Overslaan en naar de inhoud gaan

PHR 280826 PG Pauwels, belastingrecht; is militair invaliditeitspensioen (MIP) en de bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV) belastbaar?

PHR 280826 PG Pauwels, belastingrecht; is militair invaliditeitspensioen (MIP) en de bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV) belastbaar? 

1Inleiding en overzicht

De zaak

1.1

Deze zaak gaat over de vraag of het militair invaliditeitspensioen (het MIP) en de bijzondere invaliditeitsverhoging (de BIV) die belanghebbende in 2022 heeft ontvangen, terecht tot zijn belastbaar inkomen uit werk en woning zijn gerekend bij de aan hem opgelegde aanslag IB/PVV voor dat jaar. De Rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. Belanghebbende heeft sprongcassatie ingesteld en daarbij negen middelen voorgesteld.

Meeste aandacht voor de BIV

1.2

Zowel in de uitspraak van de Rechtbank als in het debat in cassatie gaat de meeste aandacht uit naar de BIV. Dat geldt daarom ook voor deze conclusie.

1.3

Niet in geschil is dat aangezien de BIV strekt tot vergoeding van immateriële schade, de BIV niet als loon uit dienstbetrekking kan worden aangemerkt, gelet op het Brandweermanarrest. Wel is in geschil of de BIV in de heffing kan worden betrokken als periodieke uitkering.

1.4

Het geschil over het MIP volgt tot op zekere hoogte het geschil over de BIV. Niet in geschil is namelijk dat als geoordeeld wordt dat de BIV in de heffing kan worden betrokken als periodieke uitkering, ook het MIP in de heffing kan worden betrokken. Als in tegengestelde zin wordt geoordeeld over de BIV, speelt ter zake van het MIP de (extra) vraag of (ook) het MIP strekt tot vergoeding van immateriële schade. Met betrekking tot het MIP is namelijk wel in geschil of het is aan te merken als loon uit (vroegere) dienstbetrekking.

Kernvragen

1.5

Hoewel negen middelen zijn voorgesteld, zijn er volgens belanghebbende – zo volgt uit de tijdens de zitting van de Hoge Raad overgelegde pleitnota – twee kernvragen, te weten (i) of een BIV als een bovenbronnelijk voordeel onbelast is, en (ii) of een BIV is aan te merken als een publiekrechtelijke periodieke uitkering. Deze vragen worden aan de orde gesteld door middel 1 respectievelijk middel 2. Een andere interessante vraag, die middel 4 aan de orde stelt, is of voor de BIV via het discriminatieverbod met succes een beroep kan worden gedaan op de fiscale behandeling van zogenoemde artikel 2-Fondsuitkeringen, die zijn vrijgesteld. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van die vrijstelling volgt dat de staatssecretaris van Financiën er beducht voor was dat ook voor andere publiekrechtelijke periodieke uitkeringen een beroep zou worden gedaan op die vrijstelling via het discriminatieverbod.

Leeswijzer en overzicht

1.6

Ik heb ervoor gekozen om deze conclusie op te zetten vanuit een brede basis, die wordt gevormd door de onderdelen ‎3-‎7. Ik heb deze basisonderdelen opgenomen enerzijds omdat zij (meer) achtergrond geven bij het voorliggende geschil en anderzijds zodat ik gegevens uit die onderdelen kan gebruiken bij de beschouwing en de beoordeling van de middelen in onderdelen ‎8 en ‎9. Opname van de basisonderdelen heeft wel ervoor gezorgd dat deze conclusie betrekkelijk omvangrijk is geworden. De lezer die vooral geïnteresseerd is in de beschouwing en beoordeling, kan ervoor kiezen om direct te beginnen met de onderdelen ‎8 en ‎9. Waar ik in die onderdelen gebruik maak van gegevens uit de basisonderdelen, kan de lezer de gegevens daarin vinden via de opgenomen kruisverwijzingen.

1.7

In de basisonderdelen komen aan de orde: de regelgeving over het MIP en de BIV (onderdeel ‎3), de ontwikkeling in de jurisprudentie – van Smeerkuilarrest tot Brandweermanarrest – over de fiscale behandeling van vergoeding van immateriële schade voor de inkomstenbelasting (onderdeel ‎4), het na het Brandweermanarrest ingenomen standpunt van de staatssecretaris van Financiën dat de BIV weliswaar geen loon is maar wel belast is als publiekrechtelijke periodieke uitkering, alsmede het debat met het parlement daarover (onderdeel ‎5), de behandeling van publiekrechtelijke periodieke uitkeringen voor de inkomstenbelasting (onderdeel ‎6) en de theorie van bovenbronnelijkheid (onderdeel ‎7).

1.8

De beschouwing en beoordeling van de middelen heb ik opgeknipt. In onderdeel ‎8 geef ik mijn beschouwing over de hoofdvraag of de BIV op grond van de wet belast is als publiekrechtelijke periodieke uitkering. Op die vraag hebben de middelen 1 tot en met 3 betrekking. De overige middelen behandel ik in onderdeel ‎9, waaronder de middelen 4 en 5, die in de kern betogen dat belastingheffing over de BIV in strijd komt met algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het discriminatieverbod.

Kern van de beoordeling

1.9

Ik kom tot de conclusie dat de BIV op grond van de wet belastbaar is als (aangewezen) publiekrechtelijke periodieke uitkering. Mijn beschouwing in onderdeel ‎8 daarover houdt op hoofdlijnen het volgende in:

- (‎8.2-‎8.6) Hoewel partijen ervan uitgaan dat de BIV niet is aan te merken als loon, rijst de vraag of dat uitgangspunt juist is, aangezien (i) de Hoge Raad in HR BNB 1994/22 de voorloper van de huidige BIV heeft aangemerkt als loon, (ii) de BIV sindsdien niet wezenlijk is gewijzigd, en (iii) de Hoge Raad in het Brandweermanarrest niet heeft gemeld te zijn omgegaan. Ik ga er echter van uit dat HR BNB 1994/22 niet meer leidend is omdat het arrest mij niet goed verenigbaar lijkt te zijn met het Brandweermanarrest.

- (‎8.8-‎8.13) De toevoeging van de BIV per 25 maart 2022 aan de lijst van uitkeringen in art. 11(1) UBLB, brengt weliswaar mee dat de BIV op grond van art. 11(2) UBLB als loon uit vroegere arbeid heeft te gelden, maar deze (her)kwalificatie van de BIV als loon werkt mijns inziens niet door naar de inkomstenbelasting onder de Wet IB 2001, gelet op HR BNB 2008/89.

- (‎8.14-‎8.24) De BIV is – anders dan middel 2 betoogt – aan te merken als een publiekrechtelijke periodieke uitkering als omschreven in art. 3.101(1)(a) Wet IB 2001. Daaraan doet niet af dat de BIV het karakter van een smartengelduitkering en evenmin de vermeende civielrechtelijke aard van de uitkering.

- (‎8.25-‎8.26) En zo het anders zou zijn, dan zou de BIV zijn aan te merken als een periodieke uitkering als bedoeld in art. 3.101(1)(c) Wet IB 2001.

- (‎8.27-‎8.33) Het betoog dat de BIV onbelast is omdat zij bovenbronnelijk is, is niet juist. Het concept van bovenbronnelijke afbakening is niet goed toepasbaar in de context van de inkomenscategorie ‘belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen’, aangezien daarin niet met zoveel woorden een verband met een bron wordt gelegd. Zo een bron wordt verondersteld bij die inkomenscategorie, is de BIV bovendien eerder als ‘binnenbronnelijk’ aan te merken nu zij juist haar grond vindt in de bron (de aanspraak op de BIV). Middel 1 faalt daarom.

- (‎8.34-‎8.37) De rangorderegeling van art. 2.14 Wet IB 2001 staat – anders dan middel 3 betoogt – niet eraan in de weg dat de BIV als belastbare periodieke uitkering in de heffing wordt betrokken. Dat de BIV niet kwalificeert als loon betekent (ook voor de toepassing van de rangorderegeling) niet dat de BIV vrijgesteld loon is.

1.10

Daarnaast kom ik in onderdeel ‎9 tot de conclusie dat belastingheffing over de BIV niet in strijd komt met het discriminatieverbod:

- (‎9.3-‎9.12) Wat betreft de vergelijking met artikel 2 Fonds-uitkeringen: het valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de belastingwetgever om specifiek voor artikel 2 Fonds-uitkeringen in een vrijstelling te voorzien, in afwijking van het uitgangspunt in het wettelijk systeem dat publiekrechtelijke periodieke uitkeringen niet zijnde bestedingsgebonden uitkeringen belastbaar zijn. Het is dan ook niet in strijd met het discriminatieverbod dat andere publiekrechtelijke periodieke uitkeringen niet zijnde bestedingsgebonden uitkeringen, zoals de BIV, wel in de heffing worden betrokken. Middel 4 faalt in zoverre.

- (‎9.13-‎9.16) Wat betreft de vergelijking met Rietkerkuitkeringen: (i) dat Rietkerkuitkeringen feitelijk niet in de heffing worden betrokken betreft begunstigend beleid, waarvoor een rechtvaardiging bestaat in de tegemoetkoming waarin art. 8 Wet Rietkerkuitkeringen voorziet, (ii) in een fiscale procedure kan niet aan de orde worden gesteld of het discriminatieverbod meebrengt dat die tegemoetkoming ook voor de BIV zou moeten gelden, en (iii) zo dat wel aan de orde kan komen, faalt het beroep op het discriminatieverbod omdat de BIV niet vergelijkbaar is met Rietkerkuitkeringen, gelet op het doel van art. 8 Wet Rietkerkuitkeringen. Middel 4 faalt ook in zoverre.

- (‎9.19-‎9.21) Wat betreft de vergelijking met een smartengelduitkering ineens: uit het systeem van de wet volgt dat de wetgever periodieke uitkeringen (zoals de BIV) en uitkeringen ineens niet als gelijke gevallen beschouwt. Nu dat een beoordeling van de wetgever is die binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid valt, is het discriminatieverbod niet geschonden. Middel 5 faalt daarom.

1.11

Gelet op wat in ‎1.4 is vermeld en mijn beoordeling wat betreft de BIV, faalt ook middel 7 wat betreft het MIP (‎9.26-‎9.28).

1.12

De overige middelen falen ook. Het gaat om middel 6 dat is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank over de klacht over de inhouding van loonheffing op de BIV (‎9.22-‎9.25), middel 8 met de klacht dat art. 8:42 Awb is geschonden (‎9.29-‎9.33) en middel 9 dat is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat geen proceskostenvergoeding wordt toegekend (‎9.34).

Conclusie

1.13

Naar mijn oordeel is het beroep in cassatie ongegrond.

2Feiten, oordeel Rechtbank en geding in cassatie

Feiten1

2.1

Belanghebbende was als beroepsmilitair werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Hij heeft als onderofficier bij de marechaussee ernstige trauma’s opgelopen tijdens diverse missies. Sinds 2017 is belanghebbende arbeidsongeschikt en zijn aan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering en invaliditeitspensioenen toegekend.

2.2

In het jaar 2022 heeft belanghebbende naast zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering een militair invaliditeitspensioen (MIP) van € 28.720 en een bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV) van € 20.744 ontvangen. Het MIP en de BIV worden levenslang in maandelijkse termijnen uitgekeerd. De BIV dient ter vergoeding van immateriële schade (smartengelduitkering).2

2.3

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2022 (de aanslag) opgelegd, waarbij het MIP en de BIV als belastbaar inkomen uit werk en woning in aanmerking zijn genomen. Hij heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag ongegrond verklaard.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant3

2.4

In beroep is ten eerste in geschil of de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in art. 8:42 Awb heeft overgelegd. Voor zover in cassatie nog van belang heeft belanghebbende gesteld dat de Inspecteur ten onrechte twee adviezen van de landsadvocaat niet heeft ingebracht. Ten tweede is in geschil of het MIP en de BIV terecht in de heffing zijn betrokken.

2.5

Wat betreft het eerste geschilpunt is de Rechtbank (rov. 4.3) van oordeel dat de Inspecteur heeft voldaan aan zijn verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Het wetgevingsadvies van de landsadvocaat is geen op de zaak betrekking hebbend stuk omdat dit stuk (a) niet betrekking heeft op belanghebbende, (b) niet tot belanghebbendes dossier behoort en (c) niet is gebruikt bij de besluitvorming. Het “vermeende tweede advies” heeft de Inspecteur niet ter beschikking gestaan.

2.6

Wat betreft het tweede geschilpunt is de Rechtbank van oordeel dat de Inspecteur het MIP en de BIV terecht in aanmerking heeft genomen als belastbaar inkomen uit werk en woning. De Rechtbank besteedt daarbij de meeste aandacht aan de BIV:

- Wat betreft de BIV ziet de Rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het standpunt van partijen dat de BIV – als immateriëleschadevergoeding (ISV) – niet kan worden aangemerkt als loon (rov. 4.4). Dat uit het Smeerkuilarrest en het Brandweermanarrest volgt dat een ISV niet kan worden aangemerkt als loon, wil nog niet zeggen dat een ISV niet op een ander grond kan worden belast (rov. 4.5-4.8). De BIV kan als periodieke uitkering in de heffing worden betrokken, omdat de BIV is aan te merken als een periodieke uitkering die wordt ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling (publiekrechtelijke periodieke uitkering) (rov. 4.9-4.10). De rangordereling staat daaraan niet in de weg (rov. 4.11-4.12). Heffing over de BIV terwijl bijzondere fiscale regelingen zijn getroffen voor zogenoemde artikel 2-Fondsuitkeringen en Rietkerkuitkeringen leidt niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel of andere beginselen (rov. 4.13-4.18). Dat belanghebbende fiscaal ongunstiger wordt behandeld dan een collega die een smartengelduitkering in één bedrag ontvangt, levert geen strijd met het gelijkheidsbeginsel op, omdat geen sprake is van gelijke gevallen (rov. 4.19). Het betoog dat de inhouding van loonbelasting over de BIV onrechtmatig was, is – kort gezegd – niet relevant (rov. 4.21).

- Wat betreft het MIP merkt de Rechtbank onder verwijzing naar haar overwegingen over de BIV op dat het MIP in elk geval voldoet aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als publiekrechtelijke periodieke uitkering. Daarom kan in het midden blijven of het MIP moet worden aangemerkt als loon of als een ISV. In beide gevallen kan het MIP immers in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken (rov. 4.22).

Het geding in cassatie

Procesverloop

2.7

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld (sprongcassatie4). De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

2.8

Namens partijen is de zaak mondeling toegelicht, voor belanghebbende door F.R. Herreveld, advocaat, en voor de Staatssecretaris door W.l. Wisman en L.J. Overwater, advocaten.

Cassatiemiddelen

2.9

Middel 1 keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank in rov. 4.6-4.7 met het betoog dat het bovenbronnelijke karakter van een uitkering die strekt tot vergoeding van immateriële schade, in de weg staat aan belastingheffing over die uitkering.

2.10

Middel 2 stelt dat de Rechtbank in rov. 4.10 ten onrechte de BIV heeft aangemerkt als een publiekrechtelijke periodieke uitkering als bedoeld in art. 3.101 Wet IB 2001.

2.11

Middel 3 is gericht tegen rov. 4.12 met het betoog dat de rangorderegeling van art. 2.14 Wet IB 2001 eraan in de weg staat om de BIV als publiekrechtelijke periodieke uitkering in de heffing te betrekken.

2.12

Middel 4 betoogt dat de Rechtbank met zijn oordeel in rov. 4.13-4.18 betreffende de vergelijking met artikel 2-Fondsuitkeringen en Rietkerkuitkeringen diverse Europeesrechtelijke normen en rechtsbeginselen heeft geschonden.

2.13

Middel 5 komt op tegen de verwerping door de Rechtbank in rov. 4.19 van het beroep op het gelijkheidsbeginsel in verband met de fiscale behandeling van een ISV die ineens wordt uitgekeerd.

2.14

Middel 6 bestrijdt het oordeel van de Rechtbank in rov. 4.21 met het betoog dat aangezien de inhouding van loonbelasting over de BIV onrechtmatig is, de ingehouden loonbelasting in het kader van de heffing van inkomstenbelasting gerestitueerd moet worden.

2.15

Middel 7 keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank in rov. 4.22 over het MIP met het betoog dat het MIP een ISV is.

2.16

Middel 8 stelt dat art. 8:42 Awb is geschonden doordat de Rechtbank in rov. 4.3 heeft geoordeeld dat de Inspecteur heeft voldaan aan zijn verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te brengen.

2.17

Middel 9 betoogt dat de Rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.

3Het MIP en de BIV: regelgeving en achtergrond

3.1

Ter achtergrond bespreek ik in dit onderdeel het MIP en de BIV. Ik besteed daarbij de meeste aandacht aan de BIV, gelet op het geschil in cassatie.

Historische achtergrond: de Algemene militaire pensioenwet (AMPW)

3.2

De grondslag voor het MIP en de BIV is gelegen in de Kaderwet militaire pensioenen. Deze wet is de opvolger van de Algemene militaire pensioenwet (AMPW) en de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van die wet.5 Voor een overzicht van de historische ontwikkeling van het militair invaliditeitspensioen tot invoering van de KMP citeer ik de nota van toelichting op het hierna (zie ‎3.15) aan de orde komende Besluit 2014:6

“Historische ontwikkeling

Bij de invoering van de Algemene militaire pensioenwet (AMPW) in 1966 was het uitgangspunt dat het totaal van aanspraken neergelegd in het militaire invaliditeitspensioen, de daaraan verbonden bijzondere invaliditeitsverhoging en de aanspraken op grond van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers in beginsel een volledige schadevergoeding bood aan de in en door de uitoefening van de militaire dienst gewond geraakte militair. Hetzelfde gold voor de aanspraken van de nabestaanden van een militair die ten gevolge van het uitoefenen van de militaire dienst kwam te overlijden. Deze aanspraken werden beschouwd als het inlossen van een ereschuld van de samenleving aan de militairen en hun nabestaanden en als compensatie voor de door de militair (of zijn nabestaanden) geleden schade. Van de militair werd (en wordt) immers gevraagd dat hij in het uiterste geval zijn leven geeft. Op voorhand moet hij er op kunnen vertrouwen dat een door hem en zijn nabestaanden in het kader van de inzet geleden schade op passende wijze zal worden vergoed.

Bij het vergoeden van de schade van de militair is de verzorgingsgedachte leidend. Dit betekent dat de invalide militair een maandelijks invaliditeitspensioen ontvangt en dat aan hem de noodzakelijke voorzieningen in natura worden verstrekt of vergoed. Hierbij worden de daadwerkelijk gemaakte kosten aan de militair vergoed. Er vindt geen afkoop plaats van mogelijke toekomstige kosten of aanspraken.

Tot 1998 is de AMPW ongewijzigd gebleven. In dat jaar is, naast de aanpassing aan de WAO, het toepassingsbereik van de bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV) uitgebreid om de schadevergoeding op grond van de rechtspositie uit te breiden. Daarnaast is het onderscheid ingevoerd tussen een bedrijfsongeval, een arbeidsongeval onder gewone omstandigheden, en een dienstongeval, een arbeidsongeval onder buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden (militaire oefeningen en crisisbeheersingsoperaties). (…)”

3.3

De in het citaat bedoelde uitbreiding van het toepassingsbereik van de BIV in 1998 onder de AMPW is geschied bij Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.7 De memorie van toelichting bij het desbetreffende wetsvoorstel vermeldt onder meer (i) dat de BIV met name is bedoeld om de immateriële schade te compenseren en daarom ook wel als smartengeld wordt aangeduid,8 en (ii) dat de uitbreiding is ingegeven om te voldoen aan de oorspronkelijke doelstelling van de militaire pensioenwetgeving, de schadeloosstellingsgedachte bij invaliditeit met dienstverband:9

“Bij invaliditeit waarvoor verband met de uitoefening van de militaire dienst is aangenomen, kan, naast de compensatie van inkomensschade, onder andere door middel van de invaliditeitsverhoging, ook recht bestaan op een bijzondere invaliditeitsverhoging (…). Afhankelijk van de ernst van de invaliditeit bedraagt deze bijzondere verhoging 20 of 40 % van de berekeningsgrondslag. Deze bijzondere invaliditeitsverhoging is met name bedoeld om de immateriële schade te compenseren en wordt daarom ook wel als smartengeld aangeduid. Ingevolge de artikelen E 8 en E 9 van de Amp-wet komt bij met name genoemde beperkingen de bijzondere invaliditeitsverhoging tot uitbetaling en dan alleen nog bij ernstige handicaps, dan wel bij een hoge mate van invaliditeit. Uit de praktijk van de afgelopen jaren is gebleken dat deze systematiek, gezien de in de wet omschreven exacte situaties waarin rechten ontstaan, niet meer adequaat en weinig flexibel is. Het door Defensie gehanteerde uitgangspunt dat bij aanvaarding van verband met de uitoefening van de militaire dienst, het niveau van de invaliditeitsvoorzieningen zodanig ruim is, dat er sprake is van een volledige schadevergoeding, is met name met betrekking tot de immateriële-schadecomponent niet meer in alle situaties het geval. Daarom wordt voorgesteld de situaties waarin het smartengeld tot uitbetaling kan komen uit te breiden en wel in een meer geleidelijk verloop, afhankelijk van de mate van invaliditeit. Daarmee wordt de oorspronkelijke doelstelling van de militaire pensioenwetgeving, de schadeloosstellingsgedachte bij invaliditeit met dienstverband, herbevestigd.”

Kaderwet militaire pensioenen (KMP)

3.4

De Kaderwet militaire pensioenen is in werking getreden op 31 januari 2001.10 Het stelsel is neergelegd in art. 2 KMP, dat sinds de inwerkingtreding niet meer is gewijzigd. In het eerste lid is “het uitgangspunt vastgelegd dat de rechten op het ouderdoms- en nabestaandenpensioen voor de militair dezelfde zullen zijn als voor de burgerambtenaar”.11 Het lid schrijft daartoe voor dat de in dat lid vermelde aanspraken worden neergelegd in de overeenkomst bedoeld in art. 4(1) Wet privatisering ABP. Voor deze zaak is van belang dat art. 2(5) KMP erin voorziet dat aanvullende aanspraken op militair pensioen bij (onder meer) arbeidsongeschiktheid en invaliditeit van de beroepsmilitair worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur:

“1 De aanspraken op ouderdoms- en nabestaandenpensioen en de daarmee samenhangende verplichtingen van de beroepsmilitair, de gewezen beroepsmilitair en hun nagelaten betrekkingen worden, met inachtneming van de bij of op grond van deze wet vastgestelde afwijkingen en aanvullingen, neergelegd in de overeenkomst naar burgerlijk recht, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP.

(…)

5 Aanvullende aanspraken op militair pensioen bij arbeidsongeschiktheid, invaliditeit of overlijden van de beroepsmilitair, de pensioenaanspraken voor de dienstplichtige of reservist en hun nagelaten betrekkingen, alsmede de grondslag voor het verstrekken van de met die invaliditeit samenhangende bijzondere leef- en werkvoorzieningen, worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

6 De noodzakelijke nadere regels ter uitvoering van de in het vijfde lid bedoelde algemene maatregelen van bestuur worden vastgesteld door Onze Minister.”

3.5

Uit de memorie van toelichting bij het KMP-wetsvoorstel volgt dat de invoering van de KMP verband houdt met de privatisering van de Algemene burgerlijke pensioenwet (ABP-wet). Omdat het militaire pensioenrecht van oudsher de ABP-wet volgde en deze ‘volgende benadering’ ertoe heeft geleid dat de pensioenpositie van militairen inhoudelijk al is genormaliseerd, wordt ook in formele zin geregeld dat sprake is van normalisering en tegelijkertijd privatisering van het pensioenstelsel voor militairen.12 Daarbij hoort ook dat militairen toetreden tot het pensioenreglement van het ABP, waarbij weer de overstap op het stelsel op kapitaaldekking behoort.13

3.6

Tegen deze algemene achtergrond van de invoering van de KMP moet de delegatiebepaling in art. 2(5) KMP voor bijzondere militaire pensioenrechten worden geplaatst. De memorie van toelichting vermeldt namelijk dat de privatisering betekent dat voor de bijzondere militaire pensioenrechten een nieuwe plaats moet worden gevonden, waarbij het uitgangspunt is om het bestaande stelsel te handhaven:14

“De privatisering van de algemeen gebruikelijke rechten op ouderdoms- en nabestaandenpensioen betekent dat ook voor de bijzondere militaire pensioenrechten een nieuwe plaats moet worden gevonden. Dit lid biedt in dat verband de basis voor de vaststelling van een tweetal aanvullende algemene maatregelen van bestuur, waarin de bestaande rechten op een verhoogd militair invaliditeits-, ouderdoms- of nabestaandenpensioen kunnen worden neergelegd. Daarbij is het volgende overwogen.

Aan het militaire beroep zijn vanouds pensioenvoorzieningen verbonden die beogen om bij het optreden van de met de taak samenhangende bijzondere risico’s van invalidering en overlijden de inkomens- en pensioenschade zo goed mogelijk te compenseren. Het invaliditeitspensioen werd daartoe vastgesteld langs een tweetal wegen. <volgt uiteenzetting van de regeling voor de situatie tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en van de regeling voor de situatie na het 65e levensjaar; MP>

Omdat dat stelsel in de praktijk zijn diensten heeft bewezen, door alle partijen als redelijk wordt ervaren en ook in de privaatrechtelijke sfeer als een afdoende compensatie voor de geleden schade wordt gezien, acht ondergetekende het van belang om het een en ander ook bij deze gelegenheid onverkort te handhaven.”

3.7

De memorie van toelichting vervolgt ermee dat de regeling voor bijzondere militaire pensioenrechten een publiekrechtelijke moet blijven en op financiering vanuit de Rijksbegroting moet steunen. De privatisering voor de algemene rechten kan namelijk niet worden gevolgd, omdat de bijzondere militaire pensioenrechten als basis hebben de bijzondere verantwoordelijkheid van (de staatssecretaris van) Defensie voor de gevolgen van een militaire operatie. Verder past een overstap op een kapitaaldekking of een rentedekking niet bij het ongewisse van de omstandigheden waarop de desbetreffende rechten zien:15

“De pensioenrechten waar het hier in hoofdzaak om gaat hebben de bijzondere verantwoordelijkheid van ondergetekende voor de gevolgen van een militaire operatie als basis. Alleen al daarom kunnen zij de weg van de algemeen geldende rechten, die van privatisering, niet volgen. Een overstap op kapitaaldekking of, zoals bij de arbeidsongeschiktheidspensioenen voor het burgerlijk overheidspersoneel is gedaan, op rentedekking, past bovendien niet bij het ongewisse van de omstandigheden waarop de betreffende rechten zien. De regeling moet dan ook een publiekrechtelijke blijven en op financiering vanuit de Rijksbegroting steunen.”

3.8

De memorie van toelichting vermeldt dat de regeling voor bijzondere militaire pensioenrechten wordt neergelegd in twee afzonderlijke AMVB’s:16

“Gezien het niveau van de basisregeling, dat van een privaatrechtelijk pensioenreglement, waarop de hier bedoelde bijzondere rechten aanvullend moeten werken, ligt het niet langer in de rede daarbij vast te houden aan een vaststelling bij formele wet. Gekozen is dan ook voor het meer flexibele instrument van de algemene maatregel van bestuur. Met het oog op de uitvoering wordt de stof gesplitst in een tweetal besluiten. Het eerste besluit omvat dan de pensioenelementen waarop boven de WAO-uitkering aanspraak zal bestaan en zal als bijzondere voorziening in de sfeer van de sociale zekerheid tot het takenpakket van het USZO gaan behoren. Een tweede besluit biedt de bijzondere rechten die boven de algemeen gebruikelijke ouderdoms- en nabestaanden-pensioenen kunnen worden toegekend. Het ABP zal de uitvoering daarvan op zich nemen. De uitvoerder van de basisregeling en van de plussen daarop is voor een betrokkene dan dezelfde. Over zowel de te volgen koers als de inhoud van de concept-besluiten bestaat in het Sectoroverleg Defensie overeenstemming.”

3.9

Ik heb noch in de memorie van toelichting noch in de overige Kamerstukken van het KMP-wetsvoorstel kunnen vinden dat aandacht is besteed aan de fiscale behandeling van de bijzondere militaire pensioenrechten.

