RBNHO 220426 klachten vanwege ergonomie werkplek; verjaringstermijn start na bekend worden oorzaak klachten; ba legde pas mei 2021 verband met werk
- Meer over dit onderwerp:
RBNHO 220426 klachten vanwege ergonomie werkplek; verjaringstermijn start na bekend worden oorzaak klachten; ba legde pas mei 2021 verband met werk
- verzocht 15 uur x € 240; gematigd begroot, niet toegewezen, 10 uur x € 240 + 21% = € 2.904
2Feiten
2.1.
[verzoeker 1] is in dienst geweest van G4S. Zijn werkzaamheden bestonden uit het, vanaf een computerscherm, beoordelen van koffers die op een lopende band werden getoond. [verzoeker 1] moest per werkdag zo’n 1.200 koffers beoordelen. Hij deed deze werkzaamheden over het algemeen zittend.
2.2.
[verzoeker 1] heeft op 8 oktober 2018 aan zijn leidinggevende bij G4S, de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), een e-mail gestuurd met een klacht over de stoelen op de werkplekken. In deze e-mail schrijft [verzoeker 1] :
‘Een paar weken geleden ben ik al bij je geweest met een klacht over de stoelen op onze werkplekken.(…) Inmiddels is de pijn die ik ervaar aan mijn stuitje en onderrug dusdanig heftig dat ik na 2,5 uur werken eigenlijk al ongelooflijke last heb. Thuis helpt dan alleen liggen en het duurt lang voordat de pijn minder wordt.
Dit zou toch niet de bedoeling moeten zijn. Volgens de wet moeten stoelen waar 8 uur per dag gebruik van wordt gemaakt, na 3 jaar worden vervangen. Zolang ik bij HBS werk staan deze stoelen er al en ze worden ook nog meer dan 8 uur per dag gebruikt.
Dat de stoelen zijn nagekeken heeft blijkbaar niet geholpen voor het comfort. Wij als werknemers hebben volgens de wet recht op een gezonde werkplek en in mijn opinie is deze er nu niet.´
2.3.
[naam 1] heeft per e-mail van 9 oktober 2018 geantwoord. In deze e-mail heeft hij onder andere geschreven:
‘Het klopt dat er 3 maanden geleden een volledige inventarisatie/reparatieronde geweest is en deze komt jaarlijks terug. De reparateur gaf aan dat de stoelen weer in goede conditie waren.’
2.4.
Per e-mail van 11 november 2018 heeft [verzoeker 1] zich ziekgemeld. In de e-mail die hij aan [naam 1] stuurde, schreef hij:
‘Afgelopen donderdag 8 november had ik een afspraak bij de huisarts vanwege mijn stuitje, nek en rugklachten. De klachten begonnen ongeveer begin september. De symptomen die ik hierbij heb neigen volgens de dokter naar een nekhernia. Ik heb een verwijzing gekregen voor de neuroloog en heb meteen een afspraak kunnen maken (…).
Ik ben vrijdag 9 november nog wel gaan werken ,tegen het advies van de dokter, maar met mijn klachten en zware pijnstillers was het eigenlijk gekkenwerk. Deze pijnstillers in combinatie met mijn andere medicatie mocht ik eigenlijk niet eens deelnemen aan het verkeer.
Ik wou je dus laten weten dat ik me bij deze ziekmeld en ga nu de ziekmeldlijn bellen.’
2.5.
[verzoeker 1] heeft op 10 december 2018 de bedrijfsarts bezocht vanwege zijn nekklachten. De bedrijfsarts noteerde een blanco voorgeschiedenis en verzuim vanwege nekpijn met uitstraling in de rechterarm, tintelingen en een doof gevoel.
2.6.
[verzoeker 1] is onder behandeling gekomen van een neuroloog die op 14 december 2018 noteerde dat [verzoeker 1] sinds september uitstralende pijn ervaarde vanuit de nek of schouder. De conclusie van de neuroloog luidde dat [verzoeker 1] kampt met een radiculair syndroom1 C7/8 rechts op basis van een HNP2 C7-Th1 bij multilevel degeneratieve CWK3. Als beleid noteerde de neuroloog vooralsnog ‘afwachtend vanwege de herstellende trend’. [verzoeker 1] is vervolgens meerdere keren bij de neuroloog geweest.
2.7.
Vanaf september/oktober 2019 heeft [verzoeker 1] zijn werkzaamheden deels hervat en werd gewerkt aan zijn re-integratie met aangepaste taken.
2.8.
Op 19 november 2019 heeft [verzoeker 1] aan [naam 2] een e-mail gestuurd waarin hij vraagt om een zachte stoel en een tafel die omhoog kan zodat hij ook staand zijn werk kan doen.
2.9.
Het UWV heeft in een ‘Deskundigenoordeel re-integratie inspanningen werkgever’ op verzoek van [verzoeker 1] bij rapport van 8 juni 2020 geoordeeld dat de re-integratie inspanningen van G4S niet voldoende zijn. In dit rapport heeft het UWV opgenomen:
‘Werknemer valt uit met niet werkgerelateerde klachten (…).’
2.10.
Rond 14 september 2020 heeft [verzoeker 1] zijn werk voor 80% hervat.
2.11.
Tigra heeft een werkplekonderzoek verricht op 19 oktober 2020. Uit dat onderzoek blijkt dat de werkplek ergonomisch zeer beperkt instelbaar is. Voor [verzoeker 1] wordt geadviseerd een sta/zit bureau en een zitkussen aan te schaffen.
2.12.
Op 26 april 2021 heeft [verzoeker 1] zich weer volledig ziek gemeld. Het is [verzoeker 1] sindsdien niet meer gelukt om te werken en hij heeft een IVA-uitkering toegekend gekregen.
2.13.
[naam 1] heeft [verzoeker 1] op 11 mei 2021 een e-mail gestuurd waarin onder andere het volgende is opgenomen:
Hierbij de rapportage van de BA.
Ben wel enigszins verbaast om via de bedrijfsarts te vernemen dat de klachten die je nu hebt volledig zijn te wijten aan het gebrek van een verstelbare tafel?
Wat kunnen we op korte termijn doen om je hierbij te helpen? Moet ik tijdelijk een andere werkplek voor je zoeken?’
2.14.
Bij brief van 22 maart 2024 heeft [verzoeker 1] G4S aansprakelijk gesteld voor al zijn materiële en immateriële schade voor het letsel dat hij heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden.
2.15.
De aansprakelijkheidsverzekeraar van G4S heeft de aansprakelijkheid afgewezen.
2.16.
Op 15 oktober 2024 heeft de medisch adviseur van [verzoeker 1] , de heer [naam 3] , een medisch advies opgesteld. In dit advies is onder andere opgenomen:
‘Een nekhernia, aspecifieke lage rugklachten en coccygodynie4 worden in de literatuur in verband gebracht met belastende arbeidsomstandigheden.’
2.17.
Vanaf 12 december 2024 heeft G4S zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [verzoeker 1] is verjaard.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker 1] verzoekt de kantonrechter – samengevat – bij wijze van deelgeschil:
-
te bepalen dat zijn vordering jegens G4S niet is verjaard,
-
de kosten te begroten op € 3.600,- te vermeerderen met het griffierecht en G4S te veroordelen tot betaling van deze kosten.
3.2.
Ter onderbouwing van zijn verzoek brengt [verzoeker 1] het volgende naar voren. [verzoeker 1] betwist dat zijn vordering is verjaard. Volgens [verzoeker 1] heeft G4S niet aan haar bewijslast voldaan. [verzoeker 1] heeft G4S op 22 maart 2024 aansprakelijk gesteld. Het beroep op verjaring kan alleen slagen als [verzoeker 1] voor 22 maart 2019 daadwerkelijk bekend is geweest met de schade en de schadeveroorzakende partij. [verzoeker 1] betwist dat daarvan sprake is geweest. [verzoeker 1] wijst erop dat uit rechtspraak blijkt dat een vermoeden van zijn kant onvoldoende is, maar dat sprake moet zijn van een zekere mate van medische bevestiging door deskundigen.
3.3.
G4S verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Onder verwijzing naar de e-mail van 8 oktober 2018 en de ziekmelding van 11 november 2018 (zie hierboven onder 2.2 en 2.4) stelt G4S dat de oorzaak van de klachten van [verzoeker 1] voor [verzoeker 1] vanaf 2018 duidelijk is geweest. [verzoeker 1] heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat zijn klachten werden veroorzaakt door de slechte arbeidsomstandigheden waaronder hij zijn werk moest doen. Omdat [verzoeker 1] in 2018 al wist dat hij schade leed en wie daarvoor aansprakelijk was, is de verjaring op dat moment ook gaan lopen. Op het moment dat [verzoeker 1] G4S daadwerkelijk aansprakelijk stelde op 22 maart 2024 was de vordering van [verzoeker 1] verjaard.
4De beoordeling
Inleiding
4.1.
[verzoeker 1] wil zijn voormalig werkgever G4S aansprakelijk stellen voor het letsel dat hij heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Partijen verschillen van mening of deze vordering is verjaard. De kantonrechter is van oordeel dat van verjaring nog geen sprake is. Waarom de kantonrechter tot dat oordeel komt, wordt in de volgende overwegingen uitgelegd.
Ontvankelijkheid [verzoeker 2] ?
4.2.
De kantonrechter stelt voorop dat partijen niet van mening verschillen dat het verzoek van [verzoeker 1] in een deelgeschilprocedure kan worden behandeld. Met een beslissing op het verzoek van [verzoeker 1] kan aan partijen duidelijkheid worden verschaft, wat zij kunnen gebruiken bij hun onderhandelingen. [verzoeker 1] is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek. Dit geldt echter niet voor [verzoeker 2] . [verzoeker 2] heeft als verzekeraar van [verzoeker 1] geen eigen vordering op G4S, ook niet voor wat betreft de kosten van het deelgeschil.5 Daar komt bij dat de kosten in deze beschikking enkel worden begroot omdat de aansprakelijkheid nog niet vaststaat.
Is er sprake van verjaring van de vordering van [verzoeker 1] ?
4.3.
Omdat G4S als (bevrijdend) verweer stelt dat de vordering van [verzoeker 1] is verjaard, ligt op G4S de bewijslast van die stelling. G4S baseert haar stelling enerzijds op de e-mail die [verzoeker 1] op 8 oktober 2018 aan zijn leidinggevende heeft gestuurd. In deze email stelt [verzoeker 1] dat hij klachten heeft aan onderrug en stuitje. [verzoeker 1] klaagt in deze e-mail ook over de stoelen op de werkplekken, naar zijn mening is er geen sprake van een gezonde werkplek. Anderzijds baseert G4S zich op de ziekmelding van [verzoeker 1] op 11 november 2018 vanwege klachten aan zijn nek, onderrug en stuitje. Bij de ziekmelding vermeldde [verzoeker 1] dat hij contact heeft gehad met zijn huisarts die hem in verband met een mogelijke nekhernia heeft verwezen naar de neuroloog. G4S stelt dat uit deze berichten volgt dat [verzoeker 1] wist waardoor zijn klachten werden veroorzaakt. De verjaringstermijn van de vordering van [verzoeker 1] om G4S aansprakelijk te stellen is volgens G4S op 8 oktober 2018 dan wel op 11 november 2018 gaan lopen.
4.4.
