Overslaan en naar de inhoud gaan

HR 310395 noenmaal; handgemeen tussen gasten en restauranteigenaar; subduraal haematoom; restaurateur niet aansprakelijk

HR 310395 noenmaal; handgemeen tussen gasten en restauranteigenaar; subduraal haematoom; restaurateur niet aansprakelijk
 

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerder] exploiteert, samen met zijn vrouw, in [plaats] een restaurant onder de naam [naam 1] , dat ten tijde van na te noemen gebeurtenissen twee sterren in de Michelingids had. [eiser] , huisarts van beroep, heeft op 31 oktober 1984, samen met een bevriende arts, [betrokkene 1] , in dit restaurant het noenmaal gebruikt. Zij waren de enige gasten. Na afloop van de maaltijd heeft een handgemeen tussen [eiser] en [verweerder] plaatsgevonden.

(ii) De toedracht van de gebeurtenissen, voor zover vaststaand, was als volgt. [eiser] en zijn collega hebben eerst met [verweerder] en de sommelier ( [getuige 1] ) het menu en de wijnkaart besproken en hun keuze gemaakt. De gebrachte fles Chablis voldeed niet aan de verwachtingen en werd door het restaurant teruggenomen. In plaats daarvan werd een fles champagne gekozen. Het voorgerecht, "truffe surprise", voldeed ook niet geheel aan de verwachtingen en werd slechts ten dele opgegeten. Over de rest van het menu waren de gasten vol lof, behoudens dat één oester - volgens [verweerder] ten onrechte - werd afgekeurd en door een andere werd vervangen. De gasten waren niet tevreden over de keuze op de wijnkaart en na overleg werd besloten een drietal halve flesjes witte Bourgogne te laten komen. Het eerste flesje werd geopend en, na voor meer dan de helft leeggedronken te zijn, alsnog afgekeurd, terwijl toen besloten is in plaats van de twee andere halve flesjes een fles Meursault 1978 te laten komen. Nadat deze fles voor ongeveer tweederde deel was leeggedronken werd hij eveneens afgekeurd. Hierna dronken [eiser] en zijn metgezel nog een fles champagne. Tenslotte werd koffie met cognac gedronken.

(iii) Nadat de rekening, die in totaal f 725, -- beliep, was gebracht, vroegen de gasten de sommelier om [verweerder] te laten komen omdat zij bezwaar maakten dat de fles Meursault en het opengemaakte halve flesje in de rekening waren opgenomen. [verweerder] was de tuin ingegaan omdat hij zich ergerde aan het optreden van de gasten.

(iv) Over wat daarna is gebeurd verschillen partijen van mening. Vaststaat dat [verweerder] dacht dat de gasten zonder betalen wilden vertrekken. Vaststaat ook dat het bedrag van de rekening, volgens [eiser] vermeerderd met f 50, -- fooi, op tafel was neergelegd, volgens [eiser] op het schoteltje waarop de rekening was gebracht, volgens [verweerder] onder dat schoteltje en daardoor onzichtbaar.

(v) Op 2 november 1984 is [eiser] wegens klachten (hoofdpijn, misselijkheid en braken) in het Bleuland Ziekenhuis te Gouda opgenomen. Op 3 november kon hij weer naar huis gaan. Op 7 december 1984 werd [eiser] wegens soortgelijke klachten opgenomen in het Dijkzigt ziekenhuis te Rotterdam, waar hij op 11 december 1984 werd geopereerd door een neurochirurg wegens dubbelzijdig chronisch subduraal haematoom. Op 21 december werd hij uit het ziekenhuis ontslagen.

(vi) Voorts heeft [eiser] gesteld dat [verweerder] hem heeft mishandeld door hem een aantal vuistslagen toe te dienen, enkele op zijn voorhoofd links en rechts, onder het linkeroog en op het linker oor, ten gevolge waarvan hij onder meer het dubbelzijdig subduraal haematoom heeft opgelopen. Hiervoor heeft hij zich onder medische behandeling moeten stellen en is hij geopereerd. Hij heeft ten gevolge van het gebeurde blijvende restverschijnselen overgehouden, onder meer bestaande uit ernstige hoofdpijnen, duizeligheid en verlies van 90% van het gehoor aan de linkerzijde. Als gevolg van dit letsel is aan de zijde van [eiser] schade geleden.

3.2 Het Hof heeft zijn afwijzing van de vorderingen van [eiser] gegrond op de volgende overwegingen, kort samengevat:

(i) Het Hof is ervan uitgegaan dat [verweerder] [eiser] één klap heeft gegeven, waardoor [eiser] tegen de deur van het restaurant is gevallen. Het Hof heeft dit afgeleid uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [verweerder] . Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de verklaring van [eiser] als partij-getuige niet de aanvullende werking kan hebben, bedoeld in art. 213 lid 1 Rv., nu de verklaring van [betrokkene 1] als getuige te veel afwijkt van diens verklaring tegenover de politie om als grondslag voor zodanig aanvullende werking te dienen.

(ii) Het Hof heeft vervolgens de vraag of [verweerder] jegens [eiser] voor de gevolgen van deze klap en de daardoor veroorzaakte val tegen de deur aansprakelijk is, beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

(iii) Van deze omstandigheden heeft het Hof in het bijzonder gereleveerd: dat [eiser] en [betrokkene 1] zich hebben gedragen als zeer kritische, moeilijk tevreden te stellen gasten; dat een meningsverschil is ontstaan tussen [verweerder] en [eiser] over de betaling van de rekening en dat [verweerder] uit hetgeen [eiser] en [betrokkene 1] hebben gezegd, de indruk heeft gekregen dat zij van plan waren zonder betaling te vertrekken; dat [betrokkene 1] en [eiser] in deze volgorde naar de uitgang van het restaurant zijn gelopen; dat [verweerder] [eiser] bij de kraag van zijn jasje heeft vastgepakt om te voorkomen dat hij zonder te betalen het restaurant zou verlaten; dat [eiser] , zich omdraaiend, toen een beweging met zijn arm heeft gemaakt waardoor [verweerder] over zijn gezicht werd gekrabd, en [verweerder] daarop [eiser] de voormelde klap heeft gegeven, waardoor deze tegen de deur viel.

(iv) Het Hof heeft vervolgens geoordeeld: dat de veronderstelling van [verweerder] dat [eiser] en [betrokkene 1] van plan waren zonder te betalen weg te gaan, door hun gedrag gerechtvaardigd werd; dat [verweerder] niet euvel is te duiden dat hij heeft geprobeerd dit te verhinderen door [eiser] bij de kraag van diens jasje te pakken; dat [verweerder] de armbeweging van [eiser] , die zijn gezicht raakte, heeft mogen opvatten als een bedreiging door [eiser] ; dat de door [verweerder] als reactie daarop gegeven klap niet buiten proportie was.

(v) Dit alles heeft het Hof tot een dubbele slotsom geleid. In de eerste plaats heeft het Hof geconcludeerd dat het gedrag van [verweerder] - hoewel het geven van een klap in beginsel een onrechtmatige daad opleverde - zozeer is uitgelokt door het gedrag van [eiser] dat het gedrag van [verweerder] tegenover [eiser] niet onrechtmatig was. In de tweede plaats heeft het Hof geconcludeerd dat, zelfs al zou de in beginsel bestaande onrechtmatigheid van de klap niet door het gedrag van [eiser] zijn opgeheven, in elk geval de plicht van [verweerder] tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade geheel is vervallen, omdat de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist.

