Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 121125 wegrennende verdachte in arm en lies geschoten door politie; onderzoek politie bruikbaar voor beoordeling; politie niet aansprakelijk

RBDHA 121125 wegrennende verdachte in arm en lies geschoten door politie; onderzoek politie bruikbaar voor beoordeling; politie niet aansprakelijk

3De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat tussen partijen in ieder geval het volgende vast.

3.1.

Op 20 augustus 2019 rond 12.30 uur ontving de meldkamer van de politie Noord-Nederland een melding van een bedreiging met een vuurwapen in de [straat] in Assen. In deze buurt hebben vaker incidenten met vuurwapens plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze melding zijn vijf politie-eenheden ter plaatse gegaan.

3.2.

[eiser] bevond zich op dat moment met twee vrienden in de buurt van de [straat] in Assen. Toen [eiser] de politie op straat zag, vluchtte hij een woning in. Kort daarna sprong hij vanuit het raam van de woning boven horecazaak [bedrijf] aan de [adres 1] , via een luifel op straat en rende weg. De politie riep naar hem. [eiser] rende verder over de straat richting een steeg en is vervolgens door twee politieagenten beschoten. Hij is daarbij in zijn arm geraakt en in zijn lies. De inschotwond bij zijn lies bevond zich aan de voorkant, de uitschotwond aan de achterkant. [eiser] is vervolgens aangehouden voor bedreiging met een vuurwapen en vuurwapenbezit.

3.3.

Meteen na zijn aanhouding is [eiser] met een ambulance overgebracht naar het UMC Groningen en daar geopereerd. Er is bij [eiser] geen vuurwapen aangetroffen. Kort na zijn aanhouding is de zaak tegen hem geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.

3.4.

De Rijksrecherche heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het dienstwapengebruik door de twee betrokken politieambtenaren bij de aanhouding van [eiser] . Het onderzoek heet ‘Lerma’ en heeft nummer 20190068 (hierna: het onderzoek).

3.5.

Het onderzoek startte onder leiding van een officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland door een Rijksrechercheteam van de regio Noord-Oost. Toen bleek dat één van de bij het schietincident betrokken politieambtenaren familiebanden had met een medewerker van dit Rijksrechercheteam en een andere betrokken politieambtenaar familiebanden had met een medewerker van het arrondissementsparket Noord-Nederland, is op 21 augustus 2019 de leiding van het onderzoek overdragen aan een officier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam en is de uitvoering overgedragen aan een Rijksrechercheteam van de regio Amsterdam.

3.6.

Het onderzoek is medio oktober 2019 afgerond en het proces-verbaal van het onderzoek is gesloten op 22 oktober 2019 (hierna: het proces-verbaal). Naar aanleiding van het onderzoek is de zaak tegen de betrokken politieambtenaren geseponeerd onder de code 09: ‘rechtmatige aanwending van politiegeweld’.

3.7.

[eiser] heeft de Politie bij brief van 5 oktober 2020 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij lijdt als gevolg van het tegen hem gebruikte politiegeweld op 20 augustus 2019.

3.8.

Op 18 december 2020 heeft de Politie aansprakelijkheid afgewezen, omdat de conclusie van het onderzoek is dat sprake was van rechtmatig politieoptreden.

3.9.

Op 15 augustus 2024 heeft [eiser] via zijn advocaat aan de Politie laten weten dat hij de verjaring van zijn schadevordering op de Politie stuit en voornemens is om tot dagvaarding over te gaan.

4Het geschil

4.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de Politie jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld op of omstreeks 20 augustus 2019 en de Politie veroordeelt om aan [eiser] alle geleden en te lijden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen te vergoeden, nader op te maken bij staat, inclusief wettelijke rente. Verder vordert [eiser] dat de rechtbank de Politie veroordeelt om een voorschot op de schadevergoeding te betalen ter hoogte van € 9.500,-, vermeerderd met wettelijke rente. Tot slot vordert [eiser] dat de rechtbank de Politie veroordeelt in de proceskosten.

