RBDHA 110326 toeslagenaffaire; bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan; geen rol voor burgerlijke rechter; overigens afwijzing; proceskosten € 17077
RBDHA 110326 toeslagenaffaire; bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan; geen rol voor burgerlijke rechter; overigens afwijzing; proceskosten € 17077
4De beoordeling
Inleiding
4.1.
Deze zaak vloeit voort uit de toeslagenaffaire. [eisende partij 1] is een door de Staat erkend gedupeerde ouder. [eisende partij 2] was in de relevante periode de toeslagpartner van [eisende partij 1] , en is nog altijd haar levenspartner. Volgens [eisende partijen] c.s. heeft zij door twee verschillende gebeurtenissen schade geleden. In de eerste plaats heeft zij door het besluit van 30 april 2014, waarbij de over 2013 door [eisende partij 1] ontvangen kinderopvangtoeslag werd teruggevorderd, geen andere keuze gehad dan de overeenkomst met de vaste gastouder te beëindigen. [eisende partijen] c.s. zagen zich genoodzaakt om hun werkuren aan te passen en de opvang van de kinderen zelf te verzorgen. Dit heeft desastreuze gevolgen gehad voor hun onderneming, met onder meer aanzienlijke inkomensschade tot gevolg. [eisende partij 1] heeft in dit verband ook gewezen op het besluit van 8 oktober 2010, waarbij de over 2008 door [eisende partij 1] ontvangen kinderopvangtoeslag werd teruggevorderd. De ontvangen Catshuisvergoeding, en de schadevergoeding die door de UHT is toegekend, vergoeden de geleden schade niet volledig. [eisende partijen] c.s. willen daarom dat dit gedeelte van de schade (opnieuw) wordt beoordeeld door de burgerlijk rechter (vordering I en gedeeltelijk vordering III). De tweede door [eisende partijen] c.s. gestelde schadeveroorzakende gebeurtenis vormt een telefoongesprek op 3 mei 2021. In dit telefoongesprek is volgens [eisende partijen] c.s. door een medewerker van de UHT bevestigd dat [eisende partij 1] is opgenomen in de zogeheten fraudesignaleringsvoorziening (FSV) omdat zij in Beiroet is geboren. Deze mededeling is later onjuist gebleken. [eisende partij 1] heeft door deze onjuiste mededeling psychische schade geleden, waardoor zij uiteindelijk volledig arbeidsongeschikt is geraakt. Ook [eisende partij 2] ondervindt hier nadeel van (vordering II en gedeeltelijk vordering III). De Staat heeft ten aanzien van beide schadeveroorzakende gebeurtenissen gemotiveerd verweer gevoerd.
4.2.
De rechtbank zal beide schadeveroorzakende gebeurtenissen hierna afzonderlijk bespreken. Daarbij zal de rechtbank eerst ingaan op de ontvankelijkheid van [eisende partijen] c.s. met betrekking tot de eerste schadeveroorzakende gebeurtenis. De rechtbank zal daarbij tot het oordeel komen dat [eisende partij 2] wel ontvankelijk is in zijn vordering, maar [eisende partij 1] niet. De rechtbank zal vervolgens ten aanzien van de vordering van [eisende partij 2] tot het oordeel komen dat het causaal verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de door [eisende partij 2] gestelde schade ontbreekt. De rechtbank zal daarna ook de vorderingen met betrekking tot de tweede schadeveroorzakende gebeurtenis afwijzen omdat, zelfs indien wordt aangenomen dat een medewerker van de UHT aan [eisende partij 1] een onjuiste mededeling over de FSV-lijst heeft gedaan, dit in de gegeven omstandigheden geen onrechtmatige daad oplevert.
De eerste schadeveroorzakende gebeurtenis: het opstellen en versturen van de vaststellings- en terugvorderingsbesluiten over de jaren 2008 en 2013
4.3.
Het meest vergaande verweer van de Staat is dat [eisende partijen] c.s. met betrekking tot de vorderingen in verband met de terugvorderingsbesluiten over de toeslagjaren 2008 en 2013 niet-ontvankelijk zijn. Volgens de Staat staat voor de als gevolg van deze besluiten geleden schade een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open. [eisende partijen] c.s. hebben van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt. Meer in het bijzonder hebben [eisende partijen] c.s. op basis van het door de CWS uitgebrachte advies, een afwijzend besluit gekregen op hun verzoek om aanvullende schadevergoeding. Daartegen hebben [eisende partijen] c.s. bezwaar gemaakt, en desgewenst kan tegen een beslissing op bezwaar in beroep worden gegaan bij de bestuursrechter. Door wel bezwaar aan te tekenen tegen dit besluit van de UHT, en tegelijkertijd dezelfde vordering aan de burgerlijk rechter voor te leggen, schaken [eisende partijen] c.s. op twee borden tegelijk.
4.4.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de burgerlijke rechter als ‘restrechter’ aanvullende rechtsbescherming biedt in geval van een rechtstekort: als de verwijten van [eisende partijen] c.s. kunnen worden getoetst in een andere, met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang bij een gespecialiseerde rechter en in die rechtsgang eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan worden bewerkstelligd als [eisende partijen] c.s. beogen met de vorderingen in deze procedure, is in beginsel geen plaats voor de burgerlijke rechter. Indien een met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang bij de andere rechter dan de burgerlijke rechter openstaat of heeft opengestaan, leidt dit daarom in beginsel tot niet-ontvankelijkverklaring in een procedure bij de burgerlijke rechter.1 De formulering van de vorderingen en de vraag of deze vorderingen in de andere procedure kunnen worden ingesteld, zijn in dit verband niet doorslaggevend. Het gaat om het met die vorderingen te bereiken materiële resultaat. Het enkele gegeven dat in de andere procedure geen verklaring voor recht kan worden gevorderd, levert op zichzelf nog geen rechtstekort op dat de weg opent naar de burgerlijke rechter).2
4.5.
De rechtbank dient voor [eisende partij 1] en [eisende partij 2] afzonderlijk te beoordelen of een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan.
De ontvankelijkheid van [eisende partij 2]
4.6.
Artikel 2.1 lid 1 Wht bepaalt dat de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toekent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen, of de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem. Artikel 2.1 lid 1 Wht ziet dus, kort gezegd, op de afwikkeling van de schade geleden als gevolg van de toeslagenaffaire. Iedere aanvrager van kinderopvangtoeslag die stelt schade te hebben geleden, kan een aanvraag voor compensatie doen. Een (toeslagen)partner kan op grond van de Wht in beginsel geen zelfstandig verzoek voor compensatie doen. De wetgever heeft nadrukkelijk onder ogen gezien dat in een voorkomend geval ook de toeslagpartner door de onrechtmatige besluitvorming schade kan hebben geleden, maar de verwachting uitgesproken dat de aanvrager van de kinderopvangtoeslag en de toeslagpartner het bedrag onderling verdelen.3 Er bestaat weliswaar een bijzondere regeling voor de zogeheten ex-toeslagpartners, maar [eisende partij 2] kan daar geen beroep op doen, omdat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] nog altijd levenspartners van elkaar zijn. Ook een verzoek tot het vergoeden van aanvullende schade kan alleen door de aanvrager van kinderopvangtoeslag worden gedaan.
4.7.
De CWS heeft tegen de hierboven weergegeven achtergrond geconcludeerd dat [eisende partij 2] met betrekking tot het gezamenlijk met [eisende partij 1] ingediende verzoek om toekenning van een aanvullende schadevergoeding niet-ontvankelijk is. Nu partijen het er over eens zijn dat de UHT het advies van de CWS heeft gevolgd, gaat de rechtbank er vanuit dat [eisende partij 2] ook daadwerkelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Daarmee staat vast dat voor [eisende partij 2] niet een met voldoende waarborgen omklede alternatieve rechtsgang heeft opengestaan.
4.8.
Dat [eisende partij 1] in de bestuursrechtelijke procedure de mogelijkheid heeft gehad om de schade van [eisende partij 2] aan de orde te stellen, en hiervan gebruik heeft gemaakt, maakt het voorgaande niet anders. Het is op zich juist dat de CWS een inhoudelijk oordeel over de schade van [eisende partij 2] heeft gegeven en dat dit oordeel door de UHT is overgenomen. In zoverre zijn de belangen van [eisende partij 2] rechtstreeks bij het besluit van de UHT betrokken en staat voor hem als belanghebbende beroep bij de bestuursrechter open (artikel 1:2 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo. artikel 8:1 Awb). Dit vormt echter om de navolgende redenen geen toereikende vorm van rechtsbescherming. In de eerste plaats is het recht op schadevergoeding een persoonlijke vordering. [eisende partij 2] dient voor de vergoeding van de door hem geleden (immateriële) schade niet afhankelijk te zijn van een verzoek van [eisende partij 1] of haar bereidheid om in de bestuursrechtelijke procedure mede de schade van [eisende partij 2] aan de orde te stellen. Daarnaast kan in de bestuursrechtelijke procedure niet door [eisende partij 1] (of [eisende partij 2] ) worden bewerkstelligd dat aan [eisende partij 2] een schadevergoeding wordt toegekend. De bestuursrechtelijke procedure kan er hoogstens toe leiden dat aan [eisende partij 1] een schadevergoeding wordt uitgekeerd die (mede) is bedoeld voor [eisende partij 2] . [eisende partij 1] kan dit bedrag vervolgens vrijwillig aan [eisende partij 2] doorbetalen. Aan de Staat kan worden toegegeven dat dit in de regel bij levenspartners niet tot problemen zal leiden, maar niet valt uit te sluiten dat de affectieve relatie tijdens de bestuursrechtelijke procedure wordt beëindigd, of dat een aanvrager niet in staat is om de vergoeding door te betalen, bijvoorbeeld in het geval van schuldsanering of beslag door een schuldeiser. De mogelijkheid van een aanvrager om de schade van een toeslagpartner in de bestuursrechtelijke procedure aan de orde te stellen, kan daarom niet op gelijke voet worden geplaatst met de mogelijkheid van [eisende partij 2] om in eigen naam een gerechtelijke procedure te beginnen.
4.9.
Het voorgaande betekent dat voor [eisende partij 2] niet een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan waarbij eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan worden bewerkstelligd. De burgerlijk rechter is daarom, als restrechter, bevoegd om van de vorderingen van [eisende partij 2] met betrekking tot de door hem als gevolg van de toeslagenaffaire geleden schade kennis te nemen.
De ontvankelijkheid van [eisende partij 1]
4.10.
