Zoeken

Inloggen

Artikelen

HR 120713 art. 81 lid 1 RO; provincie niet aansprakelijk voor letselschade veroorzaakt door boomtak met plakoksel

HR 120713 art. 81 lid 1 RO; provincie niet aansprakelijk voor letselschade veroorzaakt door boomtak met plakoksel

het arrest van het Hof Arnhem is niet gepubliceerd, in eerste aanleg: rb-arnhem-041109-tak-met-plakoksel-valt-van-boom-geen-sprake-van-onzorgvuldig-handelen

3 Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. ECLI:NL:HR:2013:102

A-G Spier concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, uit zijn conclusie:

3 Inleiding
3.1
De wetgever heeft er bewust voor gekozen om de risicoaansprakelijkheid van art. 6:174 BW niet uit te strekken tot bomen.5 Een andere keuze was mogelijk geweest en is ook gemaakt in Frankrijk, zij het dat de daar geldende risicoaansprakelijkheid niet geldt voor staatsbomen;6 ook in België7 en ten dele in Zwitserland geldt een risicoaansprakelijkheid.8

3.2
De door de wetgever gemaakte keuze brengt mee dat, zoals partijen, Rechtbank en Hof ook met juistheid tot uitgangspunt nemen, de aansprakelijkheid van de Provincie zal moeten worden beoordeeld op de voet van art. 6:162 BW.9 Eveneens gaan zij er terecht van uit dat het in het bijzonder aankomt op de kelderluik-factoren.

3.3.1
Ten dele zijn de stellingen van partijen voldoende concreet. Op één belangrijk, zoal niet doorslaggevend, punt (de kans op het ongelukken als gevolg van het afbreken van dit soort takken) blijven partijen evenwel steken in nietszeggende algemeenheden.

3.3.2
Het had m.i. vooral op de weg van [eiser], als eisende partij, gelegen om te dezer zake klare wijn te schenken. Zoals uit de – voor mijn doen – uitzonderlijke uitvoerige weergave van het procesverloop moge blijken, heeft hij die gelegenheid niet benut.

3.3.3
Het valt het Hof niet euvel te duiden dat het eveneens blijft hangen in algemeenheden; zie met name rov. 4.7, 4.11 en 4.12. In rov. 4.12 wordt gerept van “de beperkte waarschijnlijkheid”. De kans op (ernstige) schade als gevolg van het bij (harde)10 wind afbreken van “plakokseltakken” van beukenbomen (met een leeftijd als de onderhavige) behoort m.i. niet tot het domein van de feiten die van algemene bekendheid zijn. Het Hof had m.i. niet de vrijheid om zelf op onderzoek uit te gaan. Dat brengt mee dat de proceskansen in cassatie voor [eiser] al aanstonds ongunstig zijn. Een kernelement uit de kelderluikcriteria kon daarom immers niet behoorlijk, of in elk geval niet anders dan op grond van rechterlijke intuïtie, in de afwegingen worden betrokken omdat daarover veel te weinig bekend is.

3.3.4
Ik haast mij aan het voorafgaande toe te voegen dat het in voorkomende gevallen, en naar bij enig ambtshalve uitgevoerd onderzoek blijkt vermoedelijk ook in de onderhavige zaak, moeilijk is om concrete gegevens die voldoende houvast bieden te vinden. Daarin schuilt een intrinsieke, zij het dan ook onvermijdelijke, zwakte van de kelderluik-factoren. Van Dam heeft er, m.i. terecht, op gewezen dat deze hindernis door de rechter in voorkomende (vermoedelijk veel) gevallen gemakkelijk wordt genomen door – oneerbiedig gezegd – op niets gebaseerde aannames over met name de kans op ongevallen in het door hem te beslechten geschil. Aannames die, naar ook Van Dam schrijft, niet zelden worden gemaakt als sprong naar een wenselijk geacht resultaat.11

3.4
Men zou met betrekking tot de onder 3.2 en 3.3 gemaakte opmerkingen kunnen tegenwerpen dat zelfs een kleine kans op ernstig letsel doorgaans voldoende is om een handelen of nalaten als nalatig te bestempelen wanneer de kans zich heeft verwezenlijkt.12 Er is inderdaad rechtspraak van Uw Raad voorhanden die deze conclusie lijkt te rechtvaardigen.13 Maar men zij voorzichtig voorbarig conclusies te trekken.

3.5
In de eerste plaats betekent een, in de bewoordingen van het Hof, “beperkte waarschijnlijkheid van uitbreken” allerminst dat elk “uitbreken” schade tot gevolg heeft. Het is m.i. een feit van algemene bekendheid dat dit doorgaans niet het geval is. Na stormen nemen we in vaak afgewaaide takken waar. Gelukkig raken deze relatief14 zelden personen (of zaken) en als ze dat al doen, dan is relatief weinig sprake van ernstige schade.

