem gemaakt. Eén keer is het zover gekomen dat [slachtoffer] verdachte heeft gepijpt, waarna verdachte heeft ingezien dat zijn gedrag moest stoppen.

Verdachte was de basisschoolleraar van [slachtoffer] in groep 8. Na de overgang van [slachtoffer] naar de middelbare school hielden zij contact. Verdachte bood aan [slachtoffer] te blijven ondersteunen. De ouders van [slachtoffer] vertrouwden verdachte en lieten hem toe in het gezinsleven. Dit vertrouwen heeft verdachte uiteindelijk ernstig misbruikt, zoals ook blijkt uit hun spreekrechtverklaringen.

Verdachte heeft zich alleen maar laten leiden door zijn eigen seksuele behoeften. Hij heeft de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] ernstig geschonden en zijn seksuele ontwikkeling doorkruist. In de periode waarin de ontucht plaatsvond was [slachtoffer] (ongeveer) 13 jaar oud en verdachte (ongeveer) 37 jaar oud, een aanzienlijk leeftijdsverschil. Het is een feit van algemene bekendheid dat door seksueel misbruik de normale seksuele en persoonlijke ontwikkeling van een jong slachtoffer ernstig kan worden geschaad en een slachtoffer daarvan langdurige en ernstige psychische klachten kan ondervinden. Dat dat ook in deze zaak het geval is, blijkt uit de spreekrechtverklaring van [slachtoffer] . Hij heeft verteld dat de gebeurtenissen nog altijd veel impact op hem hebben. Naast mentale klachten worstelt [slachtoffer] tot aan de dag van vandaag ook nog altijd met het aangaan van vertrouwensrelaties en intimiteit. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem had en moest kunnen hebben, ernstig heeft beschadigd.

Samenloop
Ten aanzien van het derde en vierde bewezen verklaarde feit is sprake van eendaadse samenloop. Het maken van seksuele foto’s en video’s van [slachtoffer] en andere minderjarigen valt ook onder het maken van kinderporno.

Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Buiten een verkeersovertreding is verdachte niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank houdt daar rekening mee.

Psychologisch onderzoek
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van klinisch [psycholoog] van 19 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte een pedofiele stoornis van het exclusieve type heeft en zich aangetrokken voelt tot jongens, meer specifiek in de leeftijd van 12 tot 15 jaar. Hier worstelt verdachte sinds zijn 16e mee. De psycholoog ziet echter geen aanleiding te adviseren tot een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid, omdat verdachte zich bewust was van de strafbaarheid van zijn gedrag. Hij heeft zichzelf willens en wetens in risicosituaties gebracht waarin hij intensief contact had met jonge jongens. Hij liet na om hulp te zoeken bij zijn pedofiele gevoelens en overschatte zijn zelfcontrole.

Het recidiverisico op een nieuw zedendelict met een minderjarige wordt zonder behandeling als laag tot laag-matig ingeschat. Belangrijke risicofactoren zijn de pedofiele stoornis van verdachte en het in gelegenheid zijn om in contact te komen met minderjarige jongens. Beschermend werkt dat verdachte uiteindelijk voldoende zelfcontrole heeft getoond door het misbruik van het slachtoffer zonder ingrijpen van buitenaf te stoppen. Ook zijn toegenomen inzicht in het feit dat het filmen van de jongens schadelijk is en zijn motivatie voor behandeling vormen beschermende factoren. Als verdachte opnieuw in nauwer contact komt met jongens uit zijn voorkeursleeftijd, kan het risico toenemen.

De psycholoog adviseert een specialistische ambulante behandeling gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag bij een forensische polikliniek gespecialiseerd in seksueel delictgedrag in te zetten. Gezien de relatief lage risicotaxatie is een intensieve klinische behandeling niet noodzakelijk. Het advies is om de ambulante behandeling vorm te geven binnen het kader van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden.

Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 23 april 2026. De reclassering schat het risico op recidive en op letsel als gemiddeld in. Het seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft zich niet incidenteel, maar over een zekere periode herhaaldelijk voorgedaan. Verdachte heeft zich daarnaast zowel in zijn rol als docent als in zijn functie als trainer/coach schuldig gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag, waarbij meerdere slachtoffers betrokken waren. Dit onderstreept dat sprake is van een patroon dat interventie noodzakelijk maakt.

Het risico op onttrekken aan voorwaarden schat de reclassering laag in. Verdachte heeft zich coöperatief opgesteld en geeft expliciet aan bereid te zijn om mee te werken aan voorwaarden. Daarnaast toont verdachte inzicht in de ernst van de situatie. Hij heeft berouw geuit en spreekt over schuldgevoelens richting zijn slachtoffers. Verdachte wil verantwoordelijk nemen voor zijn handelen. Deze houding wordt door de reclassering als beschermende factor beschouwd.

De reclassering is positief ten aanzien van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. De reclassering adviseert de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod met de slachtoffers, een dagbesteding, het vermijden van contact met minderjarigen, het vermijden van en de controle op digitale omgevingen betreffende seksueel kindermisbruik, een verbod om met minderjarigen te werken en het geven van openheid in (partner)relaties. Het advies is om te bepalen dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bij een veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert de reclassering de maatregel langdurig toezicht op te leggen. Dan kunnen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast worden na de eventuele gevangenisstraf. De reclassering verwacht dat de problematiek van verdachte langdurig zal blijven bestaan en een langdurig toezicht zal vragen. Als het reclasseringstoezicht op zijn einde loopt, wil de reclassering een milder kader achter de hand hebben om verdachte zijn problematiek in de gaten te houden. De kans op recidive kan zo worden beperkt.

Houding
Verdachte heeft het plegen van de feiten op enig moment bekend. Op de zitting heeft hij oprecht spijt betuigd, ook in reactie op de verschillende spreekrechtverklaringen. Verdachte ziet in dat hij hulp nodig heeft. Hij heeft hij in detentie al stappen ondernomen om behandeling op te starten. Bovendien heeft hij met diverse slachtoffers vaststellingsovereenkomsten gesloten om daarmee (een deel van) de schadevergoedingen te regelen. Hiermee lijkt verdachte zijn verantwoordelijkheid te nemen. Bij het bepalen van de hoogte van de straf wordt hier in zijn voordeel rekening mee gehouden.

Straf

Gelet op de aard en ernst van de feiten en de gevolgen die de feiten voor de slachtoffers hebben gehad, is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, met niets anders kan worden volstaan dan met oplegging van een gevangenisstraf van langere duur. Wel houdt de rechtbank rekening met de voornoemde omstandigheden en zal daarom een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende is de rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden is. De rechtbank zal deze straf aan verdachte opleggen. Bij een gevangenisstraf van meer dan 4 jaren is een voorwaardelijk strafdeel niet mogelijk. Daarom kunnen ook geen bijzondere voorwaarden worden gesteld. Als aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering wordt verleend, kunnen dan wel bijzondere voorwaarden worden gesteld.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

Maatregel
Naast de gevangenisstraf zal de rechtbank ook een zogeheten GVM aan verdachte opleggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om aan verdachte na afloop van de gevangenisstraf vrijheidsbeperkende of gedragsbeïnvloedende maatregelen op te leggen als dat in verband met dan bestaande risico’s noodzakelijk is. Gelet op het rapport van de psycholoog en het reclasseringsadvies kan het recidiverisico toenemen in bepaalde situaties. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. Deze is noodzakelijk omdat de verwachting is dat de problematiek van verdachte langdurig zal blijven bestaan en een langdurig toezicht zal vragen.

Beroepsverbod
Als een verdachte bepaalde misdrijven in de uitoefening van een beroep pleegt, kan die verdachte van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. Hier is sprake van. Verdachte heeft als (oud-)leraar en trainer van minderjarigen feiten gepleegd. De rechtbank vindt het van groot belang dat verdachte voor een langere periode niet meer in aanraking zal komen met minderjarigen in de uitoefening van zijn beroep, omdat functies met contact met minderjarigen een blijvend verhoogd risico meebrengen. De rechtbank zal daarom als bijkomende straf bepalen dat verdachte gedurende 10 jaren het beroep van leraar, trainer en/of een soortgelijke functie in relatie tot minderjarigen niet mag uitoefenen.