4.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag dat de Politie jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens [eiser] heeft de Politie bij het vuurwapengebruik tegen hem niet voldaan aan artikel 7 van de Ambtsinstructie voor de Politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie), waarin de gevallen staan beschreven waarin een vuurwapen mag worden gebruikt door opsporingsambtenaren. Daarnaast voldeed het handelen van de politie niet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, die volgen uit artikel 7 van de Politiewet 2012 (hierna: de Politiewet), artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mensen (EVRM) en de Aanwijzing handelwijze geweldsaanwending politieambtenaar (hierna: de Aanwijzing). Doordat [eiser] in zijn lies is geraakt, is ook niet voldaan aan de aanbevelingen uit het rapport ‘Verantwoord Politiegeweld’ van de Nationale Ombudsman (hierna: de aanbevelingen), waarin staat dat bij geweldsgebruik kwetsbare lichaamsdelen, zoals hoofd, gezicht en kruis, zoveel mogelijk moeten worden ontzien. Door het handelen van de politieagenten bij zijn aanhouding heeft [eiser] zowel lichamelijke als mentale schade geleden en de Politie moet deze schade vergoeden, aldus nog steeds [eiser] .

4.3.

De Politie voert verweer dat primair strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.

4.4.

De Politie legt daaraan ten grondslag dat het gebruik van de dienstwapens door bij de aanhouding van [eiser] betrokken politieagenten onder artikel 7 lid 2 sub a en b Ambtsinstructie valt, zodat dit gebruik rechtmatig was. Bij het gebruik van de dienstwapens is ook voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat sprake is van een rechtvaardigingsgrond voor het gebruikte geweld. Voor het geval dat de rechtbank hier niet in meegaat, heeft de Politie zich op het standpunt gesteld dat haar een geslaagd beroep toekomt op (putatief) noodweer(exces). Dit vormt alsnog een rechtvaardigingsgrond voor het handelen van de Politie dan wel sluit toerekening van het handelen van de bij de aanhouding van [eiser] betrokken agenten aan de Politie uit. Ten slotte heeft de Politie een beroep gedaan op eigen schuld van [eiser] en heeft zij de omvang van de gestelde schade betwist, alsmede het causaal verband tussen de gestelde schade en het politieoptreden.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

Beoordelingskader

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat het opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel door te schieten met een vuurwapen in principe onrechtmatig is. Het is namelijk in strijd met artikel 300 of 302 van het Wetboek van Strafrecht. Dat is anders als daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat, zoals wanneer de betrokken politieambtenaren op grond van de wet en de daarop berustende lagere regelgeving en beleid bevoegd waren om hun dienstwapen te gebruiken of wanneer zij handelden uit noodweer. De stelplicht en bewijslast van feiten die kunnen leiden tot het bestaan van een rechtvaardigingsgrond rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op de Politie, aangezien sprake is van een bevrijdend verweer.

5.2.

Op grond van artikel 7 lid 1 van de Politiewet is een politieambtenaar bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken. De politie heeft daarbij een grote mate van vrijheid. Politieagenten zijn niet alleen bevoegd om onder bepaalde omstandigheden geweld te gebruiken in de uitvoering van hun maatschappelijke taak, maar dit wordt ook van hen verwacht wanneer de noodzaak hiertoe bestaat. Waar een ander in een gevaarlijke situatie kan terugtreden om te voorkomen dat hij geweld zal gebruiken, wordt van een politieagent juist verwacht dat hij in die situaties optreedt en actie onderneemt. De vrijheid om geweld te gebruiken is niet onbeperkt, omdat de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit daarbij niet mogen worden overschreden: de politie moet optreden op een manier die voor de betrokkene het minst bezwarend is (subsidiariteit) en er moet een redelijke verhouding zijn tussen de wijze van optreden en het beoogde doel van dat optreden (proportionaliteit). Als die grenzen worden overschreden, is sprake van onrechtmatig geweldsgebruik.

5.3.

Bij de beoordeling van het handelen van politieagenten in gevallen als het onderhavige, moet terughoudendheid worden betracht. De rechter mag niet, achteraf oordelend, zijn eigen beoordeling in de plaats stellen van die van een politieagent ‘in de hitte van de strijd’. Beoordeeld moet worden of het toegepaste geweld aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldoet, niet of de politieagent redelijkerwijs een andere keuze had kunnen of zelfs had moeten maken. Voor die beoordeling gaat het niet alleen om wat er objectief gezien kan worden vastgesteld over het moment van geweldstoepassing, maar ook om de subjectieve beleving zoals daarvan sprake is geweest bij de betrokken politieambtenaren.1 Dit is naar het oordeel van de rechtbank alleen zo, voor zover deze subjectieve omstandigheden in voldoende mate gesteund en daarmee gerechtvaardigd worden door objectieve omstandigheden.

5.4.

Uit artikel 7 lid 1 van de Politiewet volgt verder dat aan het gebruik van geweld zo mogelijk een waarschuwing voorafgaat. Daarnaast is op grond van artikel 7 lid 1 sub a en b van de (ten tijde van het incident geldende) Ambtsinstructie vuurwapengebruik slechts geoorloofd: “a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken; b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf 1º waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en 2 º dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of 3 º dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.”

Geen reden tot twijfel aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van het proces-verbaal

5.5.

De Politie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er een rechtvaardigingsgrond bestond voor het handelen van de betrokken politieambtenaren. Ter onderbouwing van de voor dit standpunt relevante feiten heeft zij het proces-verbaal overgelegd. [eiser] heeft de lezing van de feiten van de Politie betwist en stelt zich op het standpunt dat het op onderdelen anders is gegaan dan de Politie stelt en in het proces-verbaal is vermeld. Volgens [eiser] is het proces-verbaal onvoldoende betrouwbaar en kan het proces-verbaal niet als bewijs worden gebruikt voor stellingen ter onderbouwing van het standpunt dat het tegen [eiser] gebruikte geweld gerechtvaardigd was. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Geen reden tot twijfel aan de onafhankelijkheid van de Rijksrecherche en de officier van justitie

5.6.

[eiser] heeft onder meer naar voren gebracht dat ernstig getwijfeld moet worden aan de onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van het onderzoek, omdat een deel van het onderzoek is verricht door een team van de Rijksrecherche en onder leiding van een officier van justitie werkzaam bij een parket die beide banden hebben met politieagenten die waren betrokken bij de aanhouding van [eiser] . Dit zou in strijd zijn met de artikelen 4.2 en 4.6 van de Aanwijzing. De Politie heeft betwist dat het onderzoek onbetrouwbaar en niet onafhankelijk zou zijn.

5.7.

In de artikelen 4.2 en 4.6 van de Aanwijzing staat, voor zover relevant, het volgende:

“4.2. Onderzoek op de plaats van het geweldsincident

In deze gevallen wordt de Rijksrecherche onmiddellijk door het betreffende regiokorps via de meldkamer van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) geïnformeerd. Tevens wordt het lokale Openbaar Ministerie (of in het geval de DSI betrokken is bij het voorval de in hoofdstuk 4.6 genoemde hoofdofficier van justitie) zo spoedig mogelijk ingelicht.

De betreffende piketambtenaar van de Rijksrecherche zal zo snel mogelijk naar de plaats van het voorval komen. Tot het moment dat deze daar is aangekomen, treft het lokale politiekorps de eerste maatregelen ter bevriezing van de situatie, zoals het afzetten van de plaats van het voorval, zorg voor slachtoffers en inventariseren van getuigen. Opsporingshandelingen worden echter in beginsel niet gedaan door het lokale korps. Indien echter daartoe de noodzaak bestaat kunnen noodzakelijke onderzoekshandelingen verricht worden ten behoeve van het onderzoek van de Rijksrecherche. Deze onderzoekshandelingen worden in dat onderzoek, indien daar aanleiding voor bestaat, opnieuw uitgevoerd of gecontroleerd door de Rijksrecherche op volledigheid en betrouwbaarheid. Deze handelingen door personeel van het lokale politiekorps, voorafgaande aan de komst van de Rijksrecherche, vinden plaats in opdracht van en onder verantwoordelijkheid van de dienstdoende hulpofficier van justitie.

Indien de Rijksrecherche, om capacitaire redenen voor het horen van getuigen, het verrichten van een buurtonderzoek, of het verrichten van overige onderzoekshandelingen, de bijstand behoeft van andere opsporingsambtenaren, dan wordt op haar verzoek bijstand verleend door medewerkers van het Bureau Interne Onderzoeken (BIO) van de betreffende politieregio of door medewerkers van een naburig politiekorps.

Voor het verrichten van het technisch onderzoek naar de toedracht van het voorval zal in eerste instantie de bijstand worden gevraagd van de Technische Recherche uit een andere regio dan die van het betreffende regiokorps waar het geweldsincident is voorgevallen.

4.6.

Rol (zaaks)officier van justitie

De hoofdofficier van justitie ziet erop toe dat het onderzoek naar de toedracht van het geweldsincident in geen geval wordt geleid door een officier van justitie (bijvoorbeeld een districtsofficier) die nauwe banden heeft met het betreffende onderdeel van het politiekorps waartoe de betrokken functionarissen behoren. Elke schijn van afhankelijkheid dient te worden voorkomen.[…]”

5.8.

