Overslaan en naar de inhoud gaan

RBZWB 230426 motorrijder valt tijdens achtervolging door politie; politie niet aansprakelijk

RBZWB 230426 motorrijder valt tijdens achtervolging door politie; politie niet aansprakelijk
- begroot, niet toegewezen, conform verzoek 17 uren × € 270,- incl BTW = € 4.590
 

2Waar gaat deze zaak over?

2.1.

Dit geschil heeft betrekking op een verkeersongeval van [verzoekende partij] in de nacht van 29 mei 2022. [verzoekende partij] is als motorrijder in een bocht van de Delpratsingel te Breda tegen een geparkeerd staande auto gebotst en ten val gekomen. Aan de val ging een achtervolging door een (bestuurder van een) politievoertuig vooraf. [verzoekende partij] heeft bij de val ernstig letsel opgelopen. Volgens [verzoekende partij] was de politie betrokken bij het ongeval en zijn de politie en de WAM verzekeraar van het voertuig, AMS, aansprakelijk voor de gevolgen daarvan. AMS heeft namens de politie aansprakelijkheid afgewezen. Er heeft een onderzoek door de Rijksrecherche plaatsgevonden naar het ongeval. Op grond van de conclusie van dit onderzoek heeft het Openbaar Ministerie vastgesteld dat [verzoekende partij] door eigen toedoen met zijn motor ten val is gekomen en dat de politie daarbij geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. [verzoekende partij] heeft tegen deze beslissing hoger beroep (beklag) ingesteld ex artikel 12 Sv bij het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch. Bij beschikking van 12 november 2024 heeft het Gerechtshof het beklag van [verzoekende partij] in al zijn onderdelen afgewezen.

3Het geschil

3.1.

[verzoekende partij] verzoekt de rechtbank na vermeerdering van eis:

1. vast te stellen dat de Politie c.s. jegens hem aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van het ongeval d.d. 29 mei 2022, waarbij [verzoekende partij] en de politie betrokken waren,

2. subsidiair, zonder enige eigen schuld te erkennen, in goede justitie een percentage eigen schuld vast te stellen doch met inachtneming van een correctie naar billijkheid gelet op de zeer ernstige en blijvende ongevalsgevolgen en de Politie c.s. te veroordelen een in goede justitie vast te stellen percentage van de schade als gevolg van het ongeval d.d. 29 mei 2022, waarbij [verzoekende partij] en de politie betrokken waren, te vergoeden.

3. de Politie c.s. te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 6.207,30 incl. BTW ten behoeve van [verzoekende partij] gemaakt, zijnde de door hem geleden schade, alsook de Politie c.s. te veroordelen tot vergoeding ervan aan Schakenrood Advocaten,

4. de Politie c.s. te veroordelen tot vergoeding van de kosten deelgeschil te begroten op € 4.590,- incl btw ten behoeve van [verzoekende partij] gemaakt, zijnde door hem geleden schade, alsook het in deze [verzoekende partij] betaalde griffierecht en de Politie c.s. te veroordelen tot vergoeding ervan aan Schakenraad Advocaten, naast de nog in debet gestelde kosten.

3.2.

[verzoekende partij] legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat de politie op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval en in het bijzonder het onrechtmatig handelen van de individuele politieagent (artikel 6:170 BW) waarvoor de politie (als organisatie) ook aansprakelijk is. Volgens [verzoekende partij] heeft de politie onrechtmatig gehandeld door primair te handelen in strijd met art. 5 jo. art. 6 WVW en subsidiair in strijd met de Regeling optische en geluidssignalen 2009 en de daarop gebaseerde Brancherichtlijn politie 2021 en het Richtinggevend kader over de inzet en het optreden van de politie bij achtervolgen, tactisch volgen en geforceerde stops van 29 april 2014, dan wel met een geschreven of ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. Volgens [verzoekende partij] valt het ongeluk toe te rekenen aan de politie en is er sprake van een causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade. AMS is als WAM verzekeraar van de politie aansprakelijk voor de schade, aldus [verzoekende partij] .