Tussen partijen staat vast dat [verzoeker 1] G4S op 22 maart 2024 aansprakelijk heeft gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van de fysieke klachten aan zijn nek, onderrug en stuitje. De verjaringstermijn van de vordering van [verzoeker 1] bedraagt vijf jaren.6 Uit rechtspraak volgt dat de verjaringstermijn begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde (in dit geval [verzoeker 1] ) daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – en dat hoeft geen absolute zekerheid te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon (in dit geval G4S). Uit deze rechtspraak volgt ook dat als er sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake kan zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid – die (opnieuw) geen absolute zekerheid hoeft te zijn – pas aanwezig zijn wanneer de oorzaak door deskundig artsen is gediagnosticeerd.7
4.5.
[verzoeker 1] kampt met nekklachten, rugklachten en klachten aan zijn stuitje. Nek- en rugklachten kunnen meerdere oorzaken hebben.8 Van deze klachten is de herkomst dus niet zonder meer duidelijk. De oorzaak van deze klachten zullen daarom door medisch deskundigen moeten worden vastgesteld. G4S stelt dat in de situatie van [verzoeker 1] van meet af aan duidelijk was wat de herkomst van de klachten was, te weten (volgens [verzoeker 1] zelf) de ergonomische situatie bij G4S. G4S lijkt daarmee te willen stellen dat als een betrokkene zelf een oorzaak vermoedt, die later juist blijkt te zijn, daardoor niet voldaan hoeft te worden aan het vereiste dat de Hoge Raad stelt bij lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet duidelijk is. Dat vereiste is dat de oorzaak van de klachten door een deskundig arts moet zijn gediagnosticeerd. De kantonrechter volgt G4S niet in deze stelling, alleen al niet omdat G4S daarmee voorbij gaat aan wat de Hoge Raad heeft bepaald over wanneer sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade.
4.6.
Hoewel [verzoeker 1] in 2018 zelf het vermoeden had dat zijn klachten veroorzaakt werden door zijn werkomstandigheden betekent dat niet dat er daarom vanuit mag worden gegaan dat er sprake is van daadwerkelijke bekendheid met zijn schade. [verzoeker 1] is immers zelf geen medisch deskundige. Uit de overgelegde stukken en dat wat [verzoeker 1] (onbetwist) heeft gesteld, blijkt dat de bedrijfsarts (pas) in mei 2021 een verband heeft gelegd tussen de klachten van [verzoeker 1] en zijn werk. Uitgaande van die datum is er tot aan de aansprakelijkstelling van G4S op 22 maart 2024 geen vijf jaren verstreken. Niet is gebleken dat in de periode tussen het versturen van de e-mail op 8 oktober 2018, dan wel de ziekmelding op 11 november 2018, en 22 maart 2019 (vijf jaar voor de aansprakelijkstelling van G4S door [verzoeker 1] ) door een (bedrijfs)arts een verband is gelegd tussen de werkzaamheden van [verzoeker 1] en zijn klachten. De neuroloog heeft op 14 december 2018 weliswaar (onder andere) een hernia bij [verzoeker 1] vastgesteld, maar niet is gebleken wat volgens de neuroloog de oorzaak is van deze klachten. Ook uit het huisartsenjournaal volgt niet dat de klachten van [verzoeker 1] werden veroorzaakt door zijn arbeidsomstandigheden. Uit dit journaal blijkt enkel dat [verzoeker 1] eerder rugklachten heeft gehad. Waardoor deze klachten werden veroorzaakt, blijkt niet uit het journaal. Alleen in de anamnese worden enkele arbeidsomstandigheden genoemd, maar dat is onvoldoende om te voldoen aan het vereiste van de Hoge Raad. Ook het advies van de medisch adviseur van [verzoeker 2] kan G4S niet helpen. Het medisch advies dateert immers van 15 oktober 2024 en is dus opgesteld na 22 maart 2019. De medisch adviseur stelt – achteraf – dat [verzoeker 1] voor 22 maart 2019 bekend was met de oorzaak van zijn klachten, maar uit het medisch advies blijkt niet dat voor 22 maart 2019 voor [verzoeker 1] kenbaar door een (bedrijfs)arts de relatie is gelegd tussen de klachten van [verzoeker 1] en zijn werkzaamheden. Bij dit alles komt dat uit door [verzoeker 1] overgelegde stukken blijkt dat (ook voor derden) niet duidelijk was wat de oorzaak was van de klachten van [verzoeker 1] . Het UWV noteerde in het arbeidsdeskundig onderzoek van 8 juni 2020 dat [verzoeker 1] is uitgevallen met ‘niet-werkgerelateerde klachten’. En [naam 1] schreef in zijn e-mail van 11 mei 2021 dat hij wel verbaasd is ‘om via de bedrijfsarts te vernemen dat de klachten die je nu hebt volledig zijn te wijten aan het gebrek van een verstelbare tafel?’.
4.7.
Bij dit alles komt dat [verzoeker 1] weliswaar in 2018 bij G4S heeft geklaagd over de stoelen, maar G4S heeft op 9 oktober 2018 aan [verzoeker 1] meegedeeld dat er een volledige inventarisatie/reparatieronde van de stoelen is geweest. Zoals uit de e-mail van 9 oktober 2018 van [naam 1] blijkt, was de reparateur van mening dat de stoelen weer in goede conditie waren. G4S heeft daarmee [verzoeker 1] , zoals namens [verzoeker 1] onbetwist is gesteld, gerustgesteld dat er niets mis was met de stoelen. Pas uit een werkplekonderzoek door Tigra op 19 oktober 2020, dus na 22 maart 2019, bleek dat de werkplek van [verzoeker 1] ergonomisch zeer beperkt instelbaar was.
4.8.
Op basis van deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat G4S niet is geslaagd in haar bewijslast dat de vordering van [verzoeker 1] was verjaard op het moment dat hij G4S aansprakelijk stelde voor zijn schade. De kantonrechter zal het eerste verzoek van [verzoeker 1] dan ook toewijzen.
Kosten deelgeschil
4.9.
De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.10.
Hoewel [verzoeker 1] in het verzoekschrift een bedrag noemt van € 4.320,- heeft [verzoeker 1] onder het petitum een bedrag gevorderd van € 3.600,-, te vermeerderen met het griffierecht. De kantonrechter zal van dat laatste bedrag uitgaan. G4S voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is.
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat de door [verzoeker 1] gevorderde kosten moeten worden gematigd. Dat heeft te maken met de (relatief eenvoudige) vraag die in dit deelgeschil aan de orde is gesteld en het feit dat de door [verzoeker 1] opgevoerde kosten niet met stukken zijn onderbouwd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de hoogte van het uurtarief van de gemachtigde van [verzoeker 1] aan te passen, maar zal enkel de tijdsbesteding aan het dossier matigen. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak zullen door de kantonrechter daarom worden begroot op 10 uren × € 240,-, dus op € 2.400,- te vermeerderen met het door [verzoeker 1] betaalde griffierecht van € 90,-. Omdat de aansprakelijkheid nog niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en G4S niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door G4S te worden betaald, als haar aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.
1Bij een radiculair syndroom heeft iemand klachten aan één van de zenuwwortels in de rug
2HNP is de medische afkorting voor een hernia
3Degneratieve afwijkingen worden ook wel slijtage genoemd, CWK is de cervicale wervelkolom
4Coccygodynie is de medische term voor stuitpijn
5Zie in dat verband artikel 1019aa Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
6Artikel 3:310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek
7Zie onder meer Hoge Raad 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0694, waarnaar wordt verwezen in Hoge Raad 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7041
8Zie bijvoorbeeld gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 juli 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2144
Rechtbank Noord-Holland 22 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6517