Uit de Aanwijzing volgt dat, als zich een incident heeft voorgedaan waarbij door de politie een dienstwapen is gebruikt, een eventueel daaropvolgend onderzoek wordt uitgevoerd door de Rijksrecherche. De Rijksrecherche staat onder gezag van de officier van justitie van het betreffende parket. De Rijksrecherche staat dus los van de regionale politie-eenheden en heeft daarbij geen betrokkenheid. Op deze manier wordt de onafhankelijkheid van het onderzoek naar het handelen van de politie gewaarborgd.

5.9.

Het schietincident in deze zaak waarbij dienstwapens zijn gebruikt heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2021 omstreeks 13.00 uur. Op 21 augustus 2021 bleek dat er familiebanden waren tussen één persoon uit het betrokken team van de Rijksrecherche en één persoon van het betrokken parket met twee bij de aanhouding van [eiser] betrokken politieambtenaren. Hierop is de opdracht om onderzoek te doen naar het schietincident onmiddellijk overgedragen aan een ander team van de Rijksrecherche en onder leiding gebracht van een officier van justitie van een ander parket.

5.10.

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek is verlopen conform de Aanwijzing. In eerste instantie is het onderzoek opgedragen aan een officier van justitie van het parket Noord-Nederland en dit is een dag later, onmiddellijk nadat het bestaan van de familiebanden bleek, overgedragen aan de officier van justitie van een ander parket. Hetzelfde geldt voor het betrokken team van de Rijksrecherche. Dit alles juist ter voorkoming van de schijn van partijdigheid. Voor wat betreft de eerste uren van het onderzoek, waarbij wel nog mensen betrokken waren die familiebanden hebben met betrokken politieambtenaren, heeft [eiser] onvoldoende concreet naar voren gebracht op welke punten dat tot onbetrouwbaarheid en/of niet-onafhankelijkheid van het onderzoek heeft geleid. De rechtbank ziet zelf in het proces-verbaal ook geen aanknopingspunten voor twijfel aan de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van het onderzoek in de eerste uren, of voor een vermoeden dat de genoemde familiebanden een negatieve invloed hebben gehad op het onderzoek, zoals [eiser] betoogt. Daarbij is van belang dat een schijn van partijdigheid bij de aanvang van het onderzoek niet met zich brengt dat het gehele onderzoek onmiddellijk terzijde moet worden geschoven. Het is wel van belang om extra kritisch naar het proces-verbaal te kijken en te bezien of op basis daarvan aanleiding bestaat om delen of het gehele proces-verbaal buiten beschouwing te laten. Zoals gezegd ziet de rechtbank die aanleiding niet.

Geen feitelijke onjuistheden

5.11.

Daarnaast heeft [eiser] een aantal punten genoemd uit het proces-verbaal die volgens hem niet juist zijn. Hij vindt dat het proces-verbaal daarom onbruikbaar is.

5.12.

Zo heeft [eiser] aangevoerd dat de plek waar hij volgens de politie is neergeschoten niet juist is. De Politie heeft dit weersproken. De rechtbank overweegt dat [eiser] de betwisting van de juistheid van dit onderdeel van het proces-verbaal onvoldoende heeft onderbouwd. De vaststelling in het proces-verbaal over de plek waar [eiser] na te zijn beschoten terecht is gekomen wordt onder andere gesteund door de foto’s waarop de bebloede jas, telefoon en sleutels van [eiser] te zien zijn, de plek waar het bloed van [eiser] is aangetroffen en door verschillende getuigenverklaringen (waaronder derden die niet bij het schietincident betrokken waren). Bij deze stand van zaken had [eiser] met een (begin van een) onderbouwing moeten komen van zijn standpunt dat het anders is. Die onderbouwing ontbreekt. Bij deze stand van zaken is er geen ruimte voor de door [eiser] verzochte (tegen)bewijslevering door bijvoorbeeld het horen van getuigen.

5.13.

[eiser] heeft verder aangevoerd dat zijn letsel niet verklaard kan worden door de manier waarop hij blijkens het proces-verbaal zou zijn neergeschoten. Uit de diverse verklaringen zou volgen dat [eiser] van achteren is neergeschoten, terwijl zijn schotwonden juist aan de voorkant zijn gesitueerd. De Politie heeft betwist dat de getuigenverklaringen in het proces-verbaal niet stroken met het letsel van [eiser] .

5.14.