3.3.

De Politie c.s. betwisten dat de politie in strijd heeft gehandeld met artikel 5 en/of 6 Wegenverkeerswet (WVW). De agenten hadden volgens de politie een legitieme reden om [verzoekende partij] te controleren/staande te houden. Van schending van artikel 5 en/of 6 WVW was geen sprake. Dit heeft het Gerechtshof ook bepaald. Volgens de Politie c.s. heeft [verzoekende partij] zelf artikel 5 en 6 WVW geschonden en heeft hij meerdere verkeersovertredingen begaan. De politie mocht tot achtervolging overgaan. Deze achtervolging was vervolgens proportioneel en subsidiair ingezet. Ook betwisten zij primair in strijd met de Brancherichtlijn Politie 2021 te hebben gehandeld. Verder betwisten de Politie c.s. het bestaan van een causaal verband. Subsidiair betwisten zij dat er sprake is van toerekenbaarheid in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW. Meer subsidiair voeren zij aan dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste.

4De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

4.1. -

[verzoekende partij] is in de nacht van zaterdag 28 op zondag 29 mei 2022 omstreeks 04:25 u als bestuurder van een motorfiets, merk en type BMW S1000RR, met Frans kenteken ( [kenteken] ) in een bocht van de Delpratsingel te Breda tegen een geparkeerd staande auto gebotst en ten val gekomen. Aan de val ging een achtervolging door een (bestuurder van een) politievoertuig vooraf. In het politie voertuig zat naast de bestuurder ook een andere politieambtenaar (bijrijder).

- [verzoekende partij] heeft ten gevolge van het ongeval ernstig letsel opgelopen.

- De Rijksrecherche heeft een onderzoek verricht naar de feiten en omstandigheden van de achtervolging van de politieambtenaren van de politie. De Rijksrecherche heeft van dit onderzoek het zogenaamde Proces-verbaal 20220046 Nordhorn opgemaakt (hierna het Proces-verbaal). Aan dit Proces-verbaal zijn ook de processen-verbaal gevoegd van de verklaringen van de politieambtenaren (verklaring bijrijder op p. 23-26 en verklaring bestuurder op p. 29-32 van het Proces-verbaal). Ook de verklaring van [verzoekende partij] is bijgevoegd (p. 36-40 van het Proces-verbaal). Verder is bijgevoegd het proces-verbaal van bevindingen waarin de bodycam beelden zijn uitgewerkt (p. 82-91 van het Proces-verbaal).

- De bijrijder heeft verklaard: Toen hoorden wij hem weer gas geven. De bikers zeiden tegen ons dat hij achter ons reed en dat we hem de aandacht moesten geven die hij kennelijk wilde hebben en dat hij een bekeuring kon krijgen. (….) Toen kwamen we achter de motor en hebben we direct het stopteken van ons dienstvoertuig aangezet. Je hebt op dat punt twee banen: de auto die ons voorbij kwam stond op de linker rijbaan om rechtsaf te slaan. De motorrijder stond op de rechterrijbaan en wij reden achter de motorrijder. De verkeerslichten stonden op dit moment al op groen. (…). De motorrijder sloeg rechtsaf en ging direct een rijbaan naar links (dit was het voorsorteervak om linksaf te slaan) om zodoende voor de auto uit te komen, vervolgens vloog hij weer een baan naar rechts en hij reed met hoge snelheid de Academiesingel op. Op de rijbaan waarop hij terecht kwamen stonden twee auto's te wachten om weg te kunnen rijden bij de verkeerslichten en hij kwam voor deze auto's terecht en vervolgde met hoge snelheid zijn weg over de Academiesingel. (…) Wij reden achter de motorrijder aan en (…)en kwamen wij achter de motorrijder uit. Op dit moment was de afstand tussen ons en de motorrijder ongeveer 1.5 voetbalveld groot.(…) Dit was ongeveer het moment dat we het zwaailicht aan hebben gezet. (…). Dit was voor mij het moment dat ik op het horeca portofoon kanaal gezegd heb dat de motorrijder bij ons wegreed en dat het een achtervolging zou gaan worden. (….) Ergens op de Academiesingel, ter hoogte van de Willemstraat. zit er een bocht en een zebrapad. Hier kwamen wij dichter bij de motorrijder te rijden. Dit was voor ons het moment dat wij zijn kenteken konden lezen. (…) Ik schat dat we rond de 10 a 15 meter van de motor afreden. (…) Halverwege de Delpratsingel zit er een bocht naar rechts en ruim voor de bocht zie ik dat zijn remlichten beginnen te branden en vervolgens geeft hij gas bij en zie ik dat hij de controle over zijn motor verliest. (….) Ik schat dat de afstand tussen ons en de motorrijder op het moment dat hij de controle begint te verliezen over zijn motor, zo'n 40 meter was.