3.10

De eerste AMVB is het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV),17 dat ziet op de situatie tot 65 jaar. De tweede AMVB is het Besluit bijzondere militaire pensioenen,18 dat ziet op de situatie vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en dat voortbouwt op wat in het Besluit AO/IV is geregeld.19 Beide besluiten zijn in werking getreden op 30 maart 2001.20 Ik concentreer me hierna op het Besluit AO/IV, mede omdat dit besluit in het onderhavige jaar op belanghebbende van toepassing is.21

Besluit AO/IV22

3.11

Voor deze zaak zijn in het bijzonder art. 7 en art. 8 Besluit AO/IV van belang voor beroepsmilitairen.23 Op grond van art. 7 Besluit AO/IV hebben gewezen beroepsmilitairen in voorkomende gevallen recht op een zogenoemd militair invaliditeitspensioen (MIP). Op grond van art. 8 Besluit AO/IV kunnen degenen die recht hebben op een dergelijk invaliditeitspensioen daarenboven in voorkomende gevallen – afhankelijk van de mate van invaliditeit met dienstverband – recht hebben op een bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV).24

3.12

Bij de wijziging van het Besluit AO/IV bij het hierna (‎3.15) aan de orde komende Besluit 2014 is het stelsel zoals dat tot dat moment gold als volgt overzichtelijk samengevat in de nota van toelichting op dat besluit. De nota spreekt over een bestuursrechtelijke schadevergoeding en onderscheidt drie onderdelen, te weten een MIP, een BIV en diverse voorzieningen en verstrekkingen:25

“Bestuursrechtelijke schadevergoeding

De militair die schade lijdt in en door de uitoefening van de militaire dienst onder buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden kan op grond van de KMP aanspraak maken op een forfaitaire schadevergoeding. Deze forfaitaire schadevergoeding is opgebouwd uit een militair invaliditeitspensioen (MIP), een bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV) en diverse voorzieningen en verstrekkingen.

Het MIP is een vergoeding voor de beperkingen die de militair ten gevolge van zijn invaliditeit in het dagelijks leven heeft. De hoogte van het levenslange pensioen wordt vastgesteld aan de hand van de mate van invaliditeit, deze moet ten minste 10% bedragen, en is gekoppeld aan de pensioengrondslag (de laatst genoten bezoldiging) van de betrokken militair. Het MIP komt pas na het ontslag van de militair tot uitbetaling.

Afhankelijk van de mate van de blijvende invaliditeit (de ernst van het letsel) wordt de hoogte van de BIV bepaald. Ook hier is de pensioengrondslag en de mate van invaliditeit bepalend voor de hoogte van de uitkering. Bij 20% invaliditeit bedraagt de BIV 5% oplopend tot 40% bij een mate van invaliditeit van 100%.

De diverse voorzieningen en verstrekkingen zoals neergelegd in de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers, zijn onder te verdelen in leef- en werkvoorzieningen. (…)

Met deze vergoedingscomponenten wordt sinds 1966 uiting gegeven aan de verzorgingsgedachte en wordt beoogd de schade die een militair lijdt volledig te vergoeden. Het enkele verband tussen de geleden schade en de uitoefening van de militaire dienst onder buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden is voldoende om een aanspraak op grond van de KMP te krijgen. Het MIP en de BIV worden vanuit de verzorgingsgedachte levenslang maandelijks uitbetaald.”

3.13

In de nota van toelichting op het Besluit AO/IV is geen aandacht besteed aan de fiscale behandeling van het MIP en de BIV. Dat is in die zin niet vreemd dat het Besluit AO/IV “de handhaving van de status-quo als uitgangspunt” heeft.26

3.14

In aanvulling op de bestuursrechtelijke pensioenrechten, waaronder het MIP en de BIV, kon een militair in voorkomende gevallen in aanmerking komen voor een civielrechtelijke schadevergoeding. Dit werd beoordeeld naar maatstaven van het civiele recht:27

“Civielrechtelijke schadevergoeding

Als een militair van mening is dat zijn schade, ondanks zijn hiervoor vermelde pensioenaanspraken op grond van de KMP, niet of onvoldoende is vergoed, kan hij een letselschadeclaim indienen. Een letselschadeclaim wordt pas gehonoreerd als blijkt dat door of namens Defensie onrechtmatig is gehandeld. Met andere woorden: er moet sprake zijn van een schuldaansprakelijkheid van Defensie. De hoogte van de schadevergoeding wordt vastgesteld aan de hand van de regels van Afdelingen 10 en 11 van titel 1, boek 6 Burgerlijk Wetboek.”

Besluit 201428

3.15

Het Besluit AO/IV is diverse keren gewijzigd.29 Ik noem hier in het bijzonder de wijziging bij besluit van 19 juni 2014 (Besluit 2014). Dat Besluit regelt vier onderwerpen, waaronder een regeling voor ‘volledige schadevergoeding’ vanaf 1 juli 2007:30

“In dit besluit worden vier onderwerpen geregeld. In de eerste plaats bevat het besluit een regeling voor de zogeheten «volledige schadevergoeding». Deze regeling beoogt om in de gevallen, waarin er na het toekennen van rechtspositionele schadecompensaties, in vergelijking met een civielrechtelijke schadevergoeding nog «restschade» overblijft, deze te compenseren. Hiertoe wordt het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Stb. 2001, 1401 ) gewijzigd. Deze regeling geldt, vanwege afspraken daarover gemaakt in het georganiseerd overleg, vanaf 1 juli 2007.”

3.16

Omdat de regeling geldt vanaf 1 juli 2007 zijn bepaalde artikelen in het Besluit AO/IV, na wijziging bij het Besluit 2014, specifiek gericht op de groep militairen wier ontslag heeft plaatsgevonden op of na 1 juli 2007 of maken deze artikelen een onderscheid tussen die groep en de groep militairen wier ontslag heeft plaatsgevonden vóór 1 juli 2007. Voor die laatste groep – die als zodanig in beginsel buiten de nieuwe regeling valt – is wel voorzien in een eenmalige forfaitaire uitkering bij wijze van ‘ereschuldregeling’,31 die wat betreft het Besluit AO/IV is neergelegd in art. 21a van dat besluit onder de noemer ‘bijzondere uitkering’. Die uitkering laat ik verder onbesproken.

3.17

Uit de nota van toelichting volgt dat de reden voor de nieuwe regeling is dat de oorspronkelijke bedoeling dat het militaire pensioenstelsel een volledige schadevergoeding biedt, niet altijd werd waargemaakt. Dat heeft geen aanleiding gegeven om de grondslagen van het militaire invaliditeitspensioenstelsel (de verzorgingsgedachte met daaraan gekoppeld een levenslange periodieke uitkering) te wijzigen maar wel om het stelsel aan te vullen met een eenmalige uitkering (schadevergoeding) daar waar het stelsel in vergelijking met civiele normen geen volledige schadevergoeding geeft.32

3.18

De aanvullende schadevergoeding wordt vastgesteld “binnen bestuursrechtelijke kaders en op grond van de uitgangspunten van de KMP”, waarbij niet relevant is of de Staat aansprakelijk is.33 Een smartengeld wordt niet toegekend in het kader van de aanvullende schadevergoeding, aangezien de BIV als zodanig gezien moet worden:34

“Bij de toekenning van een MIP zal, als er een medisch eindsituatie is bereikt, ook bezien worden of er naast de rechtspositionele aanspraken nog restschade is. Om dit te beoordelen wordt aan de hand van civielrechtelijke normen de schade begroot. De aanvullende schadevergoeding wordt vastgesteld door toepassing van de afdelingen 6.1.10 en 6.1.11 van het Burgerlijk wetboek. Bij het vaststellen van de aanvullende schadevergoeding wordt alleen naar de materiële schadeposten gekeken. Een smartengeld wordt niet toegekend nu de bijzondere invaliditeitsverhoging als zodanig gezien moet worden. Dit is in lijn met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2007 (LJN BA9032).”

3.19

Met betrekking tot de BIV is – voor ontslagsituaties van (op of) na 1 juni 2007 (bedoeld zal zijn: 1 juli 2007) – het werkingsbereik verruimd en de staffel aangepast:35

“Het werkingsbereik van de BIV, het smartengeld, wordt voor ontslagsituaties van na 1 juni 2007 verruimd. Ingevolge de huidige regeling bestaat pas aanspraak op BIV indien het invaliditeitspercentage 20 % bedraagt. Een invaliditeitspensioen komt echter ook tot uitbetaling als de invaliditeit tenminste 10% bedraagt. Bij dit percentage invaliditeit wordt nu geen BIV toegekend. Ook bij een invaliditeit van 10% kan sprake zijn van immateriële schade. Om die reden wordt bij een invaliditeitspercentage van tenminste 10%, maar minder dan 20% een BIV toegekend naar een hoogte van 2,5%. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een logischer opbouw van de BIV percentages te introduceren. Binnen het huidige maximum van 40% komt nu een BIV tot uitbetaling bij een invaliditeit van 10% tot en met 100%. Niet langer wordt uitgegaan van stappen van 20% invaliditeit, maar van 10% invaliditeit.”

3.20

De wijziging in de regeling voor de BIV is doorgevoerd door een wijziging van art. 8 Besluit AO/IV. Omdat de nieuwe regeling voor de BIV alleen geldt voor ontslagsituaties van op of na 1 juli 2007, voorziet art. 8 Besluit AO/IV na de wijziging zowel in een regeling voor die situaties als in een regeling voor ontslagsituaties van vóór 1 juli 2007.

3.21

De aanvullende schadevergoeding is geregeld in het nieuwe art. 8a Besluit AO/IV, dat als titel ‘Volledige schadevergoeding’ kent. Aan deze wijzigingen is terugwerkende kracht verleend tot 1 juli 2007. 36 Ik merk op dat in bronnen deze regeling soms wordt aangehaald met de term ‘RVS’ (Regeling volledige schadevergoeding).

3.22

Art. 8a Besluit AO/IV kent in het vijfde lid een delegatiebepaling, op grond waarvan de minister van Defensie de bevoegdheid heeft om nadere voorschriften te geven ten aanzien van de uitvoering van het artikel. De minister heeft van die bevoegdheid gebruik gemaakt met de Uitvoeringsregeling volledige schadevergoeding van 3 november 2014 (UVS).37 In de toelichting is gemeld dat “[a]angezien de BIV reeds het karakter van een smartengeld heeft en deze uitvoeringsregeling zuiver ziet op het bepalen van de materiële schade, (…) onder deze regeling geen nadere bepaling van smartengeld [zal] plaatsvinden.”38

3.23

In de nota van toelichting op het Besluit 2014 is geen aandacht besteed aan de fiscale behandeling van de BIV en de (nieuwe) aanvullende schadevergoeding. Wel besteedt de nota aandacht aan de fiscale behandeling van de – in ‎3.16 genoemde – in art. 21a Besluit AO/IV voorziene eenmalige bijzondere uitkering in het kader van de ereschuldregeling voor de ‘oude gevallen’.39 Sterker nog, in art. 21a Besluit AO/IV is in het elfde lid een bepaling opgenomen die betrekking heeft op de belastingheffing over de bijzondere uitkering.

4.Belastingheffing over vergoeding van immateriële schade: van Smeerkuilarrest tot Brandweermanarrest

4.1

In dit onderdeel besteed ik aandacht aan de fiscale jurisprudentie over de vraag of en zo ja onder welke omstandigheden een vergoeding van immateriële schade is aan te merken als loon. Het gaat om de jurisprudentie zoals die zich ontwikkeld heeft van het Smeerkuilarrest tot het Brandweermanarrest. Ik besteed (hier) aandacht aan die jurisprudentie om drie redenen. Ten eerste, de voorliggende kwestie betreffende de fiscale behandeling van het MIP en vooral de BIV kan niet los worden gezien van de ontwikkeling in die jurisprudentie. Zie ik het goed, dan ging de Belastingdienst er tot het Brandweermanarrest van uit dat niet alleen het MIP maar ook de BIV als ‘loon’ uit (vroegere) dienstbetrekking in de heffing van de inkomstenbelasting kan worden betrokken. De tweede reden is dat belanghebbende zich in deze procedure op het standpunt stelt dat een uitkering die strekt tot vergoeding van immateriële schade niet in de heffing kan worden betrokken omdat een dergelijke vergoeding bovenbronnelijk is. Dit standpunt bouwt voort op een annotatie van Van Dijck bij het Smeerkuilarrest. Ten derde is het arrest HR BNB 1994/22 van belang, enerzijds omdat dit arrest juist gaat over de BIV en anderzijds gelet op de literatuur over dit arrest. Het overzicht hierna is een overzicht op hoofdlijnen, een uitputtend overzicht van de jurisprudentie van de Hoge Raad is niet nagestreefd.

Smeerkuilarrest

4.2

In HR BNB 1984/2 (Smeerkuilarrest) oordeelt de Hoge Raad dat het gerechtshof ten onrechte heeft geoordeeld dat hetgeen de belanghebbende ter zake van immateriële schade en verlies van arbeidskracht is vergoed als loon uit dienstbetrekking (als bedoeld in het toenmalige art. 22 Wet op de inkomstenbelasting 1964) moet worden aangemerkt. De Hoge Raad komt tot dat oordeel op grond van de overweging:40

“dat door een werkgever op grond van diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval aan deze werknemer betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht - behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst, waaromtrent te dezen echter niets is vastgesteld - niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt;”

4.3

In zijn annotatie bespreekt Van Dijck dit arrest in het licht van het inkomensbegrip, in het bijzonder de bronnentheorie die aan de Wet IB 1964 ten grondslag ligt.41 In dat kader introduceert hij onder meer het concept bovenbronnelijke afbakening, waarop belanghebbende een beroep doet. Daarop ga ik in ‎7.5 e.v. uitgebreider in.

HR BNB 1994/22

4.4

HR BNB 1994/22 gaat over een belanghebbende die als dienstplichtig militair tijdens een schietoefening een blijvende gehoorbeschadiging van het rechteroor heeft opgelopen. De belanghebbende heeft in verband daarmee een invaliditeitspensioen, vermeerderd met een invaliditeitsverhoging toegekend gekregen op grond van de (eerder in ‎3.2 genoemde) AMPW. Die verhoging betreft dus – naar ik begrijp – de voorloper van de huidige BIV onder de AMPW. De Hoge Raad laat in het midden of juist is het uitgangspunt dat het door belanghebbende ontvangen invaliditeitspensioen en de verhoging daarvan moeten worden aangemerkt als een vergoeding voor immateriële schade. Ook als dat uitgangspunt juist is, neemt dat volgens de Hoge Raad niet weg dat voldaan is aan het ‘zo zeer’-criterium. Reden is dat de uitkeringen voorvloeien uit een rechtspositionele regeling waaraan invalide ex-militairen rechten ontlenen steeds indien verband bestaat tussen de invaliditeit en de uitoefening van de militaire dienst:42

“3.3. (…). Partijen gaan ervan uit - bij welk uitgangspunt het Hof zich heeft aangesloten - dat het door belanghebbende ontvangen invaliditeitspensioen en de verhoging daarvan moeten worden aangemerkt als een vergoeding voor immateriële schade. Of dit uitgangspunt juist is kan in het midden blijven.

Ook indien het juist zou zijn, zou dit karakter van de uitkeringen niet wegnemen dat zij zozeer hun grond vinden in de door belanghebbende vervulde publiekrechtelijke dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt. Zij vloeien immers voort uit een rechtspositionele regeling waaraan invalide ex-militairen rechten ontlenen steeds indien verband bestaat tussen de invaliditeit en de uitoefening van de militaire dienst.”

4.5

In punt 1-2 van zijn annotatie in BNB stelt Van Dijck dat aangenomen moet worden dat de Hoge Raad in dit arrest toepassing geeft aan de uitzondering die in het Smeerkuilarrest is gemaakt voor “bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst”. Hij is vervolgens kritisch over die toepassing (en de daarvoor gegeven motivering) voor zover het gaat over het deel dat niet uitgaat boven hetgeen uit hoofde van onrechtmatige daad gevorderd zou kunnen worden. Van Dijck voegt evenwel eraan toe dat indien de Hoge Raad zou hebben geoordeeld dat de uitkeringen niet zijn aan te merken als loon, de uitkeringen toch belastbaar zouden zijn geweest als periodieke uitkering:43

“3. De Hoge Raad geeft een motivering waarom de uitzondering van toepassing is. De uitkeringen vloeien voort uit een rechtspositionele regeling, waaraan de ex-militairen rechten ontlenen steeds indien verband bestaat tussen invaliditeit en de uitoefening van de militaire dienst. Het komt mij voor dat het voor de toepassing van de uitzondering niet genoeg is dat een bepaalde voorziening in de arbeidsovereenkomst is opgenomen. Indien de voorziening echter niet uitgaat boven hetgeen ook op andere gronden gevorderd zou kunnen worden, met name uit hoofde van onrechtmatige daad, lijkt het mij niet aanvaardbaar om de uitkering tot het loon te rekenen. Waarom zou men deze werknemer slechter behandelen dan een werknemer waarvoor geen uitdrukkelijke regeling is opgenomen, maar die toch in dezelfde materiële positie verkeert?

4. Indien de Hoge Raad zou hebben aangenomen dat niet sprake is van loon uit (vroegere) dienstbetrekking, zouden de uitkeringen toch belastbaar zijn geweest als periodieke uitkering.”

4.6

In een later verschenen FED-brochure van Van Dijck lijkt sprake te zijn van een lichte verschuiving in opvatting. Van Dijck lijkt namelijk van opvatting te zijn dat het resultaat in HR BNB 1994/22 dat het invaliditeitspensioen belast is, kan worden verdedigd op de grond dat de werkgever niet onrechtmatig handelde:44

“Het invaliditeitspensioen voor gehoorbeschadiging in militaire dienst werd door de HR BNB 1994/22 belast geacht. Men kan dit verdedigen op grond van de uitzondering die in BNB 1984/2 werd gemaakt (…), maar het lijkt mij juister hier de toets van de onrechtmatigheid te leggen. De overheid handelde als werkgever van de militair niet onrechtmatig maar was wel – als behoorlijk werkgever – gehouden de opgetreden schade te vergoeden, al dan niet via een uitdrukkelijke regeling in de arbeidsovereenkomst.”

4.7

Ook Rijkers heeft zich gebogen over de verhouding van HR BNB 1994/22 tot het Smeerkuilarrest.45 Zie ik het goed dan ziet de auteur als een belangrijk element in het Smeerkuilarrest dat het daarin gaat om vergoedingen die door de werkgever zijn betaald op grond van diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval. Rijkers voert HR BNB 1994/22 als een illustratie op van het geval waarin een concrete dienstbetrekking naar haar aard bijzondere gevaren meebrengt die door de werknemer zijn aanvaard en waartegenover de werkgever toezegt om – ook buiten het geval van aansprakelijkheid wegens onrechtmatigheid – schade te vergoeden in het geval het gevaar zich manifesteert. Rijkers wijst daarbij op de woorden “steeds indien verband bestaat” in HR BNB 1994/22. Daarin valt volgens de auteur te lezen dat ook recht op de uitkering bestaat, indien de werkgever niet wettelijk aansprakelijk is voor de schade – in dat geval slaat de balans door naar de dienstbetrekking als bron van het voordeel.

“Het is (…) niet goed voorstelbaar dat dezelfde schadevergoeding belast is doordat zij niet alleen aan het burgerlijk recht (…) maar ook aan de arbeidsovereenkomst kan worden ontleend. Dat kan anders liggen, indien een concrete dienstbetrekking naar haar aard bijzondere gevaren met zich brengt. Deze gevaren kunnen door een werknemer zijn aanvaard. Daartegenover kan de werkgever een schadevergoeding hebben toegezegd – ook buiten het geval van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad – voor het geval dat het gevaar zich daadwerkelijk manifesteert en tot blijvend letsel leidt.

[HR BNB 1994/22; MP] kan hierbij als illustratie dienen.

<volgt weergave van de zaak en van de kernoverweging in rov. 3.3 van HR BNB 1994/22; MP>

Het past hier enige nadruk te leggen op het voortvloeien uit een rechtspositionele regeling en op de woorden “steeds indien verband bestaat”. Daarin valt te lezen dat ook recht op de uitkering bestaat, indien de werkgever niet wettelijk aansprakelijk is voor de schade. In dat laatste geval slaat de balans door naar de dienstbetrekking als bron van het voordeel.”

4.8

Rijkers sluit zich vervolgens aan bij de in ‎4.5 vermelde kritiek van Van Dijck wat betreft het tot het loon rekenen van de uitkering indien zij niet uitgaat boven wat op grond van onrechtmatige daad zou kunnen worden gevorderd.46 Op deze plaats is verder van belang dat (ook) Rijkers daarna opmerkt dat – kort gezegd – de uitkering hoe dan ook belastbaar zou zijn, te weten als periodieke uitkering:

“Naar aanleiding van BNB 1994/22 moet nog het volgende worden opgemerkt. Ook al zou in dat geval geen band met de dienstbetrekking zijn aangenomen, zou onder de Wet IB 1964 toch belastbaarheid hebben bestaan. Er was namelijk sprake van in rechte vorderbare periodieke uitkeringen. Deze zouden belastbaar zijn geweest op grond van art. 30, lid 1, onderdeel c, Wet IB 1964. Onder de Wet IB 2001 zou hetzelfde gelden op grond van art. 3.101, lid 1, onderdeel c.”

4.9

Van Dort meent dat het oordeel van de Hoge Raad in HR BNB 1994/22 dat de invaliditeitsverhoging zozeer haar grond vindt in de door belanghebbende vervulde publiekrechtelijke dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moet worden aangemerkt, past binnen de leer van het Smeerkuilarrest:47

“Het oordeel van de Hoge Raad lag voor de hand en past geheel binnen de leer van BNB 1984/2. Weliswaar kan de bijzondere invaliditeitsverhoging worden gezien als een vorm van immateriële schadevergoeding, doch het recht op de verhoging is rechtspositioneel geregeld en ontstaat uitsluitend voor militairen die als gevolg van een dienstongeval ernstig letsel oplopen. Niet alleen de dienstbetrekking bij het Ministerie van Defensie is derhalve voorwaarde voor het recht op de verhoging, maar ook de specifiek uit die dienstbetrekking voortvloeiende rechtspositionele regelgeving. In feite behoort de uit de dienstbetrekking en rechtspositie voortvloeiende bijzondere invaliditeitsverhoging tot een van de bijzondere omstandigheden waarop de Hoge Raad in BNB 1984/2 doelde.4”

4.10

Hier van belang is ook dat uit de voetnoot 4 bij dit citaat volgt dat Van Dort – evenals Van Dijck en Rijkers – van opvatting is dat ook als de uitkering niet als loon zou zijn aangemerkt, zij belastbaar zou zijn als periodieke uitkering:

“4.Overigens is de onbelastbaarheid van een dergelijke uitkering sowieso niet goed voorstelbaar. Het militair pensioen wordt immers periodiek, dat wil zeggen per maand, aan de militair uitbetaald en zou derhalve, ook wanneer het niet als loon uit dienstbetrekking zou zijn aangemerkt, belast worden als periodieke uitkering in de zin van art. 30 lid 1 sub c Wet IB 1964 (thans geregeld in art. 3.101 Wet IB 2001).”

HR BNB 2001/150

4.11

Uit HR BNB 2001/150 volgt dat de omstandigheid dat een ongeval en de daardoor veroorzaakte schade de belanghebbende uitsluitend in zijn hoedanigheid van werknemer heeft kunnen overkomen, niet is aan te merken als bijzondere omstandigheden in de zin van het Smeerkuilarrest. “Het gaat daarbij immers om omstandigheden zoals afspraken in de arbeidsovereenkomst en rechtspositionele regelingen, waaraan de gelaedeerde een recht op vergoeding wegens verlies van arbeidskracht ontleent”, aldus de Hoge Raad.48

HR BNB 2017/135

4.12

In HR BNB 2017/135 gaat het om een vergoeding die aan de belanghebbende is toegekend ter compensatie van diens leed als gevolg van de incidenten die tijdens de uitoefening van de dienstbetrekking bij de politie hebben plaatsgevonden en de omstandigheid dat diens loopbaanontwikkeling daardoor sterk is gestagneerd. De Hoge Raad oordeelt dat aangezien geen andere conclusie mogelijk is dan dat een dergelijke vergoeding strekt tot vergoeding van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht, de vergoeding niet als loon genoten uit dienstbetrekking kan worden aangemerkt (met verwijzing naar het Smeerkuilarrest). Opmerkingswaardig is dat tot de vaststellingen waarop de voormelde conclusie is gebaseerd, niet behoort dat de werkgever de vergoeding heeft toegekend op grond van diens aansprakelijkheid:49

“2.3.1. De werkgever heeft blijkens de vaststellingen van het Hof de vergoeding aan belanghebbende toegekend ter compensatie van diens leed als gevolg van de incidenten die tijdens de uitoefening van de dienstbetrekking hebben plaatsgevonden en de omstandigheid dat diens loopbaanontwikkeling daardoor sterk is gestagneerd.

2.3.2.

De hiervoor in 2.3.1 vermelde vaststellingen van het Hof laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende als gevolg van de incidenten naast leed een vermindering van arbeidskracht heeft ondervonden, die heeft geleid tot een sterke stagnatie van zijn loopbaanontwikkeling, en dat het bedrag dat de werkgever uit dien hoofde aan belanghebbende deed toekomen, strekt tot vergoeding van deze immateriële schade en dit verlies aan arbeidskracht. Een dergelijke vergoeding vindt niet zozeer haar grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten loon dient te worden aangemerkt (vgl. HR 29 juni 1983, nr. 21435, BNB 1984/2).”

Brandweermanarrest

4.13

In HR BNB 2022/81 (Brandweermanarrest) zet de Hoge Raad uiteen wat hij in het Smeerkuilarrest heeft bedoeld met de woorden “zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst” in het kader van de in dat arrest gemaakte uitzondering voor bijzondere omstandigheden. Die woorden brengen mee dat op de hoofdregel dat vergoedingen van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht niet als loon worden aangemerkt, een uitzondering kan worden gemaakt “voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit”:50

“4.2 In het [Smeerkuilarrest, MP] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat door een werkgever in verband met diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht – behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst – niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt. Met de woorden “zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst” heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat op de hoofdregel – vergoedingen van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht worden niet als loon aangemerkt – een uitzondering kan worden gemaakt indien en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit. Wanneer de werkgever niet zo’n hogere vergoeding aan die erkenning verbindt, brengt de vastlegging in de arbeidsovereenkomst materieel geen verandering in de rechten die de werknemer als gevolg van het ongeval heeft. Dan is er ook geen reden om over de belastbaarheid van de vergoeding anders te oordelen dan in het geval van de werknemer ten aanzien van wie in de arbeidsovereenkomst niets is geregeld omtrent een vergoeding als hiervoor bedoeld. Indien bij of krachtens de arbeidsovereenkomst geen hogere vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht zijn voorzien dan bepaald worden door de op de werkgever rustende aansprakelijkheid, doet de uitzondering op de hoofdregel zich daarom niet voor.”

4.14

Het arrest maakt verder duidelijk dat niet in het algemeen een ander uitgangspunt geldt voor vergoedingen die zijn toegekend door werkgevers met een publieke taak:

“4.4 Het tweede middel bevat de stelling dat vergoedingen als hiervoor in 4.2 bedoeld niet tot het belastbare loon mogen worden gerekend indien zij zijn toegekend door werkgevers die werkzaamheden doen verrichten met het oog op hun publieke taak. Het middel is bij pleidooi aldus toegelicht dat aan werkzaamheden die ter vervulling van die publieke taak worden opgedragen veelal een verhoogd risico op ernstige letselschade is verbonden. Die omstandigheid brengt werkgevers met een publieke taak niet in een zodanig andere positie dan die van werkgevers in het algemeen dat voor de belastbaarheid van vergoedingen van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht zou moeten worden afgeweken van het hiervoor in 4.2 genoemde uitgangspunt. Het middel faalt.”

4.15

Het Brandweermanarrest komt tegemoet aan de kritiek van onder meer Van Dijck (‎4.5) en Rijkers (‎4.8) naar aanleiding van HR BNB 1994/22. De Hoge Raad rept in het Brandweermanarrest niet over een (gedeeltelijk) omgaan, maar het arrest is naar mijn indruk veelal wel als een koerswijziging gezien, niet alleen door de staatssecretaris van Financiën (zie bijv. ‎5.2 en ‎5.9 hierna) maar ook in (een deel van) de literatuur. Ik laat Mertens aan het woord:51

“10. Is hier nu sprake van een koerswijziging van de Hoge Raad? Deze overweegt: “Met de woorden “zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst” heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat [enz.]”. Zo geformuleerd betekent dit dat al uit het Smeerkuilarrest zelf zou volgen dat de Hoge Raad hierbij uitsluitend arbeidsvoorwaardelijk vastgelegde letselschadevergoedingen op het oog had die uitgaan boven de aansprakelijkheid van de werkgever. Ik kan dat toch echt in dat arrest niet lezen, zeker niet als ik de kritiek op dit punt en de latere jurisprudentie in ogenschouw neem. Ook de casus van de militair met gehoorschade (BNB 1994/22*) betrof overduidelijk een arbeidsvoorwaarde, namelijk een invaliditeitspensioen. Dat deze uitging boven waarvoor de werkgever aansprakelijk was is gesteld noch getoetst. Annotator Van Dijck meende indertijd dat de Hoge Raad zich weliswaar minder expliciet dan het Hof had uitgelaten maar dat toch moet worden aangenomen dat deze de toepassing van diens uitzondering voor ogen had en kwam daarbij tot zijn hiervoor genoemde kritiek op dit punt. De nadere precisering in BNB 2001/150 dat het gaat om omstandigheden zoals afspraken in de arbeidsovereenkomst en rechtspositionele regelingen, waaraan de gelaedeerde een recht op vergoeding wegens verlies van arbeidskracht ontleent, liet over de reikwijdte van deze uitzondering naar mijn mening weinig onduidelijkheid. Dat deze alleen aan de orde is voor zover de rechtspositionele uitkering de aansprakelijkheid van de werkgever te boven gaat valt daarin naar mijn mening niet te lezen. En in BNB 2017/135c* draaide het expliciet om de vraag of de uitkering voortvloeide uit een rechtspositionele regeling. De later getroffen regeling bleek alleen het recht van de werknemer op de uitkering te bevestigen en daarom kon het Hof tot de conclusie komen dat deze niet op een rechtspositionele regeling berustte. Indien al uit het Smeerkuilarrest had moeten worden afgeleid dat deze uitzondering alleen de situatie betreft dat de uitkering uitgaat boven hetgeen waartoe de werkgever aansprakelijkheid is, kan ik niet verklaren waarom de Hoge Raad dit niet al(snog) in dit arrest tot uitdrukking heeft gebracht.”

