GHSHE 300925 buurman aansprakelijk voor handletsel vanwege terugslaan; klap zozeer uitgelokt dat deze niet onrechtmatig is - kosten deelgeschil alsnog toegewezen, € 5.347,60
- Meer over dit onderwerp:
GHSHE 300925 buurman aansprakelijk voor handletsel vanwege terugslaan; klap zozeer uitgelokt dat deze niet onrechtmatig is
- kosten deelgeschil alsnog toegewezen, € 5.347,60
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 maart 2024 op het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen beschikking in deelgeschil van 29 augustus 2023 (C/03/315666 / HA RK 23-53) tussen appellant als verzoeker en geïntimeerde als verweerder, welk hoger beroep bij tussenvonnis van 17 januari 2024 van deze rechtbank onder zaaknummer C/03/324943 / HA ZA 23-521 is toegestaan. (van deze uitspraken is geen publicatie bekend, red. LSA LM)
6De verdere beoordeling
in principaal en incidenteel hoger beroep
De feiten
6.1.
Het hof zal uitgaan van de navolgende feiten. Deze zijn grotendeels door de deelgeschilrechter vastgesteld.
- [appellant] en [geïntimeerde] hebben enkele jaren naast elkaar gewoond op [adres] .
- Op 20 maart 2021 heeft er zich een incident voorgedaan tussen partijen. Hierbij hebben partijen een woordenwisseling met elkaar gehad en is er geduwd en geslagen.
- Na het incident is [appellant] naar het ziekenhuis gegaan, alwaar röntgenfoto's en een MRI-scan van zijn hand zijn gemaakt.
- Op 23 maart 2021 heeft [appellant] aangifte van mishandeling door [geïntimeerde] gedaan bij de politie.
- Op 1 april 2021 heeft de politie een bemiddelingsgesprek gevoerd met partijen. Tijdens dit gesprek heeft de politie aan partijen duidelijk gemaakt dat een strafrechtelijk vervolg in hun geval geen oplossing zou zijn, zeker gelet op het feit dat partijen ook in de toekomst nog samen door een deur moeten. In navolging daarvan heeft de politie besloten om het onderzoek inzake de aangifte van [appellant] tegen [geïntimeerde] niet verder in behandeling te nemen.
- Daarop heeft [appellant] de officier van justitie verzocht om de voornoemde beslissing te heroverwegen. De officier van justitie heeft hem per brief van 11 januari 2022 bericht dat de zaak niet verder zal worden vervolgd, omdat de politie op goede gronden heeft besloten om de zaak niet verder te onderzoeken.
- Op 22 februari 2022 heeft [appellant] een klaagschrift tegen de voornoemde beslissing van de officier van justitie ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch met het verzoek om de vervolging van [geïntimeerde] te bevelen. Het gerechtshof heeft dit verzoek bij beschikking van 20 december 2022 afgewezen.
- Op 21 september 2022 heeft er op verzoek van [appellant] een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden bij de rechtbank Limburg. Hierbij zijn [appellant] , zijn vriendin en twee buurtgenoten als getuigen gehoord. Op 19 oktober 2022 heeft bij dezelfde rechtbank op verzoek van [geïntimeerde] een contra-enquête plaatsgevonden. Hierbij zijn [geïntimeerde] , zijn echtgenote en zijn schoonvader als getuigen gehoord.
- Bij brief van 1 december 2022 heeft [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de schade, zowel materieel als immaterieel, die hij door het incident heeft geleden en nog zal lijden.
- [geïntimeerde] heeft de aansprakelijkheid niet erkend, maar heeft [appellant] gevraagd om een overzicht van bewijsstukken van de door hem geleden schade ter beschikking te stellen.
- Daarop heeft [appellant] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt.
De deelgeschilprocedure
6.2.1.