Met betrekking tot [eisende partij 1] komt de rechtbank tot een ander oordeel. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisende partij 1] toegelicht dat zij door de voor haar teleurstellende uitkomst van het traject bij de CWS het vertrouwen in de bestuursrechtelijke rechtsgang heeft verloren. [eisende partij 1] geeft om deze reden de voorkeur aan een procedure bij de burgerlijke rechter. Volgens [eisende partij 1] heeft zij die keuzevrijheid omdat de wetgever niet expliciet de bevoegdheid van de burgerlijke rechter heeft uitgesloten, er een bestendige gedragslijn van de Staat is om de ontvankelijkheid van de toeslagenouder in de civiele procedure niet te bestrijden, en de bestuursrechter zich nog niet inhoudelijk over de zaak van [eisende partij 1] heeft uitgelaten.
4.11.
De rechtbank kan begrijpen dat het voor [eisende partij 1] teleurstellend is dat met het besluit van de UHT niet de schadevergoeding aan haar wordt toegekend waar zij meent recht op te hebben. Dit neemt echter niet weg dat, nu de wetgever voor de afwikkeling van de als gevolg van de toeslagenaffaire geleden schade een speciale rechtsingang in het leven heeft geroepen, zij gehouden is om haar bezwaren tegen het besluit van de UHT aan de bestuursrechter voor te leggen. Voor de civiele rechter is slechts een rol weggelegd indien de bestuursrechtelijke rechtsgang niet met voldoende waarborgen is omkleed. De wetgever heeft, anders dan waar [eisende partij 1] vanuit lijkt te gaan, dan ook niet nadrukkelijk in de Wht de bevoegdheid van de burgerlijke rechter behoeven uit te sluiten om te oordelen over de als gevolg van de toeslagenaffaire geleden schade.
4.12.
De stellingen van [eisende partij 1] over de bestendige gedragslijn van de Staat kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Het is op zich juist dat uit de uitspraken van de rechtbank Overijssel4 en de rechtbank Rotterdam5 waar [eisende partij 1] naar heeft verwezen volgt dat een gedupeerde van de toeslagenaffaire in die zaken ook een beroep op de burgerlijk rechter kan doen en dat de Staat tegen deze uitspraken niet in hoger beroep is gegaan, maar dit kan [eisende partij 1] niet baten. De vraag of de bestuursrechter al dan niet met uitsluiting van de burgerlijke rechter bevoegd is raakt aan de competentieverdeling tussen beide rechters. De rechtbank dient de ontvankelijkheidsvraag daarom ambtshalve te beoordelen. Het is daarbij niet van belang welk verweer de Staat in vergelijkbare zaken heeft gevoerd, zelfs al zou daar een bestendige gedragslijn uit kunnen worden afgeleid. De rechtbank overweegt geheel ten overvloede dat de Staat zich ook in de procedures bij de rechtbank Overijssel en Rotterdam op het standpunt heeft gesteld dat aan de burgerlijke rechter geen bevoegdheid toekomt (en om die reden een belang bij de in die procedures gevorderde verklaring voor recht ontbreekt). Uit de enkele omstandigheid dat de Staat er in die zaken voor heeft gekozen om geen hoger beroep in te stellen, kan niet worden afgeleid dat de Staat in vergelijkbare zaken het recht heeft prijsgegeven om een niet-ontvankelijkheidsverweer te voeren.
4.13.
Het voorgaande betekent dat aan [eisende partij 1] geen keuzevrijheid toekomt. Zij dient haar aanspraken op schadevergoeding in de bestuursrechtelijke kolom geldend te maken. Dat is slechts anders indien voor [eisende partij 1] bij de bestuursrechter geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan waarbij eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan worden bewerkstelligd. Volgens [eisende partij 1] is daar geen sprake van omdat (i) in de bestuursrechtelijke procedure geen verklaring voor recht kan worden gevorderd en (ii) in de procedure bij de CWS geen mogelijkheid is om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Ter onderbouwing van deze laatste stelling heeft [eisende partij 1] er op gewezen dat de CWS gebonden is aan het laten opstellen van een deskundigenrapport door Sanacare. Volgens [eisende partij 1] is dit rapport in de praktijk bij de beoordeling door de CWS ook leidend. Een deskundigenrapport opgesteld door Sanacare heeft daarmee niet dezelfde waarde en functie als een deskundigenrapport opgesteld door een door de rechtbank benoemde deskundige, aldus nog steeds [eisende partij 1] . De rechtbank overweegt daarover als volgt.
