Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 301019 deskundigenbericht abortuskliniek; is zwangerschap gemist? voorschot vooralsnog ten laste van kliniek

RBMNE 301019 deskundigenbericht abortuskliniek; is zwangerschap gemist? voorschot vooralsnog ten laste van kliniek

1. De procedure

1.1.
[ verzoekster ] heeft op 8 maart 2019 een verzoekschrift ingediend en verzocht om over de in het verzoekschrift omschreven feiten en omstandigheden een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen.

1.2.
Door Casa Klinieken en VvAA is op 11 juni 2019 gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

1.3.
Het verzoek is besproken op de zitting van 13 juni 2019. Daarbij waren aanwezig:
- [ verzoekster ] met mr. Douwes;
- [ X ] , schadebehandelaar bij VvAA met mr. Zwartjens.

1.4.
Daarna volgt deze beschikking.

2. Het verzoek en het verweer

2.1.
Op 4 februari 2016 heeft [ verzoekster ] de Casa Klinieken in Houten (hierna: de kliniek) bezocht om een abortus te laten verrichten. [ verzoekster ] meende, na de uitslag van een positieve (thuis) zwangerschapstest, op dat moment zwanger te zijn. Gezien haar jeugdige leeftijd en het ondervinden van psychische problemen heeft [ verzoekster ] de zwangerschap willen laten afbreken.

2.2.
In de kliniek is [ verzoekster ] lichamelijk onderzocht door middel van zowel een inwendige echo als een uitwendige echo. Daarnaast is er een urineonderzoek uitgevoerd. Deze onderzoeken waren volgens de kliniek alle negatief: waardoor er geen zwangerschap kon worden vastgesteld. Om die reden heeft de kliniek geen abortus bij [ verzoekster ] uitgevoerd.

2.3.
In mei 2016 bleek [ verzoekster ] toch zwanger te zijn. Uiteindelijk is zij op 3 oktober 2016 bevallen van een zoon.

2.4.
[ verzoekster ] verwijt de kliniek nu dat haar zwangerschap tijdens het consult op 4 februari 2016 is gemist en zij stelt dat de kliniek aansprakelijk is voor haar schade als gevolg van het niet afbreken van haar zwangerschap in februari 2016. Volgens [ verzoekster ] is ten behoeve van de schaderegeling een expertise noodzakelijk. Zij verzoekt daarvoor prof. dr. J.G. Nijhuis, gynaecoloog verbonden aan het Maastricht Universitair Medisch Centrum tot deskundige te benoemen.

2.5.
De kliniek en de VvAA verzetten zich tegen (toewijzing van) het verzoek. Zij voeren aan dat de door [ verzoekster ] aangedragen feiten en omstandigheden niet volgt dat er een fout is gemaakt; met een a terme datum van 15 oktober 2016 (zoals die in mei en later is aangenomen), kan de zwangerschap onmogelijk voor medio december 2015 zijn ontstaan. Volgens de kliniek en VvAA moet deze zwangerschap omstreeks 22 januari 2016 ontstaan zijn en daarmee was de zwangerschap ten tijde van het onderzoek door de kliniek maximaal 13 dagen gevorderd. Een dergelijke prille zwangerschap blijft 'onder de radar' van een urine- en echografisch onderzoek. Daarmee is er volgens de kliniek geen sprake van medisch onzorgvuldig handelen, waardoor de kliniek en haar aansprakelijkheidsverzekeraar VvAA aansprakelijkheid van de hand heeft gewezen.

2.6.
Volgens de VvAA heeft [ verzoekster ] , gezien het voorgaande, geen gerechtvaardigd belang bij een deskundigenonderzoek en is het verzoek daardoor in strijd met de goede procesorde. In het geval de rechtbank toch overgaat tot het gelasten van een deskundigenonderzoek, maakt de VvAA bezwaar tegen de voorgestelde deskundige en de voorgestelde vraagstelling. Een eventuele onzorgvuldigheid dient volgens de VvAA te worden onderzocht door een persoon van hetzelfde deskundigheidsgebied. In dit geval moet volgens de VvAA daarom een abortus arts worden benoemd die het door [ verzoekster ] aan de kliniek gemaakte verwijt zal beoordelen. Verweersters verzoeken de rechtbank verder om bij de door de deskundige te beantwoorden vragen uit te gaan van de vragen zoals in haar verweerschrift zijn voorgesteld.