[appellant] heeft in een deelgeschilprocedure de rechtbank verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
-
voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor het bij [appellant] op 20 maart 2021 ontstane letsel en gehouden is tot volledige vergoeding van de daardoor veroorzaakte materiële en immateriële schade, en
-
de kosten als bedoeld in artikel 1019aa. lid I Rv te begroten op € 6.606.60 vermeerderd met het griffierecht aan de zijde van [appellant] , dan wel enig ander bedrag in goede justitie te bepalen en tevens te bepalen dat deze kosten aan [appellant] kunnen worden toegewezen.
6.2.2.
[appellant] heeft zijn verzoeken gebaseerd op de stelling dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door hem geleden en nog te lijden schade.
6.2.3.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.
6.2.4.
Na een gehouden mondelinge behandeling heeft de rechtbank bij beschikking in deelgeschil van 29 augustus 2023 geoordeeld dat
-
zij rechtsmacht heeft,
-
Nederlands recht van toepassing is,
-
[geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld,
-
dit ook aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend, maar
-
dat er geen condicio sine qua non-verband bestaat, nu het letsel geen gevolg is van de onrechtmatige daad van [geïntimeerde] , maar van het zelf uitdelen van een klap door [appellant] .
De kosten voor het deelgeschil zijn door de rechtbank begroot op € 5.347,60 en de overige verzoeken zijn afgewezen.
De bodemprocedure
6.2.5.
Bij dagvaarding van 27 november 2023 heeft [appellant] de bodemprocedure aanhangig gemaakt. Hij heeft in de dagvaarding gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
-
terugkomt op de beschikking van 29 augustus 2023;
-
voor recht verklaart dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor het bij [appellant] op 20 maart 2021 ontstane letsel en gehouden is tot volledige vergoeding van de daardoor veroorzaakte materiële en immateriële schade;
-
[geïntimeerde] veroordeelt tot vergoeding van de reeds in deelgeschil vastgestelde kosten als bedoeld in artikel 1019aa, lid 1 Rv, vermeerderd met het griffierecht aan de zijde van [appellant] , dan wel enig ander bedrag in goede justitie te bepalen en
-
[geïntimeerde] veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
6.2.6.
[appellant] heeft bij brief van 28 november 2023 de rechtbank verzocht om verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds appel.
6.2.7.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 17 januari 2024 hoger beroep toegestaan van de hiervoor genoemde beschikking in deelgeschil, nu er in het deelgeschil een beslissing is gegeven over de materiële rechtsverhouding tussen partijen. Deze beslissing is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven, aldus de rechtbank. De zaak is verwezen naar de parkeerrol.
De omvang van het hoger beroep
6.3.1.
[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking in deelgeschil en vordert dat het hof, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:
-
zal beslissen overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding en te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor het bij [appellant] op 20 maart 2021 ontstane letsel en gehouden is tot volledige vergoeding van de daardoor geleden en te lijden materiële en immateriële schade;
-
[geïntimeerde] zal veroordelen tot vergoeding van de reeds in deelgeschil vastgestelde kosten als bedoeld in artikel 1019aa, lid 1 Rv, vermeerderd met het griffierecht aan de zijde van [appellant] , dan wel enig ander bedrag in goede justitie te bepalen en
-
[geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg én in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In de hoger beroepsdagvaarding heeft [appellant] tevens primair gevorderd dat het hof de zaak aan zich houdt.
6.3.2.
[geïntimeerde] heeft in het incidenteel hoger beroep eveneens vier grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de beschikking in deelgeschil en overeenkomstig zijn grieven tot verbetering van de beschikking met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide procedures.
Rechtsmacht
6.4.
[geïntimeerde] was ten tijde van het inleidend verzoekschrift en de inleidende dagvaarding woonachtig in België. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat ambtshalve moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval: het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de herschikte EEX-Verordening. Ingevolge artikel 7 onder 2 van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.
Beoordeling grieven
6.5.1.
De eerste drie grieven in het principaal hoger beroep richten zich met name tegen de overwegingen van de rechtbank dat [appellant] zich in de tweede fase van de confrontatie tussen partijen had moeten onttrekken aan het geweld van [geïntimeerde] .
De vierde grief is gericht tegen de overweging dat er geen conditio sine qua non-verband is tussen het letsel en het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] .
De grieven in het incidenteel hoger beroep richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank dat [geïntimeerde] [appellant] heeft geslagen, dat de geweldpleging aan [geïntimeerde] is toe te rekenen, dat [appellant] (letsel)schade heeft opgelopen en dat de klap die [appellant] heeft uitgedeeld, niet op het hoofd van [geïntimeerde] terecht is gekomen, maar op het hoofd van [persoon A] , zijn echtgenote.
6.5.2.
Voor de beoordeling van de grieven is van belang in rechte vast te stellen hoe het conflict tussen partijen is verlopen. Het gaat dan om een waardering van het voorliggende bewijsmateriaal. Daarin is de rechter vrij, zo is in artikel 152 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaald. Uit de bewijsmiddelen moet een redelijke mate van zekerheid worden verkregen dat bepaalde feiten zich hebben voorgedaan.
6.5.3.
[appellant] heeft als getuige verklaard dat [geïntimeerde] , na een woordenwisseling, naar hem toe kwam lopen en dat [geïntimeerde] hem in zijn voortuin heeft geslagen. Daarop heeft [appellant] hem weggeduwd. Vervolgens kwam [geïntimeerde] , aldus [appellant] , weer op hem afgelopen. Op dat moment heeft [appellant] de trui van [geïntimeerde] over diens hoofd getrokken en hem op de grond geduwd. [appellant] heeft verklaard boks- en judolessen te hebben gegeven. Door de trui over het hoofd te trekken, zaten de armen van [geïntimeerde] vast en had hij geen bereik meer, zo verklaarde [appellant] . De vriendin van [appellant] is vervolgens op de benen van [geïntimeerde] gaan zitten en [appellant] had zijn knie op de rug van [geïntimeerde] . Toen [geïntimeerde] aangaf dat hij weer rustig was, is [appellant] (en daarna ook diens vriendin) overeind gekomen. [geïntimeerde] is vervolgens richting de straat gelopen en heeft zijn trui recht getrokken. Daarna is [geïntimeerde] weer op [appellant] afgelopen. Toen heeft [appellant] hem met de rechterhand een vuistslag op de linkerkant van het hoofd gegeven en heeft hij daarbij mogelijk ook de vrouw van [geïntimeerde] geraakt, aldus [appellant] . Bij het uitdelen van deze klap heeft [appellant] letsel aan zijn rechterhand opgelopen.
6.5.4.
[geïntimeerde] heeft als getuige verklaard dat hij, na een woordenwisseling, naar [appellant] in diens voortuin is gelopen om met hem te praten. Vervolgens kreeg hij een klap in zijn gezicht en werd zijn trui over zijn hoofd getrokken. Daarna ontstond een worsteling en voelde hij dat er iemand tegen hen aanliep waarop zowel [appellant] als hij op de grond viel. Hij voelde dat er iemand op zijn benen lag; dit kon hij als gevolg van de over zijn hoofd getrokken trui niet zien. Spartelend is hij overeind gekomen, heeft zijn trui rechtgetrokken waarna hij van achteren een duw kreeg en voorover viel. [persoon B] was hierbij en heeft hem overeind geholpen. [geïntimeerde] is, zo heeft hij verklaard, vervolgens richting de straat gelopen. [appellant] volgde hem en riep: “kom dan, tweede ronde”. De vrouw van [geïntimeerde] is daarop tussen beiden gekomen waarna [geïntimeerde] naar binnen is gelopen. [appellant] heeft vervolgens de vrouw van [geïntimeerde] geslagen, zo heeft zij [geïntimeerde] later verteld, aldus de getuigenverklaring van [geïntimeerde] .