5.Standpunt staatssecretaris van Financiën en de Belastingdienst na Brandweermanarrest: BIV weliswaar geen loon maar wel belast als periodieke uitkering

5.1

De staatssecretaris van Financiën en de Belastingdienst hebben na het Brandweermanarrest het standpunt ingenomen dat de BIV weliswaar geen loon is, maar niettemin wel belast is voor de inkomstenbelasting als periodieke uitkering. Om te bewerkstelligen dat de BIV in de loonheffing kan worden betrokken, is het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB) gewijzigd. Het standpunt van de staatssecretaris (en de Belastingdienst) is veelvuldig onderwerp van debat geweest in de Tweede Kamer. Ik geef hierna een overzicht in overwegend chronologische volgorde.

Aanloop tot wijziging UBLB

5.2

Als ik het goed zie, heeft de staatssecretaris van Financiën voor het eerst op 2 juni 2022 in algemene zin een reactie op het Brandweermanarrest gegeven naar aanleiding van vragen van Tweede Kamerleden Idsinga en Van Dijk.52 Uit de reactie volgt onder meer dat de staatssecretaris van opvatting is dat de Hoge Raad “een omslag” heeft gemaakt ten opzichte van het Smeerkuilarrest en nadien gewezen jurisprudentie. In de reactie komt de fiscale behandeling van de BIV nog niet aan de orde.

5.3

De BIV komt wel aan bod tijdens een vragenuur in de Tweede Kamer op 27 juni 2023 naar aanleiding van een bericht in het AD53 over een militair die werd geconfronteerd met belastingheffing over zijn BIV.54 Het Tweede Kamerlid Idsinga stelt de vraag of – kort gezegd – over een BIV inderdaad geen loonbelasting moet worden betaald. De staatssecretaris van Financiën meldt in de kern daarop terug te komen, mede na overleg met het ministerie van Defensie.

5.4

Bij brief van 26 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Financiën, mede namens de staatsecretaris van Defensie, de Tweede Kamer ingelicht over de fiscale behandeling van de BIV.55 De kern is dat de BIV weliswaar op grond van het Brandweermanarrest niet tot het loon behoort, maar dat de BIV wel tot het inkomen voor de inkomstenbelasting behoort als belaste periodieke uitkering op grond van art. 3.101(1)(a) Wet IB 2001. De staatsecretaris meldt verder dat defiscalisering niet tot de mogelijkheden behoort, omdat de BIV niet is afgestemd op het inkomen en evenmin is bedoeld om bepaalde noodzakelijke kosten te bestrijden. Verder kondigt de staatssecretaris aan dat de UBLB zal worden gewijzigd (met terugwerkende kracht) om te zorgen dat het ABP loonheffing kan blijven inhouden over de BIV. Reden daarvoor is om te voorkomen dat de BIV-gerechtigden moeten bijbetalen (in de inkomstenbelasting); de BIV-gerechtigden worden daarmee ontzorgd. Bovendien is het ABP ook na het Brandweermanarrest loonheffing blijven inhouden, aldus de staatssecretaris.

Wijziging Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB)

5.5

De bedoelde wijziging heeft plaatsgevonden door wijziging van art. 11 UBLB. De grondslag voor art. 11 UBLB is gelegen in art. 34(1) Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Deze bepaling biedt de grondslag om ‘ter vergemakkelijking van de heffing van inkomstenbelasting’ bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen om loonbelasting te heffen van natuurlijke personen die termijnen van lijfrente of andere periodieke uitkeringen of verstrekkingen genieten.

5.6

De wijziging van art. 11 UBLB betreft de toevoeging van een nieuw onderdeel ‘aa’ in het eerste lid. De tekst van art. 11(1)(aa) luidt als volgt:

“1. De loonbelasting wordt mede geheven van natuurlijke personen die de navolgende tot het belastbare inkomen uit werk en woning dan wel het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 behorende inkomsten genieten:

(…)

aa. uitkeringen op grond van artikel 3 van het Besluit bijzondere militaire pensioenen of op grond van de artikelen 8 of 11, tweede lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen.”

5.7

Art. 11(2) UBLB bepaalt dat “[d]e in het eerste lid bedoelde inkomsten worden aangemerkt als loon uit vroegere arbeid”.

5.8

De toevoeging van onderdeel ‘aa’ is geschied bij het Eindejaarsbesluit 2023.56 Dit besluit is in werking getreden op 1 januari 2024, met dien verstande dat aan de wijziging van het UBLB op dit punt terugwerkende kracht is verleend tot en met 25 maart 2022.57 Deze datum is de datum van het Brandweermanarrest. Uit de nota van toelichting volgt dat met de terugwerkende kracht wordt beoogd om een grondslag te bieden voor de handelwijze van het ABP om in de tussenliggende periode van 25 maart 2022 tot en met 31 december 2023 loonheffingen op de BIV in te houden.58

5.9

De nota van toelichting betreft in de kern een uitgebreidere versie van wat in de in ‎5.4 vermelde brief van 26 oktober 2023 is vermeld. Ik licht de volgende elementen uit de nota van toelichting: (i) de BIV heeft het karakter van smartengeld, (ii) de BIV werd tot en met het Brandweermanarrest belast als loon uit vroegere dienstbetrekking, (iii) het ABP heeft de BIV ook steeds behandeld als loon voor de heffing van loonbelasting, premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet, (iv) de BIV kan met ingang van 25 maart 2022 “slechts” in de heffing worden betrokken als periodieke uitkering, te weten op grond van art. 3.101(1)(a) Wet IB 2001, (v) door de wijziging van art. 11 UBLB wordt per saldo niet meer belasting geheven van de ontvangers van de BIV, maar wordt slechts de heffingssystematiek voor alle betrokkenen vereenvoudigd, en (vi) de Hoge Raad heeft in het Brandweermanarrest “een omslag” gemaakt.59

Kennisgroepstandpunt

5.10

In een op 6 februari 2024 gepubliceerd kennisgroepstandpunt wordt ingegaan op de vraag of de BIV loon is in de zin van art. 10 Wet LB.60 De kennisgroep beantwoordt die vraag ontkennend. Met een voetnootverwijzing naar de zojuist genoemde nota van toelichting op het Eindejaarsbesluit 2023, stelt de kennisgroep dat op basis van de (toelichting op de) BIV er “onvoldoende argumenten [zijn] om te onderbouwen dat de BIV meer bedraagt dan datgene waar de werkgever toe verplicht is op grond van zijn aansprakelijkheid”. In de beschouwing bij dit antwoord licht de kennisgroep dit onder meer als volgt toe (voetnoot niet opgenomen):

“Het komt de kennisgroep voor dat de regelgever de hoogte van de forfaitaire bedragen naar billijkheid heeft vastgesteld. Gelet op wet- en regelgeving en jurisprudentie op het gebied van werkgeversaansprakelijkheid komen de bedragen de kennisgroep ook niet excessief voor. Bovendien leent de aard van de vergoeding zich niet voor een rekenkundige benadering. Er zijn (vooraf) daarom onvoldoende argumenten om te onderbouwen dat de BIV meer bedraagt dan datgene waar de werkgever toe verplicht zou zijn op grond van zijn aansprakelijkheid."

5.11

Uit het kennisgroepstandpunt volgt verder dat (ook) de kennisgroep van opvatting is dat de BIV wél een belaste periodieke uitkering is voor de inkomstenbelasting op grond van art. 3.100(1)(a) Wet IB 2001.

Parlementaire behandeling: brief 7 juni 2024 en debat op 13 juni 2024

5.12

Het parlementair debat over de fiscale behandeling van de BIV is niet geëindigd na de in ‎5.4 vermelde brief van 26 oktober 2023. Tijdens een ordedebat van 27 februari 2024 is – met voldoende steun – gevraagd om een debat over de fiscale behandeling van de BIV alsmede om een brief van de staatssecretaris van Financiën daarover.61 Dit heeft geleid tot een gezamenlijke brief van 7 juni 2024 van de staatssecretaris van Financiën en de staatssecretaris van Defensie (hierna samen: de bewindspersonen) waarin relatief uitgebreid op de fiscale behandeling van de BIV wordt ingegaan.62

5.13

Een deel van de brief van 7 juni 2024 gaat wederom over de gevolgen van het Brandweermanarrest voor de fiscale behandeling van de BIV.63 Mede aanleiding daarvoor is een uitzending van Radar van 26 februari 2024,64 waarin volgens de bewindspersonen sprake is van een misverstand, dat moet worden rechtgezet. Inhoudelijk biedt dit deel van de brief niets nieuws ten opzichte van de eerdere brief van 26 oktober 2023 en de nota van toelichting bij de wijziging van art. 11 UBLB.

5.14

De bewindspersonen zetten uiteen dat een aanpassing van de fiscale behandeling van de BIV in die zin dat de oud-militairen geen belasting meer betalen over de BIV zonder aanpassing van het nettobedrag, ertoe zou leiden dat de oud-militairen meer ontvangen dan vanuit de zorgplicht van de Staat geboden is:65

“De Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechterlijke instantie in dit soort zaken, heeft bepaald dat de BIV volstaat voor vergoeding van de immateriële schade die een militair lijdt, tenzij dit in specifieke situaties onbillijk uitpakt.1

In de praktijk is verschillende keren nagegaan of dat laatste het geval was. Bij verschillende individuele letselschadeclaims en claims in het kader van de RVS van oud-militairen tegen Defensie is nagegaan hoe de BIV die de oud-militair ontvangt, zich verhoudt tot de smartengeldvergoeding die in een individuele letselschadeclaim zou moeten worden toegekend. Dit met als doel om na te gaan of de oud-militair nog een nabetaling moest krijgen voor smartengeld, bovenop de netto-BIV. Daaruit is gebleken dat daar geen aanleiding voor was.2 Met de netto-BIV voldoet Defensie derhalve aan haar zorgplicht. Iedere aanpassing van de regeling in die zin dat de oud-militairen geen belasting meer betalen over de BIV zonder aanpassing van het nettobedrag, zou er dus toe leiden dat de oud-militairen meer ontvangen dan vanuit de zorgplicht van de Staat geboden is.

(…)

1 CRvB 28 juni 2007, nr. 05-4599 MAW + 05-4953 MAW, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9032

2 Zie ook de brief van de minister van Defensie van 25 januari 2024, Kamerstukken II, 2023-2024, 30 139, nr. 273”

5.15

De brief van 7 juni 2024 gaat (niettemin) in op twee varianten die tegemoetkomen aan de wens geen belasting van oud-militairen te heffen over de BIV: (i) een volledige vrijstelling van belastingheffing, en (ii) inhouding van loonbelasting in de vorm van eindheffing:

“De uitzending van Radar en het breed gesteunde verzoek van het lid Idsinga om een debat over de BIV hebben geleid tot een onderzoek naar mogelijkheden die tegemoetkomen aan de wens geen belasting te heffen over de BIV. Daartoe hebben wij verschillende alternatieven onderzocht. Wij hebben hieronder twee varianten beschreven die het meest tegemoetkomen aan die wens. (…) De varianten zijn:

1. een volledige vrijstelling van belastingheffing (inkomstenbelasting en loonbelasting) zodat noch de oud-militairen noch Defensie belasting betalen over de BIV; en

2. een vrijstelling voor de oud-militairen die de BIV ontvangen in combinatie met belastingheffing die voor rekening van Defensie komt en blijft (loonbelasting in de vorm van eindheffing).”

5.16

Variant 1 (een volledige vrijstelling) past volgens de bewindspersonen niet in het fiscale stelsel:66

“Als uitgangspunt geldt dat alle periodieke uitkeringen en verstrekkingen (hierna: uitkeringen) belast zijn. Hierop zijn door middel van wettelijke vrijstellingen enkele uitzonderingen gemaakt waardoor over de vrijgestelde uitkeringen geen belasting wordt geheven. De reden daarvoor is dat de vrijgestelde uitkeringen bedoeld zijn om specifieke noodzakelijke uitgaven te kunnen doen die niet uit het inkomen kunnen worden betaald (zoals in het geval van bijzondere bijstand voor de kosten van een bewindvoerder). Met andere woorden: een vrijstelling is op zijn plaats als de uitkering de financiële positie (draagkracht) van de ontvanger niet verbetert. De BIV is niet bedoeld voor dekking van specifieke noodzakelijke uitgaven zoals hiervoor bedoeld. De BIV verbetert de financiële positie van de ontvangers. Een vrijstelling van de BIV zou daarmee een uitzondering zijn op de regel dat alle periodieke uitkeringen belast zijn en past daarmee niet in het huidige fiscale stelsel.”

5.17

Variant 2 (Defensie draagt de loonheffing) zou voor een regeling als de BIV een bijzondere maatregel zijn, al komt zij nog enigszins tegemoet aan de toename in draagkracht, aldus de bewindspersonen:67

“Bij een vrijstelling voor de oud-militairen met een eindheffing voor Defensie draagt Defensie de loonheffing van de ontvangers van de BIV. Eindheffing zou voor een regeling zoals de BIV ook een bijzondere maatregel zijn, maar komt nog enigszins tegemoet aan de toename in draagkracht. Hierin komt het fiscaaltechnische verschil tussen dit alternatief en het eerstgenoemde alternatief van volledige vrijstelling tot uitdrukking.”

5.18

De bewindspersonen wijzen verder op de nadelen van de beide varianten. Die nadelen hebben betrekking op (i) de doorwerking naar andere uitkeringen, (ii) de hoogte van de netto-BIV (vgl. ‎5.14), en (iii) de doorwerking naar inkomensafhankelijke regelingen:68

“De twee varianten hebben ook een aantal aanzienlijke nadelen. Vrijstelling van de BIV werkt mogelijk door naar andere vergelijkbare uitkeringen (precedentwerking). Dit werken wij hieronder verder uit. Verder leidt een vrijstelling tot een hogere netto-uitkering dan de geleden schade. Zoals hierboven is uitgelegd, is uit dossieronderzoek gebleken dat de netto-BIV niet te weinig is.

Daarnaast heeft een vrijstelling effect op inkomensafhankelijke regelingen. Doordat de BIV niet meer tot het belastbaar inkomen hoort en daarmee ook niet tot het toetsingsinkomen voor inkomensafhankelijke regelingen, ontstaat er bijvoorbeeld aanspraak op hogere toeslagen. De ontvangers van de BIV hebben dan een hogere aanspraak op inkomensafhankelijke regelingen dan personen die een ander (niet vrijgesteld) inkomen genieten dat even hoog is als de vrijgestelde uitkering. Dit leidt derhalve tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.”

5.19

Het eerste punt, de doorwerking naar andere uitkeringen, lichten de bewindspersonen als volgt toe:69

“Doorwerking naar andere uitkeringen

Een aanpassing van de fiscale behandeling van de BIV blijft mogelijk niet beperkt tot slechts de BIV. Er zijn namelijk in de kern met de BIV vergelijkbare periodieke uitkeringen die dekking bieden aan immateriële schade en/of verlies aan arbeidskracht, zoals invaliditeitspensioenen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen of andere regelmatig terugkerende inkomensvoorzieningen. Voor de bepaling van iemands financiële draagkracht kan niet voorbij worden gegaan aan de omstandigheid dat de ontvanger van een uitkering zoals hiervoor genoemd, deze – net als de BIV – kan aanwenden voor levensonderhoud. Als de belastingheffing van de BIV wordt aangepast, heeft dat om de hiervoor beschreven reden mogelijk effect op andere vergelijkbare uitkeringen waarbij deze dan ook vrijgesteld zouden moeten worden voor de ontvanger. Dit geldt zowel voor vergelijkbare regelingen binnen de militaire beroepsgroep als voor uitkeringen met een vergelijkbaar karakter, bijvoorbeeld een (reguliere) arbeidsongeschiktheidsuitkering.

(…)

Een voorbeeld binnen de regelingen van Defensie is het Militair Invaliditeitspensioen (MIP). Het MIP is bedoeld om onder meer verlies aan arbeidskracht te vergoeden. Oud-militairen die BIV ontvangen, ontvangen nagenoeg altijd ook een MIP. Beide bedragen worden in één totaalbedrag maandelijks uitgekeerd. Een vrijstelling van de BIV, heeft mogelijk uitstralingseffect naar het MIP. Als echter het MIP ook zou worden vrijgesteld, zou dit leiden tot een ‘domino-effect’ dat voor grote ongelijkheid tussen groepen van oud-militairen zorgt. De ongelijkheid wordt veroorzaakt door het volgende. Bij een claim op grond van de RVS of een reguliere letselschadeclaim, wordt berekend wat iemands volledige (rest)schade is en wordt deze in één keer betaald aan de oud-militair. Daarbij wordt rekening gehouden met onder meer het MIP. Het effect is dat een hogere netto MIP tot een lagere RVS of letselschadevergoeding leidt. Een reeds toegekende RVS-uitkering of letselschadevergoeding wordt echter niet teruggenomen. Oud-militairen die een RVS-uitkering of letselschadevergoeding hebben ontvangen en door een uitstralingseffect meer MIP ontvangen, komen daarmee in een financieel beduidend betere positie dan oud-militairen bij wie de RVS-uitkering of letselschadevergoeding nog niet is toegekend of militairen die in de toekomst letsel oplopen.”

5.20

De bewindspersonen wijzen verder op de nadelige budgettaire gevolgen van beide varianten.70 De eerste variant leidt tot een geschatte belastinginkomsten derving van € 4 miljoen structureel. De tweede variant leidt tot een geschatte toename van de uitgaven bij Defensie van € 6 miljoen structureel. Dit een en ander nog afgezien van de (indirecte) gevolgen van een mogelijke precedentwerking.

5.21

De brief van 7 juni 2024 vermeldt verder dat ook andere alternatieven zijn overwogen, en dat daarvan het alternatief van bruteren nog het meest tegemoet komt aan de wensen. De bewindspersonen zien bruteren echter niet als een realistisch alternatief:71

“Bij het onderzoek naar alternatieven hebben wij ook gekeken naar andere varianten. Daarbij kwam bruteren nog het meest tegemoet aan de wensen. De andere varianten lagen daar nog weer verder vanaf. Ook daarbij ontvangt de oud-militair die de BIV ontvangt een (dezelfde) hogere netto-BIV. Om dit te bereiken, wordt bij bruteren een hogere bruto-BIV toegekend. Daarover wordt dan, net als nu, belasting geheven. Na belastingheffing ontvangt de oud-militair die de BIV ontvangt het huidige brutobedrag netto. Zoals ook bij de eerdere alternatieven is beschreven, kleeft daaraan het nadeel dat de netto-uitkering hoger ligt dan de geleden schade en de daarmee samengaande ongelijkheid ten opzichte van eenmalig smartengeld. Verder zijn dermate zwaarwegende nadelen in beeld gekomen, dat wij bruteren niet als realistisch alternatief zien. De reden daarvoor is dat bij bruteren het ervaren gevoel van onterechte belastingheffing niet wordt weggenomen. De oud-militair die de BIV ontvangt blijft immers belasting betalen over de BIV. Dientengevolge zou de huidige discussie in de toekomst opnieuw kunnen opkomen. Ook is een punt van aandacht dat een dergelijke verhoging doorwerkt naar inkomensafhankelijke regelingen, met als mogelijk gevolg verlies van toeslagen. Tenslotte kost het tot stand brengen van het bruteren (veel) meer tijd dan de andere opties, omdat dit een aanpassing vergt van de rechtspositie bij Defensie. Deze dient te worden afgestemd met de centrales voor overheidspersoneel.”

5.22

Op 13 juni 2024 heeft de Tweede Kamer met de bewindspersonen gedebatteerd over belastingheffing over de BIV.72 In dat debat hebben verschillende Kamerleden gevraagd of de BIV na belastingheffing een passend bedrag aan smartengeld is. De staatssecretaris van Defensie stelt dat uit vergelijkingen in letselschadezaken tussen de BIV en de Smartengeldgids blijkt dat de ‘netto-BIV’ ruim voldoende is.73 Verder wijst de staatssecretaris erop dat uit rechtspraak van de CRvB74 volgt dat de BIV volstaat voor vergoeding van immateriële schade en dat dit ook in de praktijk verschillende keren door Defensie is onderzocht in letselschadezaken. De staatssecretaris wijst er verder op dat “[b]ij het opstellen van de regeling en ook bij tussentijdse aanpassingen (…) Defensie en de vakbonden [wisten] dat er belasting betaald zou moeten worden”.75 De bijdrage van de staatssecretaris van Financiën in het debat bestaat voornamelijk uit een uitleg dat de BIV steeds in de heffing van de inkomstenbelasting betrokken is geweest, en dat het Brandweermanarrest weliswaar meebrengt dat de BIV geen loon is, maar dat de BIV in dat geval als periodieke uitkering in de heffing wordt betrokken gelet op de bronnensystematiek en aangezien de BIV voldoet aan de definitie van een periodieke uitkering.76 Voorts gaat hij in op de bruteringsvariant.77 Verder merk ik op dat uit het debat volgt dat diverse leden van de Tweede Kamer het onrechtvaardig vinden dat een smartengeld onbelast is als het ineens wordt uitgekeerd maar belast is als het maandelijks wordt uitgekeerd.78

5.23

Tijdens het debat van 13 juni 2024 zijn twee moties voorgesteld. De motie Van Oostenbruggen “verzoekt de regering een onafhankelijke juridische en fiscale analyse te laten verrichten (…) naar de fiscale positie van de BIV”.79 De motie Van Eijk verzoekt de regering om de in de brief van 7 juni 2024 beschreven varianten “verder uit te werken en uitgebreider te toetsen op precedentwerking, doorwerking op andere regelingen, gelijke behandeling, draagkracht, budgettaire consequenties en uitvoerbaarheid en de Kamer hierover te informeren”.80 Beide moties zijn op 18 juni 2024 aangenomen.81

5.24

Aan die moties is uitvoering gegeven middels een rapport van Boot en Lubbers (rapport Boot/Lubbers).82 Het rapport Boot/Lubbers is aan de Tweede Kamer aangeboden bij brief van 22 april 2025.83 Dat rapport komt nu aan de orde. Een in de tussentijd verzonden brief van de staatssecretaris van Financiën van 1 juli 2024 op verzoek van de vaste commissie van Financiën van 7 februari 2024 in verband met een burgerbrief over de BIV, laat ik onbesproken, omdat de brief in de kern niets nieuws biedt en in hoofdzaak verwijst naar het aanvullende onderzoek dat zal worden gedaan (door uiteindelijk Boot en Lubbers).84

Rapport Boot/Lubbers

5.25

Het rapport Boot/Lubbers biedt informatie over (onder meer) de (historische) achtergrond van de BIV en de ontwikkeling in de jurisprudentie over de fiscale behandeling van smartengeld in de inkomstenbelasting.85 Dat herhaal ik hier niet. De kern is paragraaf 3, waarin Boot en Lubbers “beoordelen (…) of de BIV-uitkering op juiste wijze in de belastingheffing wordt betrokken”, alsmede paragraaf 4, waarin wordt ingegaan op alternatieven. Paragraaf 5 geeft een overzicht van de belangrijkste conclusies, waaronder (i) dat het Brandweermanarrest niet tot de conclusie leidt dat de BIV onbelast is voor de inkomstenbelasting, aangezien de BIV is aan te merken als een belaste periodieke uitkering die wordt ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling, en (ii) dat als de BIV op dit moment als een adequate voorziening kan worden beschouwd, de auteurs geen reden zien te adviseren tot defiscalisering of brutering van de BIV uitkeringen:86

“Het springende punt in de fiscale behandeling van de BIV is dat na het Brandweermanarrest weliswaar kon worden betoogd dat de BIV geen loon uit dienstbetrekking vormt, maar dit arrest leidt niet tot de conclusie dat een BIV-uitkering voor de ontvanger voortaan onbelast is. Dit is terug te voeren op de omstandigheid dat de BIV-uitkering voor de heffing van inkomstenbelasting wordt aangemerkt als een belaste periodieke uitkering die wordt ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling.

Gegeven de belastbaarheid van de BIV voor de heffing van inkomstenbelasting, onderschrijven wij de aanpassing in de fiscale regelgeving om na het Brandweermanarrest op BIV-uitkeringen nog steeds loonheffingen in te houden. Hiervoor is een goede rechtvaardiging aanwezig, namelijk dat de ontvanger van een BIV-uitkering wordt ontzorgd op het punt van zijn of haar fiscale verplichtingen terwijl geen sprake is van een verzwaring van de belastingdruk. Dat die aanpassing met terugwerkende kracht heeft plaatsgevonden – zodat de BIV-uitkering onafgebroken onder de loonbelasting valt – ligt vanuit het motief van ontzorging van de ontvanger van de BIV-uitkering voor de hand.

Wij onderschrijven derhalve de fiscale behandeling van de BIV zoals door de staatssecretaris van Financiën is uiteengezet in zijn brief van 26 oktober 2023.

Als de BIV op dit moment als een adequate voorziening kan worden beschouwd, dan ligt het niet voor de hand één van de drie alternatieve varianten te omarmen die zijn voorgesteld in de brief van de staatssecretarissen van Financiën en van Defensie van 7 juni 2024. Die varianten hebben immers alle drie als consequentie dat ontvanger van de BIV-uitkering per saldo een substantieel hogere netto uitkering krijgt.

Voor het substantieel verhogen van de netto-BIV-uitkering zou naar onze mening slechts reden zijn indien de BIV-uitkering in het algemeen lager uitkomt dan de bandbreedte aan bedragen die op basis van het civiele recht als schadevergoeding zouden worden toegekend. Op dat punt hebben wij geen aanwijzingen gevonden.

Om die reden zien wij geen reden thans te adviseren tot defiscalisering of brutering van de BIV uitkeringen.”

5.26

Ik attendeer erop dat Boot en Lubbers niet zelf concluderen dat het Brandweermanarrest meebrengt dat de BIV niet is aan te merken als loon uit dienstbetrekking. Zij schrijven immers “kon worden betoogd”. Dit vindt ook steun in het inhoudelijk deel van de analyse. Boot en Lubbers verwijzen daar naar het in ‎5.10 vermelde kennisgroepstandpunt dat de BIV geen loon uit dienstbetrekking is omdat de BIV niet meer bedraagt dan datgene waartoe de werkgever verplicht zou zijn op grond van zijn aansprakelijkheid, en merken op dat aan dit standpunt vertrouwen kan worden ontleend.87

5.27

De begeleidende brief van 22 april 2025 van de bewindspersonen bij het rapport Boot/Lubbers betreft grotendeels een weergave op hoofdlijnen van het rapport.88 De brief bevat slechts wat betreft één element een eigen standpunt, dat niet fiscaal van aard is, te weten dat Defensie de suggestie van het rapport omarmt om een specifieke juridische grondslag te creëren waardoor het mogelijk wordt om op grond van de RVS ook om vergoeding van immateriële schade te verzoeken.89

Verdere parlementaire behandeling

5.28

De staatssecretaris van Financiën heeft op 1 juli 2025 diverse vragen van Tweede Kamerlid Van Eijk beantwoord over de fiscale behandeling van de BIV.90 Een groot deel van de beantwoording bestaat in de kern uit herhaling van (inclusief verwijzingen naar) eerdere kamerbrieven. Ik belicht enige elementen van de beantwoording:

- (vraag 2) De staatssecretaris vindt niet dat de BIV ten principale niet hoort te worden belast, maar acht relevanter of de ontvanger netto voldoende ontvangt. In vrijwel alle gevallen is het bedrag van de BIV na belastingheffing een afdoende vergoeding voor de geleden immateriële schade. Indien de BIV vrijgesteld zou worden van belastingheffing, zouden de BIV-gerechtigden een veel hogere smartengeld uitkering ontvangen dan waar zij naar civielrechtelijke normen recht op zouden hebben. Dit leidt tot een forse ongelijkheid ten opzichte van degenen die een eenmalige immateriëleschadevergoeding ontvangen, aldus nog steeds de staatssecretaris.91

- (vraag 4) De second opinion van HHP Chambers geeft de staatssecretaris geen aanleiding om zijn standpunt over de belastbaarheid van de BIV te herzien, waarbij de staatssecretaris ter ondersteuning verwijst naar het rapport Boot/Lubbers. De staatssecretaris wijst verder erop dat diverse personeelsorganisaties inmiddels hun leden hebben geadviseerd om geen actie te ondernemen tegen de belastingheffing over de BIV.92

- (vraag 6) Het advies van de Landsadvocaat over de invoering van de vrijstelling van artikel 2-Fondsuitkeringen wordt niet openbaar gemaakt.