3. De beoordeling

3.1.
Bij de beoordeling van het geschil stelt de rechtbank voorop dat een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht (slechts) wordt afgewezen als het verzoek in strijd is met de goede procesorde, de bevoegdheid misbruikt wordt of het verzoek afstuit op een ander door de rechtbank zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Daarvan is in deze zaak geen sprake.

3.2.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de nu beschikbare informatie niet reeds kan worden geoordeeld dat [ verzoekster ] op 4 februari 2016 - ten tijde van het consult - niet zwanger was of dat sprake was van een zo prille zwangerschap, dat die bij onderzoek niet gezien kon of hoefde te worden. [ verzoekster ] heeft een gerechtvaardigd belang bij deskundigenonderzoek naar de vraag of er een fout is gemaakt, maar de rechtbank is het met verweersters eens dat het onderzoek niet voldoende ter zake dienend is als niet (ook) op dat punt wordt ingegaan. Juist een deskundigenonderzoek kan meer duidelijkheid verschaffen over de vraag of er op 4 februari 2016 sprake was van een zodanig gevorderde zwangerschap die de kliniek niet had mogen missen. Het is aan [ verzoekster ] om haar stellingen in dat verband te onderbouwen en te bewijzen. Een deskundigenonderzoek kan haar meer zicht geven op haar mogelijkheden om dat bewijs te leveren en daarmee op haar kansen in een eventuele bodemprocedure. Daarom zal een onderzoek worden bevolen waarbij ook dit punt aan de orde wordt gesteld, aan de hand van de door beide partijen aangedragen vragen.

3.3.
Verweersters hebben bezwaar gemaakt tegen de benoeming van de door [ verzoekster ] voorgestelde deskundige prof. dr. J.G. Nijhuis, gynaecoloog verbonden aan het Maastricht Universitair Medisch Centrum (omdat hij met name is gespecialiseerd in het maken van CTG's). Ter zitting hebben verweersters daarom voorgesteld prof. dr. J.A.M. van der Post, gynaecoloog verbonden aan het Amsterdam UMC in Amsterdam, als deskundige te benoemen.

3.4.
Van der Post heeft echter aan deze rechtbank kenbaar gemaakt niet bereid te zijn het deskundigenonderzoek uit te voeren. Hij heeft aangegeven dat het onderzoek niet op zijn terrein van expertise ligt. Van der Post heeft geadviseerd zijn collega, dr. W.M. Ankum, eveneens gynaecoloog en verbonden aan het Amsterdam UMC in Amsterdam, als deskundige te benoemen. Partijen hebben middels de brieven van 2 augustus 2019 en 19 augustus 2019 de rechtbank laten weten met dit voorstel in te stemmen. Door de rechtbank zal daarom in die lijn worden beslist.

deskundige

3.5.
Partijen hebben overeenstemming bereikt dr. W.M. Ankum, gynaecoloog verbonden aan het Amsterdam UMC in Amsterdam, als deskundige te benoemen. Ankum heeft zich desgevraagd bereid verklaard zijn benoeming te aanvaarden. Hij zal daarom als deskundige worden benoemd.

vragen

3.6.
Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de vraagstelling. De rechtbank is op basis van beide voorste llen tot de volgende vraagstelling gekomen:
1. Persoonlijke gegevens
a) Waar bent u werkzaam (indien u bij meerdere organisaties werkzaam bent graag alle noemen)?
b) Heeft u aan uw beroep gerelateerde nevenfuncties en zo ja, welke?
c) Wat kwalificeert u voor het uitbrengen van een expertiserapport in de onderhavige zaak? (Te noemen zijn met name opleiding en professionele ervaring)
d) Heeft u in het verleden reeds als expertiserend deskundige opgetreden en zo ja, hoe vaak en in wiens opdracht? (Met "in wiens opdracht" wordt bedoeld: in opdracht van een van de partijen of van de rechter; het is uiteraard niet nodig namen te noemen)

2. Medisch wetenschappelijke opvattingen
a) Bestaan er over het onderwerp van de expertise medisch-wetenschappelijk uiteenlopende opvattingen?
Indien uw antwoord op vraag 2a bevestigend luidt:
b) Kunt u in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen (voor zover mogelijk met verwijzing naar literatuur)?
c) Welke is uw eigen opvatting?
d) Kunt u aangeven of een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel was gekomen dan waartoe u komt?
e) Als inderdaad een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel was gekomen: kunt u aangeven wat dat oordeel zou zijn geweest?