4.14.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eisende partij 1] in de bestuursrechtelijke rechtsgang vergoeding kan krijgen van de schade geleden als gevolg van de toeslagenaffaire. De schadeposten waarvan [eisende partij 1] in deze procedure vergoeding verlangt, zijn dezelfde schadeposten die zij in de procedure bij de CWS naar voren heeft gebracht. [eisende partij 1] heeft geen voorbeelden genoemd van schade die zij niet in de bestuursrechtelijke procedure aan de orde had kunnen stellen. [eisende partij 1] kan in de bestuursrechtelijke procedure dus materieel hetzelfde resultaat behalen als in een procedure bij de burgerlijk rechter. Het enkele gegeven dat in de bestuursrechtelijke procedure geen verklaring voor recht kan worden gevorderd, levert op zichzelf nog geen rechtstekort op dat de weg opent naar de burgerlijke rechter (zie rov. 4.4). Dan blijft slechts over de stellingen over de rol van Sanacare. Tussen partijen is niet in geschil dat [eisende partij 1] in de procedure bij de CWS rapporten van eigen deskundigen heeft overgelegd. De CWS heeft het niet nodig gevonden om een deskundige te benoemen. De stellingen van [eisende partij 1] over Sanacare kunnen alleen al om deze reden niet tot de conclusie leiden dat geen sprake is van een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Daarbij komt dat, wat er ook van de bezwaren van [eisende partij 1] over het gebruik van deskundigenrapporten van Sanacare door de CWS moge zijn, bij de bestuursrechter een inhoudelijke herbeoordeling plaatsvindt. Door de bestuursrechter wordt volledig getoetst of het genomen besluit met het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht in overeenstemming is.6 De bestuursrechter kan, indien daartoe aanleiding bestaat, overeenkomstig art. 8:47 Awb zelf besluiten om een deskundige te benoemen. [eisende partij 1] heeft gelet hierop onvoldoende gemotiveerd toegelicht waarom het in het bestuursrechtelijke traject aan een deugdelijke mogelijkheid tot het benoemen van een deskundige ontbreekt.
4.15.
Het voorgaande betekent dat voor [eisende partij 1] ten aanzien van de schade die het gevolg is van de toeslagenaffaire wel een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat. Onder die omstandigheden is er voor de burgerlijke rechter geen rol als restrechter weggelegd. Zij zal in haar vordering voor zover die ziet op de schade die het gevolg is van de toeslagenaffaire niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat geldt niet voor de vordering die ziet op schade die het gevolg is van de gestelde onjuiste mededeling over plaatsing op de FSV-lijst. [eisende partij 1] kan voor deze schade niet terecht bij de UHT, en daarvoor staat dan ook geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open.
4.16.
De rechtbank is zich er van bewust dat haar oordeel omtrent de ontvankelijkheid van [eisende partij 1] op punten niet overeenkomt met de beoordeling van de rechtbank Overijssel en Rotterdam in vergelijkbare zaken. In de literatuur is naar aanleiding van de twee voornoemde uitspraken gesuggereerd dat het wenselijk is dat de Hoge Raad in een prejudiciële procedure zich uitspreekt over de mogelijkheid van een gedupeerde om in een civiele procedure schadevergoeding te vorderen.7 [eisende partij 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat het, omwille van de extra kosten en vertraging die met een prejudiciële procedure gepaard gaan, de voorkeur heeft om het stellen van prejudiciële vragen achterwege te laten. De Staat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De Staat heeft desgevraagd verklaard dat dit de eerste procedure is waar een gedupeerde van de toeslagenaffaire bij de burgerlijke rechter schadevergoeding vordert (in de zaken van de rechtbanken Overijssel en Rotterdam werd enkel een verklaring voor recht gevorderd), dat het de verwachting is dat nog meer gedupeerden zullen volgen, maar dat nog geen inschatting valt te maken hoe groot deze groep zal zijn. De rechtbank acht het gelet op deze toelichting op dit moment nog niet opportuun om prejudiciële vragen te stellen. Daarbij is mede van belang dat in de hiervoor aangehaalde academische literatuur ook aandacht is gevraagd voor het beginsel van de formele rechtskracht, en dat dit leerstuk in deze zaak niet speelt, zodat de Hoge Raad bij beantwoording van prejudiciële vragen op dit punt voor de afwikkeling van de toeslagenaffaire geen duidelijkheid kan geven. Ook laat de rechtbank meewegen dat, zoals hierna zal worden besproken, de vorderingen van [eisende partij 2] zullen worden afgewezen. De vorderingen van [eisende partij 1] zouden, indien ontvankelijk, hetzelfde lot delen. De rechtbank acht het gelet op deze inhoudelijke uitkomst in het belang van alle partijen dat zo snel mogelijk een eindvonnis wordt gewezen.
De schade van [eisende partij 2]
4.17.
[eisende partij 2] legt aan zijn vordering ten grondslag dat uit het besluit van 30 april 2014 volgt dat hij tezamen met [eisende partij 1] een bedrag van € 10.041 over het toeslagjaar 2013 diende terug te betalen. Dit was voor [eisende partij 2] een aanzienlijk bedrag. [eisende partij 2] heeft er daarom – tezamen met [eisende partij 1] – voor gekozen om afscheid te nemen van hun vaste gastouder. De opvang van de drie kinderen kwam daardoor op de schouders van [eisende partij 2] (en [eisende partij 1] ) te rusten, en [eisende partij 2] kon zich daardoor niet meer volledig richten op de gezamenlijke onderneming. De resultaten van de onderneming hebben daaronder geleden, met het faillissement van Flexwurk tot gevolg. De schade van [eisende partij 2] bestaat uit (i) inkomensschade ten bedrage van € 640.807, (ii) rentelasten ten bedrage van € 19.304 in verband met een lening voor het kunnen voortzetten van de bedrijfsactiviteiten van één van de ondernemingen van [eisende partijen] c.s. en (iii) de kosten van meerdere deskundigen om de inkomensschade te laten vaststellen.
4.18.