- De bestuurder heeft verklaard (p. 30): We reden over de Prinsenkade in Breda en kregen te horen dat achter ons een motor reed die veel toeren maakte en wij kregen het verzoek om deze te controleren of te bekeuren. (….) Ik reed even de taxistandplaats op, liet de auto en de motor passeren. (…) In dit geval kon ik de kentekenplaat niet lezen omdat deze redelijk schuin stond. Ik reed achter de motor aan. Bij de kruising Nieuwe Prinsenkade met de Academiesingel sorteerde hij voor rechtsaf en sloeg hij rechtsaf, waarbij het verkeerslicht groen was. Ongeveer 100 a 150 meter op de Academiesingel was een kruising met de Belcrumweg. Daar sorteerde hij voor linksaf. (..). Hij haalde twee auto's in die voorgesorteerde stonden voor rechtdoor, maar de motor sloeg niet af, maar reed eveneens rechtdoor. Toen gaven wij een stopteken. (….) Ik zag dat de motor niet stopte, maar gas bij gaf. Ik had het idee dat hij ervandoor zou gaan. Ik zette de zwaailichten en de sirene aan. Toen begon de achtervolging. (….)Ik heb niet op de kilometerteller gekeken, maar ik schat dat het rond de 90 a 100 kilometer per uur was, maar dat is puur een schatting. Ter hoogte van het station kon ik een beetje op hem inlopen. Dat deed ik om te kijken of ik het kenteken kon lezen. Dat lukte ook. Toen liet ik de afstand weer iets terugvallen, zodat we een veilige afstand hadden tot elkaar. (…) De motor reed rechtdoor op de Delpratsingel. Ongeveer 100m na die kruising zit een flauwe bocht naar rechts in de weg. Ik zag dat de motor in die bocht onderuitgleed en tegen een geparkeerde auto botste. Ik denk dat ik op dat moment zeker 50 a 60 meter achter hem reed. Er is geen contact geweest tussen mijn dienstvoertuig en de motor.

- [verzoekende partij] heeft onder meer verklaard: Ik kan mij niets meer herinneren dan het moment dat ik mijn ogen open deed in het ziekenhuis.

- In het proces-verbaal van bevindingen (uitwerking bodycam beelden) is op p. 85 opgenomen dat tijdens het rijden over de Academiesingel de weergeven snelheid vanuit 40 km/u wordt opgevoerd tot een korte maximale snelheid van 105 km/uur (voor ongeveer 4 seconden) en dat ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats ter hoogte van de het Stadspark Valkenberg de bestuurder het kenteken opnoemt en de bijrijder dit herhaalt. Op p. 86 is opgenomen dat de politie auto verder rijdt over de Delpratsingel en gebruik maakt van de rijbaan die bestemd is voor lijnbussen en dat bij het passeren van het juridisch loket een snelheid van 87 k/uur wordt weergegeven en vervolgens wordt afgebouwd naar 71 k/u waarnaar de snelheid terugloopt naar 0 k/u nadat het voertuig tot stilstand is gebracht.