- (vraag 7) Een vrijstelling voor de BIV in art. 3.104 Wet IB 2001 is niet op haar plaats, omdat de BIV niet bedoeld is om bepaalde uitgaven te dekken, maar een vorm van vrij besteedbaar inkomen is.

5.29

In verband met vraag 6 merk ik op dat de vrijstelling van artikel 2-Fondsuitkeringen aan de orde komt in ‎6.20-‎6.23. Op deze plaats is van belang dat de staatssecretaris in het kader van de beantwoording van vraag 6 tevens uiteenzet waarom artikel 2-Fondsuitkeringen niet vergelijkbaar zijn met de BIV:93

“Los hiervan wil ik erop wijzen dat artikel 2-Fondsuitkeringen niet vergelijkbaar zijn met de BIV. De artikel 2-Fondsuitkeringen zijn namelijk niet belast in Nederland voor de inkomstenbelasting, omdat op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland het recht om belasting te heffen over deze uitkeringen is toegewezen aan Duitsland. De vrijstelling voor deze uitkeringen in de Wet IB 2001 is in de wet opgenomen met het oog op het progressievoorbehoud en de gevolgen voor inkomensafhankelijke regelingen. Duitsland heeft ervoor gekozen om geen belasting te heffen op artikel 2-Fondsuitkeringen. Daardoor is uiteindelijk sprake van onbelaste uitkeringen. Nederland kan op basis van het belastingverdrag geen inkomstenbelasting heffen over de artikel 2-Fondsuitkeringen. Ook dit geeft de artikel 2-Fondsuitkeringen een heel ander karakter dan de BIV-uitkeringen, waarvan vanaf de toekenning duidelijk is dat er belasting over verschuldigd is. De ontvangers van de BIV- uitkeringen zijn direct bij toekenning ervan geïnformeerd dat het een brutobedrag betreft waarover nog belastingen verschuldigd zijn.”

5.30

De fiscale behandeling van de BIV blijft voorwerp van overleg en/of debat in het parlement:

- In een brief van 6 oktober 2025 aan de Tweede Kamer gaan de bewindspersonen in op de stand van zaken wat betreft de belastingheffing over de BIV naar aanleiding van een toezegging en een motie.94 Deze brief biedt weinig nieuws.

- Tijdens een wetgevingsoverleg van 17 november 2025 heeft het Tweede Kamerlid Van Eijk diverse vragen over de belastingheffing over de BIV gesteld.95 Het lid maakt daarbij kenbaar dat de VVD-fractie overweegt om een amendement in te dienen dat voorziet in een vrijstelling voor de BIV. Uit de mondelinge behandeling van het pakket Belastingplan 2026 op 20 november 2025 maak ik op dat de VVD-fractie indiening van het amendement aanhoudt in afwachting van de uitkomst van de lopende procedure (naar ik begrijp: het oordeel van de Hoge Raad in deze zaak).96

- De staatssecretaris van Financiën heeft bij brief van 18 november 2025 gereageerd op de tijdens het wetgevingsoverleg van 17 november 2025 voorgelegde vragen over de BIV.97 Die reactie is in de kern een herhaling van zetten uit eerdere brieven.

5.31

Wat betreft de brief van 18 november 2025 belicht ik nog dat de staatssecretaris (wederom) als argumenten tegen een vrijstelling c.q. defiscalisering van de BIV aanvoert (i) dat dit tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen zou leiden, (ii) dat een vrijstelling niet in het fiscale stelsel past omdat een uitzondering op de regel dat alle publiekrechtelijke periodieke uitkeringen belast zijn, alleen op haar plaats is in de gevallen waarin het ontvangen van de uitkering de draagkracht van de ontvanger niet verhoogt en (iii) dat defiscalisering zou doorwerken naar inkomensafhankelijke regelingen en daarmee zou leiden tot een gunstigere behandeling (hogere aanspraak als gevolg van lager toetsingsinkomen) ten opzichte van een persoon met een even hoog maar niet vrijgesteld inkomen.98 Ook wijst de staatssecretaris erop dat als door defiscalisering de BIV-gerechtigde meer ontvangt dan de civielrechtelijke norm, de kans bestaat dat Defensie met diverse sociale partners in overleg treedt om de BIV naar beneden bij te stellen.99 Verder stelt de staatssecretaris dat een volledige vrijstelling van de BIV ertoe kan leiden dat de BIV alsnog als loon moet worden aangemerkt voor zover de BIV boven de civielrechtelijke norm valt:100

“Volledige vrijstelling leidt ertoe dat het deel van de BIV-uitkering dat boven de civielrechtelijke norm valt, volgens het Brandweermanarrest alsnog belast zou worden als loon. Dat kan opnieuw als onrechtvaardig worden ervaren. Indien daarvoor ook een vrijstelling zou worden ingevoerd, leidt dat tot verstrekkende uitstralingseffecten naar al het loon.”

6.Behandeling publiekrechtelijke periodieke uitkeringen voor de inkomstenbelasting

6.1

Zoals in het vorige onderdeel gezien zijn de staatssecretaris van Financiën en de Belastingdienst van opvatting dat de BIV een belaste periodieke uitkering is omdat de BIV is aan te merken als een publiekrechtelijke periodieke uitkering als omschreven in art. 3.101(1)(a) Wet IB 2001. De Rechtbank deelt die opvatting (zie ‎2.6). Belanghebbende is het daarmee niet eens. Belanghebbende betoogt niet alleen dat het bovenbronnelijke karakter van de BIV meebrengt dat de BIV onbelast is, maar ook dat de BIV als zodanig niet als publiekrechtelijke periodieke uitkering is aan te merken. Verder beroept belanghebbende zich – via diverse Europeesrechtelijke normen en rechtsbeginselen – op de (gunstigere) fiscale behandeling van zogenoemde artikel 2-Fondsuitkeringen en Rietkerkuitkeringen. Daarnaast is bij mij ambtshalve de vraag gerezen wat de gevolgen voor de toepassing van de Wet IB 2001 zijn van de – eerder in ‎5.5-‎5.6 vermelde – opname van de BIV in art. 11(1) UBLB. Dit een en ander geeft aanleiding om in dit onderdeel in te gaan op de fiscale behandeling van publiekrechtelijke periodieke uitkeringen in het systeem van de Wet IB 2001.

Wettelijk kader

6.2

Op de voet van art. 2.3 Wet IB 2001 wordt inkomstenbelasting geheven over het belastbare inkomen uit werk en woning. Op grond van art. 3.1(2)(d) Wet IB 2001 behoren belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen tot het belastbaar inkomen uit werk en woning. Tot die belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoren onder meer de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van art. 3.100(1)(a) Wet IB 2001, verminderd met de daarop drukkende aftrekbare kosten bedoeld in art. 3.108 Wet IB 2001. Art. 3.101 Wet IB 2001 bepaalt wat aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn. Als periodieke uitkeringen en verstrekkingen gelden onder meer op grond van art. 3.101(1)(a) Wet IB 2001 “de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling” (publiekrechtelijke periodieke uitkering).

6.3

Art. 3.103 Wet IB 2001 heeft als opschrift ‘Specifieke uitbreidingen publiekrechtelijke uitkeringen’. Het artikel regelt dat bepaalde specifiek in dat artikel genoemde uitkeringen tot de publiekrechtelijke periodieke uitkering behoren. Dit artikel is voor deze zaak niet van belang.

6.4

Art. 3.104 Wet IB 2001, dat als opschrift ‘Vrijstellingen publiekrechtelijke uitkeringen’ heeft, schrijft voor dat bepaalde specifiek in dat artikel genoemde uitkeringen en/of verstrekkingen niet tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen horen. In de lijst met uitkeringen is de BIV niet genoemd. Op de lijst staan wel – sinds 1 januari 2016 (zie ‎6.20 hierna) – de zogenoemde artikel 2-Fondsuitkeringen:

“Tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoren niet:

(…)

r. uitkeringen op grond van de overeenkomst tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Conference on Jewish Material Claims Against Germany, gebaseerd op artikel 2 van de Vereinbarung vom 18. September 1990 über die Herstellung der Einheit Deutschlands zwischen der Bundesrepublik Deutschland und der Deutschen Demokratischen Republik zur Durchführung und Auslegung des am 31. August 1990 in Berlin unterzeichneten Einigungvertrages.”

6.5

Ik merk hier reeds op dat soms op andere wijze dan via een vrijstelling in art. 3.104 Wet IB 2001 wordt bewerkstelligd dat een publiekrechtelijke periodieke uitkering de facto niet als belastbaar inkomen in aanmerking wordt genomen bij de uitkeringsgerechtigde. Ik wijs op de behandeling van een zogenoemde Rietkerk-uitkering (zie ‎6.25-‎6.26 hierna) en die van een zogenoemde (Duitse) getto-uitkering (zie ‎6.27-‎6.28 hierna).

Publiekrechtelijke periodieke uitkeringen101

6.6

Tot de belaste (aangewezen) periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoren op grond van art. 3.101(1)(a) Wet IB 2001 “de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling”. Gelet op middel 2 rijst de vraag wat de reikwijdte is van deze categorie periodieke uitkeringen en verstrekkingen.

6.7

Art. 3.101(1)(a) Wet IB 2001 maakt onderdeel uit van de Wet IB 2001 sinds de inwerkingtreding van die wet op 1 januari 2001.102 In het wetsvoorstel Belastingherziening 2001 was art. 3.101 nog genummerd art. 3.5.2.103 De memorie van toelichting vermeldt bij art. 3.5.2 niet meer dan het volgende:104

“Artikel 3.5.2 is ontleend aan artikel 30 Wet op de inkomstenbelasting 1964. Met de gewijzigde formulering en opbouw is geen inhoudelijke wijziging beoogd.”

6.8

De opbouw en formulering van art. 30 Wet IB 1964 was inderdaad net wat anders, ook wat betreft de publiekrechtelijke periodieke uitkeringen:105

“1. Inkomsten in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn de niet als winst uit onderneming, als winst uit aanmerkelijk belang of als inkomsten uit arbeid aan te merken periodieke uitkeringen en verstrekkingen welke:

a. van publiekrechtelijke aard zijn;

(…)”

6.9

De bepaling in art. 30(1)(a) Wet IB 1964 over publiekrechtelijke periodieke uitkeringen maakte onderdeel uit van de Wet IB 1964 sinds de invoering van die wet.106 Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet IB 1964 volgt dat art. 30 Wet IB 1964 (in het oorspronkelijke wetsvoorstel nog: art. 26107) is gebaseerd op art. 34 Besluit op de Inkomstenbelasting 1941108 (Besluit IB 1941) en ten opzichte van dat artikel geen materiële afwijkingen bevat.109 De bepaling over publiekrechtelijke periodieke uitkeringen was in dat art. 34 opgenomen in onderdeel 2 van het tweede lid; dit onderdeel luidde: “de niet als loon aangemerkte periodieke uitkeeringen van publiekrechtelijken aard”.110

6.10

In HR BNB 1953/260 geeft de Hoge Raad uitleg aan het begrip ‘uitkeringen van publiekrechtelijke aard’ zoals dat gold onder het Besluit IB 1941. Het gaat om uitkeringen die rechtstreeks voortvloeien uit wettelijke voorschriften van publiekrechtelijke aard:111

“dat de besluitgever de niet als loon aangemerkte periodieke uitkeringen van publiekrechtelijken aard blijkbaar onder de in art. 34 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 behandelde inkomsten in den vorm van periodieke uitkeringen heeft opgenomen, omdat naar zijn inzicht die uitkeringen in het stelsel van het besluit niet konden worden begrepen onder de opbrengst van roerend kapitaal;

dat als voorbeelden van hetgeen onder uitkering van publiekrechtelijken aard moest worden verstaan in de Leidraad bij het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 worden genoemd kosteloze ouderdomsrenten en renten ingevolge sociale verzekeringswetten;

dat een en ander duidelijk maakt, dat onder uitkeringen van publiekrechtelijken aard in den zin van art. 34 moeten worden verstaan uitkeringen, welke rechtstreeks voortvloeien uit wettelijke voorschriften van publiekrechtelijken aard, en daartoe niet behoren uitkeringen, die berusten op overeenkomsten als de vrijwillige ziekteverzekering en de vrijwillige ongevallenverzekering, hoezeer de rechtsgevolgen van deze overeenkomsten geregeld zijn in wettelijke voorschriften, welke tot het publieke recht behoren, en hoezeer deze daarvan in verschillende opzichten de kenmerken mogen dragen;”

6.11

Voor de vraag of een periodieke uitkering van publiekrechtelijke aard is, acht de Hoge Raad dus maatgevend de bron van c.q. de grond voor de uitkering: de uitkering moet rechtstreeks voortvloeien uit een wettelijk voorschrift112 van publiekrechtelijke aard.113 Dit komt ook terug in de omschrijving in een later arrest (onder de Wet IB 1964): “een uitkering waarop krachtens een wettelijke bepaling van publiekrechtelijke aard aanspraak kan worden gemaakt”.114 Ik attendeer erop dat de tekst van het huidige art. 3.101(1)(a) Wet IB 2001 (“ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling”) aansluit bij het criterium dat de Hoge Raad maatgevend acht voor de invulling van het begrip ‘periodieke uitkering van publiekrechtelijke aard’ onder het Besluit IB 1941 en de Wet IB 1964.

6.12

Giele leidt uit onder meer HR BNB 1953/260 het volgende af:115

“- Van publiekrechtelijke uitkeringen is in beginsel alleen sprake indien de uitkeringen rechtstreeks voortvloeien uit een (materiële) wet en niet (mede) afhankelijk zijn van de vraag of de uitkeringsgerechtigde dan wel een derde voor de vestiging en handhaving van het recht bij wijze van prestatie aan bepaalde financiële verplichtingen heeft voldaan. Noodzakelijk is voorts dat de uitkering als zodanig bij de rechter afgedwongen kan worden.”

6.13

Over wat onder de categorie publiekrechtelijke periodieke uitkeringen (als omschreven in successievelijk art. 34(2)(2) Besluit IB 1941, art. 30(1)(a) Wet IB 1964 en art. 3.101(1)(a) Wet IB 2001) valt, bestaat inmiddels veel jurisprudentie. Ik citeer uit het handboek van Stevens:116

“Onder de categorie publiekrechtelijke uitkeringen vallen mede jaarlijkse bijdragen krachtens de Wederopbouwwet (HR 5 november 1958, BNB 1958/348), uitkeringen ten behoeve van schipperskinderen (HR 16 november 1960, BNB 1960/337), uitkeringen krachtens het Duitse Bundesentschädigungsgesetz (HR 6 december 1967, BNB 1968/23), alsook periodieke betalingen ten behoeve van de volkshuisvesting (HR 2 januari 1974, BNB 1974/32, HR 12 februari 1975, BNB 1975/93), de uitkeringen ingevolge de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers (Hof Amsterdam 14 november 1988, V-N 1989, blz. 1078), subsidies ten behoeve van eigenwoningbezit en huisvesting voor gehandicapten (o.a. HR 15 januari 1992, BNB 1992/119). Op dezelfde grond werden de uitkeringen uit een auditorenfonds (Hof Amsterdam 2 mei 1997, V-N 1997, blz. 4565) belast verklaard. In HR 8 februari 2013, BNB 2013/78, werd ook dienovereenkomstig beslist ten aanzien van een uitkering toegekend uit het zogenoemde ‘Artikel 2 Fonds’ van de Conference on Jewish Material Claims Against Germany, Inc. De uitkering komt ten laste van de Duitse overheid.”

6.14

Ik licht hier uit HR BNB 2013/78 over een zogenoemde artikel 2-Fondsuitkering.117 Aan de orde is dat in de aan de belanghebbende opgelegde aanslag IB/PVV voor het jaar 2006 de artikel 2-Fondsuitkering tot het belastbaar inkomen en daarmee ook tot het premie-inkomen is gerekend. Het gerechtshof acht dat juist. Volgens het gerechtshof doet daaraan niet af dat de uitkering moet worden aangemerkt als een vergoeding voor door de belanghebbende geleden immateriële schade. De Hoge Raad verwerpt de klachten daartegen. Voor deze zaak is relevant dat de Hoge Raad daarbij overweegt dat de wetgever geen aanleiding heeft gezien om de artikel 2 Fondsuitkeringen uit te zonderen van het inkomen op de grond dat de uitkering strekt tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade:

“3.3. De hiertegen gerichte klachten houden onder meer in dat de uitkering niet mag worden begrepen in het premie-inkomen omdat de uitkering strekt tot vergoeding van door belanghebbende als slachtoffer van de Jodenvervolging geleden immateriële schade. De wetgever heeft echter geen aanleiding gezien om periodieke uitkeringen als de onderhavige op die grond van het inkomen uit te zonderen. ’s Hofs oordeel dat de onderhavige uitkering is aan te merken als een tot het inkomen behorende periodieke uitkering geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Voorts heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat zijn oordeel is gegrond op een wettelijke regeling waarvan de redelijkheid en billijkheid niet door de rechter kunnen worden getoetst. In zoverre falen de klachten.”

6.15

Ook HR BNB 2015/137 gaat denkelijk118 over zogenoemde artikel 2-Fondsuitkeringen.119 Anders dan in HR BNB 2013/78 komt de Hoge Raad zelf tot het oordeel dat de uitkeringen zijn aan te merken als periodieke uitkeringen op grond van een publiekrechtelijke regeling als bedoeld in art. 3.101(1)(a) Wet IB 2001. Zie ik het goed, dan is het bestanddeel ‘op grond van een publiekrechtelijke regeling’ aanwezig omdat het gaat om uitkeringen “ten laste van de Duitse overheid uit hoofde van een compensatieregeling”:

“2.4.1. (…) In het door belanghebbende bij de Rechtbank ingediende beroepschrift staat onder meer dat de betalingen een schadevergoeding betreffen, waarbij de Duitse overheid ervoor kiest maandelijkse uitkeringen te doen en dat de Duitse overheid een calculatie heeft gemaakt van de schade van belanghebbende, waarbij die calculatie voor de ene of andere partij voordelig kan uitvallen, afhankelijk van de leeftijd waarop belanghebbende komt te overlijden.

Ter zitting van het Hof is door belanghebbende onder meer aangevoerd dat de Duitse overheid compensatie biedt voor het feit dat belanghebbende als kind nazi-Duitsland heeft moeten verlaten en een schoolopleiding is misgelopen, en dat de vergoeding van het Duitse Finanzamt komt.

2.4.2.

De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de hiervoor in 2.4.1 weergegeven standpunten van belanghebbende niet door de Inspecteur zijn bestreden. Uitgaande van deze standpunten is geen andere slotsom mogelijk dan dat de betalingen zijn aan te merken als periodieke uitkeringen op grond van een publiekrechtelijke regeling in de zin van artikel 3.101, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001. De betalingen worden immers maandelijks gedaan ten laste van de Duitse overheid uit hoofde van een compensatieregeling ter vergoeding van schade die door het naziregime is aangericht, en eindigen bij het overlijden van de rechthebbende.

De – door belanghebbende gestelde – omstandigheid dat de betalingen zijn gedaan ter vergoeding van geleden schade kan niet tot een ander oordeel leiden (zie HR 8 februari 2013, nr. 12/02569, ECLI:NL:HR:2013:BZ0729, BNB 2013/78).”

6.16

Ook in HR BNB 1994/276 komt de Hoge Raad overigens zelfstandig tot het oordeel dat de Duitse ‘Verletztenrente' – zo die geen loon uit vroegere dienstbetrekking vormt – een periodieke uitkering van publiekrechtelijke aard is als bedoeld in art. 30(1)(a) Wet IB 1964.120 De Hoge Raad motiveert dat verder niet.

Vrijgestelde publiekrechtelijke periodieke uitkeringen

Algemeen

6.17

Zoals eerder gezien (‎6.4) voorziet art. 3.104 Wet IB 2001 in vrijstellingen voor bepaalde specifiek in dat artikel genoemde uitkeringen en/of verstrekkingen. Ook art. 3.104 Wet IB 2001 maakt onderdeel uit van de Wet IB 2001 sinds de inwerkingtreding van die wet.121 De vrijstellingsbepaling is blijkens de memorie van toelichting ontleend aan art. 30b Wet IB 1964.122

6.18

De vrijgestelde vrijstellingen en verstrekkingen betreffen, aldus Stevens in zijn handboek over de Wet IB 2001, “uitkeringen en verstrekkingen die een bestedingsgebonden karakter dragen en die derhalve geen toegevoegde draagkracht opleveren”.123 Voor de historische achtergrond en ontwikkeling verwijs ik naar de volgende passage in de Vakstudie:124

“In de voorloper van art. 3.104 , art. 30b Wet IB 1964, vond vrijstelling van publiekrechtelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen aanvankelijk op incidentele wijze plaats (…). Naar aanleiding van het deelrapport 7, 'Heroverweging Groei Belastingdienst', van het rapport 'Heroverweging collectieve uitgaven' (Kamerstukken II 1980/81, 16 625, nr. 12) heeft echter een meer fundamentele beschouwing over defiscalisering van publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen plaatsgevonden. De conclusie daarbij was dat vrijstelling op zijn plaats is als de uitkering of verstrekking dient betrokkene in staat te stellen een bepaalde noodzakelijke uitgave te doen die niet past in een bij zijn inkomen door de overheid normaal geacht bestedingspatroon (met andere woorden, vrijstelling is op zijn plaats in de gevallen waarin het ontvangen van de uitkering of verstrekking de draagkracht van betrokkene niet verhoogt). In eerste aanleg leidde deze beschouwing, naast de reeds bestaande vrijstelling voor uitkeringen en verstrekkingen volgens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en uitkeringen volgens de Algemene kinderbijslagwet, tot vrijstelling van bijzondere bijstand, huursubsidie en uitkeringen ter bestrijding van noodzakelijke kosten in verband met opleiding of studie van een eigen kind, stiefkind of pleegkind (wet van 6 maart 1985, Stb. 1985, 121, tot wijziging van de inkomstenbelasting (vrijstelling van bepaalde periodieke uitkeringen van publiekrechtelijke aard)). In de loop der tijd is op basis van hetzelfde criterium de werkingssfeer van art. 30b Wet IB 1964 uitgebreid.”

6.19

Een wat afwijkend geval binnen de groep vrijstellingen in art. 3.104 Wet IB 2001 is de vrijstelling voor artikel 2-Fondsuitkeringen. Daarmee vervolg ik.

(Alsnog) vrijstelling voor artikel 2-Fondsuitkeringen

6.20

Zoals zojuist gezien (‎6.14-‎6.15) volgt uit HR BNB 2013/78 (en HR BNB 2015/137) dat artikel 2-Fondsuitkeringen zijn aan te merken als publiekrechtelijke periodieke uitkeringen als bedoeld in art. 3.101(1)(a) Wet IB 2001. Naar aanleiding van dit arrest is, onder druk van de Tweede Kamer, alsnog in een vrijstelling voorzien voor deze uitkeringen per 1 januari 2016 bij de Wet vrijstelling uitkeringen Artikel 2-Fonds.125 Deze vrijstelling is opgenomen in art. 3.104(r) Wet IB 2001 (zie eerder ‎6.4).

6.21

Uit de memorie van toelichting volgt onder meer (i) dat diverse Kamerleden het onwenselijk vonden dat artikel 2-Fondsuitkeringen tot het belastbaar inkomen worden gerekend, (ii) dat de bewindslieden aanvankelijk steeds afwijzend hebben gereageerd op pleidooien om de uitkeringen vrij te stellen, omdat de uitkeringen “leiden tot een hogere financiële draagkracht die bepalend is voor toeslagen en premieheffing” en omdat een vrijstelling een mogelijk ongewenste precedentwerking naar andere uitkeringen zou hebben, (iii) dat de landsadvocaat een onderzoek heeft gedaan naar die mogelijke precedentwerking, waarvan de conclusie “genuanceerd, maar niet negatief” is, en (iv) dat het kabinet uiteindelijk van oordeel is dat, gegeven de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever heeft, een vrijstelling gerechtvaardigd is.126

6.22

De memorie van toelichting vermeldt daarna nadrukkelijk dat niet een enkel argument, maar een samenstel van redenen geldt ter rechtvaardiging van de vrijstelling, waaronder “maatschappelijke en humanitaire”.127 De memorie geeft vervolgens een uitgebreide uiteenzetting van de redenen. Zonder volledig recht te kunnen doen aan die uiteenzetting, destilleer ik daaruit de volgende redenen c.q. argumenten: (a) het gaat om een kleine en bijzondere groep, te weten oorlogsslachtoffers, (b) deze groep heeft lang op de uitkeringen moeten wachten, (c) gelet op de leeftijd van de betrokkenen is urgentie van belang, (d) hoewel het om betrekkelijk lage uitkeringen gaat, kunnen de fiscale gevolgen en de gevolgen voor de toeslagen in voorkomende gevallen ingrijpend zijn, (e) gevoelen van mededogen, (f) de bezwaren tegen alternatieven voor een vrijstelling, (g) dat de Duitse regering de artikel 2-Fondsuitkeringen op een bepaald niveau heeft vastgesteld zonder daarbij een verhoging toe te passen voor belasting of voor andere effecten, (h) in Nederland wonende gerechtigden gelijk behandelen met in Duitsland wonende gerechtigden (NB in Duitsland zijn de uitkeringen vrijgesteld) (i) het (deels) immateriële karakter van de uitkering.128

6.23

Ik merk op dat de (uitgebreide) uiteenzetting naar mijn indruk duidelijk mede is gegeven met het oog op rechterlijke procedures waarin anderen – zoals “mensen met andere oorlogsgerelateerde uitkeringen of uitkeringen die bijvoorbeeld hun oorsprong vinden in rampen of geweld” – de vrijstelling claimen met een beroep op het gelijkheidsbeginsel.129

6.24

Uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State volgt dat het kabinet had verzocht om bij de advisering ‘bijzondere aandacht’ te schenken aan de rechtvaardigingsgronden voor een dergelijke vrijstelling.130 De Afdeling komt uiteindelijk na een uitgebreide analyse, die blijk geeft van wikken en wegen, tot het oordeel dat het, gelet op de aan de orde zijnde bijzondere omstandigheden en gegeven de ruime marge die aan de fiscale wetgever wordt gegund, “plausibel is dat deze omstandigheden het voorgestelde onderscheid tussen Nederlandse uitkeringen en de vrijgestelde Artikel 2-Fondsuitkering kunnen rechtvaardigen”.131

Rietkerkuitkering: wettelijk geen vrijstelling, maar feitelijk wel

6.25

Belanghebbende doet in de procedure – ook in cassatie – een beroep op de behandeling van de zogenoemde Rietkerkuitkering. Dat is een uitkering waarin is voorzien in de zogeheten Wet Rietkerk-uitkering.132 Het gaat om een jaarlijkse uitkering voor – kort gezegd – de eerste generatie Molukkers die in 1951 of 1952 naar Nederland zijn overgebracht. De Rietkerkuitkering behoort niet tot de in art. 3.104 Wet IB 2001 genoemde vrijgestelde uitkeringen. Wel brengt art. 8 Wet Rietkerk-uitkering mee dat de over de Rietkerkuitkering verschuldigde bedragen aan IB/PVV niet ten laste van de uitkeringsgerechtigden, maar ten laste van het Rijk komen.133 Verder bepaalt art. 9 van die wet dat de uitkering buiten beschouwing blijft bij de verlening van bijstand en andere op het inkomen afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen of verstrekkingen.

6.26

Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet Rietkerk-uitkering volgt dat de reden voor opname van art. 8 en 9 Wet Rietkerk-uitkering is dat de bedragen van de uitkering netto-bedragen zijn. Verder volgt uit de memorie van toelichting dat de fiscale tegemoetkoming feitelijk vorm krijgt door de uitkering buiten het belastbaar inkomen te laten (dus: feitelijk in de uitvoering toch een vrijstelling):134

“In verband met het speciale karakter van de toe te kennen uitkeringen zullen de bedragen van f 2.000,- per jaar, op grond van een in de ministerraad genomen besluit, netto bedragen zijn; zij dienen ook geen invloed uit te oefenen op eventuele andere van het inkomen afhankelijke uitkeringen of subsidies. De over de uitkeringen verschuldigde bedragen aan inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen komen voor rekening van het Rijk en zullen jaarlijks via een heffing ineens worden afgedragen.