De rechtbank begrijpt uit de toelichting van [eisende partij 2] dat de door hem gestelde schade voortvloeit uit het besluit van 30 april 2014, welk besluit inhield dat [eisende partij 1] een bedrag van € 10.041 moest terugbetalen. Nu volgens [eisende partij 2] het terugvorderingsbesluit over 2008 geen schadeveroorzakende gebeurtenis is geweest, heeft hij in zoverre bij de gevorderde verklaring voor recht geen belang. Wat betreft het toeslagjaar 2013 heeft de Staat nadrukkelijk erkend dat het besluit van 30 april 2014 jegens [eisende partij 1] onrechtmatig is, maar dit wat betreft [eisende partij 2] in het midden gelaten. Ook de rechtbank komt niet toe aan beantwoording van de vraag of het besluit van 30 april 2014 jegens [eisende partij 2] , als toeslagpartner, onrechtmatig is. Zelfs al zou namelijk dit besluit ook jegens [eisende partij 2] onrechtmatig zijn, dan ontbreekt het causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de door hem gestelde schade. De rechtbank licht dit toe als volgt.
4.19.
Uit de e-mail van 25 november 2013 van [eisende partij 1] aan het gastouderbureau (rov. 2.10) volgt dat [eisende partij 1] met ingang van 20 december 2013 de overeenkomst met het gastouderbureau heeft opgezegd. Dit betekent dat [eisende partij 1] de vaste oppas ruim vier maanden vóór het onrechtmatige besluit heeft opgezegd. Het onrechtmatige besluit kan dus niet de reden zijn geweest om de overeenkomst met de gastouder te beëindigen. [eisende partij 2] heeft zich nog wel op het standpunt gesteld dat de invordering door de Belastingdienst al eerder is aangekondigd, en dat hij samen met [eisende partij 1] naar aanleiding van deze vooraankondiging heeft besloten om de overeenkomst met het gastouderbureau te beëindigen. [eisende partij 1] heeft in dit verband tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij in het najaar van 2013 door de Belastingdienst is gebeld en dat in dit telefoongesprek is aangekondigd dat alle kinderopvangtoeslag over het jaar 2013 zou worden teruggevorderd. Alhoewel [eisende partij 1] de redenen voor de terugvordering niet goed begreep, heeft [eisende partij 1] (in overleg met [eisende partij 2] ) besloten om de kinderopvangtoeslag stop te zetten. [eisende partij 2] heeft er verder op gewezen dat in de e-mail van 25 november 2013 als reden voor de opzegging “een grote vordering van de Belastingdienst Toeslagen” wordt genoemd, hetgeen er op wijst dat [eisende partij 2] destijds al van de terugvordering op de hoogte was. Daar staat tegenover dat uit de door de Staat overgelegde loggegevens niet volgt dat vóór 30 april 2014 contact met [eisende partij 1] is opgenomen over de terugvordering. De Staat heeft tijdens de mondelinge behandeling ook gesteld dat een dergelijke informele aankondiging niet in de gebruikelijke werkwijze van de Belastingdienst past, en de waarachtigheid van de verklaring van [eisende partijen] c.s. (mede) om deze reden in twijfel getrokken.
4.20.
Het is tussen partijen niet in geschil dat [eisende partij 1] weer op 17 januari 2014 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd met ingang van 20 december 2013. Dit laat zich niet verenigen met de stelling van [eisende partij 2] dat, uit angst voor toekomstige terugvorderingen, na de door [eisende partij 2] gestelde informele aankondiging is besloten de overeenkomst met de vaste gastouder op te zeggen. Daarbij komt dat [eisende partij 2] stelt aanzienlijke inkomensschade te hebben geleden doordat de overeenkomst met de gastouder is beëindigd. Alleen al voor [eisende partij 2] gaat het om een bedrag van € 640.807. [eisende partij 2] heeft in antwoord op vragen van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling niet duidelijk kunnen maken waarom, gelet op de volgens hem grote financiële gevolgen van het zelf moeten opvangen van de kinderen, er voor is gekozen om de overeenkomst met de gastouder te beëindigen wegens een (gelet op de gestelde inkomensschade) relatief bescheiden terugvordering van € 10.041. Gelet op het voorgaande heeft [eisende partij 2] onvoldoende gemotiveerd toegelicht dat hij tezamen met [eisende partij 1] als gevolg van de (al dan niet gedane) informele aankondiging heeft besloten om de overeenkomst met de vaste gastouder te beëindigen.
4.21.
Daarbij komt dat uit het bezwaarschrift van 30 juni 2014 volgt dat [eisende partij 1] na het besluit van 30 april 2014 nadere informatie heeft ingewonnen. [eisende partij 1] is daartoe op 3 juni 2014 op het kantoor van de Belastingdienst in Leeuwarden geweest en een medewerker heeft haar toen de regels uitgelegd. De rechtbank leidt uit het bezwaarschrift verder af dat het op dat moment voor [eisende partij 1] duidelijk is geworden dat zij bij het invullen van het aanvraagformulier een fout heeft gemaakt, en dat [eisende partij 1] er na het gesprek vanuit is gegaan dat zal worden vastgesteld dat zij wel degelijk recht heeft op kinderopvangtoeslag. Het valt in dit licht zonder nadere toelichting, die ontbreekt, dan ook niet te begrijpen waarom [eisende partij 2] (of [eisende partij 1] ) na dit gesprek niet een nieuwe overeenkomst met een gastouder hebben kunnen aangaan. Gesteld noch gebleken is dat de relatief korte periode van onzekerheid de gestelde schade kan hebben veroorzaakt.
4.22.
Nu het causaal verband tussen de terugvordering ten aanzien van het jaar 2013 en de door [eisende partij 2] gestelde schade ontbreekt, en [eisende partij 2] niet heeft toegelicht welk zelfstandig belang hij bij de gevorderde verklaring voor recht heeft, dient de vordering van [eisende partij 2] te worden afgewezen.
De tweede schadeveroorzakende gebeurtenis: de onjuiste mededeling over de FSV-lijst
4.23.
De tweede schadeveroorzakende gebeurtenis heeft betrekking op een mededeling over de zogeheten fraudesignaleringsvoorziening (FSV). De FSV was een interne applicatie die de Belastingdienst sinds 2012 gebruikte om mogelijke signalen van belastingfraude te registreren. Het gebruik van de FSV is inmiddels door de Belastingdienst gestaakt.
4.24.
Aan deze vordering leggen [eisende partijen] c.s. het volgende ten grondslag. [eisende partij 1] is op 3 mei 2021 gebeld door een medewerker van de UHT. Zij heeft toen vernomen dat aan haar een uitkering uit hoofde van de Catshuisregeling zou worden gedaan. Voor [eisende partij 1] was het erg belangrijk om te weten waarom uitgerekend zij door de Belastingdienst was benadeeld. Enkele maanden daarvoor had zij in de media vernomen over het bestaan van een “zwarte lijst” (rechtbank: de FSV-lijst). [eisende partij 1] heeft daarom aan de medewerker gevraagd of ook zij op de FSV-lijst heeft gestaan omdat zij in Beiroet is geboren. De medewerker heeft dit bevestigd. Deze mededeling is [eisende partij 1] buitengewoon zwaar gevallen, waarna zij te maken kreeg met slaapproblemen, angstklachten en een controledwang ontwikkelde. Op 1 november 2022 heeft de persoonlijke zaakbehandelaar van de UHT aan [eisende partij 1] bevestigd dat de eerder gedane mededeling onjuist was. Het kwaad was echter al geschied, en de onjuiste mededeling heeft voor [eisende partij 1] ernstige gevolgen gehad. [eisende partij 1] heeft in dit verband gewezen op de schriftelijke verklaringen van onder meer [naam 2] , [naam 1] en [eisende partij 2] die het telefoongesprek hebben kunnen meeluisteren, en allemaal bevestigen dat [eisende partij 1] na het telefoongesprek ernstig van slag was, en de psychiatrische expertise van I.S. Hernandez-Dwarkasing. Uit het arbeidskundige advies van [naam 4] volgt dat vanwege de door de psychiater vastgestelde beperkingen [eisende partij 1] volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Daarnaast heeft [eisende partij 2] ook nadeel van de mededeling ondervonden omdat hij [eisende partij 1] heeft moeten opvangen, en daardoor minder tijd en energie aan zijn onderneming heeft kunnen besteden.
4.25.
De Staat heeft gemotiveerd weersproken dat een medewerker van de UHT aan [eisende partij 1] de mededeling heeft gedaan dat zij op de FSV-lijst heeft gestaan. Een geluidsopname van het gesprek is niet beschikbaar. De betreffende servicemedewerker, mevrouw [naam 5] , die destijds het telefoongesprek met [eisende partij 1] heeft gevoerd, is niet meer in dienst bij de Staat. De Staat heeft desalniettemin naar aanleiding van deze procedure telefonisch navraag bij haar gedaan. Uit het door de Staat overgelegde transcript van dit telefoongesprek volgt dat zij niet wist wat een “zwarte lijst” of een “FSV-lijst” was. De gesprekken met de gedupeerden hadden volgens de servicemedewerker alleen betrekking op de Catshuisregeling. De toelichting van de servicemedewerker is volgens de Staat in lijn met de belscripts die destijds ten behoeve van de gesprekken over de Catshuisregeling zijn gemaakt. Ook uit de door de servicemedewerker gemaakte belnotitie blijkt dat niet over een zwarte lijst/FSV-lijst is gesproken. Het ligt verder niet voor de hand dat de FSV-lijst in het telefoongesprek aan de orde is geweest, omdat op het moment dat het gesprek werd gevoerd, alleen de lichte toets die wordt gehanteerd in het kader van de Catshuisregeling was uitgevoerd. Die toets komt neer op de vraag of een ouder ooit onterecht kinderopvangtoeslag heeft moeten terugbetalen. Pas bij de integrale beoordeling komt aan de orde of een ouder op de FSV-lijst heeft gestaan. Een servicemedewerker van de UHT heeft ook geen toegang tot informatie waaruit volgt of een ouder wel of niet op een FSV-lijst heeft gestaan. De e-mail van de persoonlijk zaakbehandelaar van 1 november 2022 kan niet worden opgevat als een erkenning dat aan [eisende partij 1] een onjuiste mededeling is gedaan. De zaakbehandelaar kon geen kennis hebben van de inhoud van het gesprek op 3 mei 2021, en heeft enkel voor waar aangenomen wat [eisende partij 1] zelf over het gesprek heeft verklaard. Zelfs indien wordt aangenomen dat de gewraakte mededeling op 3 mei 2021 is gedaan, is geen sprake van een onrechtmatig daad. Bovendien kunnen de door [eisende partijen] c.s. gestelde gevolgen (nagenoeg volledige arbeidsongeschiktheid) in ieder geval in redelijkheid niet aan deze mededeling worden toegerekend.