- Bij brief van 11 oktober 2022 heeft de officier van justitie [verzoekende partij] bericht dat is besloten om geen strafvervolging tegen de politie ambtenaren in te stellen omdat hij op grond van het naar de toedracht ingestelde onderzoek tot de conclusie is gekomen dat [verzoekende partij] door eigen toedoen met zijn motor ten val is gekomen en dat de twee politie ambtenaren geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

- [verzoekende partij] heeft tegen deze beslissing een zogenaamd artikel 12 klaagschrift ingediend bij het Gerechtshof te s’Hertogenbosch.

- [verzoekende partij] heeft de politie bij e-mail van 21 juni 2023 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval.

- Bij beschikking van het Gerechtshof van 12 november 2024 is het beklag van [verzoekende partij] in al zijn onderdelen afgewezen.

- AMS heeft bij e-mail bericht van 8 februari 2025 namens de politie aansprakelijk-heid afgewezen.

4.2.

[verzoekende partij] stelt dat het inzetten van een achtervolging en/of het gebruik van de optische en geluidssignalen door de politie ertoe hebben geleid dat hem een ongeval is overkomen. Met betrekking tot de gebeurtenissen op 29 mei 2022 worden door [verzoekende partij] in het verzoekschrift en tijdens de mondelinge behandeling op bepaalde punten andere accenten gelegd en van andere feiten uitgegaan dan volgen uit het proces-verbaal van de politie zoals overgelegd als productie 2 bij het verweerschrift. Verwezen wordt met name naar hetgeen door [verzoekende partij] in randnummers 14 tot en met 18 wordt gesteld ten aanzien van de reden van de achtervolging en 22 tot en met 24 over het einde van de achtervolging. De Politie c.s. volgt op die punten de feiten zoals vastgesteld door het Hof op pagina 5 van de beschikking. Voor zover [verzoekende partij] uitgaat van andere feiten dan blijken uit het Proces-verbaal, bestaande uit de camerabeelden, de registraties en de verklaringen van de politiefunctionarissen zoals hiervoor uiteengezet, kunnen die andere feiten niet vastgesteld worden in het kader van deze deelgeschilprocedure (bijvoorbeeld door het horen van getuigen dan wel benoeming van een deskundige) omdat deze procedure zich daartoe niet leent.

4.3.

Gezien het voorgaande gaat de rechtbank er op grond van de verklaringen van de bijrijder en de bestuurder van uit dat de politie naar aanleiding van een melding over het onnodig veroorzaken van geluid door [verzoekende partij] , met een politieauto achter [verzoekende partij] aan is gaan rijden en aan [verzoekende partij] een stopteken heeft gegeven. Weliswaar verklaren de bijrijder en de bestuurder niet gelijkluidend over het moment van het stopteken, maar vast staat dat er op enig moment een stopteken is gegeven. Verder kan worden aangenomen op grond van deze verklaringen dat de achtervolging door de politie is aangevangen op het moment dat [verzoekende partij] geen gehoor gaf aan het stopteken (zonder dat daarbij vast staat dat [verzoekende partij] het stopteken daadwerkelijk heeft gezien) en met hoge snelheid doorreed terwijl het kenteken nog niet was waargenomen. Op dat moment is ook het optische en geluidssignaal aangezet. Verder blijkt uit de verklaringen en het proces-verbaal van bevindingen (uitwerking bodycam beelden p.85 en 86) dat de politieauto dan gedurende korte tijd (4 seconden) een pieksnelheid bereikt van 105 km/u en dat nadat het kenteken is gelezen de snelheid afneemt en de motor wat uitloopt. Ook kan worden aangenomen dat de motor vervolgens rechtdoor reed op de Delpratsingel en dat deze ongeveer 100m na de kruising in een bocht naar rechts onderuitgleed en tegen een geparkeerde auto botste. De bijrijder schat dat de afstand tussen de politieauto en [verzoekende partij] op het moment dat hij de controle begint te verliezen over zijn motor zo'n 40 meter was. Volgens de bestuurder reed hij toen zeker 50 a 60 meter achter [verzoekende partij] .

