Overslaan en naar de inhoud gaan

Hof Arnhem-Leeuwarden 050313 val fietser door spleet naast wegdek; onvoldoende gesteld mbt gebrekkigheid weg

Hof Arnhem-Leeuwarden 050313 val fietser door spleet naast wegdek; onvoldoende gesteld mbt gebrekkigheid weg

eerder in de hoofdzaak: hof-leeuwarden-131211-val-fietser-tijdens-inhaalmanoeuvre-vrachtwagen-vrachtwagen-aansprakelijk

3.  De feiten 
3.1  Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank zijn geen grieven gericht. In appel kan dan ook van deze vaststelling worden uitgegaan. De feiten komen, samen met hetgeen in hoger beroep vast is komen te staan, op het volgende neer. 

3.2  Op 4 oktober 2007 omstreeks 15:12 uur is [X] met zijn racefiets ten val gekomen op het moment dat hij werd ingehaald door een vrachtauto met aanhangwagen (hierna: de vrachtwagencombinatie). [X] is vervolgens onder de vrachtwagencombinatie terecht gekomen en daarbij zwaargewond geraakt. Het ongeval heeft plaatsgevonden op [adres], gelegen buiten de bebouwde kom van [plaats]. De gemeente Deventer is verantwoordelijk voor het beheer van deze weg. De eigenaar van de vrachtwagencombinatie is [naam], van wie Reaal de WAM-verzekeraar is. 

3.3  In het door politie IJsselland opgemaakte 'Proces-Verbaal VerkeersOngevalsAnalyse' van 2 januari 2008 is onder meer het volgende vermeld: 

"2.2.2 Wegsituatie 
(…) 
Het ongeval vond, gezien de rijrichting van beide voertuigen plaats op een recht weggedeelte van [adres]. De rijbaan had een breedte van circa 3,5 meter. Naast de rijbaan waren aan beide zijden grasbetonklinkers aangebracht. 
(…) 

2.3 Aangetroffen sporen 
2.3.1 Sporen op het wegdek 
(…) 
Wij zagen dat de gemeten afstand tussen de rechterzijde van de rijbaan en de linkerzijde van de grasbetonklinkers vlak voor de plaats van het ongeval enigszins varieerde en tussen de 0,03 en 0,05 meter bedroeg (…). 
In de rijrichting, die de racefiets kort voor het ongeval gehad moet hebben, zagen wij recente sporen. Wij zagen dat op diverse plaatsen sprieten gras en bladeren op en tegen de rechterzijkant van het wegdek gedrukt waren en dat op sommige plaatsen de in en aan de rechterzijkant van het wegdek aangebrachte bitumen en kiezels verse beschadigingen vertoonden en/of van deze zijkant afgebroken waren. 
(…) 

5.2 Ongevalsoorzaak, toedracht en gevolg 
(…) 
De bestuurder van de Volvo met aanhangwagen naderde deze fietser van achteren en was volgens zijn verklaring voornemens de fietser links in te halen. Vermoedelijk omdat het voorwiel van de racefiets in de lager gelegen opening (spleet) tussen de grasbetonklinkers terecht kwam, raakte de fietser in onbalans en viel hij met zijn fiets linksom. De fietser viel met zijn fiets op het wegdek, vlak voor de rechter voorwielen van de op dat moment zich schuin linksachter hem bevindende aanhangwagen. (…)" 

3.4  [X] heeft, zoals blijkt uit het proces-verbaal van verhoor van 2 november 2007, ondermeer het volgende verklaard: 

"Ik zag dat de vrachtwagen steeds dichterbij kwam. Ik zag dat ik met mijn fiets niet verder naar rechts kon want ik zag dat er rechts van het asfalt een richel zat en rechts daarvan betonklinkers lagen. Ik weet nog dat ik dacht daar zit gevaar, want ik realiseerde mij dat ik daar met mijn dunne voorwiel in kon komen. 
De vrachtwagen kwam zo verschrikkelijk dichtbij en zat in mijn beleving bijna tegen mij aan, waardoor in toch de beslissing heb gemaakt om die laatste paar centimeters ook naar rechts te sturen. Ik had voor mijn gevoel geen andere keuze. 
Ik kan mij nog herinneren dat ik met het voorwiel in de richel terecht kwam. (…) 

3.5  Bij vonnis van 16 juni 2010 in de hoofdzaak (met zaaknummer / rolnummer 155641 / HA ZA 09-398) heeft de rechtbank voor recht verklaard dat Reaal (als WAM verzekeraar van [naam]) gehouden is de door [X] als gevolg van het ongeval van 4 oktober 2007 geleden en nog te lijden schade volledig te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag waarop de schade van [X] opeisbaar is (geworden) tot aan de dag der algehele voldoening. 

3.6  Bij arrest van 13 december 2011 (zaaknummer 200.074.883) - hersteld bij arrest van 7 februari 2012 - van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft het hof het vonnis van 16 juni 2010 bekrachtigd. 

4. De procedure in eerste aanleg 
4.1 Reaal heeft - samengevat weergegeven - gevorderd dat de gemeente wordt veroordeeld om aan Reaal te betalen al hetgeen waartoe Reaal in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van de gemeente in de kosten van de vrijwaring. 

4.2 De gemeente heeft verweer gevoerd. 

4.3 De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de vorderingen van Reaal afgewezen en Reaal veroordeeld in de proceskosten. 

5. De omvang van het geschil in hoger beroep 
5.1 Bij memorie van grieven heeft Reaal de grondslag van haar vordering uitgebreid, in die zin dat zij zich thans subsidiair op het standpunt stelt dat de gemeente op grond van art. 6:162 BW jegens [X] aansprakelijk is, omdat de gemeente als wegbeheerder gevaarzettend heeft gehandeld door [adres] in te richten als ten tijde van het ongeval het geval was, althans door de gevaarlijke c.q. gevaarzettende toestand waarin de weg zich bevond niet op te heffen. 

5.2 Naar de mening van de gemeente dient op dit subsidiaire standpunt van Reaal geen acht te worden geslagen nu haar beroep op artikel 6:162 BW door Reaal uitsluitend is uitgewerkt onder het kopje "Het standpunt van Reaal", doch niet afzonderlijk in een grief is onderbouwd. 

5.3 Het hof stelt voorop dat als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij de eis geldt dat die gronden behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht zodat zij voor de rechter en de wederpartij, die immers moet weten waartegen zij zich heeft te verzetten, voldoende kenbaar zijn (HR 3 februari 2006, LJN: AU8278). 

5.4 Het hof is van oordeel dat Reaal in de inleiding van haar memorie van grieven, onder het kopje "Het standpunt van Reaal", in voldoende mate kenbaar heeft gemaakt dat zij subsidiair een beroep doet op artikel 6:162 BW. De gemeente heeft in haar memorie van antwoord tevens inhoudelijk gereageerd op de voornoemde vermeerderde grondslag, zodat zij bij het behandelen van deze grief van Reaal niet in haar verdediging wordt geschaad. 

6. Bespreking van de grieven 
6.1 De grieven 1 tot en met 5, gericht tegen verschillende onderdelen van rechtsoverweging 4.4 van het bestreden vonnis, hebben de kennelijke strekking de vraag naar de aansprakelijkheid van de gemeente op grond van artikel 6:174 BW in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen. 

6.2 Het hof stelt voorop dat de rechtbank in het bestreden vonnis bij de beoordeling van de vraag of sprake is van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW, terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat voor aansprakelijkheid van de wegbeheerder is vereist dat de weg qua aanleg, inrichting of onderhoud niet voldoet aan de eisen die daaraan onder de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld en dat, hoewel de berm van een weg niet uitdrukkelijk wordt genoemd in artikel 6:174 lid 6 BW, een redelijke uitleg van die bepaling met zich brengt dat voor de toepassing van artikel 6:174 BW onder weg mede de bij die weg behorende berm dient te worden begrepen wanneer de ligging en de toestand van de berm relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of die weg een gevaar oplevert voor gebruikers.

6.3 Reaal heeft zich in de toelichting op haar grieven vooreerst op het standpunt gesteld dat weggebruikers er in zijn algemeenheid - en in het bijzonder op smalle b-wegen waarop zwaar en breed landbouwverkeer rijdt - vanuit mogen gaan dat de berm een redelijke uitwijkmogelijkheid biedt, hetgeen met name geldt voor fietsers en wielrenners. [X] had er derhalve, zo stelt Reaal, op mogen vertrouwen dat hij van de berm gebruik kon maken om veilig uit te wijken. 

6.4 Het hof is van oordeel dat de betreffende berm geen geschikte uitwijkmogelijkheid voor [X] bood, dit vanwege de zich naast de rijbaan bevindende strook grasbetonklinkers, die door fietsers, en zeker door wielrenners, niet eenvoudig bereden kan worden. Naar het oordeel van het hof is de strook grasbetonklinkers evenwel ook niet bedoeld om door (race)fietsers te worden bereden; onder normale omstandigheden hoeft deze strook niet als uitwijkmogelijkheid voor (race)fietsers te dienen. Dit oordeel wordt ondersteund door de (door Reaal in het geding gebrachte) rapportage van Royal HaskoningDHV, waarin de volgende passage is opgenomen: "Onze opinie is, dat het vanuit verkeersoogpunt in principe gevaarlijk is om over grasbetonstenen heen te fietsen als zij (om wat voor reden ook) van de rijbaan willen uitwijken. Het is echter ook niet de bedoeling dat een fietser / wielrenner op de grasbetonstenen fietst." Niettegenstaande het feit dat grasbetonklinkers in beginsel een ongeschikte uitwijkmogelijkheid voor (race)fietsers bieden, is het hof echter van oordeel dat wanneer een (race)fietser om wat voor reden dan ook - van het wegdek afraakt en noodgedwongen op de zich naast de rijbaan bevindende grasbetonklinkers terecht raakt, voor hem de mogelijkheid dient te bestaan op een veilige manier zijn weg te kunnen vervolgen. Als gevolg van de zich tussen de rijbaan en de grasbetonklinkers bevindende richel, werd de overgang tussen het wegdek en de bermverharding voor [X] bemoeilijkt. Voor zover de gemeente heeft gesteld dat voor de beoordeling van de vraag of de weg voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen, de strook grasbetonklinkers in het geheel niet relevant is, wordt deze stelling door het hof dan ook niet onderschreven. 

6.5 Het vorenstaande kan echter, anders dan Reaal lijkt te betogen, niet zondermeer tot de conclusie leiden dat als gevolg van de aanwezigheid van de richel er sprake is van een gebrekkige weg in de zin van art. 6:174 BW. Het antwoord op de vraag of sprake is van een gebrekkige toestand hangt immers af van verschillende omstandigheden, waaronder de aard van de opstal (bijvoorbeeld een voor publiek toegankelijk gebouw of werk of een gesloten huis of werk op besloten terrein, vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 755), de functie van de opstal, de fysieke toestand van de opstal ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar en het van de opstal te verwachten gebruik door derden (vgl. HR 17 november 2000, LJN: AA8364). Voorts dient in aanmerking te worden genomen de grootte van de kans op verwezenlijking van het aan de opstal verbonden gevaar, alsmede, zo kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid (Parl. Gesch. Boek 6, p. 756), de mogelijkheid en bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. Daarbij kan voor het geval de aansprakelijkheid op een overheidslichaam rust mede betekenis toekomen aan de hem toekomende beleidsvrijheid en ter beschikking staande financiële middelen (vgl. Parl. Gesch. Boek 6 p. 1394 met betrekking tot de eveneens op art. 6:174 BW berustende aansprakelijkheid van een wegbeheerder). 
Vorenbedoelde gezichtspunten begrenzen de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW; de wetgever heeft immers een te ruime aansprakelijkheid voor de bezitter willen voorkomen door bepaalde begrenzingen die in afdeling 6.3.1 BW aan aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad worden gesteld, ook te laten gelden voor de onderhavige aansprakelijkheid (vgl. Parl. Gesch. Boek 6 p. 1378-1379). Bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het derhalve aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkomen van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. (HR 17 december 2010, LJN: BN6236). 