6.5.5.
Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat op [appellant] de stelplicht en bewijslast rust van de door hem gestelde feiten; hij beroept zich immers op de rechtsgevolgen van deze feiten. Naar het oordeel van het hof volgt uit de navolgende bewijsmiddelen dat [appellant] de door hem gestelde feiten heeft bewezen. Zijn verklaring vindt steun in aanvullend bewijsmateriaal dat zodanig sterk is en zodanige essentiële punten betreft dat zij de verklaring van [appellant] voldoende geloofwaardig maken. Het hof wijst daartoe op het volgende.
6.5.6.
Belangrijke delen van de verklaring van [appellant] worden bevestigd door hetgeen [geïntimeerde] als getuige heeft verklaard. [geïntimeerde] heeft immers ook verklaard dat hij naar [appellant] is gelopen en in diens voortuin stond. [geïntimeerde] verklaart ook dat [appellant] de trui over het hoofd van [geïntimeerde] heeft getrokken en dat de vriendin van [appellant] , [persoon C] , op de benen van [geïntimeerde] is gaan zitten. Dat volgt ook uit de getuigenverklaringen van [persoon C] , de vriendin van [appellant] , buurtgenoot [persoon B] en de echtgenote van [persoon B]. Het hof is van oordeel dat deze wijze van handelen van zowel [appellant] als [persoon C] passen in het door [appellant] gestelde scenario waarbij getracht wordt iemand onder controle te houden en niet met een scenario waarbij zowel [appellant] als diens vriendin [geïntimeerde] aan het mishandelen is.
6.5.7.
[persoon C] heeft verder verklaard te hebben gezien dat [geïntimeerde] de tuin van [appellant] en [persoon C] invloog in de richting van [appellant] , dat [geïntimeerde] op [appellant] insloeg met zijn vuisten en dat [appellant] van [geïntimeerde] een paar klappen heeft gehad. Zij heeft verder verklaard dat [appellant] toen niet terugsloeg, maar heeft geprobeerd de klappen te ontwijken. Ook heeft zij verklaard te hebben gezien dat [appellant] het shirt van [geïntimeerde] over zijn hoofd trok zodat [geïntimeerde] niets meer kon met zijn armen, dat [geïntimeerde] vervolgens op de grond belandde en dat zij ter de-escalatie op zijn benen is gaan zitten, maar dat [geïntimeerde] niet onder controle raakte en zij het niet meer hield en toen is opgestaan, waarna [geïntimeerde] ook meteen opstond. [persoon C] heeft verder verklaard dat [geïntimeerde] weer naar [appellant] wilde lopen, met gebalde vuisten, en dat hij doorging met slaan, en dat [appellant] hem toen één keer, uit zelfverdediging, op zijn hoofd heeft geslagen. [persoon B] heeft eveneens verklaard dat [geïntimeerde] op [appellant] in diens voortuin afkwam. Hij heeft voorts verklaard te hebben gezien dat [geïntimeerde] [appellant] meerdere malen sloeg en dat [appellant] een afwerende beweging maakte. Beiden zijn toen op de grond beland. Nadat zij beiden weer opstonden, sloeg, zo verklaarde [persoon B], [geïntimeerde] weer in de richting van [appellant] waarna [appellant] één keer terugsloeg. Het hof stelt vast dat deze getuige de verklaring van [appellant] bevestigt. Het hof verwerpt de stelling van [geïntimeerde] dat aan deze verklaring geen waarde mag worden gehecht omdat [persoon B] bevriend is met [appellant] . Het is een verklaring onder ede afgelegd. De schriftelijke verklaring van [persoon B], afgelegd op 15 juni 2021, strookt met zijn verklaring onder ede. Zo geeft [persoon B] ook in zijn schriftelijke verklaring aan dat [geïntimeerde] “uit het niks” op [appellant] begon in te slaan, dat [appellant] zich verdedigde en hem weg wilde duwen. Nadat [appellant] bijna een vuist op de neus kreeg, heeft hij een vuist terug gegeven, aldus de schriftelijke verklaring van [persoon B].