Voor de relatie met bijstanduitkeringen is via een aparte bepaling in het besluit geregeld, dat de uitkering geen invloed heeft op de mogelijkheid voor bijstand in aanmerking te komen of op de hoogte van de bijstandsuitkering: de uitkering blijft buiten beschouwing voor het recht op bijstand. Dit geldt evenzeer voor de relatie met de andere inkomensafhankelijke uitkeringen zoals huursubsidies.

De genieters van de uitkeringen behoeven de ontvangen bedragen in verband met het daaraan gegeven netto karakter niet aan te geven op hun aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting. Hierdoor wordt tevens het beoogde resultaat bereikt dat de uitkering buiten beeld blijft voor inkomensafhankelijke uitkeringen zoals huursubsidie. In verband met het vorenstaande zal door de Staatssecretaris van Financiën in een tot de belastingdienst gerichte aanschrijving worden goedgekeurd dat de onderhavige gelden buiten het belastbare inkomen van de genieters van

die uitkeringen dienen te worden gelaten. Hiermee wordt bereikt dat individuele vergoedingen van marginale belasting en premie over de onderhavige uitkering door het Rijk, worden voorkomen.

De berekening van de verschuldigde belasting en premie kan daardoor jaarlijks op globale wijze geschieden en aldus leiden tot een budgettaire verrekening tussen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en het Ministerie van Financiën.”

Getto-uitkeringen: wettelijk geen vrijstelling maar de facto wel voor de uitkeringsgerechtigde door onderbrenging van de uitkeringen in het eindheffingsregime

6.27

Ik ga tot slot nog in op de behandeling van zogenoemde Duitse getto-uitkeringen, mede omdat in dat verband ook een discussie is geweest of deze zouden moeten worden vrijgesteld net zoals artikel 2-Fondsuitkeringen. Het gaat om uitkeringen die een vergoeding vormen “voor het leed dat oorlogsslachtoffers is aangedaan die tijdens de Tweede Wereldoorlog onder dwang in een getto verbleven en aldaar werkzaamheden hebben verricht.”.135 In zijn brief van 26 oktober 2017 zet de staatssecretaris van Financiën uiteen dat de getto-uitkeringen zijn aan te merken als een publiekrechtelijke periodieke uitkering en daarom op grond van art. 3.101 Wet IB 2001 tot het belastbaar inkomen wordt gerekend.136 In een daarop volgende brief van 2 november 2017 neemt de staatssecretaris het standpunt in dat er geen reden is om in een vrijstelling te voorzien net zoals voor artikel 2-Fondsuitkeringen is gedaan. Hij wijst daarbij erop dat de artikel 2-Fondsuitkeringen kenmerken hebben die deze uitkeringen onderscheiden van andere oorlogsuitkeringen, zoals dat zij geen socialezekerheidspensioen betreffen, dat de uitkeringen na overlijden niet op de partner overgaan en dat zij een sterk verzoenend en deels immaterieel karakter hebben.137

6.28

Na aanhoudende pleidooien vanuit de Tweede Kamer om te voorzien in een vrijstelling voor de getto-uitkeringen hebben de staatssecretarissen van Financiën en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een oplossing aangekondigd bij brief van 18 mei 2018.138 Er wordt volhard in het standpunt dat een vrijstelling niet is aangewezen. Volgens de bewindslieden is het niet mogelijk om het samenstel van argumenten dat heeft geleid tot een vrijstelling van artikel 2-Fondsuitkeringen, ook toe te passen op de getto-uitkeringen, aangezien een getto-uitkering deels het karakter van een ouderdomspensioen heeft terwijl een artikel 2-fondsuitkering meer het karakter van een schadevergoeding heeft en is bedoeld als tegemoetkoming aan minder draagkrachtige vervolgingsslachtoffers.139 De oplossing bestaat eruit dat de getto-uitkeringen onder de eindheffing van de Staat, i.c. het ministerie van VWS, worden gebracht.140 De grondslag daarvoor is art. 31(1)(c) Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Op grond van die bepaling gelden als eindheffingsbestanddelen “bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen van publiekrechtelijke aard die buiten aanmerking worden gelaten in het kader van de heffing van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke regelingen”. De aanwijzing van de getto-uitkeringen is vervolgens gebeurd in art. 8.1(f) Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 bij regeling van 31 december 2018, waarbij terugwerkende kracht is verleend tot en met 1 januari 2016.141 Volgens de bewindslieden brengt de aanwijzing voor de eindheffing mee dat de getto-uitkeringen “niet langer tot het inkomen uit werk en woning van de uitkeringsgerechtigde [behoren; MP]“ en dat zij “bij de uitkeringsgerechtigden de facto zijn vrijgesteld”.142 Ik heb me overigens afgevraagd wat de grondslag daarvoor is in de Wet IB 2001,143 maar ik heb dat verder niet uitgezocht, omdat dit geen toegevoegde waarde heeft voor deze conclusie.

Opname (publiekrechtelijke) periodieke uitkering in art. 11 UBLB: alsnog loon voor de inkomstenbelasting?

6.29

Zoals eerder gezien (zie ‎5.5-‎5.9) is de BIV met terugwerkende kracht tot en met 25 maart 2022 toegevoegd aan de lijst van periodieke uitkeringen en verstrekkingen in art. 11(1) UBLB. Deze toevoeging brengt op grond van art. 11(2) UBLB mee dat de BIV wordt aangemerkt als loon uit vroegere arbeid. In mijn beschouwing (zie ‎8.8 e.v.) behandel ik ambtshalve de vraag of dit laatste meebrengt dat de BIV ook voor de inkomstenbelasting moet worden aangemerkt als loon, in aanmerking genomen dat op grond van art. 3.81 Wet IB 2001 onder loon in de Wet IB 2001 wordt verstaan: “loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting (…)”. Met het oog daarop neem ik hier informatie op die relevant is voor beantwoording van die vraag.144

6.30

Een belangrijke informatiebron is de conclusie van A-G Van Ballegooijen voorafgaand aan HR BNB 2008/89 (hierna ook: conclusie Van Ballegooijen),145 waarin de A-G ingaat op de vraag of, in mijn woorden, indien een periodieke uitkering op de voet van art. 11(2) UBLB wordt aangemerkt als loon uit vroegere arbeid, deze herkwalificatie146 ‘doorwerkt’ – via art. 3.81 Wet IB 2001 – naar de inkomstenbelasting in die zin dat de desbetreffende uitkering ook voor de inkomstenbelasting als loon wordt aangemerkt. In onderdeel 3 van die conclusie komen aan bod (i) de historie van art. 34 Wet LB en art. 11 UBLB (punt 3.1-3.9), (ii) beantwoording door de A-G van de vraag aan de hand van successievelijk een historische uitleg, een tekstuele uitleg en een systematische uitleg (punt 3.11-3.14), (iii) jurisprudentie van de Hoge Raad over die vraag (punt 3.15-3.20) en (iv) opvattingen in de literatuur over die vraag en/of die jurisprudentie van de Hoge Raad (punt 3.20-3.32). Het heeft geen toegevoegde waarde om dat onderzoek hier te herhalen. Ik beveel integrale lezing ervan aan. Hier volsta ik met een weergave van de belangrijkste arresten tot HR BNB 2008/89, de kern van de opvattingen in de literatuur over die arresten, en de opvatting van A-G Van Ballegooijen. Daarna vervolg ik met het arrest HR BNB 2008/89 en de betekenis daarvan.

6.31

In HR BNB 1975/127 zijn AOW-uitkeringen aan de orde.147 Uit het arrest volgt dat de Hoge Raad voor die uitkeringen heeft aangenomen dat de kwalificatie als loon op grond van art. 11 UBLB doorwerkt naar de inkomstenbelasting via destijds art. 22(2) Wet IB 1964 (dat voor zover hier relevant in de kern overeenkomt met het huidige art. 3.81 Wet IB 2001):

“dat toch periodieke uitkeringen van publiekrechtelijke aard in artikel 30, aanhef en letter a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 alleen dan tot de aldaar bedoelde periodieke uitkeringen worden gerekend indien zij niet zijn aan te merken als winst uit onderneming, als inkomsten uit arbeid of als inkomsten uit vermogen;

dat de onderhavige uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet op grond van het bepaalde bij artikel 22, lid 1, letter a, en lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in verband met de artikelen 34 van de Wet op de loonbelasting 1964 en 11, lid 1, aanhef en letter d, en lid 2, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 behoren tot de in evengenoemd artikel 22 bedoelde inkomsten uit arbeid;”

6.32

In ogenschijnlijk vergelijkbare zin is geoordeeld in HR BNB 1995/308:148

“3.3. Ter vergemakkelijking van de heffing van inkomstenbelasting bepaalt artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 in verbinding met artikel 34 van de Wet op de loonbelasting 1964 dat AOW-uitkeringen aan de heffing van loonbelasting zijn onderworpen en dat zij worden aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking.

3.4.

Als uitvloeisel hiervan is bij arrest van de Hoge Raad van 29 april 1975, nr. 17 614, BNB 1975/127, aangenomen dat het karakter van publiekrechtelijke periodieke uitkeringen dat AOW-uitkeringen hebben niet eraan in de weg staat dat zij voor de toepassing van artikel 37 van de Wet als loon uit een vroegere dienstbetrekking worden aangemerkt. De in die bepaling neergelegde forfaitaire kostenaftrek ging daardoor ook gelden voor AOW-uitkeringen.

3.5.

Die situatie is sindsdien blijven bestaan. Dit zo zijnde ligt het voor de hand dat het begrip inkomsten uit arbeid in het met ingang van 1990 nieuw geformuleerde artikel 36 van de Wet, welke bepaling vooral betrekking heeft op aftrekbare kosten ter zake van inkomsten uit arbeid, tevens omvat AOW-uitkeringen. Voor die gevolgtrekking bestaat, in aanmerking genomen dat AOW-uitkeringen maatschappelijk gezien het karakter van pensioen-uitkeringen hebben, te meer aanleiding nu uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 36, lid 1, letter b, van de Wet blijkt dat tot in die bepaling bedoelde inkomsten uit arbeid niet slechts behoren inkomsten uit tegenwoordige arbeid, maar ook inkomsten uit vroegere arbeid, zoals pensioentermijnen (Memorie van Antwoord, Kamerstukken II, 1988/89, 20 873, nr. 5, blz. 57).”

6.33

Ik heb ook dit arrest geciteerd, omdat het meer inzicht biedt in HR BNB 1975/127. In rov. 3.4 wordt namelijk een uiteenzetting gegeven over hetgeen in HR BNB 1975/127 is aangenomen, terwijl datgene niet met zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht in dat arrest. Bovendien, samenhangend, waar HR BNB 1975/127 nog erop lijkt te duiden dat de kwalificatie van een AOW-uitkering in art. 11 UBLB als loon in het algemeen doorwerkt naar de inkomstenbelasting, lijkt rov. 3.4 erop te duiden dat dit niet zonder meer het geval is; relevant wordt namelijk geacht dat “het karakter van publiekrechtelijke periodieke uitkeringen dat AOW-uitkeringen hebben niet eraan in de weg staat dat zij voor de toepassing van artikel 37 van de Wet als loon uit een vroegere dienstbetrekking worden aangemerkt”. Ik attendeer verder op de frase in rov. 3.5 luidende “maatschappelijk gezien het karakter van pensioen-uitkeringen hebben”, omdat een vergelijkbare frase voorkomt in het hierna aan de orde komende arrest HR BNB 2008/89.

6.34

A-G Van Ballegooijen stelt dat HR BNB 1996/251 de lijn van HR BNB 1975/127 en HR BNB 1995/308 niet lijkt door te trekken.149 HR BNB 1996/251 gaat over een maandelijkse uitkering op grond van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO).150 Uitkeringen op grond van die wet waren destijds opgenomen in de lijst van uitkeringen in art. 11(1) UBLB. In geschil is of de uitkering belast is voor de inkomstenbelasting. Uit de in BNB opgenomen uitspraak van het gerechtshof volgt dat dit hof het primaire standpunt van de inspecteur verwerpt dat de uitkering dient te worden belast (als loon) op grond van art. 22 Wet IB 1964 (rov. 6.2), maar het eens is met het subsidiaire standpunt van de inspecteur dat de uitkering als publiekrechtelijke periodieke uitkering op grond van art. 30 Wet IB 1964 in de heffing wordt betrokken (rov. 6.3 en 6.7). De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie. Hier van belang is dat de Hoge Raad daartoe onder meer overweegt dat het gerechtshof “terecht [heeft] geoordeeld dat de (…) aan belanghebbende toegekende maandelijkse uitkering, als zijnde een uitkering waarop krachtens een wettelijke bepaling van publiekrechtelijke aard aanspraak kan worden gemaakt, een periodieke uitkering van publiekrechtelijke aard als bedoeld in artikel 30, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (…) vormt”. A-G Van Ballegooijen wijst erop dat, gelet op het geschil in cassatie, de Hoge Raad weliswaar niet meer behoeft te oordelen over de vraag of de inkomsten belast worden als loon, maar dat het zijn inziens “zeer de vraag [is] of de Hoge Raad een rechtskundig onjuist oordeel van het hof in stand zou laten”.151

6.35

De lijn van HR BNB 1975/127 en HR BNB 1995/308 is sterk bekritiseerd in de literatuur, zo volgt uit het overzicht in de conclusie Van Ballegooijen. De A-G constateert dat eensgezindheid onder de schrijvers heerst: “aan artikel 34 van de Wet LB 1965 kan niet de bevoegdheid worden ontleend om in een uitvoeringsbesluit periodieke uitkeringen te herkwalificeren tot loon in de inkomstenbelasting”.152

6.36

De A-G beantwoordt uiteindelijk de vraag of een herkwalificatie als loon op grond van art. 11(2) UBLB doorwerkt naar tot de inkomstenbelasting, negatief:

“4.2 (…) Uit de historie van de regelgeving (…) blijkt dat het doel van artikel 34 niet is geweest bepaalde inkomsten te herkwalificeren. Beoogd is de heffing van de inkomstenbelasting te vergemakkelijken, verder reikt de delegatiebevoegdheid van de Kroon niet. De tekst van de delegatie wijst er evenmin op dat de Kroon bevoegd is te herkwalificeren (…). De uitkering van belanghebbende vormt dan ook geen loon in de inkomstenbelasting. (…)”

6.37

Tot zover de stand van zaken tot het arrest HR BNB 2008/89. Dan naar het arrest zelf.153 Het gaat daarbij – anders dan in de eerdere arresten, die zijn gewezen onder de Wet IB 1964 – om de toepassing van de Wet IB 2001. Onder de Wet IB 2001 kan het belang van de kwestie of de herkwalificatie van een periodieke uitkering tot loon op grond van art. 11 UBLB doorwerkt naar de inkomstenbelasting, gelegen zijn in de kostenaftrek. Indien een uitkering voor de inkomstenbelasting belast is als periodieke uitkering, bestaat recht op aftrek van kosten als bedoeld in art. 3.108 Wet IB 2001. Indien de uitkering is belast als loon uit dienstbetrekking bestaat daarentegen geen recht op aftrek van dergelijke kosten. Ook in de zaak van HR BNB 2008/89 is het belang gelegen in de kostenaftrek (vgl. rov. 3.2). Het gaat in die zaak om een uitkering die bestaat uit een ‘buitengewoon pensioen’ op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) en van de – zojuist (‎6.34) genoemde – WUBO (zie rov. 3.1). De Hoge Raad komt tot het oordeel dat de kwalificatie van die uitkering als loon voor de toepassing van de Wet IB 2001 niet in overeenstemming is met doel en strekking van art. 34 Wet LB:

“3.3. Ingevolge artikel 3.1, lid 2, aanhef en letter d, van de Wet IB 2001 behoren tot het inkomen uit werk en woning onder meer de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen. In artikel 3.100, lid 1, aanhef, letter a, en slotzin, van de Wet IB 2001 is dat begrip periodieke uitkeringen en verstrekkingen nader gedefinieerd als de daar genoemde uitkeringen en verstrekkingen, verminderd met de daarop drukkende aftrekbare kosten, bedoeld in artikel 3.108 van die wet. Bij de totstandkoming van de Wet IB 2001 is in het Nader rapport onder meer opgemerkt (Kamerstukken II 1998/99, 26727, A, punt 74):

"Bij de tot het inkomen uit werk en woning behorende periodieke uitkeringen en verstrekkingen blijft, anders dan bij het inkomen uit dienstbetrekking waarvoor de algemene aftrek geldt, de mogelijkheid van aftrek van werkelijke kosten in beginsel wel bestaan. Het gaat hierbij veelal om incidentele kosten, zoals de (advocaat)kosten gemaakt tot behoud of verhoging van alimentatie-uitkeringen, waarvan de omvang per geval sterk uiteen kan lopen. (...)."

Tot de in artikel 3.100 van de Wet IB 2001 bedoelde periodieke uitkeringen behoren ingevolge artikel 3.101, lid 1, letter a, van die wet onder meer uitkeringen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling.

3.4.

Ingevolge artikel 34 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) kunnen "ter vergemakkelijking van de heffing van de inkomstenbelasting" bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ingevolge welke de loonbelasting mede wordt geheven van natuurlijke personen die periodieke uitkeringen genieten. Deze bepaling is uitgewerkt in artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (tekst 2001), waarin - in artikel 11, lid 1, letter p - als dergelijke uitkeringen worden aangemerkt uitkeringen ingevolge de WUV en uitkeringen ingevolge de WUBO. Eveneens op grond van dat artikel 34 Wet LB, zijn in artikel 11, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 de in het eerste lid van dat artikel bedoelde inkomsten aangemerkt als loon uit vroegere arbeid.

3.5.

Ingevolge artikel 3.81 van de Wet IB 2001 wordt voor de toepassing van die wet onder loon verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. De Wet IB 2001 biedt niet de mogelijkheid om kosten in mindering te brengen op het loon.

3.6.

Kwalificatie van de onderhavige uitkering als loon uit vroegere arbeid op basis van het bepaalde in artikel 34 Wet LB in verbinding met artikel 11, lid 1, letter p, en lid 2, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zou ertoe leiden dat geen recht bestaat op aftrek van tot verwerving, inning of behoud van de inkomsten gemaakte kosten, bedoeld in artikel 3.108 van de Wet IB 2001. Uit tekst noch ontstaansgeschiedenis van de Wet IB 2001 (als hiervoor in 3.3 weergegeven) volgt echter dat de wetgever voor de toepassing van de Wet IB 2001 heeft beoogd de werking van artikel 34 Wet LB zodanig te verruimen dat toepassing ervan niet alleen zou leiden tot vergemakkelijking van de heffing maar ook tot een veel hogere heffing dan zonder de toepassing van die bepaling het geval zou zijn, zoals het Hof in onderdeel 5.4.10 van zijn uitspraak terecht heeft geoordeeld. Het Hof is dan ook op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de kwalificatie van de onderhavige uitkering, waarvan - naar het Hof eveneens terecht heeft geoordeeld - niet kan worden gezegd dat deze maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkering heeft, als loon voor de toepassing van de Wet IB 2001 niet in overeenstemming is met doel en strekking van artikel 34 van de Wet LB.”

6.38

De literatuur is niet eensgezind over de reikwijdte van HR BNB 2008/89. Ik begrijp Happé zo dat hij van opvatting is dat het arrest een algemene reikwijdte heeft: “de Hoge Raad [trekt] zijn oude rechtspraak niet door onder de Wet IB 2001. Hij gaat om en stelt de grenzen van de delegatiebevoegdheid van art. 34 Wet LB voorop onder de Wet IB 2001”.154 Als ik het goed begrijp, heeft Van Roij een gedeeltelijk andere opvatting en ziet zij HR BNB 2008/89 niet als een breuk ten opzichte van jurisprudentie onder de Wet IB 1964.155 Zo beschouwt zij HR BNB 1995/308 niet als achterhaald en zo meent zij dat uitkeringen die maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkeringen hebben niet tot de bron periodieke uitkering horen. Afgezien van ‘de bijzondere bronkwalificatie bij quasi-pensioenuitkeringen’ meent de auteur, zo begrijp ik, dat “art. 34 Wet LB 1964 en art. 11 Uitv.besl. 1965 verder losstaan van de bronkwalificatie in de inkomstenbelasting”. Mertens lijkt HR BNB 1975/127 nog als geldend recht te zien, al vermeldt hij vervolgens wel onder verwijzing naar HR BNB 2008/89 dat genieters van periodieke uitkeringen de mogelijkheid in de inkomstenbelasting behouden om hun kosten af te trekken, met daarbij de kanttekening dat niet zeker is of dat geldt voor alle uitkeringen die onder art. 11 UBLB zijn gebracht.156 Hoogstraten en Taouil zijn van opvatting, mede onder verwijzing naar HR BNB 1975/127, dat de transformatie van periodieke uitkeringen in art. 11(2) UBLB tot loon doorwerkt naar de inkomstenbelasting, ook onder de Wet IB 2001; zij achten HR BNB 2008/89 ‘opmerkelijk’ en menen dat dit arrest niet zomaar kan worden doorgetrokken naar alle in art. 11(1) UBLB genoemde uitkeringen.157 De opvatting van Stevens over het positieve recht is mij niet geheel duidelijk; duidelijk is wel dat de auteur HR BNB 1975/127 en HR BNB 1975/127 onjuiste arresten vindt, maar minder duidelijk is of en zo ja in hoeverre hij deze arresten door HR BNB 2008/89achterhaald acht onder de Wet IB 2001.158

6.39

Ik duid en begrijp HR BNB 2008/89 en de stand van zaken na dat arrest als volgt:159

1) De Hoge Raad heeft in HR BNB 2008/89 niet ten principale de conclusie van A-G Van Ballegooijen gevolgd.160 Dit leid ik ten eerste af uit de motivering. Het oordeel van de Hoge Raad is niet gebaseerd op een uitleg van art. 11(2) UBLB als zodanig, in het bijzonder is die bepaling niet zo uitgelegd dat de daarin neergelegde kwalificatie als loon niet verder strekt dan voor de heffing van loonbelasting. Evenmin is het oordeel erop gebaseerd dat de in art. 11(2) UBLB neergelegde kwalificatie als loon is beperkt tot de heffing van loonbelasting omdat de bepaling onverbindend is voor zover de kwalificatie zich uitstrekt tot de inkomstenbelasting, aangezien die bepaling in zoverre het delegatiekader van art. 34 Wet LB te buiten gaat. Dat leid ik ten tweede af uit de in het arrest gemaakte uitzondering – althans zo begrijp ik (zie punt 7 hierna) – voor uitkeringen die maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkering hebben.

2) De benadering van de Hoge Raad is net wat anders dan die van de A-G. De begrenzing in HR BNB 2008/89 van de gevolgen van de kwalificatie in art. 11(2) UBLB wat betreft de doorwerking naar de inkomstenbelasting is namelijk erop gebaseerd dat die doorwerking in het systeem van de Wet IB 2001 tot gevolgen zou leiden die niet in overeenstemming zijn met doel en strekking van art. 34 Wet LB en waarvan niet kan worden vastgesteld dat die door de Wet IB 2001-wetgever zijn beoogd.

3) De begrenzing wat betreft de doorwerking naar de inkomstenbelasting is niet ervan afhankelijk óf in het concrete geval het nadelige gevolg van een kostenaftrekbeperking en daarmee een hogere heffing zou optreden. De omstandigheid dat doorwerking in het systeem van de Wet IB 2001 mogelijk tot een hogere heffing zou kunnen leiden, is het (systeem)argument om de doorwerking in het algemeen te beperken, althans voor uitkeringen die vallen onder de reikwijdte van HR BNB 2008/89 (zie wat betreft de reikwijdte punt 6-7 hierna).

4) Deels overlappend: de begrenzing wat betreft de doorwerking naar de inkomstenbelasting ziet niet alleen op de gevolgen van de doorwerking. Het is niet zo dat wél sprake is van loon voor ook de inkomstenbelasting en dat de begrenzing erin gelegen is dat toch kostenaftrek behouden blijft. De begrenzing ziet op de doorwerking als zodanig: hoewel de uitkering als loon is aangemerkt in art. 11(2) UBLB, werkt die kwalificatie niet door naar de inkomstenbelasting (en bestaat recht op aftrek van kosten als bedoeld in art. 3.108 Wet IB 2001).

5) Hetgeen in HR BNB 2008/89 is overwogen geldt niet zonder meer voor elke uitkering die in art. 11(2) UBLB wordt genoemd.161 Dat baseer ik ten eerste op de omstandigheid dat in de kernoverweging 3.6 tweemaal over ‘onderhavige uitkering’ wordt gesproken. Belangrijker is nog, ten tweede, dat de Hoge Raad bij zijn uiteindelijke oordeel in de slotzin van rov. 3.6 in een bijzin vermeldt dat van die onderhavige uitkering “niet kan worden gezegd dat deze maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkering heeft”. Nu dat expliciet wordt vermeld, ga ik ervan uit dat dit een relevante factor is voor het oordeel.

6) Weliswaar wordt in de kernoverweging 3.6 tweemaal over ‘onderhavige uitkering’ gerept maar de gegeven motivering voor de begrenzing wat betreft de doorwerking gaat in beginsel op voor elk van de uitkeringen die in art. 11(1) UBLB worden genoemd en die tevens – in beginsel (los van de mogelijke doorwerking van de loonkwalificatie) – onder de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen in de zin van afdeling 3.5 Wet IB 2001 vallen. Voor elk van die uitkeringen gaat immers het (systeem)argument op dat (her)kwalificatie als loon zou meebrengen dat geen recht meer bestaat op aftrek van kosten als bedoeld in art. 3.108 Wet IB 2001. Het oordeel in HR BNB 2008/89 heeft daarom in beginsel een ruime reikwijdte.

7) Ik leid uit de bijzin “niet kan worden gezegd dat deze maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkering heeft” af dat een uitzondering geldt voor uitkeringen waarvan wél kan worden gezegd deze maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkering hebben. Dat is weliswaar een a contrario-afleiding, maar het komt mij voor dat de Hoge Raad aansluiting heeft willen zoeken bij HR BNB 1995/308, waarin over de AOW-uitkeringen juist wel is geoordeeld dat deze “maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkeringen hebben” (zie ‎6.32-‎6.33). Dit impliceert ook dat ik van opvatting ben dat HR BNB 1995/308 in zoverre en in die zin niet is achterhaald door HR BNB 2008/89 dat ook onder de Wet IB 2001 de (her)kwalificatie van AOW-uitkeringen als loon162 in art. 11 UBLB doorwerkt naar de inkomstenbelasting.

8) Het is mij niet geheel duidelijk waarom de Hoge Raad een uitzondering heeft gemaakt voor uitkeringen die maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkering hebben. Het karakter van pensioenuitkering is weliswaar in HR BNB 1995/308 ook relevant geacht, maar dat is gebeurd in de context van (doorwerking voor) de toepassing van art. 36 Wet IB 1964 in het bijzonder in verband met het in die bepaling bedoelde begrip inkomsten uit arbeid (zie ‎6.32-‎6.33). De context van HR BNB 2008/89 lijkt mij echter wat anders en breder te zijn (is doorwerking onder de Wet IB 2001 in overeenstemming met doel en strekking van art. 34 Wet LB althans de bedoeling van de Wet IB 2001-wetgever gelet op de gevolgen die doorwerking zou hebben?). Daarmee samenhangend: ook bij uitkeringen die maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkering hebben, kan doorwerking van de herkwalificatie als loon toch leiden tot de in HR BNB 2008/89 bedoelde gevolgen? De vraag rijst dan waarom (specifiek) voor dergelijke uitkeringen toch een uitzondering is gemaakt. Wellicht is dat gedaan vanuit de optiek dat een ‘echte’ pensioenuitkering is aan te merken als loon uit vroegere arbeid en dat kosten daarop niet in mindering kunnen worden gebracht.

9) Of een uitkering maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkering heeft, is een rechtskundige kwestie (vgl. HR BNB 2008/89 rov. 3.5: “naar het Hof (…) terecht heeft geoordeeld”).

6.40

Tot slot, de uitkering aan de orde in HR BNB 2008/89 is een uitkering die uit een ‘buitengewoon pensioen’ bestaat (zie ‎6.37). Ondanks dat laatste oordeelt de Hoge Raad dat niet gezegd kan worden dat deze uitkering maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkering heeft. De Hoge Raad geeft bovendien geen uitleg bij dat oordeel. Het onderdeel in de uitspraak van het gerechtshof waarin zijn oordeel is opgenomen waaraan de Hoge Raad refereert, geeft nauwelijks meer duidelijkheid. Het bevat wel de aanvullende overweging: “De benaming 'buitengewoon pensioen' voor de WUBO-uitkeringen geeft ook reeds aan dat sprake is van een bijzonder soort uitkering.”163

6.41

Conclusie: ik leid uit HR BNB 2008/89 af dat indien een publiekrechtelijke periodieke uitkering (die op zichzelf niet is aan te merken als loon) is opgenomen in de lijst van uitkeringen in art. 11(1) UBLB en daarom op grond van art. 11(2) UBLB als loon uit vroegere arbeid wordt aangemerkt, dit als uitgangspunt niet meebrengt dat die uitkering ook voor de toepassing van de Wet IB 2001 als loon heeft te gelden. Dat is anders indien de uitkering maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkeringen heeft.