De rechtbank stelt vast dat het standpunt van [eiser] op meerdere punten van een onjuiste veronderstelling uitgaat. Zo volgt uit de medische stukken (inderdaad) dat [eiser] aan zijn voorzijde een inschotwond heeft ter hoogte van zijn lies. Ten aanzien van de schotwond in zijn arm is niet vastgesteld dat het een inschotverwonding betreft. Daarnaast volgt uit de verklaringen in het proces-verbaal niet dat [eiser] alleen van achteren is beschoten. Dat is ook niet de conclusie van het onderzoek. Voor zover dan nog de vraag zou resteren of het bij [eiser] aangetroffen letsel overeenkomt met de verklaringen over het moment van schieten, dan moet de conclusie zijn dat dit het geval is. Het is immers goed mogelijk, zoals de Politie heeft betoogd, dat [eiser] is geraakt voordat hij de steeg in rende, zoals hij zelf ook bij de politie heeft verklaard (pagina 101 van het proces-verbaal). Kortom: het bij [eiser] aangetroffen letsel is in lijn met de bevindingen in het proces-verbaal over de wijze en het moment van schieten. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van verschillende onderdelen van het proces-verbaal over de wijze of het moment van schieten.

5.15.

[eiser] heeft in het kader van de door hem betwiste bruikbaarheid van het proces-verbaal ook opgeworpen dat er mogelijk bewijsstukken zijn verplaatst voordat de Rijksrecherche daarnaar onderzoek had kunnen doen. Daarbij heeft hij erop gewezen dat één huls en acht projectielen niet zijn teruggevonden. De Politie heeft ook dit argument over de onjuistheid c.q. onbruikbaarheid van het onderzoek betwist. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat niet alle projectielen zijn teruggevonden en/of dat projectielen mogelijk zouden zijn verplaatst, geen omstandigheden zijn die maken dat getwijfeld moet worden aan de juistheid van (de conclusies van) het onderzoek naar de (rechtmatigheid van de) inzet van het politiegeweld. Er waren immers voldoende bronnen om het onderzoek daarnaar te kunnen verrichten, zoals (andere) forensische bevindingen, verklaringen van de betrokken politieagenten - zowel de agenten die hebben geschoten als andere agenten -, (onafhankelijke) burger-getuigenverklaringen en beschikbare camerabeelden.

Voldoende onderzoek

5.16.

Ten slotte heeft [eiser] een aantal punten naar voren gebracht op basis waarvan hij meent dat het onderzoek onvolledig is geweest. Zo ontbreken volgens [eiser] camerabeelden en audiobestanden, zouden er nog relevante getuigen moeten worden gehoord en ontbreken het advies van de Adviescommissie politioneel vuurwapengebruik en onderdelen uit zijn strafdossier. De Politie heeft betwist dat het onderzoek onvolledig zou zijn en heeft daarnaast naar voren gebracht dat het aan [eiser] zelf was om stukken die volgens hem ontbreken, in te brengen in de onderhavige procedure.

5.17.

De rechtbank overweegt dat [eiser] heeft nagelaten om te concretiseren welke stellingen hij nader zou willen onderbouwen met aanvullende camerabeelden, getuigenverklaringen, dronebeelden, audiobestanden van portofoongesprekken, het advies van de Adviescommissie en zijn strafdossier. De opmerking dat voormelde informatie mogelijk aanknopingspunten had kunnen opleveren voor de onderbouwing van de stellingen van [eiser] is niet voldoende om aan (tegen)bewijslevering toe te komen.

Conclusie

5.18.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor nadere bewijslevering door (één van de) partijen en evenmin om het onderzoek en het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt aan te merken als onbetrouwbaar, niet-onafhankelijk of anderszins onbruikbaar. De rechtbank zal dit proces-verbaal dan ook, voor zover nodig, gebruiken voor de verdere beoordeling.

5.19.

Gelet op deze conclusie ziet de rechtbank geen aanleiding om de Politie nog de gelegenheid te geven zich bij akte over de opmerkingen van [eiser] over het proces-verbaal uit te laten, zoals zij heeft verzocht. Evenmin zie de rechtbank reden voor het alsnog in het geding laten brengen van de volledig beschikbare camerabeelden (waarvan de Politie een verkorte versie als productie 3 heeft overgelegd), zoals [eiser] heeft verzocht.

Nadere vaststaande feiten

5.20.

Op grond van het proces-verbaal gaat de rechtbank in haar verdere beoordeling uit van de volgende aanvullende feiten en omstandigheden, naast de feiten vermeld onder 3.

5.21.

