Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 030726 regres zvz na mishandeling; beroep op noodweer(-exces), relativiteitsverweer en beroep op matiging slaagt niet

RBGEL 030726 regres zvz na mishandeling; beroep op noodweer(-exces), relativiteitsverweer en beroep op matiging slaagt niet
 

4De beoordeling

4.1.

Om tot aansprakelijkheid van [de gedaagde] op grond van art. 6:162 BW te komen, moet sprake zijn van een onrechtmatige daad (1), die aan [de gedaagde] kan worden toegerekend (2) moet sprake zijn van schade (3), moet sprake zijn van causaal verband tussen de mishandeling en de schade (4) en van relativiteit (5). [de gedaagde] heeft (vrijwel) al deze eisen betwist. Ze heeft enkel niet betwist dat ze [betrokkene] heeft mishandeld, omdat ze door de politierechter voor de mishandeling is veroordeeld en dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan (art. 161 Rv).

Is sprake van een onrechtmatige daad die aan [de gedaagde] kan worden toegerekend?

4.2.

[de gedaagde] heeft allereerst betwist dat sprake is van een onrechtmatige daad, omdat ze [betrokkene] weliswaar heeft mishandeld, maar sprake is van een rechtvaardigingsgrond, te weten noodweer (art. 41 lid 1 Sr). Deze rechtvaardigingsgrond ontneemt het onrechtmatige karakter aan de mishandeling, aldus [de gedaagde] . De kantonrechter gaat hier niet in mee. In de dagvaarding heeft [de gedaagde] betoogd dat ze door [betrokkene] en vrienden/bekenden van [betrokkene] is vastgepakt en geslagen en dat zij zich daartegen moest verdedigen. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat dat groepsincident niet op 24 oktober 2022 had plaatsgevonden, maar op een ander, eerder, moment. Op 24 oktober 2022 was er een incident tussen [betrokkene] en [de gedaagde] waarbij, zo vertelde [de gedaagde] , [de gedaagde] een klap heeft gegeven aan [betrokkene] met de vlakke hand, omdat [betrokkene] naar haar wilde uithalen. Dit betekent dat [de gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat op 24 oktober 2022 sprake was van een noodzakelijke verdediging van haar lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Niet gesteld of gebleken is dat [betrokkene] [de gedaagde] als eerste heeft aangevallen. Er is daarom sprake van een onrechtmatige daad (art. 6:162 lid 2 BW).

4.3.

De kantonrechter is ook van oordeel dat geen sprake was van noodweer-exces (art. 41 lid 2 Sr). Daarvoor moet [de gedaagde] stellen en bij betwisting bewijzen dat bij haar sprake was van een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, die het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. Ook daarvoor is, met de uitleg van [de gedaagde] , onvoldoende gesteld. Dat betekent dat de onrechtmatige daad ook aan [de gedaagde] kan worden toegerekend, namelijk op basis van schuld (art. 6:162 lid 3 BW). Er is geen sprake van een schulduitsluitingsgrond.

Is sprake van schade en causaal verband?

4.4.

De kantonrechter is van oordeel dat Zilveren Kruis voldoende heeft onderbouwd dat [betrokkene] schade heeft geleden. Zilveren Kruis heeft erop gewezen dat de politierechter de vordering van de benadeelde partij ( [betrokkene] ) heeft toegewezen en er dus sprake was van materiële en immateriële schade. Daarnaast heeft Zilveren Kruis een specificatie overgelegd van de bedragen die zij rechtstreeks aan de zorgverleners heeft vergoed. Daarom is de conclusie dat [betrokkene] schade heeft geleden door de mishandeling.

4.5.

Wat [de gedaagde] hierover zegt, doet daar niet aan af. Voor zover [de gedaagde] met haar betoog dat bij [betrokkene] sprake was van eigen schuld aan de schade, opnieuw bedoeld heeft te wijzen op noodweer/noodweer exces, gaat dit betoog niet op. Dat is in het voorgaande al aan de orde gekomen. [de gedaagde] heeft haar betwisting van de schade van [betrokkene] ook onderbouwd door erop te wijzen dat [betrokkene] een paar dagen na 24 oktober 2022 aanwezig was op een feest en er toen geen verwondingen bij haar zichtbaar waren. Deze betwisting heeft zij echter onvoldoende onderbouwd, omdat de foto’s ofwel niet dateren van na 24 oktober 2022, ofwel zo onduidelijk zijn dat de kantonrechter er niets uit kan afleiden.

4.6.

[de gedaagde] heeft verder betoogd dat [betrokkene] niet twee keer dezelfde schade vergoed kan krijgen. Ze oppert dat [betrokkene] dezelfde kosten, via het eigen risico, zelf betaald kan hebben en die (dus) al via het strafproces (toewijzing vordering benadeelde partij) vergoed zijn. Daarnaast betwist ze de redelijkheid van de kosten en het causaal verband. Ook dit maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. Zilveren Kruis heeft onderbouwd gesteld dat de zorgkosten op 24 oktober 2022 en kort daarna (31 oktober 2022) gemaakt zijn. [de gedaagde] heeft ook niet uitgelegd wat er volgens haar ongebruikelijk is aan het gaan naar een huisarts na een mishandeling, het vervolgens krijgen van een doorverwijzing naar het ziekenhuis en tot slot het gaan naar een apotheek. De kantonrechter gaat er dus vanuit dat dit allemaal gebeurd is. Dat aan het zien van zorgverleners vervolgens kosten verbonden zijn, is ook niet ongebruikelijk. Zilveren Kruis heeft toegelicht dat de kosten overeen komen met de zorgtarieven die in Nederland worden vastgesteld. Die kunnen dus, zo begrijpt de kantonrechter, in rekening worden gebracht. Tot slot geldt dat [de gedaagde] haar betoog dat de kosten mogelijk al via het strafproces zijn vergoed onvoldoende heeft onderbouwd. Zilveren Kruis heeft duidelijk gemaakt dat deze kosten niet via het strafproces zijn vergoed, omdat Zilveren Kruis zich in dat proces niet had gevoegd. [betrokkene] heeft deze kosten ook niet zelf gedragen, want Zilveren Kruis heeft deze kosten rechtstreeks aan de zorgverleners vergoed. Alle betwistingen van [de gedaagde] zijn dus onvoldoende.

Relativiteit

4.7.

Volgens [de gedaagde] ziet de geschonden norm niet op bescherming van de schade zoals Zilveren Kruis die stelt te hebben geleden. De kantonrechter begrijpt dat [de gedaagde] van mening is dat zij niet verplicht is schadevergoeding te betalen, omdat de norm die zij geschonden heeft (ze heeft iemand mishandeld), niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals Zilveren Kruis die heeft geleden (art. 6:163 BW). De kantonrechter gaat hier niet in mee. De wetgever heeft expliciet beoogd om iemand die een onrechtmatige daad pleegt, daarvoor onder bepaalde omstandigheden schadevergoeding te laten betalen. Nu, in plaats van [betrokkene] , Zilveren Kruis de schade heeft geleden (Zilveren Kruis heeft de nota’s van de zorgverleners vergoed), moet [de gedaagde] deze schadevergoeding aan Zilveren Kruis betalen. Dat volgt uit het systeem van de wet omtrent subrogatie. Dat [de gedaagde] , via haar eigen premiebetaling van haar zorgverzekering, vanuit de solidariteitsgedachte, dezelfde schade vergoed heeft is onjuist. Premiebetalers hoeven niet mee te betalen aan zorgkosten die gemaakt worden door strafbare gedragingen. Daarvoor bestaat het regresrecht van onder andere zorgverzekeraars.

Geen matiging en geen betalingsregeling

4.8.

De kantonrechter zal niet overgaan tot matiging op grond van art. 6:109 BW. [de gedaagde] heeft gesteld dat [de gedaagde] jongmeerderjarig is en over onvoldoende financiële middelen beschikt om de schade van Zilveren Kruis te betalen. Dat is onvoldoende om te concluderen dat toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

4.9.

[de gedaagde] heeft verzocht om een betalingsregeling. De kantonrechter is niet bevoegd om partijen een betalingsregeling op te leggen. Voor het treffen van een betalingsregeling kan [de gedaagde] zich wenden tot (de gemachtigde van) Zilveren Kruis.

Buitengerechtelijke incassokosten, rente en proceskosten

4.10.

Zilveren Kruis vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat Zilveren Kruis voldoende heeft aangetoond dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. [de gedaagde] heeft niet betwist dat de aanmaningen door haar zijn ontvangen. Voor de omvang van de vergoeding wordt aangesloten bij de tarieven die zijn geformuleerd in het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, hoewel dit besluit niet direct van toepassing is. Deze tarieven worden geacht redelijk te zijn. Daarom zal het bedrag van € 114,50, inclusief btw worden toegewezen. Rechtbank Gelderland 3 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5922