Is er sprake van onrechtmatig handelen van de politie op grond van overtreding van artikel 5 en 6 WVW?

4.4.

Volgens [verzoekende partij] heeft de politie gehandeld in strijd met de artikel 5 en 6 WVW. De Politie c.s. heeft dit gemotiveerd betwist. Zoals uit het voorgaande volgt, is het ongeval ontstaan doordat [verzoekende partij] met te hoge snelheid een bocht naderde en bij het remmen voor die bocht onderuit is gegaan. Er is geen sprake geweest van een aanrijding. Ook was er geen sprake van dat [verzoekende partij] een manoeuvre heeft moeten maken om een aanrijding te voorkomen. [verzoekende partij] had op ieder moment van de relatief korte achtervolging zijn gas kunnen terugnemen. Het eenzijdig ongeval is niet te wijten aan het verkeersgedrag van de bestuurder van de politieauto en evenmin aan het gedrag van de bijrijder en is dan ook niet te wijten aan hun schuld. Daarmee is niet voldaan aan een van de vereisten van artikel 6 WVW. Het ongeval is evenmin ontstaan doordat de bestuurder van de politieauto het verkeer in gevaar heeft gebracht of hinder op de weg heeft veroorzaakt. Daarmee is evenmin voldaan aan de vereisten van artikel 5 WVW.

Geen onrechtmatig handelen van de politie op grond van de Brancherichtlijn Politie 2021

4.5.

Subsidiair doet [verzoekende partij] een beroep op onrechtmatig handelen van de politie in verband met strijd met (onder meer) de Brancherichtlijn Politie 2021. [verzoekende partij] voert aan dat het Gerechtshof in de artikel 12 Sv-procedure heeft bepaald dat de politie in strijd heeft gehandeld met de gedragsvoorschriften Regeling optische en geluidssignalen 2009 en de daarop gebaseerde Brancherichtlijn politie 2021 omdat de politieagent geen toestemming heeft gevraagd aan of gekregen van de meldkamer voor het voeren van optische en geluidssignalen en het inzetten van de achtervolging, terwijl tijdens die achtervolging de ter plaatse geldende maximumsnelheid door de politie met meer dan 40 kilometer per uur is overschreden. [verzoekende partij] heeft ter zitting nog aangevoerd dat er geen sprake is van een dringende taak als bedoeld in de Brancherichtlijn Politie 2021 en dat er onvoldoende aanleiding/noodzaak was voor het aanzetten van de signalen en de achtervolging.

4.6.

De Politie c.s. voeren hiertegen aan dat het een politieagent is toegestaan om in het kader van de uitoefening van de politietaak in bijzondere situaties van de bepalingen van de Brancherichtlijn af te wijken, hetgeen het Gerechtshof ook heeft toegelicht. Volgens de Politie c.s. hadden de agenten geen tijd om te wachten op expliciete toestemming voor het voeren van optische en geluidssignalen, hetgeen niet opmerkelijk is in een situatie waarin met hoge snelheid voor de politie wordt gevlucht en dat de agenten ervoor hebben gekozen de optische en geluidssignalen te voeren, mede uit oogpunt van verkeersveiligheid, nu het donker was en een achtervolging was ingezet. Uit de beschikking van het Gerechtshof blijkt bovendien dat het afwijken van de Brancherichtlijn in de gegeven omstandigheden niet heeft bijgedragen aan het ongeval. Bovendien wijkt deze snelheid niet wezenlijk af van artikel 8 van de Regeling Brancherichtlijn optische en geluidssignalen en artikel 8 van de Brancherichtlijn 2021, waaruit volgt dat overschrijding van de maximumsnelheid in beginsel is beperkt tot 40 km/u boven de ter plaatse toegestane maximumsnelheid: 50 km/u., aldus de Politie c.s.