6.6 De stelplicht en de bewijslast dat de gemeente als wegbeheerder (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de door [X] geleden schade berust bij Reaal. De (enkele) stelling van Reaal dat [adres] gebrekkig is in de zin van art. 6:174 BW als gevolg van de aanwezigheid van de richel, is daartoe onvoldoende nu bij de beantwoording van de vraag of [adres] gebrekkig was, betekenis toekomt aan alle voorgenoemde omstandigheden. Naar het oordeel van het hof heeft Reaal onvoldoende invulling gegeven aan deze factoren, nu zij heeft nagelaten voldoende onderbouwd te stellen dat, mede rekeninghoudende met de concrete kans op verwezenlijking van het gevaar, het te verwachten gebruik van de berm, de mogelijkheid van en de in redelijkheid te vergen veiligheidsmaatregelen, onder de gegeven omstandigheden van de gemeente kon worden gevergd dat zij de onder haar beheer staande wegen zodanig onderhoudt dat richels als de onderhavige telkens worden opgevuld. Door de gemeente is te dien aanzien aangevoerd dat, gelet op de continue berijding van de weg door zwaar landbouwverkeer, richels naast de rijbaan met grote regelmaat zouden moeten worden opgevuld, terwijl de gemeente hiervoor onvoldoende capaciteit en financiële middelen heeft. Gelet op deze betwisting is de enkele stelling van Reaal dat het opheffen van de richel niet veel had hoeven te kosten nu het enkel opvullen van de richel met enige 'harde substantie' had volstaan, onvoldoende. 
Voorts acht het hof nog van belang dat is gesteld noch gebleken dat de gemeente een concrete norm heeft geschonden door de aanwezigheid van de richel niet op te heffen. De rapportage van Royal HaskoningDHV - van welk bedrijf de deskundigheid in deze procedure niet is betwist - vermeldt hieromtrent: "Royal HaskoningDHV heeft onderzocht of er richtlijnen van toepassing zijn op de aansluiting van grasbetonstenen op de rijbaan. In richtlijnen die hier iets van zeggen, zoals de CROW met betrekking tot onderhoud of met betrekking tot de inrichting van de weg, is niet vastgesteld dat een richel van 3 - 5 cm tussen rijbaan en grasbetonstenen niet is toegestaan en gedicht zou moeten worden. Hoewel het in principe dus wel gevaarlijk is als een fietser in deze richel terechtkomt, bestaan er geen regels, die het bestaan van een zodanige richel verbieden en die een wegbeheerder opdragen zo'n richel te herstellen." 

6.7 Gelet op het vorenoverwogene heeft Reaal heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende invulling gegeven aan de op haar rustende stelplicht dat [adres] niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. 

6.8 De grieven 1 tot en met 5 falen in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen. 

6.9 Reaal heeft voorts onvoldoende (concreet) feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat, ondanks het feit dat zich geen gebrek als bedoeld in artikel 6:174 BW voordoet, niettemin sprake is van een onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW, zodat het hof aan dit subsidiaire beroep van Reaal voorbij gaat. 

6.10 De zesde grief betreft ten dele een veeggrief die de kennelijke strekking heeft om het gehele geschil aan het hof voor te leggen. Deze grief ontbeert zelfstandige betekenis en behoeft geen verdere bespreking. Voor zover de grief zich richt tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, kan de grief evenmin slagen, nu de overige grieven van Reaal blijkens het vorenstaande geen doel treffen. LJN BZ3262