7De theorie van bovenbronnelijkheid

7.1

Belanghebbende betoogt dat de BIV (en het MIP) niet in de heffing van de inkomstenbelasting kunnen worden betrokken, ook niet als periodieke uitkering, omdat het om een bovenbronnelijk voordeel gaat. Belanghebbende beroept zich daarbij op de theorie van bovenbronnelijkheid die Van Dijck heeft ontwikkeld. Dit onderdeel behandelt die theorie.

Bronnentheorie164

7.2

Vertrekpunt bij de theorie van bovenbronnelijkheid is de bronnentheorie. De kern van die theorie wordt mede duidelijk door vergelijking met een andere inkomenstheorie, te weten de vermogensvergelijkingstheorie. Bij die laatste theorie wordt – kort gezegd – elke vermogensvermeerdering gezien als inkomen. De bronnentheorie gaat daarentegen uit van de gedachte dat als inkomen kan worden gezien “hetgeen uit een min of meer blijvende oorzaak voortvloeit”.165 Een voordeel wordt pas als inkomen gezien als het ‘toerekenbaar’ is aan een bron van inkomen. Of, in de woorden van Van Dijck: een belastbaar voordeel ontstaat pas “indien de handeling, toestand of gebeurtenis, die tot het voordeel leidt, haar verklaring vindt in de bron van inkomen”.166

7.3

De wetgever heeft bij de totstandkoming van de Wet IB 1964 voor een inkomensbegrip gekozen dat gestoeld is op de bronnentheorie. Daarbij is gekozen voor een praktisch empirisch inkomensbegrip door in de wet verschillende inkomenscategorieën te onderscheiden. Pragmatisch is de invulling bovendien ook op het punt dat de wetgever bepaalde voordelen tot het inkomen heeft gerekend die niet daartoe behoren uitgaande van een strikte toepassing van de bronnentheorie.167 In de loop van de tijd is dat steeds meer gebeurd via reparatiewetgeving om fiscale constructies tegen te gaan die gebruik maakten van de tekortkomingen van de bronnentheorie.

7.4

De invoering van de Wet IB 2001 heeft op onderdelen tot een ingrijpende wijziging van het inkomensbegrip geleid. Twee van de belangrijkste wijzigingen zijn (i) dat niet langer wordt uitgegaan van een synthetisch inkomensbegrip maar van een analytisch inkomensbegrip door invoering van een (gesloten) stelsel van boxen (met elk een eigen tariefstructuur en als uitgangspunt geen box-overschrijdende verliesverrekening) en (ii) de invoering van het box 3-stelsel voor de heffing van inkomen uit vermogen, waarbij het inkomen forfaitair wordt vastgesteld. De wijzigingen nemen echter niet weg dat de bronnentheorie nog wel van betekenis is onder de Wet IB 2001, in het bijzonder voor zover het gaat om de heffing in box 1. Zoals Rijkers opmerkt: “In de onder Box 1 vallende inkomenscategorieën leeft de bronnentheorie voort”.168

De theorie van bovenbronnelijkheid

7.5

In de bronnentheorie kan een voordeel pas als inkomen worden gezien als het ‘toerekenbaar’ is aan een bron van inkomen. Deze toerekeningsvraag brengt afbakeningsproblemen met zich. Van Dijck onderscheidt in zijn annotatie bij het in ‎4.2 geciteerde Smeerkuilarrest drie vormen van afbakening,169 te weten de interbronnelijke afbakening, de buitenbronnelijke afbakening en de bovenbronnelijke afbakening. Hij heeft dit ook uitgewerkt in een FED-brochure.170

7.6

De interbronnelijke afbakening betreft de afbakening tussen verschillende inkomensbronnen. Dan gaat het om de vraag tot welke van de bronnen een voordeel gerekend dient te worden. Bij de buitenbronnelijke afbakening gaat om de afbakening tussen een bron en de niet door een bron beclaimde functionele ruimte. Daarbij is van belang dat niet “[h]et gehele terrein van menselijke activiteiten wordt [beheerst] door de bronnen van de Wet IB”.171 De bovenbronnelijke afbakening betreft de afbakening tussen een bron en grootheden die de bron overstijgen.

7.7

Voor deze conclusie is de uiteenzetting over bovenbronnelijke afbakening van belang. De onbelastbaarheid van schadevergoedingen voor invaliditeit en gederfde levensvreugde heeft namelijk te maken met de bovenbronnelijke afbakening, zo zet Van Dijck uiteen. Waar bij de inter- en buitenbronnelijke afbakening inkomen wordt toegerekend aan een concrete bron of aan een niet-bron, gaat het bij bovenbronnelijke afbakening om voorrang omdat er grootheden zijn die het bronniveau overstijgen:172

“In de derde plaats is er een afbakening tussen een bron en grootheden die de bron overstijgen (bovenbronnelijke afbakening). Deze afbakening wordt in sterke mate beheerst door de bronconstructie zoals deze aan de Wet IB 1964 ten grondslag ligt. In de structuur van de Wet IB moet als bron worden aangemerkt de concrete aanwending van arbeidskracht (…) en het concrete vermogensbestanddeel (…) en niet de arbeidskracht als zodanig (…) en niet het vermogen als zodanig. Dit volgt niet uit de natuur der dingen maar alleen omdat het inkomensbegrip zich op deze wijze in de loop van de tijd ontwikkeld heeft. Indien nu een grootheid, zoals gezondheid en levensvreugd, zich niet op het bronniveau afspeelt, maar behoort tot het gebied dat met bovenbronnelijk is aangeduid, zijn schadevergoedingen voor invaliditeit en gederfde levensvreugd evenzeer niet tot de inkomensbron te rekenen. Dit verandert niet door het feit dat de bewerkende oorzaak van de invaliditeit e.d. (…) binnen een bron gelegen is. Dit was tot nu toe gemeengoed indien de invaliditeit een ondernemer of diens medewerkende echtgenoot betrof. Ten aanzien van schadevergoedingen van werkgever naar werknemer oordeelde de HR tot voor kort anders (BNB 1979/208 en BNB 1979/209). Maar het valt niet in te zien waarom de -vrijwel nimmer gemotiveerde - stelling dat het loonbegrip van de Wet LB ,,zo ruim'' is een andere toerekening dan bij andere inkomensbronnen met zich mede zou moeten brengen.

De inter- en buitenbronnelijke afbakening betreft een ander soort causaliteitsvraag dan de bovenbronnelijke afbakening. Bij de inter- en buitenbronnelijke afbakening wordt het gehele terrein van de functionele sfeer verkaveld en rekenen we een voordeel toe aan het een of aan het ander: aan een concrete bron of aan een niet-bron. De toerekening aan de ene bron sluit de toerekening aan een andere bron of een niet-bron uit. De bovenbronnelijke afbakening heeft niet te maken met een territoirafbakening maar met een niveauverschil. Er zijn grootheden die het bronniveau overstijgen. Niet alleen arbeidskracht en vermogen als zodanig, maar ook het inkomen als zodanig of de inkomstenbelasting zijn zulke grootheden. De onbelastbaarheid van de inkomstenbelastingschadevergoeding bij onteigening is te verklaren uit het feit dat de verhoogde inkomstenbelasting - hoezeer voortspruitend uit een bedrijfsonteigening met wellicht de onderneming als enige inkomensbron, niet terug te voeren is op de (verhoogde) bedrijfswinst maar toegerekend moet worden aan het inkomen, een categorie die de bron onderneming overstijgt. Zo zijn de advieskosten van een belastingconsulent niet aftrekbaar ook al vormt winst uit onderneming het enige inkomen. Zo wordt een borgtochtvergoeding gegeven omdat men met zijn vermogen als zodanig borg is. De kredietwaardigheid (gebaseerd op het verschil tussen bezittingen en schulden) is een grootheid die het bronniveau overstijgt. Ook al bestaat het vermogen uitsluitend uit een onroerend goed, de borgtochtvergoeding kan hieraan niet toegerekend worden, maar moet gecorreleerd worden aan het vermogen als zodanig. Al deze voorbeelden moeten dienen om aan te duiden dat bij de bovenbronnelijke afbakening niet de vraag aan de orde is van een causaliteit die tot de ene of de andere categorie gerekend moet worden, maar van een voorrang van de een boven de andere. Is in het onderhavige geval nog mogelijk te stellen dat ook een niet-werknemer zich in de werkkuil had kunnen bevinden, zodat het werknemerschap niet essentieel zou zijn, het is niet moeilijk gevallen te bedenken (BNB 1979/209) waarin de schade alleen maar aan te richten is aan een werknemer. Het heeft dan ook geen zin de causaliteit met de dienstbetrekking in deze gevallen te ontkennen of te bagatelliseren. Men moet de oplossing vinden in de vraag of de schade zijn verklaring vindt in een grootheid die het bronniveau overstijgt. De HR drukt dit mijns inziens juist uit door de causaliteit niet te ontkennen maar te beslissen dat de vergoedingen niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden beschouwd. De vergoeding voor de gezondheid of de levensvreugd kan zich op bronniveau afspelen. De HR vermeldt dit terecht als mogelijkheid. Men denke aan de toeslag voor gevaarlijk of ongezond werk of aan een ongemakken-toeslag. In deze gevallen wordt dus de concrete arbeid, die in gevaarlijke of ongemakkelijke situaties verricht wordt, extra betaald.”

7.8

Begrijp ik het goed, dan is er volgens Van Dijck in een geval zoals dat in het Smeeruilarrest, een ‘grootheid’ aanwezig ‘die het bronniveau overstijgt’, waaraan de bron dienstbetrekking ‘voorrang’ moet geven en waardoor (dus) de schadevergoeding niet toerekenbaar is aan de dienstbetrekking hoewel sprake is van een causaal verband met die dienstbetrekking. Ik vind het lastig vast te stellen wat Van Dijck nu precies ziet als die ‘grootheid die het bronniveau overstijgt’. Als ik het goed heb, gaat het om de grootheid gezondheid en/of levensvreugde. Dit vindt ook steun in zijn (latere) FED-brochure. Dat vergoedingen voor invaliditeit en gederfde levensvreugde (in beginsel) bovenbronnelijk zijn, grondt Van Dijck namelijk erop dat grootheden als gezondheid en levensvreugde tot de ‘bovenbronnelijke sfeer’ behoren:173

“Tot de bovenbronnelijke sfeer behoren niet alleen de arbeidskracht en het vermogen als zodanig maar ook grootheden als gezondheid en levensvreugde. Vergoedingen voor invaliditeit en gederfde levensvreugde zijn dan ook bovenbronnelijk. Dit verandert niet als de bewerkende oorzaak van de invaliditeit e.d. binnen een concrete bron gelegen is.

Met vergoedingen voor invaliditeit bedoel ik niet alleen de directe kosten die de invaliditeit met zich mede brengt maar ook de inkomensderving die door de invaliditeit optreedt. Alleen indien inkomensderving met een concrete inkomensbron in verband gebracht kan worden, kan van belastingheffing sprake zijn.”

7.9

In een latere paragraaf in diezelfde FED-brochure over ‘Ideële schade’ – waarbij ik aanteken dat mij niet helemaal helder is wat de verhouding is met de eerder door hem behandelde ‘gederfde levensvreugde’ – merkt Van Dijck het onrechtmatige handelen van de werkgever aan als essentieel voor de onbelastbaarheid van vergoedingen van immateriële schade. Hij acht het criterium ‘onrechtmatigheid’ bovendien beter dan het ‘niet zozeer’-criterium van het Smeerkuilarrest:174

“Voor vergoedingen voor ideële schade bestaat niet een enkelvoudige benadering.

Nadat de deur door de HR bij BNB 1984/2 werd opengezet voor de onbelastbaarheid van vergoedingen voor immateriële schade, die door de werkgever aan de werknemer is toegebracht, is veel jurisprudentie op dit punt ontstaan die van vrij feitelijke aard is.

De beste benadering voor de onbelastbaarheid van immateriële schade vindt men mijns inziens merkwaardigerwijs in de elementen die in BNB 1979/208 aan de orde waren: een vergoeding voor immateriële schade wegens de onrechtmatige aantasting van de persoon van de werknemer en van diens geestelijke gezondheid, indien de oorzaak daarvan gelegen is in het niet naleven door de werkgever van diens op de wet of de overeenkomst berustende verplichtingen uit hoofde van de dienstbetrekking. In dit arrest van 1979 [dat uiteraard vóór BNB 1984/2 werd gewezen] werd een dergelijke schadevergoeding belast geacht, maar na BNB 1984/2 vindt men hier precies de dementen terug die thans tot onbelastbaarheid dienen te leiden.

Essentieel is het onrechtmatig optreden van de werkgever. Een ontslag van een werknemer kan veel verdriet teweeg brengen, maar terecht is in de rechtspraak de vergoeding die een rechtmatig ontslag moet verzoeten niet tot de onbelaste immateriële schade gerekend. (…)

(…)

De rechtmatigheid van het optreden van de werkgever maakt dat zijn handelingen ’binnenbronnelijk’ zijn en dus tot belastbaarheid dienen te leiden van de vergoedingen die voor psychisch leed gegeven worden. De belastbaarheid voor de toeslag voor vuil werk is dan ook vanzelfsprekend.

Met het criterium onrechtmatigheid komt men ook af van het veel te vage ’niet-zo-zeer’ causaal verband. Het causale verband is nimmer in het geding. In dit soort gevallen is causaliteit altijd aanwezig. De mate van causaliteit geeft geen enkele indicatie van ’wel of niet zo zeer’. Onrechtmatigheid geeft een voor de praktijk hanteerbare toets. De werkgever treedt – door zijn onrechtmatig optreden – buiten het kader van de normale verhouding tot zijn werknemer.

Het laat zich dus denken dat een vergoeding voor gederfde levensvreugde wel in een inkomstenbron zijn verklaring vindt. <volgt voorbeeld; MP>”

7.10

Dit een en ander samengenomen begrijp ik de opvatting van Van Dijck als volgt. Een vergoeding voor immateriële schade is bovenbronnelijk indien die vergoeding haar verklaring vindt in de bovenbronnelijke grootheid gezondheid of levensvreugde, maar zij is binnenbronnelijk indien zij haar verklaring vindt in een inkomstenbron. Voor de (toerekenings)kwestie of een dergelijke vergoeding in het een of in het ander haar verklaring vindt, is het criterium ‘onrechtmatigheid’ leidend.

Aanvaarding van de theorie van bovenbronnelijkheid in de literatuur

7.11

De theorie van bovenbronnelijkheid is niet in het algemeen geaccepteerd in de doctrine. Auteurs uit de ‘Tilburgse school’, zoals Rijkers175 en Essers176, hanteren de theorie.177 Stevens verwijst in zijn handboek niet naar de theorie, maar hanteert wel de term ‘bovenbronnelijk’.178 Van Dort merkt op dat de benadering van de Hoge Raad in het Smeerkuilarrest “zich (…) ook minder complex [laat] verklaren” dan door de theorie van bovenbronnelijkheid.179 Smalbraak plaatst tegenover de theorie van bovenbronnelijkheid een andere zienswijze ter verklaring van het resultaat in het Smeerkuilarrest.180 El Ouardi en Chaoui stellen vraagtekens bij de theorie als verklaring voor de jurisprudentie van de Hoge Raad.181 Verder wordt in diverse naslagwerken en artikelen waarin het Smeerkuil-arrest en/of daarop volgende jurisprudentie wordt besproken, niet met zoveel woorden naar de theorie verwezen en/of een andere theoretische onderbouwing gegeven voor het arrest en die jurisprudentie.182

Literatuur over de toepassing van de theorie van bovenbronnelijkheid op periodieke uitkeringen

7.12

Belanghebbende neemt het standpunt in dat aangezien de BIV strekt tot vergoeding van immateriële schade, de BIV bovenbronnelijk inkomen is en daarom ook niet als periodieke uitkering kan worden belast. Belanghebbende acht daarmee de theorie van bovenbronnelijkheid ook van toepassing op het terrein van periodieke uitkeringen.

7.13

Voor het standpunt van belanghebbende is geen steun te vinden bij de grondlegger van de theorie van bovenbronnelijke afbakening. Zoals gezien in ‎4.5, is Van Dijck immers in zijn noot bij HR BNB 1994/22 van opvatting dat de desbetreffende uitkeringen – zijnde nota bene de toenmalige BIV onder de AMPW – toch belastbaar zouden zijn geweest als periodieke uitkering, als niet sprake is van loon uit (vroegere) dienstbetrekking. Ook een aanhanger van de theorie, te weten Rijkers, huldigt die opvatting (zie ‎4.8). Beide auteurs zetten trouwens niet uiteen hoe deze opvatting zich verhoudt tot hun opvatting dat – kort gezegd – een vergoeding van immateriële schade zich in de bovenbronnelijke sfeer bevindt. Uit het betoog van Rijkers valt wel op te maken waarom de auteur tot die opvatting komt, namelijk simpelweg omdat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Ook andere auteurs, zoals Van Dort (zie ‎4.10), gaan ervan uit dat de in HR BNB 1994/22 aan de orde zijnde uitkering in elk geval belast zou zijn als periodieke uitkering.183

7.14

Voor zover ik heb kunnen nagaan is Essers de enige auteur die van opvatting is dat periodieke uitkeringen die zijn aan te merken als smartengelduitkeringen (i.e. strekken tot vergoeding van immateriële schade), niet tot het belastbaar inkomen behoren omdat ze een bovenbronnelijk karakter hebben.184 Aangezien de zogenoemde artikel 2-Fondsuitkeringen volgens Essers een (overwegend) smartengeldkarakter hebben, is Essers het dan ook niet eens met de in ‎6.14-‎6.15 vermelde arresten HR BNB 2013/78 en HR BNB 2015/137 en kan hij zich goed vinden in de in ‎6.20 genoemde vrijstelling waarin de wetgever alsnog heeft voorzien.185 Ook ter zake van de in ‎6.27 genoemde getto-uitkeringen en de BIV neemt Essers het standpunt in dat zij vanwege het bovenbronnelijk karakter niet tot het (belastbaar) inkomen behoren.186 Uit een passage betreffende de BIV volgt dat Essers de gedachte van bovenbronnelijke afbakening ook van toepassing acht waar het gaat om ‘de bron belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen’:187

“Nu de BIV vanwege het smartengeldkarakter geen loon was vanwege het bovenbronnelijke karakter ervan, dient hetzelfde te gelden voor de bron belastbare periodieke uitkering en verstrekkingen.”

8. Beschouwing en beoordeling: de BIV op grond van de wet belast als publiekrechtelijke periodieke uitkering? (middelen 1-3)

Inleiding

8.1

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de BIV tot het belastbaar inkomen uit werk en woning behoort omdat de BIV is aan te merken als een publiekrechtelijke periodieke uitkering als omschreven in 3.101(1)(a) Wet IB 2001. De middelen 1-3 keren zich tegen de verschillende onderdelen waarop dat oordeel berust. Ik verwerk de bespreking van de middelen in een algemene beschouwing.

De BIV: geen loon?

8.2

Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat de BIV niet kan worden aangemerkt als loon, ga ik toch eerst in op de ‘loon-vraag’, mede met het oog op de meer algemene juridische analyse hoe de BIV moet worden behandeld in het systeem van de Wet IB 2001.

HR BNB 1994/22 achterhaald?

8.3

In het in ‎4.4 behandelde arrest HR BNB 1994/22 heeft de Hoge Raad de voorloper van de huidige BIV onder de AMPW aangemerkt als loon uit dienstbetrekking. Als dat arrest als uitgangspunt zou moeten worden genomen, zou naar mij voorkomt de huidige BIV ook als loon uit (voormalige) dienstbetrekking moeten worden aangemerkt. De huidige BIV wijkt naar mijn mening namelijk niet op hier relevante wijze af van de toenmalige BIV. Er zijn weliswaar in de tussentijd wijzigingen in de regelgeving geweest wat betreft de BIV, te weten in 1998 (zie ‎3.2-‎3.3), in 2001 (zie ‎3.4 e.v.) en in 2014 (zie ‎3.15 e.v.), maar het gaat niet om wijzigingen die relevant zijn uit oogpunt van hetgeen is overwogen in HR BNB 1994/22.

8.4

Daarbij komt dat vanuit de optiek dat de Hoge Raad in het Brandweermanarrest niet heeft overwogen te zijn omgegaan (zie ‎4.15), betoogd kan worden dat er geen aanleiding is om HR BNB 1994/22 niet langer als uitgangspunt te nemen. De Hoge Raad hanteert immers als regel dat als hij ‘omgaat’, hij dat in het desbetreffende arrest tot uitdrukking brengt.188

8.5

Zowel de staatssecretaris als een deel van de literatuur gaat evenwel ervan uit dat de Hoge Raad wél is omgegaan in het Brandweermanarrest (zie ‎4.15). Ook ik ga daarvan uit, omdat HR BNB 1994/22 mij niet goed verenigbaar lijkt te zijn met het Brandweermanarrest. Als alleen naar de einduitkomst van HR BNB 1994/22 wordt gekeken, zou dat arrest wellicht nog verzoenbaar zijn met het Brandweermanarrest, als tevens wordt aangenomen dat in HR BNB 1994/22 aansprakelijkheid voor de werkgever wegens onrechtmatigheid ontbreekt (vgl. Van Dijck in ‎4.6 en Rijkers in ‎4.7). Dat laatste is echter niet vastgesteld in HR BNB 1994/22. Belangrijker is nog dat de motivering in HR BNB 1994/22 voor het oordeel dat ook al zou de toenmalige BIV moeten worden aangemerkt als een vergoeding voor immateriële schade, “dit karakter van de uitkeringen niet [zou] wegnemen dat zij zozeer hun grond vinden in de door belanghebbende vervulde publiekrechtelijke dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt”, naar mijn mening niet verenigbaar is met wat is overwogen in het Brandweermanarrest. Die motivering in HR BNB 1994/22 is namelijk dat de uitkeringen “voort[vloeien] uit een rechtspositionele regeling waaraan invalide ex-militairen rechten ontlenen steeds indien verband bestaat tussen de invaliditeit en de uitoefening van de militaire dienst” (zie ‎4.4). Uit het Brandweermanarrest volgt echter dat dit niet maatgevend is: voor de vraag of en zo ja in hoeverre een uitzondering op de hoofdregel dat vergoedingen van immateriële schade niet als loon worden aangemerkt, kan worden gemaakt is bepalend of en zo ja in hoeverre “de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit”. Anders gezegd: gegeven het Brandweermanarrest zou een zaak als aan de orde in HR BNB 1994/22 naar mij voorkomt thans niet meer op dezelfde wijze kunnen worden beslist, althans niet met dezelfde rechtskundige motivering, als in HR BNB 1994/22.

8.6

Ik ga daarom ervan uit dat HR BNB 1994/22 niet meer leidend is. Mocht de Hoge Raad ook van die opvatting uitgaan, dan geef ik de Hoge Raad in overweging – gelet op het belang van rechtszekerheid – om dat (alsnog) expliciet tot uitdrukking te brengen in het te wijzen arrest in de onderhavige zaak. Het is weliswaar niet gebruikelijk om in een later arrest ‘toe te geven’ dat in een eerder arrest is omgegaan, maar het is niet zonder precedent.189 Mocht de Hoge Raad daarentegen van opvatting zijn dat HR BNB 1994/22 verenigbaar is met het Brandweermanarrest, dan geef ik de Hoge Raad in overweging om dat te expliciteren en te motiveren, wederom met het oog op de rechtszekerheid.

De BIV getoetst aan het Brandweermanarrest

8.7

Aangezien niet in geschil is dat de BIV strekt tot vergoeding van immateriële schade (vgl. ook ‎3.3, ‎3.18 en ‎3.22), geldt als ‘hoofdregel’ dat de BIV niet als loon uit dienstbetrekking kan worden aangemerkt. Een uitzondering op deze hoofdregel kan gelet op het Brandweermanarrest worden gemaakt “indien en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit”. Over wat deze uitzondering precies inhoudt (waaronder wat wordt bedoeld met ‘aansprakelijkheid’) en hoe in de praktijk moet worden bepaald of en zo ja in hoeverre de uitzondering van toepassing is (in het bijzonder in het geval de uitkering voortvloeit uit een door de werkgever gesloten ongevallenverzekering), zijn in de literatuur – waaronder literatuur op het terrein van het aansprakelijkheidsrecht – vragen gerezen.190 Dit een en ander hoeft hier geen behandeling, omdat (i) in deze zaak (kennelijk) niet in geschil is dat de uitzondering zich niet voordoet en (ii) het al dan niet van toepassing zijn van die uitzondering geen zuiver juridische kwestie is (maar doorgaans een sterk feitelijke kwestie zal zijn). Het standpunt van de Inspecteur op dit punt in deze zaak is trouwens in lijn met het meer algemene standpunt van de kennisgroep over de BIV (zie ‎5.10).

Betekenis invoering art. 11(1)(aa) UBLB: alsnog loon voor de toepassing van de Wet IB 2001?

8.8

Zoals eerder gezien (zie ‎5.5-‎5.9) is de BIV met terugwerkende kracht tot en met 25 maart 2022 toegevoegd aan de lijst van periodieke uitkeringen en verstrekkingen in art. 11(1) UBLB. Deze toevoeging brengt op grond van art. 11(2) UBLB mee dat de BIV wordt aangemerkt als loon uit vroegere arbeid. Ik werp ambtshalve de vraag op of dit laatste meebrengt dat de BIV ook voor de inkomstenbelasting moet worden aangemerkt als loon, in aanmerking genomen dat op grond van art. 3.81 Wet IB 2001 onder loon in de Wet IB 2001 wordt verstaan: “loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting (…)”.

8.9

Het in ‎6.31 geciteerde arrest HR BNB 1975/127 zou op een bevestigend antwoord kunnen duiden, aangezien de Hoge Raad in dat arrest voor AOW-uitkeringen heeft aangenomen dat de (her)kwalificatie als loon op grond van art. 11 UBLB doorwerkt naar de inkomstenbelasting via de voorganger van art. 3.81 Wet IB 2001 onder de Wet IB 1964. De vraag is evenwel of en zo ja in hoeverre HR BNB 1975/127 is achterhaald onder de Wet IB 2001 gelet op het in ‎6.37 geciteerde arrest HR BNB 2008/89. De literatuur is daarover verdeeld (zie ‎6.38).

8.10

Mijn opvatting over de reikwijdte en betekenis van het arrest HR BNB 2008/89 heb ik gegeven in ‎6.39-‎6.41. Die opvatting komt erop neer dat indien een periodieke uitkering op grond van art. 11(2) UBLB wordt gekwalificeerd als loon, dit als uitgangspunt niet doorwerkt voor de toepassing van de inkomstenbelasting onder de Wet IB 2001, tenzij de uitkering ‘maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkeringen’ heeft (zie ‎6.41).

8.11

Dan is de vraag of (gezegd kan worden dat) de BIV maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkeringen heeft. Dat is een rechtskundige kwestie (zie ‎6.39, punt 9). Hoewel mij niet duidelijk is wat precies de factoren zijn die meebrengen dat een uitkering maatschappelijk gezien het karakter van pensioenuitkeringen heeft (vgl. ‎6.40), meen ik dat het antwoord ontkennend luidt. De BIV heeft naar mijn opvatting maatschappelijk gezien eerder het karakter van een socialezekerheids- en/of ongevallenuitkering gelet op hetgeen recht geeft op de uitkering. Dat de BIV een verhoging op het militair invaliditeitspensioen is, doet daaraan niet af, omdat de naamgeving ‘pensioen’ niet doorslaggevend is (vgl. ‎6.40).

8.12

Conclusie is dat de toevoeging van de BIV in art. 11(1) UBLB niet meebrengt dat de BIV als loon voor de inkomstenbelasting is aan te merken.

8.13

Ten overvloede merk ik op dat in het geval de kwalificatie van de BIV als loon in art. 11(2) UBLB wél zou doorwerken naar de inkomstenbelasting, eerst nog getoetst zou moeten worden óf de BIV autonoom tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende behoort, gelet op de in ‎5.6 geciteerde aanhef van art. 11(1) UBLB. Aangezien de BIV autonoom geen loon uit dienstbetrekking is (zie ‎8.7), zou dus ook in dat geval beoordeeld moeten worden of de BIV is aan te merken als belastbare periodieke uitkering. Anders gezegd: art. 11(2) UBLB kan naar mij voorkomt geen belastbaar feit voor de inkomstenbelasting creëren, maar hooguit leiden tot een andere kwalificatie. Zo bezien is het voorgaande slechts beperkt relevant voor deze zaak. De kwestie van doorwerking is niet relevant voor de vraag óf de BIV is belast voor de inkomstenbelasting, maar bij een bevestigend antwoord alleen voor de vraag of de BIV is belast als periodieke uitkering dan wel – via de U-bocht van art. 11(2) UBLB – toch als loon.

