Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 051225 geen letsel; achteropaanrijding op politieauto, overtreding art. 19 RVV; of een stopteken is gegeven kan in het midden blijven

RBROT 051225 geen letsel; achteropaanrijding op politieauto, overtreding art. 19 RVV; of een stopteken is gegeven kan in het midden blijven

2De beoordeling

Wat is de kern van de zaak?

2.1.

Op 1 september 2023 heeft een aanrijding tussen twee auto’s plaatsgevonden ter hoogte van de ’s-Gravendijkwal in Rotterdam. Het gaat daarbij om de auto van [persoon A] en een auto van de Politie. Op enig moment heeft de Politie de auto van [persoon A] ingehaald en is zij vóór de auto van [persoon A] gaan rijden. Tijdens de inhaalmanoeuvre is een tweede voertuig van de Politie naast [persoon A] gaan rijden. Een van de inzittenden van het tweede voertuig heeft volgens [persoon A] een wapen op [persoon A] en haar bijrijder gericht en bevolen dat zij hun handen in de lucht moesten doen, wat zij ook hebben gedaan. De bestuurder van het voertuig van de Politie dat vóór [persoon A] reed heeft vrijwel gelijktijdig afgeremd, waarna [persoon A] tegen de achterkant van de auto van de Politie is aangereden. [persoon A] stelt dat de aanrijding het gevolg is van het handelen van de Politie en dat dat handelen als gevaarlijk rijgedrag moet worden aangemerkt. In deze procedure eist [persoon A] daarom dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de Politie onrechtmatig tegenover [persoon A] heeft gehandeld en dat de Politie aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade van [persoon A] . Daarnaast eist [persoon A] dat de Politie wordt veroordeeld € 5.407,13 aan vergoeding van haar materiële en immateriële schade, met rente en buitengerechtelijke incassokosten, aan haar te betalen.

2.2.

De Politie is het niet eens met de eis van [persoon A] en betwist dat zij aansprakelijk is voor de aanrijding. Ook betwist zij (de hoogte van) de door [persoon A] gestelde materiële en immateriële schade. Volgens de Politie is de aanrijding het rechtstreekse gevolg van het negeren door [persoon A] van het teken ‘stop politie’, dat de Politie heeft gegeven toen zij vóór de auto van [persoon A] reed. Daarnaast stelt de Politie dat [persoon A] heeft verzuimd haar auto op tijd tot stilstand te brengen, terwijl daar wel de gelegenheid en tijd voor was. Daarom eist de Politie dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [persoon A] onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de Politie door tegen de achterzijde van de politieauto aan te rijden en dat [persoon A] de schade, die de Politie daardoor lijdt, moet vergoeden. Daarnaast eist de Politie dat [persoon A] wordt veroordeeld € 3.748,73 aan schadevergoeding, met rente, aan haar te betalen.

2.3.

De kantonrechter wijst de eis van [persoon A] af. De tegeneis van de Politie wordt toegewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.

Niet de Politie, maar [persoon A] heeft onrechtmatig gehandeld

2.4.

Partijen verschillen van mening of de Politie, voordat zij ging afremmen, het teken ‘stop politie’ aan [persoon A] heeft gegeven. De Politie stelt dat dat wel het geval is en dat [persoon A] op grond van artikel 83 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: ‘RVV) verplicht was aan dat bevel gehoor te geven. [persoon A] heeft echter betwist dat de Politie een stopteken heeft gegeven.

2.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het midden blijven of een stopteken is gegeven. In artikel 19 RVV is namelijk bepaald dat een bestuurder in staat moet zijn om zijn of haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij of zij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Dit houdt in dat een bestuurder, in het geval een voorliggende auto remt, in staat moet zijn zelf op tijd af te remmen. Dat zou anders kunnen zijn als de voorligger plotseling en zonder enige aanleiding hard afremt. Dat de Politie plotseling en zonder aanleiding hard heeft afgeremd heeft [persoon A] in deze procedure echter niet gesteld.

2.6.

In aansluiting op het voorgaande heeft [persoon A] ook niet gesteld dat zij onvoldoende ruimte of gelegenheid had om zelf tijdig af te remmen. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [persoon A] die ruimte en gelegenheid wél had. Het had dan ook in de gegeven omstandigheden op grond van artikel 19 RVV van [persoon A] verwacht mogen worden dat zij haar auto op tijd tot stilstand zou brengen op het moment dat de politieauto vóór haar afremde. Dat heeft zij niet gedaan.

2.7.

De (enkele, niet onderbouwde) stelling van [persoon A] dat vanuit de tweede politieauto – met getrokken vuurwapen – aan [persoon A] en haar bijrijder het bevel is gegeven hun handen in de lucht te doen, maakt het bovenstaande niet anders. Naast het feit dat de Politie die stelling van [persoon A] heeft betwist (en het vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid bepaald niet voor de hand ligt dat de Politie aan de bestuurder van een rijdende auto het bevel zou geven onmiddellijk de handen in de lucht te doen), geldt dat een dergelijk bevel het niet onmogelijk maakt het rempedaal te bedienen en alsnog af te remmen.

2.8.

Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat de aanrijding en de door [persoon A] gestelde schade het gevolg is van het handelen van de Politie. [persoon A] heeft daartoe, zoals hiervoor is overwogen, onvoldoende gesteld. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Omdat de aanrijding niet te wijten is aan het handelen van de Politie kan het beroep van [persoon A] op het gelijkheidsbeginsel in dit kader verder onbesproken blijven.

2.9.

Dat betekent dat de door [persoon A] gevorderde verklaring voor recht, dat de Politie onrechtmatig tegenover [persoon A] heeft gehandeld, wordt afgewezen. Om dezelfde reden is de Politie niet aansprakelijk voor de door [persoon A] gestelde schade, zodat de eis van [persoon A] om de Politie te veroordelen € 5.407,13 aan vergoeding van materiële en immateriële schade te betalen ook wordt afgewezen. Datzelfde geldt voor de daaraan gekoppelde rente en buitengerechtelijke incassokosten.

2.10.

Door in strijd met artikel 19 RVV te handelen en tegen de achterzijde van de politieauto te rijden heeft [persoon A] juist onrechtmatig jegens de Politie gehandeld. [persoon A] moet de schade, die de Politie daardoor lijdt, vergoeden (artikel 6:162 BW). De door de Politie gevorderde verklaring voor recht op dit punt wordt daarom toegewezen.

2.11. De Politie heeft aangevoerd dat zij door de onrechtmatige gedraging van [persoon A] schade heeft geleden, bestaande uit een bedrag van € 3.748,73 inclusief btw aan reparatiekosten van de politieauto. Zij heeft die reparatiekosten voldoende onderbouwd door middel van een schaderapport van Diemex Expertise. [persoon A] heeft de door de Politie gestelde schade niet betwist en heeft ook geen verweer gevoerd tegen de hoogte daarvan. Daarom wordt [persoon A] veroordeeld een bedrag van € 3.748,73 aan schadevergoeding aan de Politie te betalen. Rechtbank Rotterdam 5 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14964