De echtgenote van [persoon B] heeft verklaard dat zij, na geschreeuw te hebben gehoord afkomstig van de woning van [appellant] en zijn vriendin, [appellant] en [geïntimeerde] over de grond zag rollen en dat zij aan het vechten waren. Zij heeft ook verklaard te hebben gezien dat [geïntimeerde] flink op [appellant] insloeg en door bleef slaan en dat [appellant] stapjes achteruit zette. Verder heeft zij verklaard te hebben gezien dat [geïntimeerde] op een gegeven moment op zijn rug lag en dat de vriendin van [appellant] op zijn benen lag. Voorts heeft zij verklaard dat [geïntimeerde] op een gegeven moment weer opstond en op [appellant] bleef inslaan, en dat [appellant] toen terugsloeg. Dit komt in grote lijnen overeen met de verklaring van [appellant] .
Dat [geïntimeerde] na het recht trekken van zijn trui naar binnen is gelopen, zoals [geïntimeerde] heeft verklaard, wordt niet onderbouwd door de verklaringen van [persoon B] en zijn echtgenote.
6.5.8.
Op basis van het zojuist besproken bewijsmateriaal, in onderling verband en samenhang bezien en gewogen, is naar het oordeel van het hof met een redelijke mate van zekerheid komen vast te staan dat [geïntimeerde] degene is geweest die [appellant] een aantal keren heeft aangevallen, daarbij [appellant] klappen heeft gegeven en, nadat door [appellant] en [persoon C] is geprobeerd hem rustig te krijgen, is doorgegaan met dreigende en slaande gedragingen jegens [appellant] dan wel heeft gedreigd [appellant] (verdere) klappen te geven. [appellant] heeft zich tegen deze aanvallen van [geïntimeerde] verdedigd. Bij de laatste (poging tot een) aanval door [geïntimeerde] heeft [appellant] een klap uitgedeeld welke klap tegen het hoofd van [geïntimeerde] is aangekomen. Bij het uitdelen van deze klap heeft [appellant] letsel aan zijn hand opgelopen. Dit laatste wordt betwist door [geïntimeerde] maar ook dit staat naar het oordeel van het hof met een voldoende mate van zekerheid vast. De verklaring van [appellant] wordt bevestigd door [persoon B] die heeft verklaard dat hij op het moment dat [appellant] de klap uitdeelde hoorde dat er iets brak. “Het was een raar geluid”, aldus [persoon B]. Voorts wordt de stelling van [appellant] onderbouwd door de door [appellant] overgelegde medische informatie waarin melding wordt gemaakt dat [appellant] in maart 2021 is behandeld voor een Bennet fractuur aan zijn rechterhand.
6.5.9.
De vraag die vervolgens voorligt, is of [geïntimeerde] aansprakelijk is voor het letsel dat [appellant] heeft opgelopen. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Door [appellant] aan te vallen op de zojuist vastgestelde wijze, heeft [geïntimeerde] jegens hem onrechtmatig gehandeld.
[appellant] heeft zich een aantal keren zonder geweld te gebruiken verdedigd, maar dit weerhield [geïntimeerde] niet van een volgende (poging tot een) aanval. Onder deze omstandigheden was [appellant] gerechtigd om zich hiertegen te verdedigen. De schade die daarbij is ontstaan, is het gevolg van de handelwijze van [geïntimeerde] waardoor [appellant] zich genoodzaakt zag zich te verdedigen op de wijze zoals hij dat heeft gedaan en kan [geïntimeerde] dan ook worden toegerekend. Niet alleen een bestaande inbreuk op de lichamelijke integriteit maar ook een dreigende inbreuk op iemands lichamelijke integriteit kan onder omstandigheden als een onrechtmatige daad worden gekwalificeerd. Dat is hier naar het oordeel van het hof het geval. Als [geïntimeerde] zich tegenover [appellant] gedraagt op de wijze zoals hiervoor vastgesteld, handelt [geïntimeerde] tegenover [appellant] onrechtmatig en komt de schade die daardoor bij [appellant] ontstaat, voor zijn rekening en risico. Het gedrag van [appellant] is zozeer uitgelokt door [geïntimeerde] dat de gegeven klap tegenover hem niet onrechtmatig was.