De BIV: een publiekrechtelijke periodieke uitkering?

8.14

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de BIV is aan te merken als een periodieke uitkering die wordt ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling in de zin van art. 3.101(1)(a) Wet IB 2001.191 Het is niet in geschil dat de BIV een periodieke uitkering is. Belanghebbende acht het oordeel van de Rechtbank onjuist voor zover het gaat om het bestanddeel ‘een publiekrechtelijke regeling’, omdat de regeling betreffende de BIV in wezen een rechtspositionele regeling is die de aansprakelijkheid van de overheid als werkgever van militairen vastlegt voor het geval een militair invalide wordt tijdens zijn werkzaamheden.

8.15

Belanghebbende bepleit daarmee in de kern dat de aard van de materie waarop de regeling op grond waarvan de periodieke uitkering wordt ontvangen betrekking heeft, bepalend is voor de vraag of al dan niet sprake is van een publiekrechtelijke periodieke uitkering. Onder de tekst van het Besluit IB 1941 en de nagenoeg gelijkluidende tekst van de Wet IB 1964 was die opvatting wellicht verdedigbaar geweest. In die teksten werden publiekrechtelijke periodieke uitkeringen namelijk omschreven als ‘periodieke uitkeeringen van publiekrechtelijken aard’ (zie ‎6.9) respectievelijk ‘periodieke uitkeringen welke van publiekrechtelijke aard zijn’ (zie ‎6.8). Maar uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ook onder die teksten de aard van de regeling als zodanig beslissend is; het moet gaan om uitkeringen die rechtstreeks voortvloeien uit wettelijke voorschriften van publiekrechtelijke aard (zie ‎6.10-‎6.11).

8.16

De huidige tekst van de Wet IB 2001 is nog duidelijker (dan de teksten van het Besluit IB 1941 en Wet IB 1964) dat voor de vraag of een periodieke uitkering ‘publiekrechtelijk’ is, beslissend is de grond op basis waarvan de uitkering wordt ontvangen, namelijk of zij “wordt ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling”. Aangezien uit de wetsgeschiedenis volgt dat met deze tekst geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten opzichte van de tekst onder de Wet IB 1964 (zie ‎6.7), kan voor de uitleg van de tekst worden aangesloten bij de zojuist vermelde rechtspraak van de Hoge Raad. Dit betekent dat voor het antwoord op de vraag of een regeling is aan te merken als ‘een publiekrechtelijke regeling’ beslissend of het gaat om een ‘wettelijke regeling van publiekrechtelijke aard’.

8.17

Het staat buiten kijf dat de regeling waaruit de BIV (rechtstreeks) voortvloeit, is aan te merken als een wettelijke regeling. De BIV vloeit immers voort uit het Besluit AO/IV en het Besluit bijzondere militaire pensioenen (zie ‎3.10), die algemene maatregelen van bestuur zijn die hun grondslag vinden in een wet in formele zin, te weten in (art. 2.5 van) de KMP (zie ‎3.4).

8.18

Aangezien in de jurisprudentie wordt gesproken over ‘wettelijke voorschriften van publiekrechtelijke aard’, is (kennelijk) nog niet voldoende dat sprake is van een wettelijke regeling. Vereist is (kennelijk) ook dat de wettelijke regeling ‘van publiekrechtelijke aard’ is. Het is mij op basis van jurisprudentie niet direct duidelijk wat het criterium is dat wettelijke voorschriften van publiekrechtelijke aard onderscheidt van wettelijke voorschriften van niet-publiekrechtelijke aard, of anders gezegd wat maakt dat het bestanddeel ‘van publiekrechtelijke aard’ is vervuld (vgl. ‎6.15-‎6.16). Mijn indruk is niettemin dat al snel wordt aangenomen dat het aspect ‘van publiekrechtelijke aard’ aanwezig is, indien de desbetreffende uitkering ten laste van de overheid komt (vgl. ‎6.15).

8.19

Wat het onderscheidende criterium ook precies is, ik meen dat bij de BIV duidelijk is dat de wettelijke regeling waaruit zij voortvloeit ‘van publiekrechtelijke aard’ is. Het gaat immers om een bestuursrechtelijke regeling (vgl. ‎3.12: ‘Bestuursrechtelijke schadevergoeding’). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de KMP volgt dat de wetgever de bijzondere militaire pensioenrechten – waaronder de BIV – buiten de privatisering heeft willen houden (zie ‎3.5-‎3.7). Illustratief is de volgende passage uit de memorie van toelichting: “De regeling moet (…) een publiekrechtelijke blijven en op financiering vanuit de Rijksbegroting steunen” (zie ‎3.7).

8.20

Tijdens de zitting van de Hoge Raad heeft belanghebbende nog aangevoerd dat de BIV wordt uitgevoerd door het ABP, als punt waarmee hij bestrijdt dat sprake is van een publiekrechtelijke periodieke uitkering. Ik neem aan dat belanghebbende daarmee erop doelt dat het ABP een privaatrechtelijke rechtspersoon is door de privatisering per 1 januari 1996.192 Dit argument kan belanghebbende niet baten. Ik meen dat aan de kwalificatie van een regeling als een publiekrechtelijke regeling (een wettelijke regeling van publiekrechtelijke aard) niet in de weg staat de regeling wordt uitgevoerd door een privaatrechtelijke rechtspersoon.193

8.21

Volgens belanghebbende is de hamvraag “of een rechtspositionele regeling, die primair valt onder het civiele recht, vanwege de vastlegging daarvan [in; MP] wetten en besluiten is verworden tot een zodanige regeling van publiekrechtelijke aard dat de uitkeringen kwalificeren als publiekrechtelijke periodieke uitkeringen”.194 Ik merk daarbij allereerst op dat betwijfeld kan worden of gezegd kan worden dat een rechtspositionele regeling zoals de BIV ‘primair valt onder het civiele recht’. Juist een regeling voor invaliditeit voor militairen zoals de BIV is van oudsher geregeld in de publiekrechtelijke sfeer.195 Maar nog los daarvan volgt uit het voorgaande dat het karakter van rechtspositionele regeling niet wegneemt dat bij de BIV sprake is van een publiekrechtelijke regeling.

8.22

Belanghebbende betoogt dat het karakter van de BIV – te weten een smartengeldvergoeding – meebrengt dat de BIV niet valt onder de publiekrechtelijke periodieke uitkeringen in de zin van 3.101(1)(a) Wet IB 2001, gelet op de wetsgeschiedenis.196 Belanghebbende wijst er in dat kader op dat in de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat de onder art. 30(1)(a) Wet IB 1964 vallende publiekrechtelijke periodieke uitkeringen in twee categorieën kunnen worden onderscheiden, te weten (a) de uitkeringen met een inkomensvervangend of inkomensaanvullend karakter die vrij besteedbaar inkomen verschaffen, en (b) de uitkeringen die gekoppeld zijn aan bepaalde uitgaven van degene die de uitkering geniet.197 Belanghebbende betoogt dat aangezien de BIV een smartengeld is, de BIV niet onder deze categorieën valt.

8.23

Ook dit betoog baat belanghebbende niet. Ten eerste betwijfel ik of de omstandigheid dat de BIV een smartengeldvergoeding is, eraan in de weg staat om de BIV – in de (ruwe) categorisering van de wetsgeschiedenis – te scharen onder de categorie uitkeringen met een inkomensaanvullend karakter die vrij besteedbaar inkomen verschaft. Ten tweede, belangrijker, ook als het zo zou zijn dat de BIV niet goed past in een van beide categorieën, de wetgever heeft in art. 30(1)(a) Wet IB 1964 en later 3.101(1)(a) Wet IB 2001 de publiekrechtelijke periodieke uitkeringen niet beperkt tot de publiekrechtelijke periodieke uitkeringen die behoren tot die categorieën. Samenhangend daarmee: de wetgever heeft gekozen voor een systeem waarbij door de algemene omschrijving in 3.101(1)(a) Wet IB 2001 als uitgangspunt alle publiekrechtelijke periodieke uitkeringen onder de (aangewezen) belaste periodieke uitkeringen vallen en waar vervolgens art. 3.104 Wet IB 2001 voorziet in een uitzondering voor specifiek in dat artikel genoemde uitkeringen. Bij dit systeem kan een periodieke uitkering die voldoet aan de algemene omschrijving van een publiekrechtelijke periodieke uitkeringen in 3.101(1)(a) Wet IB 2001 daarom alleen buiten de aangewezen belaste periodieke uitkeringen vallen indien zij is uitgezonderd in art. 3.104 Wet IB 2001 (of een andere bepaling). Dat dit het systeem is, volgt ook uit HR BNB 2013/78 over een artikel 2-Fondsuitkering (zie ‎6.14), in welk arrest nota bene het standpunt van de belanghebbende was dat die uitkering niet mag worden begrepen in het inkomen omdat zij strekt tot vergoeding van geleden immateriële schade.

8.24

Conclusie: de BIV is aan te merken als een publiekrechtelijke periodieke uitkering als omschreven in 3.101(1)(a) Wet IB 2001.198 Dit betekent dat middel 2 faalt.

Wat indien anders? De BIV een periodieke uitkering in de zin van art. 3.101(c) Wet IB 2001?

8.25

De Staatssecretaris heeft in zijn verweerschrift in cassatie (p. 3) opgemerkt, in de kern, dat ook als de BIV niet zou zijn aan te merken als publiekrechtelijke periodieke uitkering, zij nog steeds een belaste periodieke uitkering zou zijn op grond van art. 3.101(1)(c) Wet IB 2001. Steun voor dat laatste kan de Staatssecretaris vinden bij bijvoorbeeld Rijkers (‎4.8) en Van Dort (‎4.10) met betrekking tot de toenmalige BIV onder de AMPW.

8.26

Ik meen dat de Staatssecretaris gelijk heeft. Onder art. 3.101(1)(c) Wet IB 2001 vallen – voor zover hier belang – periodieke uitkeringen die “in rechte vorderbaar zijn en niet de tegenwaarde voor een prestatie vormen”. Terecht is niet in geschil dat bij de BIV is voldaan aan het vereiste ‘in rechte vorderbaar’. Als ik het goed begrijp, bestrijdt belanghebbende dat aan het vereiste “niet de tegenwaarde voor een prestatie vormen” is voldaan, omdat zijn militaire werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als de bedoelde (tegen)prestatie.199 Ik meen echter dat het voor de vraag of periodieke uitkeringen “de tegenwaarde voor een prestatie”200 vormen, er om gaat of de periodieke uitkeringen rechtstreeks tegenover een prestatie staan.201 Daarvan is bij de BIV geen sprake.202 Dat geen sprake is van vrijgevigheid vanuit de overheid, zoals belanghebbende aanvoert, maakt dat niet anders. Dat de BIV een schadevergoeding betreft lijkt mij bovendien juist te ondersteunen dat de BIV niet de tegenwaarde van een prestatie vormt. Overigens komt het mij voor dat indien een periodieke uitkering als tegenwaarde voor de werkzaamheden als militair zouden hebben te gelden, er sprake zou zijn van loon.

De BIV onbelast omdat zij bovenbronnelijk inkomen is?

8.27

Belanghebbende betoogt dat de BIV niet in de heffing van de inkomstenbelasting kan worden betrokken, omdat zij een bovenbronnelijk voordeel betreft, gelet op het Smeerkuil-arrest zoals verduidelijkt door het Brandweermanarrest. Belanghebbende beroept zich daarbij op de in ‎7.7 weergegeven uiteenzetting van Van Dijck over het concept van bovenbronnelijke afbakening in zijn noot bij het Smeerkuil-arrest.

8.28

Voordat ik op dit betoog inga, maak ik eerst enige algemene opmerkingen. Ik begin met de betekenis van de bronnentheorie. Het is goed om voor ogen te houden dat de wetgever eerder bij de Wet 1964 en thans bij de Wet IB 2001 de bronnentheorie niet als zodanig in de wet heeft neergelegd. Het inkomensbegrip dat de wetgever hanteert, volgt uit de wettelijke omschrijvingen en afbakeningen van de verschillende inkomenscategorieën die wetgever in de wet heeft onderscheiden. Wel kan worden gezegd dat de bronnentheorie conceptueel ten grondslag ligt aan het door de wetgever gehanteerde inkomensbegrip, vooral in box 1, gelet op de door de wetgever onderscheiden inkomenscategorieën (vgl. ‎7.4). Samenhangend met het voorgaande is het van belang te onderkennen dat het de wetgever vrij staat om bij de afbakening van het inkomensbegrip af te wijken van de bronnentheorie en dat de wetgever dat ook heeft gedaan (vgl. ‎7.3-‎7.4). Dit een en ander betekent dat de bronnentheorie niet als zodanig een positiefrechtelijke norm is die bepaalt of een bepaald voordeel tot het belastbaar inkomen voor de inkomstenbelasting behoort. Leidend is wat de wet – de Wet IB 2001 – bepaalt. De bronnentheorie kan een wettelijk voorschrift niet opzij zetten. Wel kan de bronnentheorie (interpretatieve) gezichtspunten bieden bij de uitleg of toepassing van een wettelijk voorschrift, met name bij inkomenscategorieën die gestoeld zijn op het bronbegrip. Ook kan de bronnentheorie worden gebruikt als norm om bijvoorbeeld keuzes van de wetgever wat betreft de afbakening van een inkomenscategorie te bekritiseren. Als de bronnentheorie normatief wordt aangehaald, is het, gelet op het voorgaande, echter goed om voor ogen te houden wat de context is. Wordt de bronnentheorie aangehaald om te betogen dat een bepaald voordeel naar positief recht niet toerekenbaar is aan een bepaalde bron, dan zal de wettelijke omschrijving en afbakening van de desbetreffende inkomenscategorie erbij moeten worden betrokken, aangezien die omschrijving en afbakening leidend is.

8.29

Wat betreft het concept van bovenbronnelijke afbakening merk ik op dat voor ogen moet worden gehouden dat de Hoge Raad in het in ‎4.2 geciteerde Smeerkuil-arrest zijn oordeel dat de “vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht (…) niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt” niet heeft verantwoord in termen van bovenbronnelijke afbakening. De duiding door Van Dijck in die termen is een (bronnen)theoretische verklaring waarom de vergoedingen niet toerekenbaar zijn aan de dienstbetrekking hoewel er een causaal verband is met die dienstbetrekking. Deze verklaring wordt bovendien niet in het algemeen geaccepteerd in de literatuur (zie ‎7.11). Niettegenstaande dit een en ander zal ik, for the sake of the argument, ervan uitgaan dat het ‘niet zo zeer’-criterium in het Smeerkuil-arrest is te verklaren door het concept van bovenbronnelijke afbakening.

8.30

De vraag is dan of het concept van bovenbronnelijke afbakening ook gehanteerd kan worden bij de inkomenscategorie ‘belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen’. Niet alleen belanghebbende, maar ook Essers (zie ‎7.14) betoogt van wel. Ik zie daarvoor echter geen ruimte. Essers spreekt weliswaar over ‘de bron belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen’, maar de wetgever heeft in zijn omschrijving van de diverse subcategorieën van deze inkomenscategorie niet expliciet een verband met een bron gelegd, althans niet wat betreft de subcategorie publiekrechtelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Anders dan bij bijvoorbeeld de inkomenscategorie ‘het belastbare loon’ waarbij de bron centraal staat (art. 3.80 en 3.81 Wet IB 2001 jo art. 10 Wet LB: Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten), ontbreekt in de wettelijke omschrijving van die subcategorie een verband met een inkomensbron. In de wettelijke omschrijving staat het voordeel als zodanig centraal. Het ontbreken in de wettelijke omschrijving van een verband met een bron betekent dat een aanknopingspunt ontbreekt om een voordeel niet onder de inkomenscategorie te begrijpen op de grond dat het voordeel een bovenbronnelijk karakter heeft.

8.31

Nu kan worden betoogd dat ook bij de inkomenscategorie ‘belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen’ wel degelijk een bron wordt verondersteld, zij het – in de huidige tekst van de wet – impliciet, te weten de aanspraak op periodieke uitkeringen (of verstrekkingen). Voor die opvatting zijn goede historische gronden.203 Ook als die opvatting wordt aanvaard, wijzigt dit mijn conclusie echter niet, zij het dat de argumentatie dan net wat anders is. Uitgangspunt is dan weliswaar dat periodieke uitkeringen hun grond vinden in een bron, maar het concept van bovenbronnelijke afbakening is ter zake van die bron naar mijn mening niet goed toepasbaar, omdat de in de wet omschreven opbrengst (de uitkering) juist bij uitstek verband houdt met de bron (de aanspraak). Anders, minder abstract en toegespitst op het onderhavige geval gezegd: er kan bezwaarlijk worden betoogd dat de omstandigheid dat de BIV het karakter van een vergoeding van immateriële schade heeft, maakt dat BIV-uitkeringen niet zo zeer hun grond vinden in de aanspraak dat zij als niet daaruit genoten moeten worden aangemerkt. Die aanspraak betreft immers juist een aanspraak op de BIV – dan kan niet worden gezegd dat de BIV-uitkeringen daarin niet zo zeer hun gronden vinden. Anders en in de terminologie van Van Dijck gezegd: in de context van de inkomenscategorie ‘belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen’ is de BIV, naar positief recht, naar mijn mening evident ‘binnenbronnelijk’. Dat is denkelijk ook de verklaring waarom Van Dijck in zijn noot bij HR BNB 1994/22 zonder nadere motivering de toenmalige BIV belastbaar achtte als periodieke uitkering, als niet sprake zou zijn van loon uit (vroegere) dienstbetrekking (zie ‎7.13).

8.32

Dit een en ander neemt niet weg dat de zojuist genoemde omstandigheid aanleiding zou kunnen zijn om de BIV (of algemener: (publiekrechtelijke) periodieke uitkeringen die strekken tot vergoeding van immateriële schade) uit te zonderen van de inkomenscategorie ‘belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen’. Het is echter aan de wetgever om de afweging te maken of dat aangewezen is. De rechter kan niet voorzien in een uitzondering. Dat ligt ook besloten in HR BNB 2013/78 over een zogenoemde artikel 2-Fondsuitkering (zie ‎6.14). De kritiek van Essers (zie ‎7.14) op dat arrest deel ik dan ook niet.

8.33

Kortom, het betoog van belanghebbende is mijns inziens niet juist. Ook middel 1 faalt daarom.

Staat de rangorderegeling eraan in de weg om de BIV te belasten als periodieke uitkering?

8.34

Art. 2.14(1) Wet IB 2001 voorziet in een rangorderegeling voor voordelen die op grond van meer dan een hoofdstuk, afdeling of paragraaf als bestanddeel van een van de belastbare inkomens zouden kunnen worden aangemerkt. De rangorderegeling houdt in dat het voordeel uitsluitend wordt aangemerkt als bestanddeel van – kort gezegd – de eerst in de wet voorkomende en toepasselijke inkomenscategorie:

“1. Indien een voordeel op grond van meer dan een hoofdstuk, afdeling of paragraaf als bestanddeel, al dan niet vrijgesteld, van een van de belastbare inkomens zou kunnen worden aangemerkt, wordt het voordeel uitsluitend op grond van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen afdeling of paragraaf aangemerkt als bestanddeel van het desbetreffende belastbare inkomen.”

8.35

Belanghebbende betoogt dat de rangorderegeling van art. 2.14 Wet IB 2001 in de weg staat aan het in de heffing betrekken van de BIV als (publiekrechtelijke) periodieke uitkering, omdat de BIV voor de toepassing van de rangorderegeling moet worden aangemerkt als vrijgesteld loon. Mijns inziens is dat betoog onjuist.204 Voor de Rechtbank was uitgangspunt tussen partijen dat de BIV niet is aan te merken als loon uit dienstbetrekking (zie ‎2.6). Dat heeft dan ook als uitgangspunt in cassatie te gelden, nu dat uitgangspunt niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. ‎8.3-‎8.6). Er is geen grond om voor de toepassing van de rangorderegeling deze niet-kwalificatie als loon gelijk te stellen met de kwalificatie als vrijgesteld loon. De strekking van de rangorderegeling – de rangorde bepalen in het geval een voordeel onder meer dan één inkomenscategorie valt – geeft daartoe ook geen aanleiding.

8.36

Belanghebbende beroept zich verder nog erop dat de BIV tevens een pensioenkarakter heeft, omdat de BIV een verhoging van het MIP betreft. Wat van dat gestelde karakter ook zij, de vervolgstelling dat de BIV vrijgesteld pensioen betreft, is hoe dan ook onjuist. Ook deze stelling berust immers op de onjuiste veronderstelling dat de omstandigheid dat de BIV niet is aan te merken als loon, betekent dat de BIV is vrijgesteld.

8.37

Ook middel 3 faalt daarom.

9Beoordeling overige middelen (middelen 4-9)

Middel 4 (beroep op behandeling van artikel 2 Fonds-uitkeringen en Rietkerkuitkeringen)

Algemeen

9.1

Voor zover belanghebbende zich beroept op het discriminatieverbod zoals neergelegd in het EVRM is het volgende van belang.205 Op fiscaal gebied komt aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in geval van bevestigende beantwoording van deze vraag, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het – zoals in dit geval – niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, seksuele oriëntatie, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond is ontbloot.

9.2

De kern van middel 4 is dat het – anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld – in strijd is met het discriminatieverbod dat artikel 2 Fonds-uitkeringen en Rietkerkuitkeringen (fiscaal) gunstiger worden behandeld dan de BIV als de BIV in de heffing wordt betrokken als belaste periodieke uitkering.

Beroep op behandeling van artikel 2 Fonds-uitkeringen

9.3

Voor de fiscale behandeling van artikel 2 Fonds-uitkeringen en de achtergrond daarvan verwijs ik naar ‎6.20-‎6.24. Daaruit volgt onder meer dat artikel 2 Fonds-uitkeringen zijn vrijgesteld in art. 3.104(r) Wet IB 2001 sinds 1 januari 2016 en dat in de memorie van toelichting veel aandacht is besteed aan de rechtvaardiging voor de vrijstelling met het oog op het voorkomen van (volgens de staatssecretaris: ongewenste) precedentwerking.

9.4

Ik merk verder op dat discussie bestaat tussen de staatssecretaris van Financiën en (een deel van) de Tweede Kamer over de vraag of ook voor de BIV in een vrijstelling zou moeten worden voorzien (zie ‎5.15-‎5.20, ‎5.28-‎5.29, ‎5.30 en ‎5.31). De staatssecretaris heeft in dat verband betoogd dat de BIV niet vergelijkbaar is met artikel 2 Fonds-uitkeringen (zie ‎5.29). Eerder heeft de staatssecretaris in verband met de Duitse getto-uitkeringen een vrijstelling afgewezen en ook in dat kader de bijzondere kenmerken van artikel 2 Fonds-uitkeringen benadrukt (zie ‎6.27-‎6.28).

9.5

Gelet op dit een en ander is duidelijk dat de wetgever (vooralsnog) alleen voor artikel 2 Fonds-uitkeringen een uitzondering heeft willen maken op de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het systeem van de behandeling van publiekrechtelijke periodieke uitkeringen in de Wet IB 2001. Een eerste uitgangspunt, dat voortvloeit uit art. 3.101(1)(a) Wet IB 2001, is dat in beginsel alle publiekrechtelijke periodieke uitkeringen belastbaar zijn. Een tweede uitgangspunt, dat ten grondslag ligt aan de lijst van publiekrechtelijke periodieke uitkeringen die zijn vrijgesteld in art. 3.104 Wet IB 2001, is dat alleen in een vrijstelling wordt voorzien als de desbetreffende uitkeringen de draagkracht van de betrokkene niet verhogen omdat zij ertoe dienen om de betrokkene in staat te stellen bepaalde noodzakelijke uitgaven te doen (zie ‎6.18). Ik noem dergelijke uitkeringen hierna ook wel ‘bestedingsgebonden uitkeringen’. Samengenomen komen de uitgangspunten erop neer dat uitgangspunt in het wettelijk systeem is dat alle publiekrechtelijke periodieke uitkeringen niet zijnde bestedingsgebonden uitkeringen belastbaar zijn. De reden dat de staatsecretaris van Financiën aanvankelijk een vrijstelling voor artikel 2 Fonds-uitkeringen afwees, was mede gelegen in dit uitgangspunt (zie ‎6.21). Dat uitgangspunt ligt ook ten grondslag aan het standpunt van de staatssecretaris van Financiën dat een vrijstelling voor de Duitse getto-uitkeringen niet op haar plaats is, in welk standpunt hij heeft volhard zelfs toen hij inmiddels aanvaardde dat er een tegemoetkoming voor de betrokkenen moest komen (zie ‎6.27-‎6.28). Ook het standpunt van de staatssecretaris van Financiën dat een vrijstelling voor de BIV niet gewenst is, is gebaseerd op dat uitgangspunt (zie ‎5.16 en ‎5.31).

9.6

Naar mijn stellige overtuiging valt het binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de belastingwetgever om ertoe besluiten om bij hoge uitzondering specifiek voor artikel 2 Fonds-uitkeringen af te wijken van het in ‎9.5 bedoelde uitgangspunt van het wettelijk systeem door in een vrijstelling te voorzien ofschoon die uitkeringen geen bestedingsgebonden uitkeringen zijn. Het aangevoerde samenstel van redenen is naar mijn mening voldoende om te kunnen oordelen dat de door de wetgever gemaakte keuze niet evident van redelijke grond ontbloot is. Ik ben het dus eens met de Afdeling advisering van de Raad van State (zie ‎6.24). Ik merk bovendien op dat bij het oordeel dat de wetgever binnen de ruime beoordelingsvrijheid is gebleven, ook ten positieve meeweegt dat – naar mijn mening – het wetgevingsproces zorgvuldig is geweest. Het is evident dat in het wetgevingsproces de vraag onder ogen is gezien of de invoering van een vrijstelling voor artikel 2 Fonds-uitkeringen ofschoon zij geen bestedingsgebonden uitkeringen zijn, niet leidt tot een ongeoorloofde ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Daarvoor is bovendien advies van de landsadvocaat ingeroepen en is ook nog bijzondere aandacht gevraagd van de Afdeling advisering van de Raad van State. Zie ‎6.21-‎6.24 voor dit een en ander. Uiteindelijk is het oordeel van de wetgever geweest dat bij de artikel 2 Fonds-uitkeringen sprake is van een zodanig bijzondere situatie dat een afwijkende behandeling in de vorm van een vrijstelling gerechtvaardigd is.

9.7

Bij deze motivering van mijn opvatting heb ik centraal gesteld of de keuze van de wetgever binnen de ruime beoordelingsvrijheid valt, zonder daarbij het ‘traditionele’ toetsingsschema toe te passen of (i) de ongelijke behandeling gelijke gevallen betreft en zo ja (ii) of een rechtvaardiging bestaat voor de ongelijke behandeling. Zo’n overkoepelende benadering is niet ongebruikelijk; ook de Hoge Raad hanteert haar geregeld in gevallen waarin hij het discriminatieverbod niet geschonden acht.206 Naar mijn indruk wordt voor de overkoepelende benadering gekozen in gevallen waarin het weliswaar duidelijk is dat het maken van onderscheid gerechtvaardigd is maar waarin erover kan worden getwist of het gerechtvaardigd is omdat sprake is van ongelijke gevallen dan wel omdat een rechtvaardigingsgrond aanwezig is voor de ongelijke behandeling. In het geval van de artikel 2 Fonds-uitkeringen kan daarover ook worden getwist omdat veel van de door de wetgever aangevoerde redenen er plat geslagen op neerkomen dat sprake is van bijzondere omstandigheden; anders gezegd: de rechtvaardiging voor de vrijstelling is in belangrijke mate in de bijzondere omstandigheden van het geval gelegen.207

9.8

Mocht de Hoge Raad het niettemin aangewezen achten het ‘traditionele’ toetsingsschema toe te passen, dan meen ik dat het volgende het meest voor de hand ligt. Hoewel betoogd kan worden dat de wetgever artikel 2 Fonds-uitkeringen als niet gelijk heeft beschouwd met andere publiekrechtelijke periodieke uitkeringen niet zijnde bestedingsgebonden uitkeringen, gelet op (een deel van) de aangevoerde redenen, ligt het mijns inziens in de rede om de gelijkheids-vraag te benaderen vanuit het wettelijk systeem. Aangezien uitgangspunt in het wettelijk systeem is dat alle publiekrechtelijke periodieke uitkeringen niet zijnde bestedingsgebonden uitkeringen belastbaar zijn (zie ‎9.5), zijn artikel 2 Fonds-uitkeringen en de zojuist bedoelde andere publiekrechtelijke periodieke uitkeringen als gelijke gevallen te beschouwen. Wat betreft de rechtvaardiging is het op het eerste gezicht nog niet zo gemakkelijk aan te wijzen welk doel (in het algemeen belang) met de vrijstelling wordt nagestreefd, afgezien van het doel om artikel 2 Fonds-uitkeringen vrij te stellen. Het komt mij echter voor dat het doel is dat de betrokkenen profijt hebben van het volledige bedrag van de artikel 2 Fonds-uitkeringen dat de Duitse overheid verstrekt, dus zonder de nadelen te ondervinden van de beperkte belastingheffing als zodanig (in verband met het progressievoorbehoud), de premieheffing en de invloed op de toeslagen. In aanmerking genomen dat de wetgever een ruime beoordelingsmarge toekomt, is dat doel aan te merken als een legitiem doel in het algemeen belang, gelet op de aangevoerde redenen (zoals redenen van humanitaire aard; de aanleiding voor en het bijzondere karakter van de uitkering; gelijke behandeling bewerkstelligen met gerechtigden die in Duitsland wonen). Het middel (de vrijstelling) is zonder meer geschikt om dat doel te bereiken. Het middel is bovendien proportioneel. Het gaat immers niet verder dan nodig is om het doel te bereiken.