3.3 's Hofs voormelde overwegingen, opgevat als hiervoor weergegeven, geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn sterk verweven met feitelijke waarderingen die in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden getoetst. zij bevatten voorts een motivering van 's Hofs afwijzing van de vorderingen van [eiser] , die niet onbegrijpelijk is en, in het licht van de gedingstukken, ook overigens aan de eisen van de wet voldoet. Het middel stuit hierop in al zijn onderdelen af, waarbij nog het volgende afzonderlijke vermelding verdient.

3.4 Het eerste onderdeel van het middel richt klachten tegen 's Hofs hiervoor in 3.2 onder (i) weergegeven overweging. Het oordeel van het Hof dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] wegens hun onderlinge afwijkingen geen geloof verdienen, was aan het Hof als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden. In het licht van die verklaringen en van de punten waarop zij verschillen, kan 's Hofs oordeel niet onbegrijpelijk worden genoemd. Uitgaande van dit oordeel heeft het Hof ook niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 213 Rv., waarin besloten ligt dat de verklaring van een partij-getuige - zoals [eiser] was - geen bewijs te haren voordele kan opleveren, indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken. Niet is in te zien dat zulks in strijd zou komen met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Een en ander wordt niet anders door de ter griffie gedeponeerde foto's van het hoofdletsel van [eiser] , waarop ook onderdeel 2 betrekking heeft. Dat dit letsel zich op twee verschillende plaatsen bevond, heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk gezien als gevolg van het feit dat [eiser] niet alleen een klap heeft gekregen, maar daardoor ook tegen een deur gevallen is.

3.5 Onderdeel 3 richt zich tegen 's Hofs oordeel dat [verweerder] in de "gerechtvaardigde" veronderstelling verkeerde dat [eiser] en [betrokkene 1] van plan waren te vertrekken zonder de rekening te betalen. 's Hofs oordeel op dit punt is evenwel in het licht van de verklaringen van de getuigen niet onbegrijpelijk, nu het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk is uitgegaan van de tussen partijen vaststaande feiten dat [eiser] en [betrokkene 1] te kennen hadden gegeven de rekening, zoals deze was aangeboden, niet te willen voldoen en dat zij kort daarna zijn weggelopen, klaarblijkelijk zonder mede te delen dat zij hun standpunt niet handhaafden.

3.6 De onderdelen 4-7 strekken ertoe 's Hofs waardering van de omstandigheden van het geval door middel van in hoofdzaak motiveringsklachten aan de Hoge Raad voor te leggen. 's Hofs overwegingen schieten evenwel als motivering van 's Hofs beslissing niet tekort, waarbij aantekening verdient dat de daartegen gerichte klachten deels feitelijke grondslag missen. Het Hof heeft immers vastgesteld dat de door [verweerder] gegeven klap een reactie was op een armbeweging van [eiser] , waardoor het gezicht van [verweerder] werd geraakt, en die [verweerder] naar 's Hofs oordeel heeft mogen opvatten als een bedreiging door [eiser] . De ernstige gevolgen die deze klap voor [eiser] heeft gehad, heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk niet toegeschreven aan de kracht van de klap zelf, maar aan de combinatie van de klap met het feit dat [eiser] daardoor ongelukkigerwijs tegen de deur van het restaurant is gevallen, dat hij bezig was te verlaten. Voorts verdient aandacht dat in de door het Hof vastgestelde en niet onbegrijpelijke lezing van het gebeurde het niet [verweerder] was die met slaan begon, doch veeleer [eiser] , die met een armbeweging het gezicht van [verweerder] raakte en daarover krabde.

In verband met een en ander geeft ook de hiervoor in 3.2 onder (v) bedoelde dubbele slotsom van het Hof in geen van beide conclusies blijk van een onjuiste rechtsopvatting.Hoge Raad 31 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1688

anders PG Koopmans: 

daaruit:
9. De onderdelen 4-7 vat ik aldus op dat zij betrekking hebben op de vraag of, op grond van de feitelijke vaststellingen waar het hof van uitgaat, het handelen van [verweerder] als onrechtmatig is aan te merken en tot schadevergoeding verplicht. De subonderdelen 4c en 5b, die nogmaals (vergeefs) aan die feitelijke vaststellingen pogen te morrelen, laat ik buiten bespreking. De overige klachten betogen in verschillende toonaarden dat het gedrag van [verweerder] , ook in deze voorstelling van zaken, onrechtmatig is, hetzij als vorm van eigenrichting, hetzij als aantasting van de lichamelijke integriteit van [eiser 2] , en dat het hof in gebreke is gebleven vast te stellen welke rechtvaardigingsgrond voor dit optreden bestaat.

Het hof geeft op dit punt een primaire en een subsidiaire redenering. Het overweegt eerst (r.o. 10) dat [verweerder] "in beginsel" onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 2] door deze een klap te geven, maar dat het gedrag van [verweerder] "zozeer is uitgelokt" door dat van [eiser 2] dat het i.c. niet onrechtmatig zou zijn tegenover [eiser 2] . Het hof overweegt vervolgens (r.o. 11) dat ook als dit anders zou wezen - dwz. als de in beginsel bestaande onrechtmatigheid van het gedrag van [verweerder] niet zou worden opgeheven door dat van [eiser 2] -, de verplichting tot schadevergoeding zou zijn vervallen, omdat de billijkheid dit i.c. zou eisen "wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten".

Voor zover de klachten uit de onderdelen 4-7 betogen dat het hof niet de onrechtmatigheid van het optreden van [verweerder] zou hebben vastgesteld, missen zij daarom feitelijke grondslag: het hof heeft ook op die grondslag een oordeel gegeven, en het ziet de uitlokking kennelijk als rechtvaardigingsgrond. De klachten betwisten echter mede, deels als motiveringsklachten, de twee gronden die het hof aanvoert om die onrechtmatigheid niet beslissend te achten, nl. de uitlokking van de onrechtmatige daad door [eiser 2] en de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten. Zie subonderd. 4b, 5c en 6a en b.

10. Bij de beoordeling van deze klachten kan m.i. niet uit het oog worden verloren dat de mishandeling van [eiser 2] tot betrekkelijk ernstig letsel heeft geleid. Blijkens de drie, in dit opzicht overeenstemmende, deskundigenverklaringen kan men er vrijwel zeker van zijn dat het incident een dubbelzijdig subduraal haematoom teweeggebracht heeft (d.i. een tweetal bloeduitstortingen tussen het harde hersenvlies en de hersenen); dit letsel heeft tot operatief ingrijpen geleid. Of de stoornissen aan het linkeroor (fluittoon en gehoorproblemen) eveneens op de vechtpartij zijn terug te voeren, is niet met voldoende zekerheid vastgesteld. Zie ook tussenvs. rb. 6 nov. 1991, r.o. 2.2.

Het hof laat de ernst van het veroorzaakte letsel in zijn afweging geheel buiten beschouwing. Dit betekent dat de redenering van het hof ook stand moet houden wanneer het toegebrachte letsel inderdaad ernstig is.

11. Dat roept de volgende vraag op. Als het toegebrachte letsel ernstig is, kan het toebrengen daarvan dan ooit gerechtvaardigd worden geacht wanneer - zoals het hof aanneemt - het agressieve gedrag van de dader is uitgelokt door het irritante optreden van het slachtoffer? Het lijkt mij dat het antwoord op deze vraag ontkennend moet zijn, en dat de primaire redenering van het hof (die uit r.o. 10) daarom van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat.

Misschien moet ook de rechter wel eens het gebruik van fysiek geweld door de vingers zien als de dader tot het uiterste is gebracht door plagerijen van het slachtoffer, maar dan zullen er wel uitzonderlijke omstandigheden aanwezig moeten zijn, en daaromtrent stelt het hof niets vast. In beginsel is het uitdelen van harde klappen na plagerijen disproportioneel te achten. Zie ook, over onwettig handelen onder psychische druk: Remmelink, Hazewinkel-Suringa's Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht (13e dr. 1994) no. 2.4.3.4, en tevens, over de evenredigheidseis, no. 2.4.3.14 en no. 2.4. 4.5. Zie voorts Losbl. Onrechtmatige daad, aantek. 236 op art. 162, lid 2.

12. Tegen de subsidiaire redenering van het hof (die uit r.o. 11) voert het middel aan dat onvoldoende duidelijk is welke "fouten" van [eiser 2] het hof in aanmerking neemt bij zijn afweging van de ernst van de wederzijdse fouten. Voorts zou die afweging, ook afgezien hiervan, onbegrijpelijk zijn. Nu het hof niet naar de inhoud van de gedingstukken verwijst, valt aan te nemen dat bij de wederzijdse fouten verwezen wordt naar de feiten en omstandigheden die het hof zelf in zijn arrest releveert. Indien echter geweld waardoor hoofdletsel ontstaat moet worden afgewogen tegen het afkeuren van wijnen, het gezeur over de rekening, en het wekken van de indruk dat men wegloopt zonder te betalen, is niet op voorhand duidelijk dat de "uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten" moet wijzen op ernstiger fouten van de gast; de omgekeerde slotsom ligt eerder voor de hand. Ik acht de slotsom waartoe het hof komt dan ook onbegrijpelijk.

Dit blijft m.i. zo wanneer men bij de fouten van de gast mede betrekt de omstandigheid dat deze, toen hij nogal onzacht aan zijn jasje werd getrokken, de restauranthouder over diens gezicht zou hebben gekrabd; ook dan is het door de restaurant- houder gebezigde geweld disproportioneel. Het hof zegt daarover dat de restauranthouder de krab - die in de getuigenverklaringen overigens geen rol van betekenis speelt - als "bedreiging" heeft mogen opvatten en dat daarom zijn reactie niet buiten proportie was (r.o. 9.3); maar daarbij miskent het hof dat zulk een "bedreiging" niet ieder soort reactie rechtvaardigen kan, tot ernstige mishandeling, of zelfs doodslag, toe. Ook in deze passage laat het hof derhalve ten onrechte na zich te verdiepen in de aard van het aan [eiser 2] toegebrachte letsel.

De onbegrijpelijkheid van 's hofs afweging wordt niet goedgemaakt doordat het arrest tevens naar de billijkheid verwijst. In de eerste plaats niet, omdat het hof zijn billijkheidsoordeel juist doet steunen op de ernst van de wederzijdse fouten. In de tweede plaats niet, omdat de regel omtrent verminderde aansprakelijkheid bij eigen schuld van de benadeelde reeds zelf op de billijkheid steunt; zie art. 6:101 lid 1 BW; Asser-Hartkamp I (9e dr. 1992) no. 449. De billijkheid en de afweging van fouten gaan daarom in elkaar op.

13. Uit het voorgaande volgt dat de subonderdelen 4b, 5c, 6a en 6b gegrond zijn. Het hof had niet buiten beschouwing mogen laten of het door [verweerder] gebezigde geweld, mede in het licht van het toegebrachte letsel, disproportioneel was; het oordeel dat dit geweld niet onrechtmatig is omdat het is uitgelokt door irritant gedrag van de gasten steunt op een onjuiste rechtsopvatting; en het oordeel dat de fouten van [eiser 2] de vergoedingsplicht van [verweerder] geheel doen vervallen is onbegrijpelijk.

Aan vernietiging en verwijzing valt m.i. dan ook niet te ontkomen. Een ander hof zal alsnog hebben vast te stellen welk deel van de door [eiser 2] geleden schade aan diens eigen toedoen moet worden toegerekend.

14. Ik concludeer tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof. Parket bij de Hoge Raad 3 februari 1995, ECLI:NL:PHR:1995:52