4.26.
[eisende partij 1] heeft op haar beurt tijdens de mondelinge behandeling op 27 januari 2026 weersproken dat zij op 3 mei 2021 met mevrouw [naam 5] heeft gesproken. De medewerker was volgens [eisende partij 1] een vrouw met een Arabische achternaam.
4.27.
Het kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven of een medewerker van de UHT op 3 mei 2021 aan [eisende partij 1] heeft medegedeeld dat zij op een FSV-lijst heeft gestaan. Zelfs al zou een dergelijke mededeling zijn gedaan, dan is van een onrechtmatige daad aan de zijde van de Staat om de navolgende redenen geen sprake.
4.28.
Uit vaste rechtspraak volgt dat de (enkele) omstandigheid dat een overheidsorgaan onjuiste en/of onvolledige inlichtingen verschaft niet automatisch betekent dat sprake is van onrechtmatig handelen door dat overheidsorgaan. Het antwoord op de vraag of de (medewerker van de) UHT onrechtmatig heeft gehandeld hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de UHT daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de UHT in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen de belanghebbende, hier [eisende partij 1] , daaromtrent heeft moeten begrijpen. Eerst indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens de belanghebbende en dat de UHT deswege jegens de belanghebbende aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet.8
4.29.
In dit geval is in de eerste plaats van belang dat de mededeling volgens [eisende partij 1] is gedaan in een telefoongesprek door een servicemedewerker van de UHT. Een servicemedewerker van een uitvoeringsinstantie heeft een relatief lage positie in de hiërarchie. Van een servicemedewerker mag niet worden verwacht dat hij of zij toegang heeft tot alle relevante informatie, en zeker niet tot gevoelige informatie over de vraag of een belanghebbende al dan niet op een fraudelijst heeft gestaan, en bevoegd is om daar mededelingen over te doen. Daarbij komt dat een belanghebbende in de regel op een mondelinge mededeling minder snel mag vertrouwen dan op een schriftelijke mededeling. Van belang is verder dat op het moment dat het telefoongesprek werd gevoerd alleen de lichte toets in het kader van de Catshuisregeling was uitgevoerd. Het telefoongesprek had als doel om [eisende partij 1] te informeren dat aan haar de compensatie van € 30.000 zou worden toegekend. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisende partij 1] verklaard dat zij werd gebeld naar aanleiding van een brief waarin zij zich had aangemeld voor de Catshuisregeling, en dat de Belastingdienst op dat moment nog geen kenbaar onderzoek naar haar geval had gedaan, zoals het opvragen van stukken. In deze omstandigheden mocht [eisende partij 1] er dan ook niet zonder meer vanuit gaan dat haar dossier reeds volledig inhoudelijk was beoordeeld, en dat de desbetreffende medewerker daar definitieve uitspraken over kon doen. Ten slotte waren er geen kenbare vermogensrechtelijke belangen van [eisende partij 1] in het geding. [eisende partij 1] heeft zich weliswaar met juistheid op het standpunt gesteld dat in het kader van de hersteloperatie van de Staat ten aanzien van gedupeerde ouders een hoge mate van zorgvuldigheid mag worden verwacht, maar de door [eisende partij 1] gestelde gevolgen van de mededeling liggen zodanig buiten de lijn der normale verwachtingen dat dit voor de servicemedewerker niet voorzienbaar behoefde te zijn.
Reële proceskosten
4.30.
Volgens [eisende partijen] c.s. zijn zij als gevolg van de verschillende procedures buiten het dekkingslimiet van de rechtsbijstandverzekering getreden en hebben zij daardoor kosten moeten maken. De advocaatkosten voor deze procedure bedragen tot en met de dagvaarding een bedrag van € 5.000 exclusief BTW. Daarnaast is er een bedrag van € 1.000 exclusief BTW bij haar in rekening gebracht voor de bezwaarprocedure tegen de beschikking van de UHT naar aanleiding van het CWS-advies. De Staat is volgens [eisende partijen] c.s. op grond van onrechtmatige daad gehouden om de reële proceskosten in beide procedures aan haar te vergoeden.
4.31.
Art. 8:75 lid 1 Awb verklaart de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar tegen een besluit en van het beroep bij de bestuursrechter. Met deze bepaling is beoogd het oordeel omtrent de vergoeding van deze kosten bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de burgerlijke rechter daarom de eiser die vergoeding van de kosten van een bestuursrechtelijke bezwaar- of beroepsprocedure vordert, in beginsel niet-ontvankelijk dient te verklaren, ook als die vordering gegrond is op onrechtmatige daad. Voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter ter zake van een vergoeding voor kosten van bezwaar of beroep is dan ook geen plaats, tenzij het een aanspraak betreft die de belanghebbende redelijkerwijs niet op de voet van art. 8:75 Awb aan de bestuursrechter (dan wel op de voet van art. 7:15 Awb aan het bestuursorgaan) heeft kunnen voorleggen.9 Het voorgaande betekent dat de rechtbank [eisende partijen] c.s. niet-ontvankelijk dient te verklaren in haar vordering tot vergoeding van de reële kosten in de bezwaarprocedure.