3.6
Juridisch past voorzichtigheid om spoedig aan te nemen dat het in het leven roepen van of het laten bestaan van kleine kansen tot aansprakelijkheid leidt. In de arresten waarin zelfs bij verwezenlijking van kennelijk erg kleine aansprakelijkheid werd aangenomen, was het doorgaans gemakkelijk en goedkoop om ex ante de (ex post) nodig geachte maatregelen te nemen. Dat geldt zeker ook voor de in voetnoot 13 genoemde arresten. In casu heeft de Provincie – niet weersproken – aangevoerd dat de kosten zéér aanzienlijk zouden zijn (geweest); zie hiervoor onder 2.11.

3.7.1
Het gemakkelijk aannemen van aansprakelijkheid in zaken als de onderhavige zou de weg naar aansprakelijkheden in talloze andere zaken kunnen ontsluiten. Zonder te willen zeggen dat dit er het gevolg van zou moeten zijn, valt onder veel meer te denken aan (letsel)schade als gevolg van neervallende dennenappels of kastanjes, het struikelen over boomwortels, of het ten val komen op door modder of bladeren glad geworden paden en zo meer. Ik heb het dan nog maar niet over in het wild groeiende voor de menselijke consumptie minder geschikte paddestoelen en zo meer. In de meeste van die gevallen was het allicht denkbaar geweest om ex ante maatregelen te treffen. Als pars pro toto noem ik andermaal de kastanjebomen. Deze hadden bijvoorbeeld kunnen worden vervangen door andere bomen. Rechterlijke uitspraken die tot dit laatste nopen, betreden het terrein van de politiek en zijn daarom in mijn ogen minder wenselijk.15 Het is niet aan de rechter om “natuurbeleid” gestalte te geven en om oordelen te vellen over de vraag welke bomen nuttig en verwantwoord zijn,16 gesteld al dat de rechter dat zou kunnen beoordelen.

3.7.2
De repliek onder 5, die de gevolgen van aansprakelijkheid geheel op de onderhavige zaak betrekt, ziet aan de mogelijke olievlekwerking van het gemakkelijk aannemen van aansprakelijkheid voorbij.

3.8
Ook hier is een tegenwerping denkbaar, maar we komen dan al gauw in een juridische catch 22-situatie. Men zou kunnen betogen dat, om maar te blijven bij het kastanjeboomvoorbeeld, een gebod tot kap afstuit op art. 6:168 BW, maar dat het niet kappen niet in de weg staat aan aansprakelijkheid. Maar in die juridisch vlekkeloze redenering is toch niet zo gemakkelijk verklaarbaar waarom de aansprakelijkheid zou kunnen worden gebaseerd op het niet-kappen.

3.9.1
Hoewel de parallel niet geheel opgaat, kan ook worden gedacht aan de aansprakelijkheid voor wilde dieren die met enige regelmaat (ernstige) schade berokkenen. Alleen al in het gebied van de Veluwe zijn in de periode 2003-2007 1.777 ongevallen met wilde dieren geregistreerd, waarbij twee (klaarblijkelijk dodelijke) slachtoffers vielen.17 Volgens een scriptie van Jan Willem Ooms (link LSA-LM) zouden in ons land jaarlijks 5.500 aanrijdingen plaatsvinden met edelherten, damherten, reeën en wilde zwijnen. Per jaar, zo begrijp ik, worden gemiddeld 16,2 wildongevallen geregistreerd waarbij gewonden zijn gevallen. Ooms veronderstelt dat het er in werkelijkheid meer zijn.18

3.9.2
Welnu, voor schade berokkend door wilde dieren is de Staat niet risico-aansprakelijk.19 Ik zou niet spoedig willen aannemen dat hij wél aansprakelijk is op grond van art. 6:162 BW omdat hij heeft nagelaten allerlei staatsgronden van passende omheining te voorzien, nog daargelaten dat zodanige omheining de vrije toegang belemmert.20 Dat de wetgever voor dergelijke gevallen de deur van art. 6:179 BW heeft gesloten, illustreert m.i. andermaal dat voorzichtigheid past bij het in dergelijke situaties gemakkelijk aannemen van aansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW op grond van, iets ongenuanceerd uitgedrukt, gekunstelde zorgplichten.

3.10
Ik zeg hiermee allerminst dat niets te zeggen valt voor verdergaande slachtofferbescherming in zaken als zojuist besproken, zeker wanneer het – zoals in de onderhavige zaak – gaat om ernstig letsel. In talloze gevallen kan de ernst van het letsel een rol spelen, in voorkomende gevallen ook bij het gestalte geven van de zorgvuldigheidsnorm.21 Maar naarmate de gevolgen van aansprakelijkheid dieper ingrijpen en al helemaal wanneer het onmogelijk is om duidelijke grenzen van bepaalde aansprakelijkheden te markeren, is voorzichtigheid op haar plaats. Ik mocht daarop in talloze conclusies reeds wijzen. Ik kom daarop onder 5 nog terug. (...) ECLI:NL:PHR:2013:19

Deze website maakt gebruik van cookies