3. Inhoudelijk
a) Staat het u vrij om in deze zaak als deskundige op te treden en acht u zich daartoe voldoende deskundig, mede gelet op hetgeen de Richtlijn Medische Specialisatie Rapportage van de KNMG daarover bepaalt?

b) Wilt u een beschrijving geven van de blijkens het medisch dossier uitgevoerde onderzoeken en de bevindingen van deze onderzoeken?
c) Voldoet het medisch dossier naar uw oordeel aan de daaraan te stellen eisen?
d) Bent u van mening dat de kliniek, in het kader van de door [ verzoekster ] gewenste zwangerschapsafbreking, voldoende onderzoek heeft gedaan om een zwangerschap vast te stellen en uit te sluiten?
e) Biedt het medisch dossier aanknopingspunten dat er op 4 februari 2016 sprake was van het bestaan of niet bestaan van een zwangerschap van 9 weken? Wat is de waarde in dit verband van de beschikbare afdruk van het echoscopisch onderzoek?
f) Bent u op grond van alle gegevens alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, van oordeel dat op 4 februari 2016 door de kliniek gehandeld is in afwijking conform de daarvoor geldende professionele standaard en eventueel geldende protocollen? Wilt u uw antwoord zo uitvoering mogelijk toelichten en daarbij een beschrijving geven van deze professionele standaard en eventueel geldende protocollen?
g) Het dossier van de kliniek vermeldt dat [ verzoekster ] weer zou gaan starten met anticonceptiepil. Bestond er voor de kliniek aanleiding [ verzoekster ] in andere zin of aanvullend te adviseren? Zo ja, in welke andere zin of aanvullende zin?
h) Heeft u nog aanvullende op- of aanmerkingen welke voor de beoordeling van deze casus van belang zijn?

stukken

3.7.
Partijen dienen de deskundige te voorzien van de processtukken. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de deskundige inzage zullen geven in alle bescheiden die hij voor de uitvoering van zijn opdracht van belang acht. Indien een partij schriftelijke opmerkingen aan de deskundige doet toekomen, verstrekt zij daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij .

blokkeringsrecht

3.8.
De rechtbank overweegt ambtshalve dat aangezien het onderzoek door de deskundige een medisch onderzoek is waarvoor geen contractuele relatie bestaat, aan verzoeker het inzage- en blokkeringsrecht toekomt als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit betekent dat verzoeker als eerste het conceptrapport van de deskundige dient te ontvangen en vervolgens, indien hij bij dat rapport zijn blokkeringsrecht niet heeft uitgeoefend, als eerste het definitieve rapport van de deskundige. De deskundige zal daarom dienen te handelen als hierna is weergegeven. De rechtbank wijst er overigens op dat, indien verzoeker van zijn blokkeringsrecht gebruik maakt, de rechtbank daaruit de gevolgtrekking kan maken die zij in de gegeven omstandigheden geraden acht.

voorschot

3.9.
Volgens de hoofdregel van artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet [ verzoekster ] het voorschot voor de kosten van de deskundige betalen. Tussen partijen is er echter al geruime tijd discussie over de vraag of de kliniek aansprakelijk is voor de schade van [ verzoekster ] als gevolg van het niet afbreken van haar zwangerschap in februari 2016. Niet op voorhand kan worden gesteld dat de vordering van [ verzoekster ] als ongegrond moet worden aangemerkt, waarbij er nu een deskundigenonderzoek nodig is om hier meer duidelijkheid in te scheppen. In die omstandigheid vindt de rechtbank aanleiding om van de hoofdregel van artikel 195 Rv af te wijken en te bepalen dat de kosten van het deskundigenbericht voorshands door verweersters gedragen moeten worden.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2019/RBMNE-301019

Met dank aan mevrouw L. Douwes, Slot Letselschade voor het inzenden van deze uitspraak.