4.32.
Nu [eisende partijen] c.s. in deze civiele procedure in het ongelijk worden gesteld, en in de kosten van de Staat zullen worden veroordeeld, is een vergoeding van de reële proceskosten die [eisende partijen] c.s. in deze civiele procedure hebben gemaakt niet aan de orde.
Slotsom
4.33.
Het voorgaande betekent dat [eisende partijen] c.s. voor een deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard en de vorderingen voor het overige worden afgewezen. Volgens de hoofdregel van artikel 237 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij. Aan de zijde van de Staat worden deze kosten begroot op € 17.077, te vermeerderen met de in de beslissing genoemde eventuele verhoging. Deze kosten bestaan uit € 13.893 aan salaris advocaat (3 punten x tarief VIII), € 2.995 aan griffiegeld en € 189 aan nakosten.
4.34.
Over het salaris van de advocaat overweegt de rechtbank nog als volgt. [eisende partijen] c.s. hebben een verklaring voor recht gevorderd en verwijzing naar de schadestaat. Dit betekent in beginsel dat tarief II van toepassing is. [eisende partijen] c.s. heeft echter de gestelde schadeposten concreet benoemd en met stukken onderbouwd. De Staat heeft daar vervolgens gemotiveerd verweer tegen gevoerd. Het debat over de schade is in deze procedure dus reeds gevoerd. Dit betekent dat een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet aan de orde zou zijn geweest, maar de rechtbank de hoogte van een schadevergoeding direct zou hebben vastgesteld. Alleen al de door [eisende partijen] c.s. gestelde inkomensschade komt neer op een bedrag van € 2.146.776. Er bestaan dus duidelijke aanwijzingen dat de waarde van de vordering meer bedraagt dan € 1.000.000. De rechtbank dient daarom aansluiting te zoeken bij tarief VIII. Het salaris advocaat komt daarmee uit op een bedrag van € 13.893. De rechtbank realiseert zich dat de totale proceskostenveroordeling voor [eisende partijen] c.s. een fors bedrag zal zijn. De rechtbank acht het ook onwenselijk dat een gedupeerde van de toeslagenaffaire met een dergelijk hoge proceskostenveroordeling wordt geconfronteerd. Daar staat tegenover dat de Staat een bestuursrechtelijke rechtsgang in het leven heeft geroepen waarbij een gedupeerde niet het risico op een hoge proceskostenveroordeling loopt. [eisende partij 1] heeft er zelf voor gekozen om buiten deze bestuursrechtelijke rechtsgang te treden. [eisende partij 1] heeft daarmee ook het risico aanvaard dat, indien zij door de burgerlijk rechter in het ongelijk zou worden gesteld, zij in de kosten van de Staat wordt veroordeeld. Met betrekking tot [eisende partij 2] is van belang dat de CWS zich feitelijk wel een oordeel over zijn vorderingen heeft gevormd. Uit het advies volgt dat het causaal verband tussen het onrechtmatige besluit van 30 april 2014 en de door hem gestelde schade niet aannemelijk is. [eisende partij 2] heeft in deze procedure geen andere argumenten aangedragen. [eisende partij 2] had zich, zeker nu in de bestuursrechtelijke rechtsgang een lagere bewijsdrempel geldt, dan ook moeten realiseren dat er een reële kans bestond dat de burgerlijk rechter zijn vorderingen zou afwijzen, en dat hij in de kosten van de Staat zou worden veroordeeld. Ten slotte is van belang dat de Staat tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft gesteld dat hij, door de keuze van [eisende partijen] c.s. om haar vorderingen aan de burgerlijk rechter voor te leggen aanzienlijke extra kosten heeft moeten maken. Alles afwegende, ziet de rechtbank onvoldoende reden om gebruik te maken van haar bevoegdheid om van de liquidatietarieven af te wijken.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
verklaart [eisende partij 1] niet-ontvankelijk in de vorderingen onder I en III, voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van de schade geleden als gevolg van de toeslagenaffaire;
5.2.
verklaart [eisende partijen] c.s. niet-ontvankelijk in de vorderingen onder IV en V met betrekking tot vergoeding van de reële kosten in de bezwaarprocedure;
5.3.
wijst af het meer of anders gevorderde;
5.4.
veroordeelt [eisende partijen] c.s. hoofdelijk in de kosten van de procedure, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 17.077, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moeten [eisende partijen] c.s. € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.5.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
1HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0527 (Changoe/Staat).
2HR 21 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AU4548 (Abacus/Staat).
3Memorie van Toelichting Wet hersteloperatie toeslagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 18-19.
4Rechtbank Overijssel 25 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1459.
5Rechtbank Rotterdam 26 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:3475.
6ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631; ABRvS 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620.
7A.T. Marseille, De juridisering van de afwikkeling van de toeslagenaffaire, Ars Aequi (2023), p. 663-669; M.K.G. Tjepkema en N. van Triet, De burgerlijke rechter en de toeslagenaffaire: de vonnissen van de rechtbanken Rotterdam en Overijssel onder de loep, O&A 2023/29.
8HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219, r.o. 3.5.1.
9HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1456.
