Overslaan en naar de inhoud gaan

GHAMS 240726 vader verwekt kind bij 13-jarige dochter; smartengeld dochter € 75.000, opvoedingskosten tot 23 jaar € 69.104,42, geen vorderingsrecht voor moeder misbruikte dochter

GHAMS 240726 vader verwekt kind bij 13-jarige dochter; smartengeld dochter € 75.000, opvoedingskosten tot 23 jaar € 69.104,42, geen vorderingsrecht voor moeder misbruikte dochter 

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 17.000,00. De vordering is bij het vonnis niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat heeft namens de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat het gedeelte van de vordering dat ziet op toekomstige medische kosten ter hoogte van

€ 2.000,00 niet wordt gehandhaafd in hoger beroep, zodat het hof op dat onderdeel geen beslissing meer zal nemen.

De advocaat van de benadeelde partij heeft in hoger beroep de grondslag voor het gevorderde bedrag aan immateriële schade gewijzigd van shockschade naar aantasting in de persoon zoals bedoel in art. 6:106 aanhef onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daartoe heeft zij onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2023:2016) aangevoerd dat de ernst van de normschending met zich brengt dat de gevolgen van het seksueel misbruik voor de moeder van het slachtoffer zo voor de hand liggen, dat ook voor haar een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gevorderde € 15.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof oordeelt als volgt.

Alhoewel het zeer invoelbaar is dat het bewezen verklaarde feit voor de benadeelde partij, zijnde de moeder van het slachtoffer, in emotioneel opzicht zeer belastend is en ook haar leven door het handelen van de verdachte ingrijpend is veranderd, onder andere doordat zij de zorg voor [persoon 1] op zich neemt, brengt een onrechtmatige daad gepleegd tegen een kind, niet zonder meer met zich dat ook onrechtmatig is gehandeld tegen de ouder(s) van dat kind. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de benadeelde partij niet kan worden gesproken van een aantasting in de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef onder b BW. Dat zou wel het geval zijn wanneer het gaat om zogeheten shockschade, waarbij sprake is van een zelfstandig, tegen de ouder gepleegde onrechtmatige daad, maar daarvan is in deze strafzaak geen sprake. Evenmin is sprake van een situatie waarin de benadeelde partij een vergoeding voor affectieschade kan vorderen. Met andere woorden: dat de impact van het misbruik van haar dochter voor de benadeelde partij zeer groot is ziet het hof, maar een afdoende wettelijke grondslag voor toewijzing van schade is er in dit concrete geval niet. Het hof wijst de vordering dan ook af.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ( [benadeelde partij 1] )

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 165.624,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 85.924,90. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat heeft namens de benadeelde partij te kennen gegeven dat het gedeelte van de vordering dat ziet op toekomstige medische kosten ter hoogte van € 10.000,00 niet wordt gehandhaafd in hoger beroep, zodat het hof op dat onderdeel geen beslissing meer zal nemen.

De advocaat van de benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep ten aanzien van de post eigen aandeel in de kosten van het kind verlaagd van € 78.780,00 naar een bedrag van € 69.104,42. Zij heeft de vordering ter zitting in hoger beroep nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot gehele toewijzing van de gevorderde (en aangepaste) bedragen aan materiële en immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren in verband met het gevoerde vrijspraakverweer. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de post eigen aandeel in de kosten van het kind niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel gebruik te maken van schattingsbevoegdheid en het immateriële deel van de vordering te matigen door middel van schatting op gronden van billijkheid.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Omdat de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde feit tot een straf wordt veroordeeld, kan de benadeelde partij in beginsel worden ontvangen in de vordering tot schadevergoeding.

Het hof wijst de posten “Kosten drie dagen ziekenhuis i.v.m. keizersnee bevalling”, “Reiskosten i.v.m. medische zorg tijdens zwangerschap/bevalling/ [persoon 1] ” en ten aanzien van kosten [persoon 1] de posten “Baby uitzet” en “Extra kosten” toe. Deze posten zijn door de verdediging ook niet betwist. Het hof wijst deze bedragen toe minus het aan het slachtoffer reeds toegekende bedrag van € 300,00 uit het noodfonds van het Amsterdam UMC voor de aanschaf van de benodigde babyspullen op korte termijn.

De post “Eigen aandeel kosten t/m 23 jaar” van € 69.104,42 is wel door de verdediging betwist. Het hof is van oordeel dat ook deze post voldoende is onderbouwd. De advocaat van de benadeelde partij heeft diverse berekeningen overgelegd, waarbij is uitgegaan van een netto gezinsinkomen van € 1.500,00 per maand gebaseerd op de “Behoeftetabel 2022” van het NIBUD. Verder is gekozen voor een gemiddelde indexering berekend vanaf het jaar 2022 tot en met 2026 van 4,5% en de berekeningen zijn gemaakt voor de leeftijd van 0 tot en met 21 jaar. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het feit dat is gerekend met zeer redelijke bedragen conform de NIBUD-normen en -tabellen, wijst het hof ook deze post geheel toe tot het verzochte bedrag van € 69.104,42.

Ten aanzien van de post “Immateriële schade” oordeelt het hof als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte in haar persoon is aangetast. Uit de onderbouwing bij deze post blijkt dat bij het slachtoffer de diagnose PTSS is gesteld en dat zij hiervoor inmiddels al een aantal jaren onder behandeling is en dat het einde van de traumatherapie nog niet in zicht is. De behandelend kinder- en jeugdpsycholoog geeft aan dat op dit moment nog geen inschatting kan worden gemaakt van de resterende behandelduur. De benadeelde partij is naast traumatherapie ook gestart met een ambulant hulpprogramma voor meisjes die seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben meegemaakt. Op grond van artikel 6:106 aanhef onder b BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Het hof heeft bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. In hoofdstuk 14.2 “Posttraumatische stressstoornis (PTSS)” kunnen onder de categorie “ernstig” bedragen tot € 61.000,00 worden toegekend. Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde misbruik slechts 13 jaar oud was, waardoor het de aanbeveling heeft het toegewezen bedrag aan immateriële schade met 25% te verhogen. Het hof heeft bij de bepaling van de omvang van de immateriële schade gelet op de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijk integriteit van de benadeelde partij is gemaakt, haar jonge leeftijd en de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad en nog steeds heeft op haar dagelijks leven. Alles afwegend stelt het hof de omvang van de immateriële schade daarom vast op de gevorderde € 75.000,00.

De wettelijke rente over het toegewezen bedrag zal het hof toewijzen vanaf de pleegdatum tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Deze proceskosten zijn tot op heden begroot op nihil.

Het hof zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

 

Gerechtshof Amsterdam 24 juli 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2341