Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Gelderland 141216 Ongeval met klapdeur op school. Deskundigenbericht. Benoeming tweede glasdeskundige na overlijden eerste deskundige afgewezen

Rb Gelderland 141216 Ongeval met klapdeur op school. Deskundigenbericht. Benoeming tweede glasdeskundige na overlijden eerste deskundige afgewezen

Vervolg op: rb-gelderland-200716-peesletsel-door-glasbreuk-slachtoffer-dient-te-bewijzen-dat-klapdeur-niet-was-voorzien-van-veiligheidsglas

2 De verdere beoordeling
2.1.
Verwezen wordt naar het tussenvonnis. De rechtbank blijft bij wat in het tussenvonnis is vastgesteld en overwogen.

2.2.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank [eiser] opgedragen te bewijzen dat ten tijde van het ongeluk in de klapdeur geen veiligheidsglas zat dat voldeed aan de NEN 3569 norm.

2.3.
[eiser] heeft afgezien van het horen van getuigen. Hij verzoekt R. Abraham als deskundige te horen, in het bijzijn van medisch adviseurs van beide partijen. Hij heeft dit verzoek gemotiveerd met de stelling dat de vraag die partijen verdeeld houdt is of deskundige C.H. Isselman in het deskundigenbericht voldoende rekening heeft gehouden met de aard van de bij de twee verschillende types glas te verwachten verwondingen. [eiser] vraagt zich af of ongeacht de sterk afwijkende uiterlijke verschijningsvorm van de resterende stukken glas, aldus [eiser] , respectievelijk grote brokken met scherpe kanten of aaneen gekitte schollen met brokjes, een lange en scherpe doorsnijding van de huid medisch wel begrijpelijk is. Aangezien nadere toelichting daarover door Isselman, op grond van artikel 194 lid 5 Rv, door diens overlijden niet mogelijk is, dient, aldus [eiser] , de aan hetzelfde bureau verbonden R. Abraham daarover als deskundige gehoord te worden. Mocht de rechtbank dit verzoek afwijzen verzoekt [eiser] een medisch deskundigenonderzoek door een traumatoloog met het oog op de aard van de verwonding.