Op 20 augustus 2019 rond 12.30 uur ontving de meldkamer eerder genoemde melding van bedreiging met een vuurwapen in de [straat] in Assen. De melder gaf een zeer precieze omschrijving van het vuurwapen en van het signalement van de verdachten. De politieagent die de melder sprak, ontving van hem bovendien een foto van de drie verdachten. Deze foto werd onder alle betrokken politie-eenheden verspreid. Vanwege de inhoud van de melding werd alle politieagenten die op de melding af gingen, opgedragen hun kogelwerend vest aan te doen.

5.22.

Om 12.37 uur werd de eerste verdachte aangehouden die voldeed aan één van de drie verspreide signalementen. Hij bleek geen vuurwapen bij zich te hebben. De politie werd ter plaatse door omstanders aangesproken. Zij gaven aan dat op het moment dat de eerste verdachte werd aangehouden, twee andere mannen zouden zijn weggerend. Eén van deze mannen zou de trap naar de appartementen boven de horecazaak [bedrijf] aan de [adres 1] zijn opgelopen. Hierop besloot de politie dit pand ‘dicht te zetten’, in afwachting van een machtiging tot binnentreden. Twee politieagenten, in het proces-verbaal aangeduid als agenten A en B, stonden op dat moment aan de voorkant van het betreffende pand.

5.23.

Rond 13.00 uur werd een tweede verdachte aangehouden die voldeed aan één van de drie verspreide signalementen. Ook hij bleek geen vuurwapen bij zich te hebben.

5.24.

Rond datzelfde tijdstip waren twee andere politieagenten, in het proces-verbaal aangeduid als agenten C en D, bezig de identiteit te controleren van twee mannen die zich verdacht gedroegen. Dit was ter hoogte van de [adres 2] .

5.25.

Kort hierna sprong [eiser] vanuit het raam van het appartement boven [bedrijf] via een luifel naar beneden. Hij landde vlakbij agenten A en B op straat. Zij herkenden [eiser] direct als de derde verdachte die nog werd gezocht. [eiser] rende weg. Agenten A en B trokken hun dienstwapen en riepen meermalen dat [eiser] moest blijven staan. [eiser] bleef doorrennen door de [straat] . Agent A loste hierop een waarschuwingsschot. [eiser] reageerde daar niet op en bleef doorrennen in de richting van agenten C en D.

5.26.

[eiser] heeft aangevoerd dat er geen politieagenten stonden bij de plek waar hij uit het raam boven [bedrijf] naar beneden sprong. Gelet op de inhoud van het proces-verbaal, in het bijzonder de verklaringen van agenten A en B en de verklaringen van drie burgergetuigen op pagina 180, 183 en 186 van het proces-verbaal, gaat de rechtbank echter aan dat standpunt van [eiser] voorbij.

5.27.

Uit de camerabeelden beschreven op pagina 210 e.v. van het proces-verbaal (in verkorte versie door de Politie overgelegd als productie 3) en uit de verklaringen van agenten C en D, blijkt dat de agenten C en D, die ter hoogte van de [adres 2] de identiteit van twee personen controleerden, opkeken toen zij een schot hoorden. Uit hun verklaringen blijkt dat zij op dat moment niet wisten wie het schot had gelost. Zij zagen vervolgens [eiser] hard hun kant op komen rennen. [eiser] was op dat moment ongeveer vijftien meter van hen vandaan en kwam vanuit de richting waar ook het schot vandaan kwam. Agent D heeft verklaard dat hij iets zwarts in de hand van [eiser] zag, waarvan hij dacht dat het een vuurwapen was. Agenten C en D trokken vervolgens hun dienstwapen. Zowel agent C als D riep naar [eiser] dat hij moest blijven staan. [eiser] bleef doorrennen. Agent C loste hierop een waarschuwingsschot, waarop [eiser] evenmin reageerde. [eiser] bleef doorrennen in de richting van agenten C en D. Kort voordat [eiser] vlak voor hen een steeg in rende, besloten agenten C en D te schieten. Agent C schoot viermaal op [eiser] en agent D driemaal. Beide politieagenten richtten hierbij naar beneden. Zij stopten met schieten toen [eiser] op de grond viel.

5.28.

Om 13.01 kwam de melding bij de meldkamer binnen dat [eiser] was neergeschoten en dat er een ambulance moest komen.

Het vuurwapengebruik was gerechtvaardigd

Voldaan aan artikel 7, lid 1 van de Politiewet

5.29.

