Overslaan en naar de inhoud gaan

HR 310317 Immateriële schadevergoeding politiebeambte is geen loon waarover loonbelasting moet worden afgedragen

HR 310317 Immateriële schadevergoeding politiebeambte is geen loon waarover loonbelasting moet worden afgedragen 

Conclusie A-G Niessen: ECLI:NL:PHR:2016:1130, gevolgd 

2 Beoordeling van het middel in het principale beroep
2.1.1. 
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.2.
Belanghebbende was in loondienst werkzaam bij de politie. In 1981 en 1986 heeft hij bij de uitoefening van politiewerkzaamheden ernstig letsel opgelopen (hierna: de incidenten). In 2007 is bij belanghebbende een tumor geconstateerd, hetgeen heeft geleid tot volledige arbeidsongeschiktheid en ontslag in 2012.
2.1.3.
Bij brief van 30 juli 2012 heeft de korpsleiding aan belanghebbende meegedeeld dat hij een bedrag van € 15.000 netto zal ontvangen als immateriële compensatie voor leed ondervonden ten gevolge van de incidenten, waardoor zijn loopbaanontwikkeling sterk is gestagneerd.
2.1.4. 
Het aan belanghebbende toegekende bedrag is uitbetaald als € 25.862,06 bruto (hierna: de vergoeding) waarop € 10.862,06 aan loonheffing is ingehouden.
2.2.1. 
Voor het Hof was in geschil of de door zijn werkgever aan belanghebbende verstrekte vergoeding terecht als loon in de heffing van inkomstenbelasting is betrokken.
2.2.2.
Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de vergoeding, als betaald in het kader van de dienstbetrekking, tot het loon behoort in de zin van artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2010; hierna: de Wet LB). Evenwel is, gelet op de bedoeling van de werkgever om enige compensatie te geven voor het leed dat belanghebbende had ondervonden en de omstandigheden die tot de toekenning van de vergoeding hebben geleid, sprake van een vergoeding die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel wordt ervaren (artikel 11, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet LB in verbinding met artikel 15, aanhef en letter b, van de Wet LB). De vergoeding is ten onrechte in de heffing van inkomstenbelasting betrokken, aldus het Hof.
2.3.1.
De werkgever heeft blijkens de vaststellingen van het Hof de vergoeding aan belanghebbende toegekend ter compensatie van diens leed als gevolg van de incidenten die tijdens de uitoefening van de dienstbetrekking hebben plaatsgevonden en de omstandigheid dat diens loopbaanontwikkeling daardoor sterk is gestagneerd.
2.3.2.
De hiervoor in 2.3.1 vermelde vaststellingen van het Hof laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende als gevolg van de incidenten naast leed een vermindering van arbeidskracht heeft ondervonden, die heeft geleid tot een sterke stagnatie van zijn loopbaanontwikkeling, en dat het bedrag dat de werkgever uit dien hoofde aan belanghebbende deed toekomen, strekt tot vergoeding van deze immateriële schade en dit verlies aan arbeidskracht. Een dergelijke vergoeding vindt niet zozeer haar grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten loon dient te worden aangemerkt (vgl. HR 29 juni 1983, nr. 21435, BNB 1984/2).
2.3.3. 
Het Hof is daarom, wat er zij van de daartoe gebezigde overwegingen, terecht tot de slotsom gekomen dat de uitkering ten onrechte in de heffing van inkomstenbelasting is betrokken.

3 Het incidentele beroep
Aangezien het incidentele beroep niet strekt tot verkrijging van een voor belanghebbende gunstiger resultaat dan reeds uit ’s Hofs uitspraak voortvloeit, is dat beroep kennelijk alleen ingesteld voor het geval het principale beroep tot vernietiging van ’s Hofs uitspraak zou leiden. Dat geval doet zich niet voor, zodat het incidentele beroep gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb vervalt. ECLI:NL:HR:2017:529