6.5.10.
In deelgeschil is geoordeeld dat [appellant] in de tweede fase van het conflict, zijnde de fase nadat [geïntimeerde] zijn trui had recht getrokken, ofwel naar binnen had kunnen en moeten gaan ofwel zich opnieuw geweldloos had moeten verdedigen. Naar het oordeel van het hof kan het conflict niet in dergelijke fases worden verdeeld. [geïntimeerde] zocht de confrontatie op terwijl gebleken was dat hij, ondanks pogingen daartoe van [appellant] en [persoon C] , niet tot rust te brengen was. [appellant] zag geen andere optie dan een klap uit te delen en dat was, gegeven de situatie die door [geïntimeerde] in het leven was geroepen, gerechtvaardigd. Het staat immers vast dat [geïntimeerde] wederom op [appellant] af kwam lopen om hem aan te vallen. Dat er enige seconden zaten tussen het recht trekken van de trui door [geïntimeerde] en de laatste poging van hem om [appellant] aan te vallen, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof beschouwt het conflict als een geheel van doorlopende aanvallen.
6.5.11.
Het hof is voorts van oordeel dat zonder het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] , bestaande uit de verschillende hiervoor besproken aanvallen, het handletsel bij [appellant] niet zou zijn ontstaan. Er is dan ook voldaan aan het condicio sine qua non-verband. Voorts staat deze schade in een zodanig verband met de gebeurtenis, zijnde de aanvallen van [geïntimeerde] , dat deze schade aan [geïntimeerde] als gevolg van zijn handelingen kan worden toegerekend. Dat bij deze aanvallen van [geïntimeerde] er letsel zou kunnen gaan ontstaan bij [appellant] , is een te verwachten gevolg, ook als dat gebeurt als gevolg van een verdediging met gebruik van enig geweld.
Slotsom
6.5.12.
De grieven in het principaal hoger beroep slagen in die zin dat de vorderingen van [appellant] alsnog kunnen worden toegewezen. De grieven in het incidenteel hoger beroep worden door het hof verworpen. Dit leidt tot een vernietiging van de beschikking in deelgeschil en het tussenvonnis, voor zover daarin is overwogen dat de beslissingen in deelgeschil zonder voorbehoud zijn genomen. Het hof zal de zaak aan zich houden en einduitspraak doen.
6.5.13.
Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:
-
explootkosten € 129,85
-
griffierecht € 314,00
-
salaris advocaat/gemachtigde € 614,00
-
getuigentaxen € 240,00
Totaal € 1.297,85
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
-
explootkosten € 136,72
-
griffierechten € 349,00
-
salaris advocaat € 3.642,00 (3 punten x tarief II)
Totaal € 4.127,72
6.5.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
7De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt de beschikking in deelgeschil en het tussenvonnis waarvan beroep voor zover deze in hoger beroep zijn voorgelegd;
in zoverre opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor het bij [appellant] op 20 maart 2021 ontstane letsel en gehouden is tot volledige vergoeding van de daardoor veroorzaakte materiële en immateriële schade;
veroordeelt [geïntimeerde] tot vergoeding van € 5.347,60, zijnde de kosten die in deelgeschil zijn vastgesteld;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg van € 1.297,85 en van het hoger beroep van € 4.127,72, te betalen binnen veertien dagen na heden; Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30 september 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2684