4.7.

Overtreding van de Brancherichtlijn brengt nog niet zonder meer een onrechtmatige daad jegens [verzoekende partij] met zich mee, maar kan wel een aanwijzing zijn dat onzorgvuldig is gehandeld. De toepasselijke Brancherichtlijn 2021 is in die zin niet gevolgd dat geen toestemming is gevraagd voor het voeren van optische en geluidssignalen. Of daarmee de brancherichtlijn is geschonden is afhankelijk van de vraag of zich hier de bijzondere situatie voordoet dat van de richtlijn kan worden afgeweken. In de richtlijn is onder 2. bepaald dat een afwijking van de richtlijn ingegeven moet zijn door de bijzonderheden in de situatie waarin de politietaak wordt uitgevoerd en dat deze door de medewerker moeten kunnen worden uitgelegd. Uit het bepaalde onder 10. van de richtlijn kan afgeleid worden dat de afwijking moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als bijzonderheid is aangevoerd dat [verzoekende partij] er met zijn motor vandoor ging en dat tijd ontbrak om te melden en te wachten op goedkeuring. Vast staat dat er een melding was van gasgeven en onnodige geluidsoverlast. Daarbij is niet van belang of dat een juiste verdenking was of dat dit komt door de werking van de motor zoals [verzoekende partij] aangeeft. Het gaat erom dat op dat punt sprake was van een verdenking. Het staat de politie vrij om als onderdeel van haar taak, in een dergelijke situatie een persoon, in dit geval [verzoekende partij] , staande te houden, te bevragen en te confronteren met die waarneming. Het stond de politie dus vrij om een stopteken te geven. Vervolgens ontstaat er een situatie waarbij met hoge snelheid over de Depratsingel wordt gereden ondanks/na het geven van het stopteken. Feit is dat [verzoekende partij] na het stopteken niet tot stilstand is gekomen. De stelling van [verzoekende partij] dat hij niets heeft gezien of dat de politie hem eerder had kunnen aanhouden doet er niet aan af dat op het moment van het geven van het stopteken, de verplichting bestaat om te stoppen en dat het vervolgens met hoge snelheid (weg)rijden voldoende aanleiding kan vormen voor de politie om een achtervolging te starten. Op zichzelf is dat niet onrechtmatig. De rechtbank gaat er tevens van uit dat onder deze omstandigheden niet gewacht kon worden totdat toestemming was verkregen om optische en geluidsignalen te voeren. De beslissing om daarbij gelet op de snelheid optische en geluidsignalen te voeren is gelet op de veiligheid van het overige verkeer waarop de regeling het oog heeft een juiste beslissing en voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

4.8.

[verzoekende partij] heeft nog aangevoerd dat er geen sprake was van een dringende taak conform de Brancherichtlijn en de Regeling Optische en geluidssignalen. De rechtbank volgt [verzoekende partij] hierin niet. Onder 3. van de richtlijn is op genomen dat van een dringende taak onder meer sprake is indien er een ernstige verstoring van de openbare orde of rechtsorde is, waarvoor een directe en snelle inzet noodzakelijk is (de situatie onder 3). Van een dergelijke situatie is sprake. Het kan niet zo zijn dat een staande houding kan worden voorkomen door weg te rijden zonder dat een achtervolging kan worden gestart. Er was in dit geval dus sprake van een voldoende ernstige verstoring van de openbare orde waarvoor een directe en snelle inzet noodzakelijk is. De rechtbank komt gezien hetgeen is aangevoerd en is vast komen te staan, dan ook tot de conclusie dat niet in strijd met de richtlijn is gehandeld, ook niet door een geringe overschrijding van de toegestane snelheidsbegrenzing, die immers was ingegeven om het kenteken te kunnen lezen.

4.9.

Ter zitting heeft [verzoekende partij] nog verklaard dat hij het stopteken niet heeft gezien en evenmin de optische en geluidssignalen heeft gezien/gehoord tot vlak voor de bocht waarin hij ten val is gekomen. Toen merkte hij de signalen op en is door een schrikreactie ten val gekomen. De rechtbank kan niet zonder meer uitgaan van de juistheid van hetgeen [verzoekende partij] heeft verklaard omdat hij de enige is die dit heeft verklaard en er eerder bij [verzoekende partij] geen herinneringen bestonden direct voorafgaand aan het ongeval. Ook wanneer deze gebeurtenissen zo hebben plaatsgevonden, brengt dit niet mee dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld omdat dit geen verandering brengt in de gedragingen van de politie.

4.10.

[verzoekende partij] heeft ook aangevoerd dat er sprake was van opjagen ook nadat het kenteken bekend was. De rechtbank stelt vast op grond van de verklaringen en de bevindingen op grond van de bodycambeelden dat sprake was van een relatief korte achtervolging en dat nadat door de politie geconstateerd was wat het kenteken van de motor was, de snelheid van de politieauto is afgenomen en de motor uitliep op de politie. Nu kort daarop het ongeval plaatsvond is naar het oordeel van de rechtbank van opjagen geen sprake. De rechtbank deelt de visie van het Gerechtshof dat de proportionaliteit en de subsidiariteit niet zijn geschonden. Overigens is de stelling van [verzoekende partij] dat hij is opgejaagd niet goed te verenigen met zijn hiervoor ingenomen stelling dat hij de optische en geluidssignalen niet heeft gezien/gehoord tot vlak voor de bocht waarin hij ten val is gekomen door zijn schrikreactie.

Afwijzen aansprakelijkheid

4.11.

Ook overigens zijn geen steekhoudende redenen aangevoerd die leiden tot de slotsom dat van de kant van de bestuurder of de bijrijder van de politieauto onrechtmatig is gehandeld en dat door dit onrechtmatig handelen het ongeval is ontstaan. Slotsom is dat verweerders niet aansprakelijk zijn voor het ontstaan van het ongeval en het ernstige letsel van [verzoekende partij] . De verzoeken van [verzoekende partij] onder 1 tot en met 3 zullen worden afgewezen. Dat alles neemt niet weg dat het heel tragisch is verlopen voor [verzoekende partij] . Zeker gezien de geringe initiële aanleiding van vermeend motorgeluid, maar waarbij in de daarop volgende gebeurtenissen vooral de ontwikkelde snelheid op de motor centraal staat.

Buitengerechtelijke kosten

4.12.

[verzoekende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Uitgangspunt is dat de buitengerechtelijke kosten die worden gemaakt om de aansprakelijkheid en de hoogte van de geleden (letsel)schade te bepalen, worden vergoed door (de verzekeraar van) de aansprakelijke partij, voor zover het redelijk en noodzakelijk was daarvoor deskundige bijstand in te roepen en de daarvoor gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. Nu het verzoek tot vaststelling van de aansprakelijkheid niet wordt toegewezen, zullen de buitengerechtelijke incassokosten ook worden afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.13.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.

4.14.

Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.15.

[verzoekende partij] maakt aanspraak op € 4.590,00 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. De Politie c.s. heeft verweer gevoerd gevoerd met betrekking tot het aantal uren en en acht dit aan de hoge kant. Volgens de Politie c.s. moeten de kosten worden gematigd tot 7 uur tegen een uurtarief van € 200,-.

4.16.

De rechtbank is van oordeel dat het totale aantal uren van 17 tegen een uurtarief van € 270,- redelijk is en voldoende onderbouwd. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 17 uren uren × € 270,- inclusief btw, dus op € 4.590,- inclusief btw te vermeerderen met het griffierecht van € 90,-.

4.17.

Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en Politie c.s. niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door de Politie c.s. te worden betaald, als haar aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4424