2.4.
ROC Rijn IJssel heeft zich verzet tegen het verzochte verhoor en onderzoek.

2.5.
Zoals overwogen in het tussenvonnis heeft de deskundige in het deskundigenbericht als mate van waarschijnlijkheid waarmee hij kan vaststellen dat geen veiligheidsglas maar floatglas is toegepast een percentage van 60% genoemd. De in 2.2 weergegeven stellingen van [eiser] komen er op neer dat hij verzoekt een tweede glasdeskundige te benoemen, omdat deskundige Isselman in zijn optiek bij het komen tot dit percentage onvoldoende rekening heeft gehouden met de aard van wond van [eiser] , althans omdat zijn motivering op dit punt bij hem vragen oproept.
Blijkens het deskundigenbericht heeft hij Isselman bij de totstandkoming van zijn conclusies de bij [eiser] ontstane wond, ten aanzien waarvan geen punt van geschil dat het gaat om een lange en scherpe doorsnijding van de huid, betrokken. In het deskundigenrapport staat daarover opgetekend:
(pagina 8, in antwoord op vraag 3: “Wilt u zo uitgebreid mogelijk beschrijven en motiveren welke aspecten bij het vormen van uw oordeel een rol spelen?)
[…] Indien men met grote kracht tegen de ruit slaat, zal de ruit in geval van gehard veiligheidsbeglazing breken. Er ontstaat direct tijdens het breken het breukpatroon dat korrels bevat. Wanneer de rechter onderarm in zijn geheel door het gat in de ruit heen wordt geslagen, zal de samenhang van de ruit niet zo zijn dat grote stukken aaneengehaakte korrels (schollen) kunnen ontstaan die voldoende stabiliteit hebben om een type scheur van een dergelijke lengte te veroorzaken. Het is daarom aannemelijk dat in de betreffende deur geen gehard veiligheidsglas was toegepast, doch een ruit van standaard floatglas. De onder vraag 2 aangegeven 60% is echter gebaseerd op de mogelijkheid dat het doorslaan van de ruit dichtbij de stijl van de deur heeft plaatsgevonden. Dan kunnen er schollen aaneengehaakte korrels vastgekit achterblijven in de sponning van de deur waardoor een overeenkomstige verwonding kan ontstaan. […]
(pagina 12, in antwoord op vraag 4: Voldeed de deur naar uw oordeel aan de bouwtechnische normen die voor een deur in een schoolgebouw van toepassing waren? Wilt u uw antwoord motiveren?)
[…] Gezien de verwonding en het niet eenduidig zijn van de bekendheid in hoeverre daadwerkelijk veiligheidsglas of floatglas was toegepast, kan de deskundige met 60% zekerheid aangeven dat standaard floatglas was toegepast waarbij de deur niet heeft voldaan aan hetgeen in NERN 3569 is omschreven. […]
(pagina 14, in antwoord op vraag 5: Indien en zover uw antwoord op vraag 4 zou luiden dat enige bouwtechnische norm niet is nageleefd wilt u dan aangeven óf en zo ja, in hoeverre dit tot het ontstaan van het letsel dat [eiser] in deze heeft opgelopen, heeft bijgedragen?)
[…] De door de deskundige uitgevoerde proeven met een kogel van slechts 1 kg hebben bij een valhoogte van 1500 mm zowel bij float- als bij gehard veiligheidsglas geleid tot breuk en doorboring. Hierbij dient te worden aangetekend dat wanneer gehard glas zou zijn toegepast, verwonding zou zijn ontstaan. Immers, er is met grote kracht door de ruit geslagen en wanneer de impact dicht bij de deurstijl zou hebben plaatsgevonden kunnen schollen aaneengehaakte korrels, die bovendien worden geborgd door de kitranden waarmee de ruit in de sponning is bevestigd, scherp zijn en insnijden. […]
Naar aanleiding van vragen van de zijde van [eiser] is de deskundige daar nog verder op ingegaan:
Vraag 1: Is de beschreven aard (lengte en diepte van de wond) nog reden om de antwoorden die u hebt gegeven te herzien?
Antwoord: Neen. De geschreven informatie, die de deskundige bij de in de rapportage genoemde stukken heeft ontvangen, was van dien aard dat de deskundige dezelfde indruk heeft gekregen van de verwonding die is aangegeven op de foto’s behorend bij de brief van 26 augustus 2013 van Mr. A. Rittersma.
Vraag 2: In uw antwoord op vraag 2 beoordeelt u de kans dat er standaard floatglas aanwezig was op 60%, waarbij u verwijst naar het antwoord op vraag 3, maar vermoedelijk het antwoord op vraag 4 bedoelt (p. 12, 4e alinea). Daarvan uitgaande, merk ik op dat uit uw betoog niet volgt waarom u tot dit percentage komt.
Antwoord: In het antwoord op vraag 2 wordt aangegeven dat het percentage dat waarschijnlijk floatglas (ongehard) is toegepast, wordt beoordeeld op 60%. In het antwoord wordt verwezen naar vraag 3. In de beantwoording van vraag 3 wordt uitvoerig ingegaan op breukpatronen van de verschillende soorten glas. In dit kader is het belangrijk om te onderscheiden bij welk patroon verwonding kan ontstaan die in onderhavige situatie is ontstaan. Tevens in vraag 3 uitvoerig ingegaan op de verschillende getuigenverklaringen die geen eenduidig beeld van de situatie hebben gegeven, noch in eerste, noch in tweede termijn. Bij vraag 3 wordt onder de kop “breukpatroon bij geconcentreerde dynamische belasting” nader ingegaan waarop het percentage van 60% gebaseerd is.
Vraag 2a: Wilt u genoemd percentage verder onderbouwen?
Antwoord: Het genoemde percentage van 60% is in de rapportage en in het uitgebreid beschreven onderzoek van breukpatronen en dergelijke uitvoerig onderbouwd bij de beantwoording van de verschillende vragen. Het is niet uitgesloten dat wanneer er thermisch voorgespannen glas (gehard glas) was toegepast en de inslag had plaatsgehad nabij de deurstijl, dat een dergelijke verwonding was ontstaan. Het percentage van 60% voor floatglas is aangegeven omdat de kans op verwonding bij floatglas wat groter is dan bij gehard glas. Evenwel blijft de deskundige van mening dat een dergelijke verwonding ook had kunnen ontstaan bij toepassing van gehard glas wanneer met kracht door de ruit is geslagen.
Vraag 2b: Maakt daarbij de precieze aard van de verwonding verschil?
Antwoord: De precieze aard van de verwonding is een enkelvoudige snede. De valproeven met de kogel van 1 kg hebben aangegeven dat ter plaatse van de inslag, zowel bij gehard glas als bij floatglas, een fijner breukpatroon ontstaat. Zowel bij gehard glas als bij floatglas bestaat het breukpatroon verder van de inslag uit grotere stukken, waarbij moet worden gememoreerd dat dit bij gehard glas uit aaneengeschakelde korrels bestaat. Men dient zich te realiseren dat bij de inslag een zeer geconcentreerde en korte belasting van de ruit heeft plaatsgevonden, waarbij de arm met kracht door de ruit is gegaan. Dit baseert de deskundige op de aard van de verwonding van de pols tot onder de ellenboog. Er zijn kracht en snelheid gebruikt omdat de verwonding anders geen dergelijke lengte had.
[…]
Vraag 9: In het antwoord op vraag 5 op pagina 14 beschrijft u “schollen aaneengehaakte korrels die worden geborgd door de kitranden waarmee de ruit in de sponning is bevestigd scherp zijn en kunnen insnijden”. [eiser] heeft in dit verband met deze beschrijving enkele vragen:
a. a) Is de betreffende scherpte van dergelijke fragmenten vergelijkbaar met de scherpte van het/de fragment(en) van het niet geharde (standaard float-) glas?
b) Hoeveel cm kunnen deze fragmenten uitsteken uit de sponning?
c) Op welke gegevens (literatuur, eigen onderzoek etc.) baseert u dat er een wond, zoals bij [eiser] is ontstaan, kan worden veroorzaakt bij dergelijke korrels?
d) Zou niet veeleer verwacht mogen worden dat er meerdere en mogelijk ondiepe snijwonden zouden ontstaan aan verschillende “aaneengehaakte korrels” in de kitrand of dat deze korrels door de beweging van de arm uit de sponning zouden geraken (en in de arm achterblijven)?
Antwoorden:
9a) De scherpte van aaneengehaakte korrels van dergelijke fragmenten kunnen minder scherp zijn dan de brokstukken van niet geharde floatglasruiten. Men dient zich echter te realiseren dat, met name bij een mechanische beschadiging, bij de impact van de ruit kleine korrels en scherpe stukken kunnen ontstaan, zowel in gehard glas als in floatglas. Wanneer aaneengehaakte schollen van gehard glas door middel van een kitverbinding in een sponning zijn vastgezet, kunnen deze nog steeds insnijden. Denk in dit verband aan de ongelukken die zijn gebeurd in de tijd dat de voorruiten van auto’s nog uit gehard glas bestonden en het dragen van een veiligheidsgordel niet verplicht was.
9b) Afhankelijk van de plek van impact kunnen de aaneengehaakte korrels uit de sponning steken. De verwachting is dat de impact nabij de deurstijl heeft plaatsgevonden, waardoor men rekening dient te houden dat aaneengehaakte korrels over een afstand van 50 mm tot 100 mm uit de sponning kunnen steken. Er zijn veel breukgevallen bekend welke niet door mechanische impact zijn ontstaan, waarbij een geharde ruit in zijn geheel nog in het kozijn aanwezig was. Dit wordt veroorzaakt doordat de ruit bij breuk in korrels breekt. Hierdoor neemt de ruit in afmeting toe doordat de breuklijntjes tussen de korrels ruimte innemen. Indien de geharde ruit in de sponning is vastgekit, kan het volume niet vergroten en wordt de gebroken ruit als het ware bij elkaar gedrukt en blijft deze dan in zijn geheel in de constructie aanwezig.
9c) De deskundige heeft een, in ca. 30 jaar opgebouwde, zeer brede ervaring op het gebied van glas, zowel aan de leverancierszijde als in zijn huidige functie als adviseur. Gehard glas wordt in veel situaties toegepast en in even zoveel situaties kan schade ontstaan. Het beeld dat de korrels aaneengeschakeld kunnen zijn, is gebaseerd op de ervaring van veel uitgevoerde onderzoeken naar de oorzaken van, en gevolgen bij, breuk van glas, zowel van gevelsituaties waarbij impact van buitenaf heeft plaatsgevonden (vandalisme e.d.), als in binnensituaties. De deskundige heeft hierdoor het inzicht verkregen dat, wanneer een geharde ruit in een sponning is opgenomen en verkit, (er) meestal schollen aaneengehaakte korrels achterblijven nabij de kitrand en de sponning, vooral wanneer een geconcentreerde dynamische impact heeft plaatsgevonden. Ook bij vliesgevelsystemen waarbij de ruiten niet zijn verkit maar door klemlijsten, glaslijsten en rubber beglazingsprofielen worden vastgehouden, vindt ditzelfde beeld plaats.
9d) Dit zou kunnen worden verwacht, maar is niet noodzakelijk omdat uit de verwonding blijkt dat met grote kracht tegen de ruit is geslagen. Dit meent de deskundige op basis van de lengte van de verwonding. Het is niet waarschijnlijk dat korrels in de verwonding zouden zijn achtergebleven in geval van gehard glas. Wel is het waarschijnlijk dat, zowel bij gehard glas als bij ongehard glas, kleine splintertjes in de verwonding zijn achtergebleven. Uit de verklaring van de chirurg uit het ziekenhuis blijkt dat de wond, voordat deze is gehecht en de arm in het gips is gezet, medisch is schoongemaakt. Zie hiertoe de brief van orthopedisch chirurg G.J.T.M. Boog d.d. 17 november 2008.
2.6.
De deskundige heeft in zijn rapport aldus tot uitdrukking gebracht dat uit het enkele ontstaan van de verwonding bij [eiser] niet, althans niet met meer dan 60% zekerheid, kan worden afgeleid dat geen gehard glas is gebruikt, omdat ook bij het gebruik van gehard glas zodanige schollen glaskorrels met scherpe randen kunnen ontstaan dat deze de door [eiser] beschreven verwonding, een lange, diepe scherpe insnijding van de huid, kunnen veroorzaken. De rechtbank komen dit deskundigenoordeel, de beantwoording van de aanvullende vragen en de door de deskundige gebezigde motivering, die inzichtelijk zijn en die mede gebaseerd zijn op diens bijzondere kennis en ervaring, overtuigend voor.
De deskundige heeft bij de beoordeling of de wond iets zegt over de mate van waarschijnlijkheid van welk glas is gebruikt rekening gehouden met de verschillende verschijningsvormen van enerzijds scherven van floatglas en anderzijds die van gehard glas en dit bij zijn beoordeling betrokken. Hij heeft daarbij nog onderscheid maakt tussen een snijwond in geval van een inslag in het midden van het glas, waarbij aaneengehaakte korrels gehard glas naar het oordeel van de deskundige onvoldoende stabiliteit hebben om een dergelijke snijwond te veroorzaken en een inslag nabij de deurstijl waarbij er schollen aaneengehaakte korrels gehard glas vastgekit achterblijven in de sponning van de deur, waardoor, aldus de deskundige, wél scherpe, stevige schollen met scherven kunnen ontstaan die insnijding kunnen veroorzaken.
[eiser] trekt de conclusies van de deskundige in twijfel en vraagt daarom om een tweede deskundige. Van hem mag in voormelde omstandigheden echter worden verwacht dat hij zijn bezwaren tegen de conclusies uit het rapport en zijn verzoek om een tweede deskundige deugdelijk onderbouwt en met zwaarwegende en steekhoudende argumenten bezwaren komt aangaande de wijze van de totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht. Van zulke bezwaren is de rechtbank niet gebleken.
2.7.
De enkele stelling van [eiser] , dat het ontstaan van een lange scherpe snijwond in het geval van gehard glas onwaarschijnlijk is, omdat in dat geval de glasbrokjes door de elastische huid en de voorwaartse beweging zullen verschuiven, is niet anders onderbouwd dan met de enkele stelling dat deze glasschollen stompere randen hebben en een geringere samenhang omdat “het immers om brokjes glas gaat”. De deskundige heeft echter mede op basis van zijn ervaring omschreven in welke omstandigheden de brokjes gehard glas aaneengehaakt wel een voldoende samenhang en scherpte hebben om een snijwond te kunnen veroorzaken, te weten bij een impact dicht bij de deurstijl. Dat [eiser] dat onwaarschijnlijk lijkt is geen steekhoudend argument.

2.8.
De stelling van [eiser] dat het oordeel van de deskundige onwaarschijnlijk is omdat de wond geen rafels of haken kent en de medische verslaglegging niet spreekt van ernaast gelegen kleine verwondingen of gruis/brokjes in de wond, gaat kennelijk uit van de veronderstelling dat dergelijke haken, rafels, kleine verwondingen en gruis inherent zijn aan verwondingen door gebroken gehard glas. Een bron of motivering voor deze veronderstelling is echter niet gegeven, waarbij [eiser] ook nog voorbij gaat aan het antwoord van de deskundige op een nadere vraag van [eiser] , dat in zijn visie meerdere wondjes bij een slag met grote impact niet noodzakelijk is, dat onwaarschijnlijk is korreltjes glas in de wond zouden achterblijven, dat zowel bij gehard als bij ongehard glas waarschijnlijk is dat kleine splintertjes in de wond achterblijven, maar dat de wond blijkens de verklaring van de chirurg medisch is schoongemaakt.

2.9.
Ook overigens zijn geen zwaarwegende steekhoudende argumenten genoemd die de rechtbank aanleiding geven tot het benoemen van een tweede glasdeskundige. De ongelukkige omstandigheid dat de deskundige inmiddels is overleden en dus geen nadere vragen kan beantwoorden biedt daar toe onvoldoende zelfstandige aanleiding.

2.10.
Het subsidiaire verzoek om een medisch onderzoek door een traumatoloog met het oog op de aard van de verwonding ontbeert een deugdelijke onderbouwing. Niet gemotiveerd is wat een dergelijk onderzoek kan bijdragen aan de thans voorliggende bewijsvraag. Voor zover [eiser] stelt dat een onderzoek door een traumatoloog geboden is omdat daarmee, ondanks het tijdsverloop ook thans nog, zijn stelling zou kunnen worden bevestigd dat de door hem omschreven lange diepe scherpe snijwond niet door een nabij de sponning van de deur aanwezige schol aaneengehaakte scherven gehard glas met een scherpe rand zou kunnen zijn veroorzaakt, had het op zijn weg gelegen om die stelling van enige grond te voorzien. Dat is niet gebeurd, zodat de rechtbank ook dit verzoek zal afwijzen.

2.11.
Nu [eiser] afgezien heeft van het horen van getuigen zal hij, zoals verzocht en zoals bepaald in het tussenvonnis, worden toegelaten tot het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor, waarbij hij desgewenst nog schriftelijk bewijs kan leveren.

2.12.
Iedere verder beslissing wordt aangehouden.ECLI:NL:RBGEL:2016:7150

 

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies