Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 130524 mishandeling door collega-militair tijdens vrijwillige stapavond in weekend-break gedurende militaire oefening geen bedrijfsongeval

RBDHA 130524 mishandeling door collega-militair tijdens vrijwillige stapavond in weekend-break gedurende militaire oefening geen bedrijfsongeval

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om een door eiser overkomen ongeval op 22 oktober 2022 niet aan te merken als een bedrijfs- of dienstongeval.

1.1.

Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 6 april 2023 genomen. Met het bestreden besluit van 2 mei 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.

1.2.

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (partner van eiser), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is als militair in dienst van Defensie en heeft in oktober 2022 deelgenomen aan een militaire oefening in Griekenland. Tijdens een ingelaste weekend-break is hij op 22 oktober 2022 na een stapavond door een collega mishandeld. Eiser heeft hier verschillende medische klachten aan overgehouden. Verweerder heeft besloten het ongeval niet aan te merken als een bedrijfs- of dienstongeval, omdat er op dat moment geen sprake was van uitoefening van de militaire dienst. Eiser stelt dat er wel sprake is van een bedrijfsongeval.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser stelt dat hij op het moment van het plaatsvinden van het ongeval onder bevel stond. De mishandeling vond immers plaats op een opgedragen verzamelplaats, waar alle militairen zich op een vooraf bepaald tijdstip dienden te verzamelen. Voorts wijst eiser erop dat er een buscommandant was aangesteld. Het was diens verantwoordelijkheid om op de opgedragen verzamelplaats de veiligheid van de militairen te garanderen. Verder heeft verweerder zijn zorgplicht jegens eiser geschonden. Zo is eiser medisch onvoldoende onderzocht en had hij met zijn klachten niet terug op het vliegtuig naar huis mogen worden gezet. Hij is hierdoor beperkt in zijn herstel. Verweerder heeft hiermee eveneens in strijd gehandeld met het goed werkgeverschap. Gelet op deze omstandigheden is er wel degelijk sprake van een bedrijfsongeval.

Wat zijn de regels?

4. De toepasselijke regels zijn opgenomen in de bijlage bij de uitspraak.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. Eiser heeft bij brief die op 19 maart 2024 door de rechtbank is ontvangen aanvullende gronden ingediend. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat deze stukken te laat zijn ingediend en de rechtbank ze daarom buiten beschouwing moet laten. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het de voorkeur had gehad dat deze gronden eerder waren ingediend. Zeker nu het beroep al geruime tijd bij de rechtbank aanhangig is en de zitting op verzoek van eiser meermalen is uitgesteld. Echter nu niet is gebleken dat verweerder niet inhoudelijk op deze gronden kon reageren, zullen de aanvullende gronden wel worden meegenomen.

6. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of het incident van 22 oktober 2022 kan worden gekwalificeerd als een bedrijfsongeval. Om te kwalificeren als bedrijfsongeval moet het incident plaats hebben gevonden tijdens de uitoefening van de militaire dienst en, meer specifiek in dit geval, moet er sprake zijn geweest van een expliciet of impliciet gegeven dienstbevel.1

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten het incident van 22 oktober 2022 niet als een bedrijfsongeval aan te merken. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat deelname aan de weekend-break en de daartoe behorende stapavond een vrijwillig karakter hadden. Er bestond voor eiser geen verplichting om aan deze activiteit deel te nemen. Dat de militairen die deelnamen aan de weekend-break wel werden geacht tijdig te verzamelen om terug te gaan aan het einde van de avond, maakt niet dat eiser op dat moment wel weer in de uitoefening van de militaire dienst was omdat hij gehoor zou hebben gegeven aan een dienstbevel. Het incident heeft niet plaatsgevonden tijdens de dienstuitoefening en stond ook niet in verband met enigerlei dienstverrichting.

8. Dat verweerder niet zou hebben voldaan aan zijn zorgplicht jegens eiser, is niet relevant voor de vraag of het incident kan worden gekwalificeerd als een bedrijfsongeval. Ditzelfde geldt voor zijn betoog dat verweerder in strijd zou hebben gehandeld met het goed werkgeverschap.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. ECLI:NL:RBDHA:2024:8524

1Zie artikel 2, eerste en derde lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen.