RBDHA 200426 burn-out/PTSS wn-ster RIVM/RWS; geen billijke vergoeding; geen aansprakelijkheid, geen beroepsziekte
- Meer over dit onderwerp:
RBDHA 200426 burn-out/PTSS wn-ster RIVM/RWS; geen billijke vergoeding; geen aansprakelijkheid, geen beroepsziekte
2De feiten in de zaak van het verzoek en in de zaak van het tegenverzoek
2.1.
[verzoekende partij] , geboren op [geboortedatum] 1978, is op 1 februari 2018 in dienst getreden bij het RIVM, onderdeel Dienst Vaccinvoorziening Preventieprogramma’s (DVP), in de functie van Adviseur bedrijfsvoering/ projectcontroller voor 36 uur per week. [verzoekende partij] werkte volgens een vast rooster 4 x 9 uur per week, waarbij de maandag zijn roostervrije dag was.
2.2.
In een e-mail van 30 november 2022 schrijft [verzoekende partij] aan zijn meerdere, [naam 3] (hierna: [naam 3] ):
“(…) @ [naam 3] Ik heb je vaak genoeg aangegeven dat ik de steeds groeiende DVP niet in mijn eentje kan blijven doen, inwerking slecht verlopen, workload is hoog, heel veel dingen lopen binnen DVP niet goed en als gevolg daarvan moet ik soms werk laten vallen (zoals bijvoorbeeld TK’s oktober) of ‘s avonds en of op mijn roostervrije maandag doorwerken. Ik ben een mens en de hoeveelheid werk bij mij die ik aankan heeft allang zijn grens bereikt. (…)”
2.3.
Op 7 maart 2023 schrijft [verzoekende partij] vervolgens aan mw. [naam 4] :
“(…) “Gisteren was mijn roostervrije dag, tot nu toe zit ik als projectcontroller in mijn eentje heel DVP te doen, ondersteuning vanuit projectbeheer is bedroevend en daardoor weekenden vaak werken. Kortom ik doe mijn stinkende best om iedereen en dan ook iedereen vanuit mijn positie te ondersteunen echter meer dan dat kan ik niet doen. Daar waar het kan kan en daar waar het niet kan, verwacht ik in ieder geval naar mijn persoon toe begrip. (…)”
2.4.
Per 1 juni 2023 is [verzoekende partij] op eigen verzoek overgestapt naar RWS. Daar was hij werkzaam binnen het onderdeel Grote Projecten en Onderhoud (hierna: RWS-GPO) in de functie van Senior Financieel Expert Projectbeheersing tegen een salaris van laatstelijk € 5.389,87 exclusief IKB en overige emolumenten.
2.5.
Om zijn vertrek bij het RIVM aan te kondigen stuurt [verzoekende partij] op 11 april 2023 een e-mail aan 19 directe collega’s van zijn afdeling DVP. In deze e-mail schrijft [verzoekende partij] – voor zover hier relevant – het volgende:
“Beste collega’s
Helaas moet ik jullie mededelen dat ik het RIVM ga verlaten als gevolg van jarenlange ernstige misstanden binnen bedrijfsvoering althans binnen het RIVM (zie bijgesloten 2 van de vele gevallen). Het is ontzettend jammer om tot deze keuze te moeten komen, echter een veilige werkplek, mijn gezondheid en rust in mijn leven stel ik op de eerste plaats. Bovendien werk ik, als oud lid van de Ondernemingsraad RIVM, aan dit soort misstanden niet mee en kijk ik vooral niet weg wanneer RIVM-collega’s mij om hulp vragen. Omzien naar elkaar hoort binnen het RIVM als omgangsnorm te gelden echter uit praktijk blijkt met name binnen Bedrijfsvoering dit totaal anders te zijn. Binnen Bedrijfsvoering worden medewerkers op een verschrikkelijke manier van hun baan weggepest met zelfs gedachten tot zelfdoding onder een aantal collega’s. Van stafhoofden tot aan DG-RIVM kijken jarenlang steeds weg van de situatie en doen niets en dan ook niets aan dit soort misstanden die voortvloei(d)en uit wanbeleid. Daar komt bij dat OR RIVM zich onbehoorlijk heeft gedragen en dus de belangen van RIVM-medewerkers ernstig heeft veronachtzaamd (zie 2 bijgesloten e-mail). Overduidelijk is dat ik niet pas in dit cultuur.
(…)
Bij deze e-mail heeft [verzoekende partij] onder meer 2 andere e-mails gevoegd: een e-mail van collega [naam 5] (hierna: “ [naam 5] ”) van 21 september 2022 aan de RIVM-bedrijfsarts. Deze e-mail heeft [naam 5] op 21 september 2022 aan [verzoekende partij] doorgestuurd. In de e-mail aan de RIVM-bedrijfsarts schrijft [naam 5] onder meer dat haar leidinggevende met een loonstop dreigt en dat zij daarom tegen haar wil aan het re-integratieverzoek heeft meegewerkt en dat haar leidinggevende het advies van de bedrijfsarts niet opvolgt en daarmee roekeloos handelt en geen rekening met haar gezondheid houdt. Deze psychische druk is zodanig dat zij aangeeft dat zij verder leven op deze manier niet meer ziet zitten en eigenlijk niet verder wil leven.
Daarnaast is bijgevoegd de reactie van [verzoekende partij] aan [naam 5] van 21 september 2022, met in CC enkele OR-leden en de vertrouwenspersoon. Verder is bijgevoegd de e-mail van de advocaat van [naam 5] aan het RIVM.
2.6.
Op 14 april 2023 wordt [verzoekende partij] geschorst in afwachting van de uitkomst van een door het RIVM ingesteld onderzoek in verband met het versturen van – kort gezegd – de e-mail van 11 april 2023 met vertrouwelijke informatie over een collega.
2.7.
In een e-mail van 26 april 2023 schrijft [verzoekende partij] aan [naam 3] :
“ [naam 3] , zoals zojuist telefonisch besproken en zoals je wist heb ik de maandagen vanaf 2022 tot en met voor de onrechtmatige schorsing gewerkt. Maandagen ben ik conform rooster roostervrij echter toch gewerkt zoals je ook al wist. Die uren dat ik op de maandagen heb gewerkt kon ik, zoals je ook al wist, niet opnemen als tijd voor tijd aangezien ik geen enkel ondersteunende project controller had om samen DVP te kunnen bedienen. Ik in mijn eentje heb ik vanuit Bedrijfsvoering DVP moeten bedienen met alle consequenties van dien (...)”.
2.8.
In het onderzoeksverslag van het RIVM van 11 mei 2023 staat onder meer dat onderzocht wordt of sprake is van smaad in verband met het door [verzoekende partij] openbaar maken van bijzondere informatie over een collega aan een grote groep mensen. Opgemerkt wordt dat sprake kan zijn van smaad indien de expliciete toestemming van betrokkene ontbreekt. In dat verband wordt in het onderzoeksverslag opgemerkt dat een verklaring van [naam 5] cruciaal is voor het onderzoek in deze. In het onderzoeksverslag wordt vermeld dat er verschillende pogingen zijn ondernomen om contact met haar te leggen, maar dat [naam 5] in alle gevallen niet heeft gereageerd op de verzoeken om in contact te komen. In het onderzoeksverslag staat vervolgens:
“(…)
8. Conclusie
(…)
Voor zover nu bekend is, heeft [verzoekende partij] de informatie wel gekregen van [naam 5] maar is er geen enkel aantoonbaar bewijs dat [verzoekende partij] expliciete toestemming heeft gekregen van [naam 5] voor het verder doorsturen van deze bijzondere informatie naar een aantal medewerkers van het RIVM.(…)”
2.9.
Per brief van 30 mei 2023 stuurt de directeur-generaal van het RIVM aan [verzoekende partij] een voornemen tot strafoplegging. In de brief staat dat hij met het delen van de vertrouwelijke e-mails over de gezondheid van een collega in strijd met de Gedragscode Integriteit Rijk 2020 heeft gehandeld en zich daarmee niet als goed ambtenaar heeft gedragen. Deze feiten rechtvaardigen het opleggen van de straf van een schriftelijke berisping, tenzij [verzoekende partij] in het gesprek zaken naar voren brengt die de visie op de feiten wijzigt.
2.10.
Op 27 juni 2023 stuurt [verzoekende partij] een e-mail aan [naam 5] waarin hij vraagt om een bevestiging dat hij expliciete toestemming heeft gekregen om haar gegevens te delen met OR en overige medewerkers binnen het RIVM. [naam 5] heeft diezelfde dag gereageerd dat zij toestemming heeft gegeven om de misstanden te melden.
2.11.
Tegen het voornemen tot strafoplegging maakt (de gemachtigde van) [verzoekende partij] op 30 juni 2023 schriftelijk bezwaar.
2.12.
Op 5 juli 2023 vindt een gesprek plaats tussen [verzoekende partij] en zijn leidinggevenden bij RWS, [naam 6] (hierna: “ [naam 6] ”) en [naam 7] (hierna: “ [naam 7] ”). Tijdens dat gesprek komt het integriteitsonderzoek en de schorsing bij het RIVM ter sprake. [verzoekende partij] stuurt naar aanleiding daarvan een afschrift van de door zijn gemachtigde ingediende zienswijze tegen het voornemen tot strafoplegging aan [naam 6] en [naam 7] door.
2.13.
Op 11 juli 2023 neemt [naam 6] telefonisch contact op met [verzoekende partij] en deelt zij hem mede dat zij de kwestie met het RIVM door wil sturen naar de afdeling juridische zaken voor advies. [verzoekende partij] stuurt haar daarna – voor zover relevant – de volgende e-mail:
“(...)
Terugkomend op ons telefonisch onderhoud van zojuist het volgende.
Onderstaande kwestie heb ik in vertrouwen met jou en [naam 7] gedeeld. Je hebt mij aangegeven zojuist dat je onderstaande kwestie naar afdeling juridische zaken wilt doorsturen om advies.
Ik vind dat die stap niet nodig is want dan raak ik onnodig beschadigd binnen RWS en daarnaast ik heb je deze kwestie in vertrouwen gedeeld.
(…)
Ik heb je ook medegedeeld zojuist dat ik heb besloten om niet meer bij RWS te werken daar, mede gelet op de situatie met de MPBers van project [project] , dit niet de omgeving is waarin ik wil werken. Dit zegt mijn gevoel.
Uiteraard blijf ik doen wat men van mij verwacht wordt en zal ik me, wat er ook van zij, inzetten voor het project tot ik een andere baan heb gevonden.
Ik ga rustig op zoek naar een andere baan en daarom is het óók niet passend en noodzakelijk dat onderstaande kwestie door jou wordt gedeeld binnen de rest van de organisatie. (…)”
[naam 6] reageert daarop per e-mail van diezelfde dag:
“(…)
Mijn behoefte aan juridisch advies komt voort uit het volgende. Tijdens de sollicitatie heb je gezwegen over het lopende integriteitsonderzoek en de schorsing. Vervolgens ben je vaak afwezig geweest zonder dat je daar een goede reden voor hebt gegeven. Ik wil een weloverwogen standpunt kunnen innemen met betrekking tot het gedrag dat je hebt laten zien bij RWS. Het dossier dat je me stuurde is daarbij ook belangrijk. Jouw zienswijze op de voorgenomen bestraffing zal door RIVM leiden tot een besluit. Ik hoor graag van je welk besluit RIVM heeft genomen. (…)”
2.14.
Op 17 juli 2023 meldt [verzoekende partij] zich per e-mail ziek. Hij schrijft daarbij onder meer het volgende:
“(…)
[naam 6] nogmaals ik stel voorop dat je in de hoedanigheid van afdelingshoofd/leidinggevende een voorbeeldfunctie vervult als het gaat om integriteit en uitvoering geven aan goed werkgeverschap. Ik ben door jouw beticht van alles en nog wat die ik overigens heb kunnen weerspreken. Jouw handelen in deze is niet wat ik van een leidinggevende verwacht. Ik ben slachtoffer van het handelen en nalaten van het RIVM en daarbovenop krijg ik de wind van voren bij RWS met kennelijk als doel om mij eruit te werken. Ik ben diep teleurgesteld en zoals ik je reeds heb aangegeven, heb ik geen vertrouwen in je meer. Middels deze mail meld ik me ziek en verwacht ik dat je deze ziekmelding kenbaar maakt bij de bedrijfsarts, waarmee ik graag een gesprek wil. Hoe het nu ging bij het RIVM en hoe het nu gaat bij Rijkswaterstaat loop ik schade op schade op en kom ik niet eens in de gelegenheid om deze te kunnen verwerken laat staan om te helen van alles wat er gebeurd is en nog steeds gaande is met de RIVM kwestie en wat er nu door jou handelen met mij wordt aangericht. (…)”
2.15.
Bij brief van 18 juli 2023 trekt de directeur-generaal van het RIVM het voornemen tot het opleggen van een schriftelijke berisping voorwaardelijk in en krijgt [verzoekende partij] een schriftelijke waarschuwing. Reden daarvoor is dat het de directeur-generaal niet duidelijk is of de toestemming van [naam 5] om misstanden aan te kaarten ook ziet op de verspreiding van haar medische informatie. Daarnaast was het delen met directe collega’s niet strikt noodzakelijk om zijn doel te bereiken.
2.16.
De bedrijfsarts schrijft in zijn terugkoppeling naar aanleiding van het consult van 27 juli 2023 dat starten met re-integreren momenteel niet verstandig is.
2.17.
Op 8 december 2023 geeft de bedrijfsarts op verzoek van RWS een nader advies over de wijze waarop contact dient te worden onderhouden. In de terugkoppeling van de bedrijfsarts staat het volgende:
“(…)
Betrokkene is verwezen naar de 2elijn voor een behandeling. Starten met re-integreren is niet verstandig. De werkgever heeft de bedrijfsarts vragen gesteld over het contact tussen werknemer-werkgever. Hierover het volgende. Werknemer is momenteel volledig arbeidsongeschikt, hierbij zijn er beperkingen op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren. (…) Feitelijk is het aan de werkgever(-werknemer) om op een juiste manier vorm te geven aan het onderlinge contact. De bedrijfsarts kan de werkgever niet ontheffen van de Poortwachter verplichtingen. Naar inzicht van de bedrijfsarts kan er belangstellend contact zijn met werknemer. Op dit moment is het raadzaam het contact te laten plaatsvinden in aanwezigheid van of via een door werknemer aangegeven persoon van voorkeur. Bij aanhoudend moeizaam onderling contact is het ter overweging een (onafhankelijk)casemanager in te zetten. (…)”
2.18.
In juni 2024 wordt aangekondigd dat op grond van paragraaf 8.2 van de CAO Rijk het salaris na 52 weken arbeidsongeschiktheid wordt verlaagd naar 70%. [verzoekende partij] is het daarmee niet eens en stelt zich op het standpunt dat sprake is van een beroepsziekte in de zin van artikel 8 CAO Rijk. [verzoekende partij] en RWS komen overeen dat [verzoekende partij] een medisch adviseur kan inschakelen om te laten beoordelen of sprake is van een beroepsziekte in de zin van artikel 8 CAO. Aan [verzoekende partij] wordt tevens een budget toegekend voor het inschakelen van een advocaat.
2.19.
Vervolgens is de heer [naam 8] van Adviesbureau Kartagena ingeschakeld. In het door de heer [naam 8] opgestelde medisch advies staat dat de diagnose PTSS van de GZ-psycholoog is gebaseerd op het verhaal van [verzoekende partij] en niet op andere bronnen, terwijl dat voor de beoordeling van de aanwezigheid van een beroepsziekte wel relevant is in het kader van causaliteit en diagnose. [naam 8] concludeert dat op basis van de beschikbare informatie niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een door het werk veroorzaakte aandoening.
2.20.
Bij brief van 28 oktober 2024 wordt het verzoek van [verzoekende partij] om zijn ziekte aan te merken als beroepsziekte onder verwijzing naar het verslag van de medisch adviseur afgewezen.
2.21.
In het advies van 15 november 2024 schrijft de bedrijfsarts dat geleidelijk gestart kan worden met re-integreren. Op 3 december 2024 vindt vervolgens een gesprek plaats tussen [verzoekende partij] en RWS waarin RWS te kennen geeft dat [verzoekende partij] vrijgesteld zal worden van werkzaamheden in verband met de ernstig verstoorde arbeidsverhouding. In een gesprek tussen [verzoekende partij] en RWS op 18 december 2024 wordt vervolgens besproken dat ingezet wordt op mediation en dat [verzoekende partij] vanaf 6 januari 2025 toch re-integratiewerkzaamheden zal gaan oppakken.
2.22.
Op 16 januari 2025 krijgt [verzoekende partij] een officiële waarschuwing van RWS. In de brief van RWS aan [verzoekende partij] staat hierover – voor zover hier relevant – het volgende:
“(…)
Ik heb gisteren, 15 januari 2025, in het kader van de Wet verbetering poortwachter per e-mail een aantal vragen aan de bedrijfsarts gesteld. Om in dat proces zo transparant mogelijk te handelen, waar u ook recht op heeft, heb ik u meegenomen in de CC van deze e-mail.
U heeft ervoor gekozen om deze e-mail te beantwoorden, alhoewel deze niet direct aan u gericht was. Deze e-mail heb ik ontvangen in de avond van 15 januari 2025. De inhoud van de e-mail en uw toon geven mij aanleiding hierop te reageren en u een officiële waarschuwing toe te kennen.
De Gedragscode Integriteit Rijk schrijft voor hoe wij professioneel met elkaar dienen om te gaan. Met de uitlating ‘Een tip: hou je gedeisd [naam 9] , niet meer olie op het vuur gooien. Je hebt reeds een brandende haard’, constateer ik dat ik deze inhoud als zeer bedreigend ervaar en zeker grensoverschrijdend is. (…)”
2.23.
[verzoekende partij] meldt zich daarna – eveneens op 16 januari 2025 – opnieuw ziek.
2.24.
Per brief van 23 januari 2025 ontvangt [verzoekende partij] van RWS een kennisgeving dat zijn loon zal worden stopgezet indien hij weigert mee te werken aan re-integratie. Uit de brief volgt dat [verzoekende partij] niet in gesprek wenst te gaan met de casemanager die vanuit RWS verantwoordelijk is voor de re-integratieverplichtingen.
2.25.
[verzoekende partij] heeft medisch adviesbureau Mediathos ingeschakeld om het medisch advies van Kartagena te beoordelen en een second opinion te geven. In het rapport van Mediathos van 18 juli 2025 staat voor zover hier relevant:
“(…)
Advies op basis van bovenstaande bronnen:
Op basis van bovenstaande bronnen is er sprake van een consistent verhaal en beloop van ervaren buitensporig karakter in dé verhouding binnen het werk en de werkomstandigheden,zowel bij het RIVM als bij RWS.
Deze ervaringen van client staan niet op zichzelf. Uit de Cultuuronderzoeken van het FNV blijkt dat deze ervaringen niet louter alleen een ervaring van client zelf zijn, maar structureel aanwezig zijn bij een groot deel van zijn collega’s. Behalve stress, onveilig gevoel en verminderd functioneren als bron van ziekmelding, is er ook onder sommige van zijn directe collega’s sprake van suïcidale gedachten. Client heeft in zijn zeer directe nabijheid deze gedachten en uitvoering van deze gedachten bij collega’s meegemaakt en inmiddels ook zelf ervaren.
Het is zeer aannemelijk dat deze buitensporige werkomstandigheden zeker in meer of mindere mate effect hebben op de emotionele gesteldheid van client en zijn collega’s. Bij cliënt is er gezien zijn langdurig ziekteverzuim zeker sprake van een ernstig effect op zijn emotionele gesteldheid.
De diagnose PTSS zoals gesteld door de GZpsycholoog is gesteld op basis van de in zijn werk opgelopen traumatische ervaringen. De diagnose is geobjectiveerd door de door de GZ psycholoog vastgestelde symptomen.
De psychiater heeft dient eenmalig gezien zodat het stellen van een diagnose niet mogelijk is. De psychiater heeft de situatie beschreven waaruit blijkt dat cliënt ernstige klachten heeft die zijn ontstaan ten gevolge van zijn werksituaties.
Weliswaar heeft cliënt life-events meegemaakt, maar daardoor is nooit een psychische ontregeling ontstaan. De behoefte aan rust en het verschoond blijven van buitensporige werkomstandigheden is een invoelbare wens om een normaal leven te kunnen lijden.
Concluderend:
Op grond van bovenstaande bronnen is het zeer aannemelijk dat er sprake is van een causaal verband tussen de schending van de zorgplicht door de werkgever, met betrekking tot psychosociale arbeidsbelasting en de gevolgen voor client, waaronder PTSS, aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve kenmerken, suïcidale gedachten en een suïcidepoging.
Bovenstaande bronnen geven hiervoor meer dan voldoende informatie.
(…)”
2.26.
Begin oktober 2025 heeft [verzoekende partij] een beslissing ontvangen van het UWV waaruit volgt dat hij per 15 juli 2025 een WIA-uitkering krijgt, naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 64,83%. Ten aanzien van de re-integratie inspanningen van de werkgever schrijft de arbeidsdeskundige dat de inspanningen van de werkgever voldoende zijn, omdat er slechts gedurende een periode van twee maanden sprake is geweest van benutbare mogelijkheden waarin er mogelijkheden waren om re-integratie inspanningen te verrichten. Deze periode is te kort geweest om de mogelijkheden bij de eigen werkgever te onderzoeken en om een adequaat Spoor 2 naar de re-integratiemogelijkheden bij andere werkgevers te starten. Deze periode was ook te kort om het arbeidsconflict adequaat aan te pakken. Waarbij meespeelt dat de bedrijfsarts gedurende langere periodes heeft aangegeven dat contact tussen werkgever en werknemer niet mogelijk was.
3De verzoeken en de verweren
3.1.
[verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
a. voor recht te verklaren:
1. dat er aan de zijde van de Staat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten jegens [verzoekende partij] ,
2. dat de Staat zijn zorg- en nazorgplicht jegens [verzoekende partij] als bedoeld in artikel 7:658 BW niet, althans niet voldoende is nagekomen;
3. dat er in het geval van [verzoekende partij] sprake is van een beroepsziekte als bedoeld in artikel 8 van de CAO Rijk en tevens dat er daarom per november 2024 geen korting op het loon van [verzoekende partij] had mogen worden toegepast;
de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens de daarvoor aangevoerde omstandigheden die maken dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen;
de Staat te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding ten bedrage van € 15.632,53 bruto, aan [verzoekende partij] te voldoen binnen 5 dagen na de ontbindingsdatum;
de Staat te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 2.100.000,- bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen billijke vergoeding, met inachtneming van de bevoegdheid van [verzoekende partij] om zijn verzoek in te trekken als bedoeld in art. 7:686a lid 6 of lid 7 BW, en deze aan [verzoekende partij] te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking;
de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 19.642,37 bruto aanoveruren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van € 9.821,19, een en ander aan [verzoekende partij] te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking;
de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 15.363,78 bruto aan ten onrechte ingehouden loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van € 7.681,89 bruto, aan [verzoekende partij] te volden binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking;
de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 31.878,59 bruto ten titel van opgebouwd maar niet genoten verlof, aan [verzoekende partij] te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking;
de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.995,29 (inclusief btw) ten titel van materiele schadevergoeding, aan [verzoekende partij] te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking;
de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 200.000,00 (netto) ten titel van immateriële schadevergoeding, aan [verzoekende partij] te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking;
de Staat te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 2.347,05 inclusief btw, aan [verzoekende partij] te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking;
de Staat te veroordelen tot vergoeding van de integrale kosten voor verleende rechtsbijstand, tot 1 december 2025 te bepalen op een bedrag van € 11.616,- inclusief btw en vanaf 1 januari 2025 nader en in redelijkheid te bepalen (pro memorie), en te bepalen dat de Staat de reeds opengevallen kosten binnen 5 dagen na dagtekening van de beschikking aan [verzoekende partij] voldoet, althans geheel subsidiair de Staat te veroordelen in de proceskosten, waaronder het salaris gemachtigde en de nakosten;
de Staat te veroordelen om binnen 10 dagen na dagtekening van de beschikking de correcte bruto-nettospecificaties van de aan [verzoekende partij] toe te kennen bruto bedragen aan [verzoekende partij] te verstrekken, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat de Staat hier niet aan voldoet, en met een maximum van € 36.000,-.
de Staat te veroordelen tot betaling aan [verzoekende partij] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
Aan zijn verzoek legt [verzoekende partij] – samengevat – ten grondslag dat de Staat jegens hem ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, waardoor [verzoekende partij] arbeidsongeschikt is geraakt. In dat verband stelt [verzoekende partij] dat de Staat onvoldoende zorg heeft gedragen voor een veilige werkomgeving. In dat kader heeft [verzoekende partij] aangevoerd dat hij bij het RIVM als lid van de ondernemingsraad vaak is aangesproken door medewerkers over onveilige werkomstandigheden waarmee niks werd gedaan. Er was sprake van een sociaal onveilige werkomgeving binnen de afdeling Bedrijfsvoering, waar [verzoekende partij] werkzaam was. [verzoekende partij] heeft ervaren hoe een collega, [naam 5] , ten gevolge van de onveilige werkomgeving worstelde met suïcidale gedachten. Toen [verzoekende partij] hiervoor aandacht wilde vragen en collega’s per e-mail op de hoogte heeft gebracht van de situatie van [naam 5] is hij ten onrechte geschorst en heeft hij ten onrechte een waarschuwing gekregen. De onveilige werkomstandigheden binnen het RIVM hebben geleid tot ernstige gezondheidsproblemen bij [verzoekende partij] . Verder was er bij het RIVM sprake van een hoge werkdruk en werkte [verzoekende partij] structureel over op zijn roostervrije maandag. RIVM weigert de overuren echter uit te betalen. De overuren die het RIVM niet wil uitbetalen, de onterechte schorsing, het onzorgvuldige onderzoek dat het RIVM daarna heeft gedaan evenals de waarschuwing die [verzoekende partij] heeft gekregen, hebben [verzoekende partij] beschadigd en hebben bijgedragen aan zijn latere arbeidsongeschiktheid. [verzoekende partij] stelt verder dat zijn arbeidsongeschiktheid (mede) is veroorzaakt dan wel is verergerd door de werkomstandigheden bij RWS alwaar zijn leidinggevende heeft aangestuurd op een escalatie en [verzoekende partij] is weggepest. Zowel de leidinggevenden binnen het RIVM als RWS hebben verwijtbaar gehandeld en zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Zij hadden de verantwoordelijkheid om [verzoekende partij] een veilige werkomgeving te bieden, maar hebben aan die verantwoordelijkheid niet voldaan. [verzoekende partij] stelt zich verder op het standpunt dat RWS ten onrechte geen beroepsziekte heeft erkend en ten onrechte in het tweede ziektejaar een loonkorting heeft toegepast. De arbeidsongeschiktheid van [verzoekende partij] is het gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van het RIVM en RWS. Ook is RWS haar re-integratieverplichtingen niet correct nagekomen. In dat kader stelt [verzoekende partij] dat RWS heeft verzuimd om tijdig en in overleg een Plan van Aanpak op te stellen. Daarnaast is er tijdens de ziekteperiode van [verzoekende partij] geen contact opgenomen, ondanks het feit dat [verzoekende partij] suïcidale gedachten heeft ervaren als gevolg van onder andere het handelen van RWS. [verzoekende partij] is van oordeel dat de Staat – gelet op al het voorgaande – ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld en dat deze omstandigheden van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst moet worden beëindigd. [verzoekende partij] verzoekt dan ook om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast maakt hij aanspraak op de transitievergoeding, een billijke vergoeding alsmede aanvullende schadevergoedingen.
3.3.
De Staat voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Het RIVM stelt zich op het standpunt dat terecht een integriteitsonderzoek is ingesteld naar aanleiding van de door [verzoekende partij] verstuurde e-mail over collega [naam 5] . Dat dit onderzoek ontoereikend en onzorgvuldig zou zijn, is volgens het RIVM ook niet gebleken. Het RIVM betwist verder dat sprake is van een onveilige werkomgeving. RWS betwist dat sprake is van een schending van haar re-integratieverplichtingen en stelt in dat kader dat uit de terugkoppelingen van de bedrijfsarts volgde dat re-integratie niet verstandig werd geacht en [verzoekende partij] voor een langere periode volledig arbeidsongeschikt is bevonden. RWS stelt dat zij zich steeds heeft gebaseerd op de adviezen van de bedrijfsarts. Zij heeft zorgvuldig gehandeld met betrekking tot het beroepsziekteverzoek door een onafhankelijk medisch adviseur in te schakelen, het loon gedurende dit onderzoek 100% door te betalen en aanvullende afspraken te maken over de kosten. Verder heeft RWS het onafhankelijk medisch advies opgevolgd, hetgeen haar niet kan worden verweten. RWS betwist verder dat de leidinggevende van [verzoekende partij] heeft aangestuurd op escalatie en stelt dat [naam 6] zich juist heeft beperkt tot het volgen van de formele kaders, het inwinnen van juridisch advies waar nodig en het respecteren van medische adviezen. Tot slot voert RWS aan dat zij waarschuwingsbrieven aan [verzoekende partij] heeft verzonden in het kader van haar verplichtingen op grond van de Wet verbetering poortwachter.
3.4.
Als zelfstandig tegenverzoek verzoekt RWS om de arbeidsovereenkomst tegen de vroegst mogelijke datum te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding en daarbij te bepalen dat [verzoekende partij] recht heeft op een transitievergoeding van ten hoogste € 17.442,22 bruto, met veroordeling van [verzoekende partij] in de kosten van de procedure.
3.5.
Op de stellingen en verweren die ten aanzien van het zelfstandig tegenverzoek zijn aangevoerd, zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.
4De beoordeling
Het verzoek
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de Staat ernstig verwijtbaar heeft gehandeld tegenover [verzoekende partij] . Anders dan [verzoekende partij] heeft betoogd is de kantonrechter van oordeel dat niet is gebleken van ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van de Staat. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.2.
[verzoekende partij] stelt in de eerste plaats dat sprake is van een onveilige werkomgeving bij het RIVM waaraan [verzoekende partij] is blootgesteld en wat heeft bijgedragen aan zijn arbeidsongeschiktheid. In dat kader heeft [verzoekende partij] aangevoerd dat hij tijdens zijn dienstverband bij het RIVM lid was van de ondernemingsraad en aldaar vaak meldingen heeft ontvangen van medewerkers over onveilige werksituaties. Het incident met [naam 5] is daar een voorbeeld van, aldus [verzoekende partij] . [verzoekende partij] stelt dat hij met haar alle loketten binnen het RIVM is afgegaan om te zoeken naar een oplossing, maar dat het RIVM niets heeft gedaan.
4.3.
Hoewel de kantonrechter zich kan voorstellen dat het veel impact op [verzoekende partij] moet hebben gehad dat een collega zich tot hem heeft gewend met suïcidale gedachten, is niet gebleken dat [verzoekende partij] zelf te maken heeft gehad met onveilige situaties binnen het RIVM. Uit de stelling van [verzoekende partij] volgt dat collega’s zich tot hem hebben gewend met meldingen over onveilige situaties en dat hij heeft geprobeerd die collega’s te helpen. Datzelfde geldt voor de situatie met [naam 5] . Die gestelde onveilige situaties hebben dus geen betrekking op de werkomgeving van [verzoekende partij] zelf. Uit niets blijkt dat hij zelf onveilige werksituaties heeft meegemaakt. [verzoekende partij] heeft verwezen naar een drietal onderzoeksrapporten van de FNV over de sociale veiligheid binnen de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Justitie en Veiligheid (J&V) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W). Hij verwijst onder meer naar de conclusie van de FNV in het rapport over VWS waarin staat dat mensen vooral bij CIBG, RIVM en PSGD een onveilige werkomgeving ervaren. Ook dit betreft een algemeen rapport. Uit het rapport volgt niet dat en/of op welke wijze [verzoekende partij] zelf met onveilige werksituaties te kampen heeft gehad.
Naar het oordeel van de kantonrechter is dus niet komen vast te staan dat [verzoekende partij] zelf te maken heeft gehad met onveilige situaties op de werkvloer.
4.4.
Aan het gestelde ernstig verwijtbaar handelen heeft [verzoekende partij] verder ten grondslag gelegd dat er sprake was van een hoge werkdruk waardoor [verzoekende partij] structureel heeft gewerkt op zijn roostervrije maandag. [verzoekende partij] stelt dat hij dit vaak ter sprake heeft gebracht en heeft verzocht om versterking, maar dat het RIVM daar niets mee deed. In dat verband wijst [verzoekende partij] op een drietal e-mails van 30 november 2022, 7 maart 2023 en 26 april 2023. Uit die e-mails blijkt dat [verzoekende partij] bij zijn leidinggevende aangeeft dat hij “de steeds groeiende DVP niet in mijn eentje kan blijven doen”, dat hij soms werk moet laten vallen of ’s avonds en op zijn roostervrije maandag moet doorwerken (e-mail 30 november 2022). Ook geeft [verzoekende partij] in zijn e-mail van 30 november 2022 aan dat de hoeveelheid werk die hij aan kan zijn grens allang heeft bereikt. Op 7 maart 2023 schrijft [verzoekende partij] dat hij in zijn eentje heel DVP zit te doen en dat hij zijn stinkende best doet om iedereen vanuit zijn positie te ondersteunen en dat hij meer dan zijn best niet kan doen. Hij vraagt om begrip. In de e-mail van 26 april 2023 schrijft [verzoekende partij] vervolgens dat hij de maandagen vanaf 2022 heeft gewerkt en dat hij die niet kon opnemen als tijd voor tijd en ook geeft hij nogmaals aan dat hij in zijn eentje DVP heeft moeten bedienen. Ter zitting heeft [naam 2] (stafhoofd RIVM) verklaard dat [verzoekende partij] inderdaad heeft aangegeven dat de werkdruk hoog is en dat vanuit het RIVM aan [verzoekende partij] is gezegd dat hij de werkzaamheden niet op zijn roostervrije maandag moet uitvoeren, waardoor ook voor de organisatie zichtbaar zou worden dat de werkzaamheden niet af zouden komen als [verzoekende partij] niet zou overwerken. [verzoekende partij] betwist dat dit tegen hem is gezegd. Wat daar verder ook van zij, naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat [verzoekende partij] op zijn roostervrije maandagen heeft gewerkt. Dit wordt door [naam 2] immers ook erkend. Dat het RIVM zou hebben aangegeven dat hij dit niet moest doen, doet daaraan niet af en blijkt verder ook nergens uit. Dit leidt evenwel niet tot het oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van de Staat. Vast staat dat [verzoekende partij] een drietal e-mails heeft verstuurd over de werkdruk en het werken op zijn roostervrije maandag. De eerste e-mail is verstuurd op 30 november 2022 en de volgende pas op 7 maart 2023. De kantonrechter begrijpt dat [verzoekende partij] daarmee wil onderbouwen dat het RIVM over die periode niets heeft gedaan om de werkdruk te verlichten, maar naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de e-mails onvoldoende dat de werkdruk voor [verzoekende partij] dusdanig hoog was dat dit invloed had op zijn welbevinden. Alleen in de e-mail van 30 november 2022 schrijft [verzoekende partij] dat de hoeveelheid werk die hij aan kan zijn grens heeft bereikt. Daarna heeft hij een opmerking van dergelijke strekking niet meer gemaakt en dus ook pas op 7 maart 2023 weer een e-mail verstuurd over de werkdruk. Evenmin is vast komen te staan dat [verzoekende partij] op een andere manier te kennen heeft gegeven bij het RIVM dat de werkdruk dusdanig hoog was dat hij er psychisch of lichamelijk onder heeft geleden. Tot slot is niet gebleken dat het RIVM (zodanige) druk op hem heeft uitgeoefend om de werkzaamheden koste wat het kost af te ronden waardoor hij psychisch onder druk gezet zou zijn.
4.5.
Vast staat dat [verzoekende partij] op 11 april 2023 een e-mail heeft verstuurd aan 19 directe collega’s om zijn vertrek bij het RIVM aan te kondigen. In die e-mail heeft hij melding gemaakt van misstanden. Ter illustratie daarvan heeft hij meerdere e-mails bijgevoegd, waaronder de e-mail van [naam 5] aan de RIVM-bedrijfsarts waarin zij – kort gezegd – aan geeft niet meer verder te willen leven. Ook is bijgevoegd de reactie van [verzoekende partij] op de e-mail van [naam 5] en de e-mail van de advocaat van [naam 5] aan het RIVM. [verzoekende partij] stelt zich op het standpunt dat van schending van een integriteitsnorm geen sprake was, omdat hij toestemming had van [naam 5] om de informatie te delen. De kantonrechter volgt [verzoekende partij] niet in zijn stellingen dat de schorsing en berisping van het RIVM onterecht waren en het integriteitsonderzoek ontoereikend, onzorgvuldig en onrechtmatig was. Vast staat dat [verzoekende partij] een e-mail heeft rondgestuurd met vertrouwelijke privacygevoelige medische informatie over een collega. Begrijpelijk is dat het RIVM daar onderzoek naar wilde doen. Uit het onderzoeksrapport volgt dat het RIVM het van belang achtte of [naam 5] toestemming had gegeven om die specifieke informatie te delen. Met [verzoekende partij] is de kantonrechter van oordeel dat het omslachtig is dat [verzoekende partij] uiteindelijk zelf met [naam 5] contact heeft moeten opnemen om haar te laten verklaren of zij wel of geen toestemming had gegeven om de informatie te delen. De wijze waarop dit is gegaan, maakt echter niet dat het RIVM ernstig verwijtbaar jegens [verzoekende partij] heeft gehandeld. Dat [naam 5] niet reageert op verzoeken van het RIVM kan hem niet verweten worden. Dat het voornemen tot strafoplegging uiteindelijk wordt omgezet in een waarschuwing maakt dit evenmin. [verzoekende partij] heeft immers vertrouwelijke privacygevoelige medische informatie over een collega rondgestuurd aan 19 collega’s, die daar helemaal geen betrokkenheid bij hadden. Uit het e-mailbericht van [naam 5] blijkt weliswaar dat zij toestemming heeft gegeven om misstanden aan de kaart te stellen, maar met het RIVM is de kantonrechter van oordeel dat daaruit geenszins blijkt dat [naam 5] ook toestemming heeft gegeven om ook haar medische en vertrouwelijke informatie met de collega’s te delen.
4.6.
[verzoekende partij] is vervolgens per 1 juni 2023 overgestapt naar RWS. [verzoekende partij] stelt zich op het standpunt dat de situatie daarna door zijn leidinggevende, [naam 6] , is geëscaleerd en dat hij is weggepest. De kantonrechter begrijpt uit de stukken dat op 5 juli 2023 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen onder andere [verzoekende partij] en [naam 6] en dat [verzoekende partij] tijdens dat gesprek melding heeft gemaakt van de schorsing en het integriteitsonderzoek bij het RIVM. [naam 6] verwijt [verzoekende partij] daarna dat hij daar niet eerder melding van heeft gemaakt en ook heeft zij de kwestie doorgezet aan juridische zaken voor advies. Daar is [verzoekende partij] het niet mee eens. Naar het oordeel van de kantonrechter is het begrijpelijk dat RWS het van belang achtte te weten wat er speelde met betrekking tot het integriteitsonderzoek dat liep bij het RIVM. Dat daarbij op voorhand de afdeling juridische zaken is ingeschakeld zodat de situatie beoordeeld kon worden levert geen verwijtbaar handelen op. Niet gebleken is dat de situatie door toedoen van RWS verder is geëscaleerd.
4.7.
Op 17 juli 2023 meldt [verzoekende partij] zich vervolgens ziek. Anders dan [verzoekende partij] heeft gesteld is niet gebleken dat RWS haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden. Uit de verslagen van de bedrijfsarts volgt dat [verzoekende partij] volledig arbeidsongeschikt was en dat re-integratie niet verstandig werd geacht. De kantonrechter begrijpt uit de stukken dat RWS heeft getracht om een kennismakingsgesprek te organiseren met het nieuwe afdelingshoofd en dat zij mediation heeft aangeboden om de werkrelatie te normaliseren. [verzoekende partij] stelt dat RWS heeft nagelaten een (correct) plan van aanpak op te stellen. Uit de stellingen van RWS volgt echter dat [verzoekende partij] meerdere malen bezwaar heeft gemaakt tegen de formuleringen zoals opgenomen in het plan van aanpak en dat RWS het daarop meerdere malen heeft aangepast. Dat is door [verzoekende partij] niet weersproken. [verzoekende partij] verwijt RWS verder dat zij geen contact met hem heeft opgenomen tijdens zijn ziekteperiode. Daarbij miskent [verzoekende partij] dat de bedrijfsarts gedurende lange periode in zijn adviezen contact tussen [verzoekende partij] en zijn leidinggevenden heeft afgeraden. Daar komt bij dat RWS in december 2023 ook aan de bedrijfsarts advies heeft gevraagd over de wijze waarop contact diende te worden onderhouden. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat niet gebleken is dat RWS haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden. Dit oordeel vindt tevens steun in de WIA-beoordeling van het UWV alwaar de arbeidsdeskundige de re-integratie inspanningen van de werkgever voldoende heeft bevonden.
4.8.
[verzoekende partij] heeft zich verder nog op het standpunt gesteld dat zijn loon ten onrechte met 30% is gekort omdat RWS ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een beroepsziekte in de zin van artikel 8.2 CAO Rijk. Dit standpunt wordt niet gevolgd. RWS heeft zorgvuldig gehandeld waar het betreft de behandeling van het beroepsziekteverzoek van [verzoekende partij] . Zij heeft immers een onafhankelijk medisch adviseur ingeschakeld, het loon 100% doorbetaald gedurende het onderzoek en aanvullende afspraken met [verzoekende partij] gemaakt over de kosten. Dat RWS de conclusie van de medisch adviseur opvolgt kan haar niet worden verweten en kan evenmin als ernstig verwijtbaar worden aangemerkt.
4.9.
[verzoekende partij] was het met het oordeel van de medisch adviseur niet eens en heeft een second opinion gevraagd en in dat kader Mediathos ingeschakeld. Mediathos heeft onderzoek gedaan naar het causaal verband tussen de gestelde schending van de zorgplicht van de werkgever van [verzoekende partij] en zijn arbeidsongeschiktheid. De medisch adviseur komt tot de conclusie dat het zeer aannemelijk is dat er sprake is van een causaal verband. In zijn advies schrijft de medisch adviseur “Op basis van bovenstaande bronnen is er sprake van een consistent verhaal en beloop van ervaren buitensporig karakter in dé verhouding binnen het werk en de werkomstandigheden, zowel bij het RIVM als bij RWS.” Ook heeft de medisch adviseur het over “deze buitensporige werkomstandigheden”. Dit alles wordt echter niet van enige onderbouwing voorzien. Niet duidelijk wordt om wélke buitensporige werkomstandigheden het dan zou gaan en wat er dan zou zijn gebeurd. Naar het oordeel van de kantonrechter kan aan de hand van het rapport van Mediathos dan ook niet worden vastgesteld dat sprake zou zijn van een causaal verband tussen de door [verzoekende partij] gestelde schending van de zorgplicht van de Staat en de arbeidsongeschiktheid van [verzoekende partij] , voor zover al zou komen vast staan dat de Staat haar zorgplicht zou hebben geschonden hetgeen – zoals hiervoor is overwogen – niet het geval is.
4.10.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet is gebleken dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoekende partij] het gevolg is van het ernstig verwijtbaar handelen van de Staat. Op grond van hetgeen in de voorgaande paragrafen is overwogen is immers de conclusie dat niet is gebleken dat de Staat ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verzoekende partij] . De gevraagde ontbinding op die grond zal daarom worden afgewezen. Dit betekent dat er ook geen grond is voor een billijke vergoeding. Omdat de Staat een zelfstandig tegenverzoek heeft ingediend, hoeft [verzoekende partij] niet in de gelegenheid gesteld te worden zijn verzoek in te trekken.
Het zelfstandig tegenverzoek
4.11.
De Staat heeft een zelfstandig tegenverzoek ingediend om de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
4.12.
[verzoekende partij] verzet zich niet tegen het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en erkent dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord. Aldus is sprake van een redelijke grond voor ontbinding op grond waarvan het verzoek zal worden toegewezen. Gelet op het feit dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord en het (medisch gezien) in het belang van [verzoekende partij] is dat het dienstverband op zo kort mogelijke termijn wordt beëindigd, ligt herplaatsing niet in de rede.
4.13.
De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van de Staat zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 9, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 juni 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd (opzegtermijn van twee maanden), verminderd met de duur van deze procedure en met het vereiste dat vanaf de datum van deze beschikking tot aan de ontbindingsdatum nog ten minste een maand dient te resteren.
4.14.
Partijen zijn het erover eens dat [verzoekende partij] recht heeft op een transitievergoeding ter hoogte van € 17.442,22 bruto. Betaling van deze vergoeding binnen vijf dagen na dagtekening van de beschikking zal worden afgewezen, omdat op grond van de wettelijke regeling de Staat gehouden is om de transitievergoeding te betalen binnen een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De wettelijke rente is dan ook pas vanaf die datum verschuldigd (artikel 7:686a lid 1 BW).
4.15.
[verzoekende partij] heeft verzocht om bij een ontbinding op verzoek van de Staat een billijke vergoeding toe te kennen gelijk aan de door hem verzochte billijke vergoeding in het verzoek, alsmede de in het verzoek genoemde overige vergoedingen aan hem toe te kennen, zijnde de betaling van de overuren, het ten onrechte ingehouden loon, het opgebouwde maar niet genoten verlof, de vergoeding van de materiële en immateriële schades, de buitengerechtelijke kosten en de vergoeding van de integrale proceskosten. De kantonrechter zal deze verzoeken hierna bespreken.
Billijke vergoeding, immateriële en materiële schadevergoeding
4.16.
Hiervoor is geoordeeld dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van de Staat, zodat er geen grond is voor toekenning van een billijke vergoeding. Dat verzoek zal daarom worden afgewezen. Dit betekent dat ook geen grond is voor toekenning van een immateriële schadevergoeding.
4.17.
Datzelfde geldt voor de materiële schadevergoeding waarop [verzoekende partij] aanspraak maakt. [verzoekende partij] maakt in dat verband immers aanspraak op vergoeding van de kosten voor het medisch advies van Mediathos. Hij stelt dat hij deze kosten heeft moeten maken om de schade en aansprakelijkheid van de Staat te kunnen vaststellen. Zoals hiervoor is overwogen is niet komen vast te staan dat de Staat ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verzoekende partij] . Daarmee is ook niet komen vast te staan dat sprake is van een beroepsziekte in de zin van artikel 8 van de CAO Rijk. Er is dan ook geen grondslag voor toewijzing van de materiële schadevergoeding.
Overuren
4.18.
[verzoekende partij] maakt aanspraak op betaling van overuren ter hoogte van € 15.456,29 bruto aan achterstallig loon inclusief IKB over 2022 en een bedrag van € 4.186,08 bruto inclusief IKB over 2023. Daarnaast maakt [verzoekende partij] aanspraak op de wettelijke verhoging van 50% ter hoogte van € 9.821,19 bruto. Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt [verzoekende partij] dat hij bij het RIVM in 2022 en een deel van 2023 noodgedwongen op de maandagen heeft gewerkt, terwijl hij formeel op de maandagen vrij was. Zoals onder 4.4. al overwogen staat vast dat [verzoekende partij] op de maandagen heeft overgewerkt. De Staat wordt niet gevolgd in zijn betoog dat het overwerk niet is opgedragen en dat deze overuren daarom niet uitbetaald hoeven te worden. De leidinggevende bij het RIVM heeft weliswaar niet expliciet aan [verzoekende partij] opgedragen om op zijn vrije dag te werken, maar die wist wel dat [verzoekende partij] op zijn vrije dagen zat te werken. Dat heeft [verzoekende partij] immers in e-mails aangegeven. Bovendien is ter zitting ook erkend dat de werkdruk hoog was. De Staat stelt expliciet tegen [verzoekende partij] te hebben gezegd niet op zijn vrije dag te werken, zodat zichtbaar wordt waar de pijnpunten in de organisatie zitten. [verzoekende partij] heeft betwist dat dergelijke gesprekken zijn gevoerd. Nu de Staat die gesprekken niet heeft weten te onderbouwen moet het ervoor worden gehouden dat hij [verzoekende partij] niet heeft gewaarschuwd die werkzaamheden niet uit te voeren. Daardoor heeft de Staat onvoldoende maatregelen getroffen [verzoekende partij] te weerhouden om op zijn vrijde dagen te werken. Daarmee heeft de Staat die overuren impliciet geaccepteerd. Dit betekent dat in het kader van goed werkgeverschap die overuren aan [verzoekende partij] moeten worden uitbetaald. De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen de door [verzoekende partij] overgelegde berekeningen, zodat de kantonrechter de verzochte bedragen aan overuren over 2022 en 2023 ter hoogte van in totaal € 19.642,37 zal toewijzen en de Staat zal veroordelen dit bedrag binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking aan [verzoekende partij] te betalen. De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 15%, zijnde een bedrag van € 2.946,35.
4.19.
De wettelijke rente over de uitbetaling van de overuren zal worden toegewezen op de hierna onder de beslissing vermelde wijze.
Ingehouden loon
4.20.
[verzoekende partij] maakt aanspraak op ingehouden loon over de periode van 1 november 2024 tot medio juli 2025. Anders dan [verzoekende partij] heeft gesteld heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een beroepsziekte in de zin van artikel 8 CAO Rijk. Dit betekent dat de Staat het loon vanaf 1 november 2024 met 30% mocht korten. Het verzoek van [verzoekende partij] wordt op dit punt dan ook afgewezen.
Opgebouwde verlofuren
4.21.
[verzoekende partij] stelt dat hij per 15 december 2025 nog 792 opgebouwde verlofuren heeft openstaan. Hij maakt daarom op basis van een uurloon exclusief IKB ter hoogte van € 34,55 aanspraak op een bedrag van € 31.878,59 bruto inclusief IKB.
4.22.
De kantonrechter volgt de Staat in zijn stelling dat de uitbetaling van openstaande verlofuren een reguliere component van de eindafrekening is. Op dit moment is die vordering nog niet opeisbaar (7:641 BW) en er is evenmin gesteld of gebleken dat de Staat niet zal overgaan tot uitbetaling daarvan. De Staat heeft ter zitting verklaard conform de geldende wettelijke en cao-bepalingen tot afrekening over te gaan voor zover [verzoekende partij] nog aanspraak maakt op uitbetaling van nog niet-genoten verlofuren bij het einde van het dienstverband. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.23.
[verzoekende partij] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, nu het verzuim na 30 juni 2012 is ingetreden. [verzoekende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt. De gevraagde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen over de toegewezen hoofdsom van € 40.030,94 (transitievergoeding en overuren). Op grond van de wettelijke staffel is dit een bedrag van € 1.422,12. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen op de hierna onder de beslissing vermelde wijze.
Bruto- netto specificaties
4.24.
[verzoekende partij] heeft op straffe van een dwangsom verzocht de Staat te veroordelen om binnen tien dagen na dagtekening van de beschikking de correcte bruto-netto specificaties van de aan hem toe te kennen bruto bedragen aan hem te verstrekken. Dit verzoek zal worden toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter geen aanleiding ziet om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden. Gesteld noch gebleken is immers waarom de Staat niet aan deze veroordeling zou voldoen. Daarnaast zal de termijn op veertien dagen na dagtekening van de beschikking worden gezet.
Werkelijke proceskostenveroordeling
4.25.Nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van de Staat is evenmin sprake van een grond voor vergoeding van de integrale proceskosten. Deze vergoeding zal dan ook worden afgewezen. De kantonrechter zal bepalen dat partijen zowel in de zaak van het verzoek als in de zaak van het zelfstandig tegenverzoek ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.Rechtbank Den Haag 20 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14521