Tussen partijen is niet in geschil dat de politieambtenaren die geweld hebben gebruikt tegen [eiser] handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Zij waren immers afgekomen op een melding van een strafbaar feit, deden daarnaar onderzoek en wilden vervolgens een verdachte die voldeed aan het signalement aanhouden.

5.30.

Voor wat betreft het vereiste dat (zo mogelijk) gewaarschuwd wordt voordat geweld wordt toegepast, geldt het volgende. De betrokken politieambtenaren hebben verklaard dat zij diverse malen naar [eiser] hebben geroepen dat hij moest blijven staan en er zijn twee waarschuwingsschoten gelost. [eiser] heeft verklaard dat hij niet verstond wat er naar hem geroepen werd, maar hij heeft (en verschillende burgergetuigen hebben) wel gehoord dat de politie naar hem riep. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het waarschuwingsvereiste van artikel 7 lid 1 Politiewet.

Voldaan aan artikel 7, lid 1, sub a, van de Ambtsinstructie

5.31.

In het eerste lid van artikel 7 van de Ambtsinstructie zijn de verschillende situaties opgenomen waarin het gebruik van een vuurwapen door een politieambtenaar geoorloofd is. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het handelen van agenten C en D gericht was op de aanhouding van [eiser] . De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of ook is voldaan aan het tweede vereiste van sub a, namelijk dat het gaat om een situatie waarbij iemand moet worden aangehouden “ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken”.

5.32.

Uit de hiervoor onder 3 en 5.21-5.25 en 5.27-5.28 opgenomen feiten en omstandigheden volgt dat het incident begon met een melding over een bedreiging met een vuurwapen. De locatie van de melding betrof een plek waar vaker incidenten met vuurwapens voorkwamen, waardoor de politie extra alert was op vuurwapengebruik. Vervolgens heeft de politie kort na de melding twee van de drie verdachten kunnen aanhouden, die beiden geen vuurwapen bij zich bleken te hebben. Eveneens kort na de melding bevonden agenten C en D zich in de buurt van de plek waar de bedreiging met het vuurwapen zich zou hebben voorgedaan, om daarnaar verder onderzoek te doen. Toen hoorden zij een schot, zonder dat zij wisten van wie dit schot afkomstig was. Zij zagen meteen daarna [eiser] op korte afstand van hen hard op hen af komen rennen, uit de richting vanwaar het schot vandaan kwam. Agent D zag bovendien iets zwarts in de hand van [eiser] , waarvan hij vermoedde dat het een vuurwapen was.

5.33.

Op grond van dit alles is de rechtbank van oordeel dat de agenten C en D er redelijkerwijs van uit mochten gaan dat [eiser] een voor onmiddellijk gebruik gereed vuurwapen bij zich had en dit mogelijk tegen personen zou gebruiken. Agent D heeft met zoveel woorden verklaard dat hij ervan uit ging dat hij een zwart vuurwapen in de hand van [eiser] zag. Agent C heeft dit in zijn verklaring aldus verwoord: “Vanaf dat een melding komt, ben ik scherp. Ik loop daar met mijn zware vest aan. Er kan een man rondlopen met een vuurwapen, maar die is nog steeds niet gevonden. Dan hoor ik een schot, dan zie ik een man met een behoorlijke snelheid op me af komen lopen, dan denk ik, dat is de verdachte”.

Voldaan aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit.

5.34.

De rechtbank is verder van oordeel dat niet van agenten C en D verwacht had mogen worden dat zij anders zouden hebben gehandeld dan zij hebben gedaan, door bijvoorbeeld een ander (gewelds)middel in te zetten (subsidiariteit) of door op een andere manier of minder vaak op [eiser] te schieten (proportionaliteit).

5.35.