7De schadevergoedingsmaatregelen

Schadevergoedingsmaatregel
De schadevergoedingsmaatregel kan ten behoeve van het slachtoffer worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer burgerlijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. De maatregel kan ook worden opgelegd als het slachtoffer zich niet als benadeelde partij met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces heeft gevoegd. Bij de beslissing over de schadevergoedingsmaatregel mag de rechter zich baseren op feiten en omstandigheden die tijdens de zitting aan de orde zijn gekomen. Het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel betekent dat het CJIB de inning van de schadevergoeding zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Vaststellingsovereenkomsten

In deze zaak zijn een deel van de slachtoffers bijgestaan door mr. C.A.M. Dilven. Op 18 mei 2026 heeft de rechtbank van haar vaststellingsovereenkomsten ontvangen die tussen verdachte en (de wettelijke vertegenwoordigers van) de slachtoffers zijn gesloten. Verdachte is bij de totstandkoming van deze overeenkomsten bijgestaan door zijn raadsvrouw. In alle overeenkomsten is opgenomen dat de slachtoffers als gevolg van het handelen van verdachte schade hebben geleden. Daarnaast hebben verdachte en de slachtoffers de hoogte van de door de slachtoffers geleden schade vastgelegd. Ter zitting zijn de vaststellingsovereenkomsten besproken. Verdachte heeft daarbij zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid erkend ten opzichte van de slachtoffers die bij de overeenkomsten betrokken zijn. Ook heeft hij (nogmaals) ingestemd met de hoogte van de in de overeenkomsten vastgestelde schadebedragen. Verdachte en de slachtoffers verzoeken de rechtbank gezamenlijk de schadevergoedingsmaatregel op te leggen ter hoogte van de overeengekomen bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Gelet op het conservatoir beslag heeft verdachte namelijk nog niet kunnen betalen.

Vaststellingsovereenkomst met de wettelijke vertegenwoordigers van [slachtoffer]

In deze overeenkomst staat dat [slachtoffer] materiële schade heeft geleden van € 1.600 en immateriële schade van € 20.000. Daarnaast staat dat de vader, de moeder en het zusje respectievelijk € 1.000, € 1.000 en € 500 immateriële schade hebben geleden. Verder is opgenomen dat de wettelijke rente loopt vanaf 16 juli 2023.

De rechtbank is van oordeel dat de genoemde bedragen ten behoeve van de betreffende slachtoffers de grenzen van aansprakelijkheid op grond van het burgerlijk recht niet overschrijden. De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel dan ook opleggen tot betaling van deze bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2023.

Vaststellingsovereenkomsten met de wettelijke vertegenwoordigers van de gefilmde jongens
Verdachte heeft met de wettelijke vertegenwoordigers van zeven gefilmde jongens elk een afzonderlijke vaststellingsovereenkomst gesloten. In elke overeenkomst is vastgelegd dat de jongen immateriële schade heeft geleden van € 1.000. Verder is in alle overeenkomsten opgenomen dat de wettelijke rente loopt vanaf de datum van het vonnis.

Twee van de zeven gefilmde jongens komen niet voor in het strafdossier. Echter, verdachte heeft verklaard dat hij ook deze twee jongens heimelijk heeft gefilmd.

De rechtbank is van oordeel dat de in de overeenkomsten genoemde bedragen ten behoeve van de zeven gefilmde jongens de grenzen van de aansprakelijkheid op grond van het burgerlijk recht niet overschrijden. De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel dan ook opleggen tot betaling van deze bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2026.

BEM-clausule
De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoedingen die ten behoeve van de minderjarigen moeten worden betaald, zal worden gestort op bankrekeningen die ten behoeve van deze minderjarigen worden geopend met een BEM-clausule. Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarigen. Door de BEM-clausule kunnen de minderjarigen en hun wettelijke vertegenwoordigers slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarigen beschikken totdat zij achttien jaar oud zijn. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4849