Zoals hiervoor is overwogen, moet er bij de beoordeling van politieoptreden voor worden gewaakt dat met kennis achteraf (hindsight) en op onrealistische gronden een te hoge maatstaf voor het handelen van de politie wordt aangelegd. Agenten C en D gingen ervan uit dat [eiser] met een vuurwapen op hen af kwam rennen terwijl bovendien net een schot was gelost uit de richting van waaruit [eiser] op hen af kwam. Zij hebben [eiser] meermaals aangeroepen om te stoppen, waaraan hij geen gehoor gaf. Agent C heeft vervolgens een waarschuwingsschot gelost, waarop [eiser] ook niet reageerde. [eiser] bleef met hoge snelheid op korte afstand van agenten C en D in hun richting doorrennen. Naar het oordeel van de rechtbank kon onder die omstandigheden niet van hen worden verwacht dat zij een ander middel zouden gebruiken om [eiser] aan te houden dan hun dienstwapen. Dat dat voor hen geen redelijke optie was, hebben de politieagenten ook duidelijk verklaard in hun verhoren. Zo heeft agent D verklaard: “Het ging zo snel allemaal. Ik hoor een schot en in een split seconde zie ik dat er een man op mij afkomt met een vuurwapen. Het duurde misschien 5 seconden. We hebben geschreeuwd en die man stopt niet. We hadden geen schijn van kans gehad”. Agent C verklaarde op de vraag welke alternatieven hij had: “Voor mijn gevoel geen. Ik had al een vuurwapen in mijn handen. Om het dan te bergen en hem vast te pakken, vond ik te gevaarlijk. Omdat immers dat eerdere schot was gelost. Ik zou te laat geweest zijn als de man een wapen in zijn handen had gehad”.

5.36.

Agenten C en D hebben vervolgens ook gehandeld op een manier die, naar het oordeel van de rechtbank, in verhouding staat tot het doel van de aanhouding van [eiser] . Zij hebben naar beneden op zijn benen gericht en zijn gestopt met schieten toen [eiser] neerging.

5.37.

Voor wat betreft de aanbeveling van de Nationale Ombudsman om het kruis zoveel mogelijk te ontzien als er op een verdachte wordt geschoten, overweegt de rechtbank dat ook deze aanbeveling in een specifieke zaak niet tot onrealistische verwachtingen van de betrokken politieagenten moet leiden. [eiser] rende op agenten C en D af. Agent C heeft verklaard dat [eiser] op volle snelheid op hen af kwam en het wel leek alsof hij aan het borstcrawlen was. [eiser] liep volgens agent C niet in een rechte lijn, maar een beetje zigzaggend. Agent [naam] – die vanuit [eiser] bezien schuin achter agenten C en D aan de overkant van de [straat] stond – heeft verklaard dat hij zag dat [eiser] slingerend op hem af kwam rennen en de bocht rechtsaf de steeg in ging. Dat [eiser] , ondanks dat agenten C en D naar beneden richtten (blijkens twee burgergetuigenverklaringen op pagina 181 en 188 van het proces-verbaal), ook hoger in zijn lichaam is geraakt dan het kruis, betekent onder die omstandigheden niet dat het optreden van de agenten C en D onrechtmatig was. De (on)rechtmatigheid van het politieoptreden moet immers worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van de situatie, waaronder het gedrag van [eiser] zelf. Indien wordt geschoten op een doel dat (met snelheid) in verschillende richtingen beweegt, is de kans groter dat het doel wordt geraakt op een andere plek dan waarop de schutter richt. Het gegeven dat er een kogel in de lies van [eiser] terecht is gekomen, leidt daarom in dit geval niet tot de conclusie dat het handelen van de betrokken politieagenten niet proportioneel was.

Conclusie

5.38.

De conclusie is dat het handelen van agenten C en D voldoet aan de vereisten van artikel 7 van de Politiewet en artikel 7 van de Ambtsinstructie. Er was sprake van een situatie waarin zij hun dienstwapen mochten gebruiken ter aanhouding van [eiser] en zij hebben daarbij ook voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Daarmee hebben zij ook voldaan aan de eisen die volgen uit de rechtspraak over artikel 3 EVRM en de Aanwijzing. De rechtbank kan daarnaast niet vaststellen dat in strijd is gehandeld met de aanbevelingen.

Slotsom

5.39.

Het voorgaande betekent dat er een rechtvaardigingsgrond bestond voor het handelen van agenten C en D en er dus geen sprake is van een door de Politie gepleegde onrechtmatige daad. Omdat de schade van [eiser] niet het gevolg is van een fout van agenten C en/of D, is de Politie ook niet als werkgever van die agenten aansprakelijk voor die schade. Dit betekent dat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

5.40.

De rechtbank kan zich voorstellen dat deze uitkomst voor [eiser] teleurstellend is. De rechtbank heeft gezien welke verwondingen [eiser] heeft opgelopen door het handelen van de Politie. Het feit dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] afwijst, betekent niet dat zij geen oog heeft voor dit leed. In deze procedure is echter gebleken dat er geen rechtsgrond bestaat voor vergoeding van schade door de Politie.

1Zie bijvoorbeeld EHRM 17 juni 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:0317JUD005019699, par. 138-139 (Bubbins v. het Verenigd Koninkrijk).

Rechtbank Den Haag 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22211