9.9

De conclusie dat de wetgever het discriminatieverbod niet heeft geschonden door specifiek voor artikel 2 Fonds-uitkeringen in een vrijstelling te voorzien, betekent ook dat het niet in strijd is met het discriminatieverbod dat andere publiekrechtelijke periodieke uitkeringen niet zijnde bestedingsgebonden uitkeringen wel in de heffing wordt betrokken als belaste periodieke uitkeringen. Dat geldt dan ook voor de BIV.

9.10

Dat zou in theorie anders kunnen zijn indien bij de BIV hetzelfde samenstel van redenen opgeld doet die voor de wetgever aanleiding vormden om te voorzien in een vrijstelling voor de artikel 2 Fonds-uitkeringen. Dat is echter (evident) niet het geval. De door belanghebbende aangevoerde overeenkomsten tussen de BIV en de artikel 2 Fonds-uitkeringen maken dat niet anders. Dat er op bepaalde punten overeenkomsten zijn tussen de BIV en de artikel 2 Fonds-uitkeringen, zoals dat beide uitkeringen een vergoeding van immateriële schade betreffen, neemt immers niet weg dat er ook verschillen zijn, waaronder ook verschillen die erin bestaan dat bepaalde omstandigheden die de wetgever mede van belang heeft geacht om een vrijstelling van artikel 2 Fonds-uitkeringen gerechtvaardigd te achten, niet aan de orde zijn bij de BIV. Voorbeelden zijn dat de gerechtigden lang op de artikel 2 Fonds-uitkeringen hebben moeten wachten, dat de uitkeringen afkomstig zijn vanuit de Duitse overheid, dat deze in Duitsland zijn vrijgesteld en dat het heffingsrecht over de uitkeringen aan Duitsland is toegewezen.

9.11

Dit een en ander wil niet zeggen dat er bij de BIV niet sprake zou kunnen zijn van een samenstel van redenen die mogelijk een vrijstelling zouden kunnen rechtvaardigen. Het is evenwel aan de wetgever om dat te onderzoeken en de afweging te maken, waaronder de afweging of het gewenst is om de BIV anders te behandelen dan andere publiekrechtelijke periodieke uitkeringen niet zijnde bestedingsgebonden uitkeringen. De kwestie heeft overigens ook politieke aandacht (zie bijv. ‎5.30).

9.12

Conclusie: middel 4 faalt voor zover het een beroep doet op de fiscale behandeling van de artikel 2 Fonds-uitkeringen.

Vergelijking met Rietkerkuitkeringen

9.13

Voor de fiscale behandeling van Rietkerkuitkeringen en de achtergrond daarvan verwijs ik naar ‎6.25-‎6.26. Daaruit volgt onder meer dat Rietkerkuitkeringen weliswaar niet zijn vrijgesteld in de Wet IB 2001, maar dat zij in de uitvoering wel worden behandeld als vrijgestelde uitkeringen. Belanghebbende spreekt trouwens in verband met de Rietkerkuitkering over ‘brutering’,208 maar het is mij niet duidelijk (i) wat belanghebbende daarmee bedoelt, en (ii) waarop belanghebbende dat baseert. Ik wijs in verband met dat laatste ook erop dat in de uitspraak van de Rechtbank geen aanknopingspunt is te vinden voor de opvatting dat ‘brutering’ plaatsvindt (vgl. rov. 4.15 van die uitspraak).

9.14

Zo belanghebbendes beroep op de fiscale behandeling van Rietkerkuitkeringen moet worden begrepen als een beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, faalt het, nog daargelaten de vraag of in cassatie plaats is voor de behandeling van een aldus begrepen beroep (welke vraag kan rijzen gezien de Rechtbank het beroep (kennelijk) niet (mede) zo heeft begrepen). Het beleid dat Rietkerkuitkeringen buiten het belastbaar inkomen van de gerechtigden worden gelaten, is begunstigend beleid aangezien de Wet IB 2001 niet in een vrijstelling voorziet. Bovendien kan ook art. 8 Wet Rietkerk-uitkering niet zo worden uitgelegd dat het als lex specialis een vrijstelling creëert voor de toepassing van de Wet IB 2001, i.e. dat het meebrengt dat Rietkerkuitkeringen voor de toepassing van de Wet IB 2001 buiten het belastbaar inkomen blijven. Integendeel, art. 8 Wet Rietkerk-uitkering veronderstelt juist dat de Rietkerkuitkeringen niet daarbuiten blijven en belastbaar zijn. Het bepaalt immers (onder meer) dat de over de Rietkerkuitkering verschuldigde belasting ingevolge de Wet IB 2001 ten laste van het Rijk komen. Voor het bedoelde begunstigende beleid bestaat mijns inziens een rechtvaardiging die gelegen is in art. 8 en 9 Wet Rietkerk-uitkering. Het beleid is immers een praktische manier om uitvoering te geven aan deze artikelen, i.e. te bewerkstelligen dat (onder meer) de belasting niet ten laste van de uitkeringsgerechtigde maar ten laste van het Rijk komt. Reeds omdat voor de BIV niet is voorzien in een vergelijkbare regeling als art. 8 en 9 Wet Rietkerk-uitkering, kan voor de BIV geen beroep worden gedaan op (analogische) toepassing van het beleid.

9.15

Zo belanghebbendes beroep inhoudt dat het in strijd is met het discriminatieverbod dat voor de BIV niet is voorzien in een regeling zoals art. 8 Wet Rietkerk-uitkering voor de Rietkerkuitkeringen, kan dat belanghebbende evenmin baten. Ten eerste meen ik dat dit beroep niet in een fiscale procedure (dus over de heffing) aan bod kan komen. De tegemoetkoming in art. 8 Wet Rietkerk-uitkering heeft immers betrekking op de over de uitkering verschuldigde IB/PVV – die verschuldigde IB/PVV komt ten laste van het Rijk. Of het discriminatieverbod meebrengt dat het Rijk ook de verschuldigde IB/PVV over de BIV op zich zou moeten nemen, lijkt mij aan de orde te moeten worden gesteld in een procedure voor de rechter die bevoegd is te oordelen over rechtspositionele regelingen van militairen.209 Ten tweede, zo het wel in een fiscale procedure aan de orde kan worden gesteld, meen ik dat het beroep op het discriminatieverbod faalt, reeds omdat de BIV niet vergelijkbaar is met de Rietkerkuitkering, gelet op het doel van art. 8 Rietkerk-uitkering. Art. 8 (en 9) Wet Rietkerk-uitkering hebben als doel te bewerkstelligen dat de Rietkerkuitkeringen netto-bedragen zijn voor de uitkeringsgerechtigden, omdat de vastgestelde bedragen zijn bedoeld als netto-bedragen (zie ‎6.26). Met betrekking tot de BIV heb ik geen enkel aanknopingspunt in de totstandkomingsgeschiedenis gevonden dat de regelgever de vastgestelde bedragen als netto-bedragen heeft bedoeld.210

9.16

Middel 4 faalt dus ook voor zover het een beroep doet op de behandeling van Rietkerkuitkeringen

Beroep het op het Handvest van de Grondrechten van de EU

9.17

De Rechtbank heeft het beroep op art. 31 Handvest van de Grondrechten van de EU (Handvest) afgewezen op de grond dat het Handvest in deze zaak toepassing mist. De toelichting op het middel betoogt dat de Rechtbank miskent wat het HvJ heeft beslist in een arrest van 6 november 2018 over art. 31 Handvest.211

9.18

Het middel faalt ook in zoverre. Mijns inziens miskent de toelichting dat aan de toepassing van het Handvest pas wordt toegekomen in een concreet geval, indien dat geval binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt.212 Dat in een zaak een beroep op het Handvest wordt gedaan, maakt niet dat de zaak binnen het toepassingsgebied van het Unierecht en daarmee binnen dat van het Handvest komt (geen Baron von Münchhausen-achtige werking van het Handvest). “[D]at Nederland geen instelling of orgaan van de Unie is en dat de Wet IB geen recht van de Unie is”, zoals de Rechtbank (op zichzelf terecht) heeft geoordeeld, is weliswaar niet concludent voor haar oordeel dat het Handvest toepassing mist, maar dat laatste oordeel houdt niettemin wel stand in cassatie. Immers: (i) noch de Wet IB 2001 in het algemeen noch de hier van toepassing zijnde voorschriften in die wet betreffende de belastbaarheid van periodieke uitkeringen geven uitvoering aan het Unierecht en (ii) de vastgestelde feiten bieden ook overigens geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het onderhavige geval onder de toepassingsgebied van het Unierecht valt.213

Middel 5 (vergelijking met smartengelduitkering ineens)

9.19

Als ik het goed begrijp is middel 5 gebaseerd op de opvatting dat het in strijd met het gelijkheidsbeginsel is dat enerzijds de BIV wel belast is en anderzijds een vergoeding van immateriële schade in de vorm van een uitkering ineens niet belast is, terwijl ook de BIV een vergoeding van immateriële schade betreft. Het middel rept in dat kader over het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, maar ik behandel het middel als een beroep op schending van het discriminatieverbod zoals neergelegd in het EVRM. De bedoelde ongelijke behandeling vindt haar oorzaak immers niet in de uitvoering maar in de wetgeving.

9.20

Ik meen dat het middel faalt. De twee vormen van schadevergoeding worden in zoverre gelijk behandeld voor de inkomstenbelasting dat ze beide niet zijn aan te merken als loon uit dienstbetrekking. Het verschil in behandeling is erop terug te voeren dat periodieke uitkeringen een afzonderlijke categorie inkomen zijn die tot het belastbaar inkomen horen. In het systeem van de wet zijn een uitkering ineens en periodieke uitkeringen niet als gelijke gevallen te beschouwen. De keuze van de wetgever om periodieke uitkeringen tot het belastbaar inkomen te rekenen, is naar mijn mening evident niet van redelijke grond ontbloot, en dus ook niet evident van redelijke grond ontbloot. Ook de keuze van de wetgever om alle publiekrechtelijke periodieke uitkeringen niet zijnde bestedingsgebonden uitkeringen te rekenen tot de aangewezen belastbare periodieke uitkeringen (vgl. ‎9.5), is geenszins evident van redelijke grond ontbloot. De beoordeling van de wetgever dat enerzijds periodieke uitkeringen zoals de BIV en anderzijds een vergoeding van immateriële schade in de vorm van een uitkering ineens niet als gelijk zijn te beschouwen, is dus niet evident van redelijke grond ontbloot en valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid die de belastingwetgever toekomt.

9.21

Ik merk daarbij nog op dat indien de wetgever ervoor zou kiezen om publiekrechtelijke periodieke uitkeringen zoals de BIV uit te zonderen van de belaste periodieke uitkeringen op de grond dat zij strekken tot vergoeding van immateriële schade, weliswaar een gelijke behandeling zou worden bereikt met een uitkering ineens, maar dat die keuze weer zou leiden tot een ongelijke behandeling binnen de groep publiekrechtelijke periodieke uitkeringen niet zijnde bestedingsgebonden uitkeringen (welke ongelijke behandeling bovendien ook weer gevolgen zou hebben voor inkomensafhankelijke regelingen). Het valt ook in dat opzicht binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de belastingwetgever om te beoordelen met welke gevallen hij publiekrechtelijke periodieke uitkeringen zoals de BIV gelijk wil behandelen.

Middel 6 (oordeel Rechtbank over klacht betreffende de onrechtmatigheid van de inhouding van loonheffing)

9.22

Belanghebbende heeft voor de Rechtbank betoogd dat de inhouding van loonheffing over de BIV onrechtmatig was. De Rechtbank is niet inhoudelijk op het betoog ingegaan. Zij heeft in plaats daarvan geoordeeld dat de heffing van loonbelasting geen betekenis heeft voor de bepaling van het voor de inkomstenbelasting in aanmerking te nemen inkomen uit werk en woning. Het middel klaagt daarover.

9.23

Ik meen dat geen belang toekomt aan de behandeling van het middel. Niet de inhouding van loonheffing maar de aanslag IB/PVV is het voorwerp van het geschil in deze zaak. In het kader van een geschil over de aanslag kan hooguit aan de orde worden gesteld hoeveel loonheffing is ingehouden, aangezien dat relevant is voor de vraag welk bedrag aan loonheffing moet worden verrekend met de aanslag IB/PVV (art. 15 AWR). De rechtmatigheid van de inhouding van loonheffing kan daarentegen in dat kader van een geschil over de aanslag niet aan de orde worden gesteld. Anders dan waarvan de toelichting op het middel lijkt uit te gaan, leidt dat niet tot een rechtstekort (nog ervan afgezien dat de mogelijkheid bestaat om rechtsmiddelen aan te wenden tegen de inhouding van loonheffing). Juist omdat bij een aanslag IB/PVV de ingehouden loonheffing wordt verrekend met de IB/PVV (en die verrekening in voorkomende gevallen tot een teruggaaf kan leiden), wordt het bij een juiste vaststelling van de aanslag IB/PVV ‘rechtgetrokken’ indien zich het geval zou voordoen dat over een uitkering loonheffing is ingehouden terwijl die uitkering niet belastbaar is voor de inkomstenbelasting.

9.24

Overigens meen ik dat de Rechtbank gelijk heeft dat het voor de beoordeling of een bepaald voordeel tot het inkomen uit werk en woning behoort, niet van betekenis is of (al dan niet terecht) loonbelasting is geheven over dat voordeel. Verder merk ik op dat het middel voortbouwt op het uitgangspunt dat de BIV niet als belaste (aangewezen) periodieke uitkering in de heffing van inkomstenbelasting kan worden betrokken. Aangezien uit de behandeling van de voorgaande middelen volgt dat dit uitgangspunt onjuist is, ontvalt de basis aan het middel.

9.25

Vanuit verschillende invalshoeken bezien kan het middel dus niet tot cassatie leiden.

Middel 7 (het MIP)

9.26

Wat betreft het MIP heeft de Rechtbank in de kern geoordeeld dat in het midden kan blijven of het MIP moet worden gezien als vergoeding van immateriële schade omdat het MIP hoe dan ook in de heffing kan worden betrokken: (i) als loon indien het niet als een dergelijke vergoeding moet worden aangemerkt, dan wel (ii) als publiekrechtelijke periodieke uitkering indien het wel als een dergelijke vergoeding moet worden aangemerkt.

9.27

De toelichting op middel 7 klaagt erover dat de Rechtbank een incomplete uitspraak heeft gedaan door geen oordeel te geven over het standpunt van belanghebbende dat het MIP is aan te merken als vergoeding van immateriële schade. Die klacht faalt. De rechter hoeft geen oordeel te geven over een kwestie die partijen verdeeld houdt, indien dat oordeel niet nodig is voor beslechting van het geschil. In de uitspraak ligt besloten dat dit laatste het geval is volgens de Rechtbank. Het middel brengt geen argumenten naar voren die inhouden dat een oordeel wel nodig is voor beslechting van het geschil, indien – zoals de Rechtbank heeft geoordeeld – het MIP is aan te merken als publiekrechtelijke periodieke uitkering, als aangenomen wordt dat het MIP is te beschouwen als vergoeding van immateriële schade.

9.28

Het middel faalt ook voor zover ertoe strekt te klagen dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het MIP is aan te merken als publiekrechtelijke periodieke uitkering, als aangenomen wordt dat het MIP is te beschouwen als vergoeding van immateriële schade. Aangezien de Rechtbank op dit punt verwijst naar haar overwegingen over de BIV, ligt in het oordeel van de Rechtbank besloten het oordeel dat er geen relevante verschillen bestaan tussen het MIP en de BIV wat betreft de vraag of voldaan wordt aan de voorwaarden om als publiekrechtelijke periodieke uitkering te kwalificeren. Dit laatste oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Dit betekent dat het lot van de klacht ervan afhangt of het oordeel van de Rechtbank over de BIV met succes wordt bestreden in cassatie. Aangezien uit de beoordeling van de voorgaande middelen volgt dat dit niet het geval is, faalt de klacht.

Middel 8 (schending 8:42 Awb)

9.29

In het middel en/of in de toelichting op het middel worden de volgende stukken genoemd ter zake waarvan volgens belanghebbende de Inspecteur zijn verplichting op grond van art. 8:42 Awb niet heeft nageleefd: (i) het advies van de landsadvocaat, (ii) het rapport Boot/Lubbers, (iii) stukken over de besluitvorming van de kennisgroep loonheffing over de BIV, en (iv) stukken over de besluitvorming over de BIV op het ministerie van Financiën in overleg met de Belastingdienst en de kennisgroep loonheffingen.

9.30

Wat betreft stuk (i) gaat het, zo begrijp ik mede gelet op toelichting die de gemachtigde ter zitting van de Hoge Raad desgevraagd heeft gegeven, niet om het door de Rechtbank bedoelde ‘vermeende tweede advies’, maar om het – hier in ‎6.21 vermelde – advies van de landsadvocaat in verband met de invoering van de vrijstelling voor artikel 2-Fondsuitkeringen. Ter zake van dat advies heeft de Rechtbank (kennelijk) de verklaring van de Inspecteur aannemelijk geacht dat het stuk hem niet ter beschikking staat of heeft gestaan (rov. 4.3 gelezen in samenhang met rov. 4.2). Zo dat oordeel in cassatie wordt bestreden is dat tevergeefs omdat het een feitelijk oordeel betreft.

9.31

Met betrekking tot stuk (i) alsmede met betrekking tot stukken (ii), (iii) en (iii) begrijp ik het middel (verder) uiteindelijk zo, mede gelet op toelichting die de gemachtigde ter zitting van de Hoge Raad desgevraagd heeft gegeven, dat ook al hebben die stukken de Inspecteur niet ter beschikking gestaan, die stukken hadden moeten worden ingebracht op grond van art. 8:42 Awb, omdat art. 8:42 Awb niet alleen ziet op stukken die de inspecteur ter beschikking staan (of hebben gestaan) maar ook op stukken die de inspecteur elders binnen de organisatie had kunnen opvragen. Deze (rechts)opvatting is mijns inziens echter onjuist.214 Anders dan de gemachtigde ter zitting heeft bepleit zie ik bovendien geen aanleiding voor de Hoge Raad om zijn jurisprudentie op dit punt op te rekken.

9.32

Wat betreft stuk (ii) ontgaat mij overigens het belang van de klacht in cassatie, nu de toelichting op het middel vermeldt dat belanghebbende zelf het rapport heeft ingebracht. Welk gerechtvaardigd belang is dan nog geschonden, ook als ervan zou worden uitgegaan dat het stuk – kort gezegd – een 8:42-stuk is? Immers, belanghebbende kon zich over dat stuk uitlaten en de Rechtbank kon bij haar beoordeling rekening houden met het stuk.215

9.33

Middel 8 faalt dus.

Middel 9 (proceskostenvergoeding)

9.34

Middel 9 stelt dat de Rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. Het is weliswaar duidelijk, gelet op de toelichting, dat belanghebbende “het redelijk [had] gevonden een proceskostenvergoeding te mogen ontvangen”, maar het is mij niet direct duidelijk welk rechtskundig verwijt het middel de Rechtbank precies maakt. Gelet op de toelichting, veronderstel ik dat belanghebbende van opvatting is dat indien sprake is van proefprocedure in de zin dat de uitkomst uitstraling heeft naar vele belastingplichtigen in een vergelijkbare positie, als uitgangspunt een proceskostenvergoeding moet worden toegekend ook als het beroep ongegrond is. Aangezien die opvatting naar mijn mening niet juist is, faalt het middel. Overigens meen ik dat de beslissing van de Rechtbank om geen proceskostenvergoeding toe te kennen, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

10Conclusie

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1Gebaseerd op Rechtbank, rov. 1.1-1.2 en rov. 3-3.2.

2Rechtbank, rov. 4.4.

3Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4708, NTFR 2025/1347 met noot Hajer.

4Belanghebbende heeft bij het (pro forma) beroepschrift een brief van de Staatssecretaris overgelegd waarin is ingestemd met sprongcassatie.

5Kamerstukken II 1998/99, 26 686, nr. 3, p. 1.

6Nota van toelichting bij het besluit van 19 juni 2014, Stb. 2014, 251, p. 8-9. Zie over (onder meer) de AMPW uitgebreider J.G.F.M. van Kessel, Arbeidsongeschiktheid van militairen, ambtenaren en werknemers: een studie over vergoeding van loonschade bij arbeidsongeschiktheid met de militaire pensioenwetgeving als uitgangspunt (diss. Nijmegen), Amsterdam/Antwerpen: Maarten Kluwer's Internationale Uitgeversonderneming 1981.

7Wet van 24 december 1997, Stb. 1997, 768, art. 79, onderdeel K (op p. 38). De desbetreffende bepaling is in het wetsvoorstel gekomen bij nota van wijziging (Kamerstukken II 1996/97, 25 282, nr. 7, p. 13).

8Zie voor de aanduiding van de BIV als smartengeld ook al de parlementaire geschiedenis bij het AMPW-wetsvoorstel; zie Kamerstukken II 1965/66, 8199, nr. 10, p. 4.

9Kamerstukken II 1996/97, 25 282, nr. 7, p. 32.

10Wet van 13 december 2000, Stb. 2001, 37; datum inwerkingtreding volgt uit art. 9.

11Kamerstukken II 1998/99, 26 686, nr. 3, p. 6.

12Kamerstukken II 1998/99, 26 686, nr. 3, p. 1-2.

13Kamerstukken II 1998/99, 26 686, nr. 3, p. 4.

14Kamerstukken II 1998/99, 26 686, nr. 3, p. 7-8. Opmerking verdient dat deze toelichting ziet op wat destijds nog het voorgestelde vierde lid van art. 2 was (zie Kamerstukken II 1998/99, 26 686, nr. 2, p. 2). Dat vierde lid is vernummerd tot het vijfde lid bij nota van wijziging (Kamerstukken II 1999/2000, 26 686, nr. 6, p. 1-2).

15Kamerstukken II 1998/99, 26 686, nr. 3, p. 8. Zie ook Kamerstukken II 1999/2000, 26 686, nr. 6, p. 1-2.

16Kamerstukken II 1998/99, 26 686, nr. 3, p. 8. Zie voor de keuze voor een regeling per AMVB ook Kamerstukken II 1999/00, 26 686, nr. 5, p. 4-5, waaruit tevens volgt (zie p. 5) dat de concept AMVB’s zijn voorgelegd aan het parlement.

17Besluit van 6 februari 2001, houdende vaststelling van de regels rond het recht op militair arbeidsongeschiktheids- of invaliditeitspensioen voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, Stb. 2001, 140.

18Besluit van 6 februari 2001, houdende vaststelling van de regels rond het recht op een bijzonder militair invaliditeitspensioen vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en op bijzonder militair nabestaandenpensioen, Stb. 2001, 139.

19Nota van toelichting, Stb. 2001, 139, p. 14.

20Dit volgt uit art. 23 van elk van de besluiten.

21Uit de gegevens die zijn ingevuld bij de digitale indiening van het beroepschrift leid ik af dat belanghebbende geboren is in het jaar 1977.

22Besluit van 6 februari 2001, houdende vaststelling van de regels rond het recht op militair arbeidsongeschiktheids- of invaliditeitspensioen voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, Stb. 2001, 140.

23Voor dienstplichtigen en reservisten is een regeling getroffen in art. 11 Besluit AO/IV. Deze militairen hebben bij invaliditeit met dienstverband dezelfde rechten op een invaliditeitspensioen of een bijzondere invaliditeitsverhoging als de beroepsmilitair (zie nota van toelichting in Stb. 2001, 140, p. 17).

24Zie daarover ook F.S. Bellekom en B.D.W. Martens, Het smartengeld voor de invalide veteraan: de BIV, een afkorting met een fiscaal verhaal. Is het tijd voor een herijking?, Militair Rechtelijk Tijdschrift 2024/2, te vinden via https://puc.overheid.nl/doc/PUC_765406_11.

25Nota van toelichting bij het besluit van 19 juni 2014, Stb. 2014, 251, p. 10.

26Nota van toelichting, Stb. 2001, 140, p. 15.

27Nota van toelichting bij het besluit van 19 juni 2014, Stb. 2014, 251, p. 10.

28Besluit van 19 juni 2014 tot wijziging van de bepalingen inzake volledige schadevergoeding voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers en voor slachtoffers van bedrijfsongevallen onder militairen en onder burgerambtenaren van Defensie alsmede tot invoering van een «ereschuldregeling» voor veteranen, Stb. 2014, 251.

29Zie het wijzigingenoverzicht van het Besluit AO/IV op wetten.nl.

30Nota van toelichting, Stb. 2014, 251, p. 8.

31Nota van toelichting, Stb. 2014, 251, p. 8 en p. 16-18.

32Nota van toelichting, Stb. 2014, 251, p. 9.

33Nota van toelichting, Stb. 2014, 251, p. 11.

34Nota van toelichting, Stb. 2014, 251, p. 11. De in het citaat genoemde uitspraak van de CRvB is de uitspraak CRvB 28 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9032.

35Nota van toelichting, Stb. 2014, 251, p. 13.

36Besluit van 19 juni 2014, Stb. 2014, 251, art. I(B) en (C) en art. IV. Het verlenen van terugwerkende kracht tot 1 juli 2007 heeft als achtergrond dat eerder de verwachting was uitgesproken dat 1 juli 2007 de datum van inwerkingtreding van het aangepaste stelsel zou worden; zie nota van toelichting, Stb. 2014, 251, p. 18.

37Regeling van de Minister van Defensie van 3 november 2014, nummer BS2014029519 tot uitvoering van de volledige schadevergoeding,, Stcrt. 2014, 32498.

38Toelichting bij de regeling van 3 november 2014, Stcrt. 2014, 32498, p. 3.

39Nota van toelichting, Stb. 2014, 251, p. 18.

40HR 29 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW9439, BNB 1984/2.

41J.E.A.M. van Dijck in BNB 1984/2.

42HR 3 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH9099, BNB 1994/22.

43J.E.A.M. van Dijck in BNB 1994/22.

44J.E.A.M. van Dijck, Vervanging van inkomsten, Deventer: FED 1996, p. 69.

45A.C. Rijkers, Hoofdlijnen fiscale behandeling van vergoedingen voor letselschade, in: A.F.J. Blondeel e.a. (red.), Letselschade en de fiscus: enige fiscale aspecten van de vergoeding van letselschade, mede in het licht van de Wet IB 2001, Den Haag: Stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars 2002, p. 107-108.

46A.C. Rijkers, Hoofdlijnen fiscale behandeling van vergoedingen voor letselschade, in: A.F.J. Blondeel e.a. (red.), Letselschade en de fiscus: enige fiscale aspecten van de vergoeding van letselschade, mede in het licht van de Wet IB 2001, Den Haag: Stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars 2002, p. 108. Kritisch in vergelijkbare zin is bijv. A.L. Mertens in BNB 2012/151, punt. 2.

47R.M.J.T. van Dort, Schadevergoeding en afkoopsom (Fiscale monografieën, nr. 13), Deventer: Kluwer 2002, p. 96. De opvatting van de auteur wordt nog duidelijker indien de geciteerde passage wordt gelezen in samenhang met zijn analyse op p. 95 van het Smeerkuilarrest waar het gaat om het daarin gemaakte voorbehoud voor bijzondere omstandigheden. De auteur noemt daarbij juist als voorbeeld het geval van “het werken onder gevaarlijke of bijzondere omstandigheden waaromtrent in de arbeidsovereenkomst concrete afspraken zijn gemaakt tussen werkgever en werknemer”.

48HR 21 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0164, BNB 2001/150, rov. 3.2-3.4.

49HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:529, BNB 2017/135.

50HR 25 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:444, BNB 2022/81.

51A.L. Mertens in BNB 2022/81. Zie in vergelijkbare zin bijv. Luc Arets in NLF 2022/664, (impliciet) S. Bentohami in FED 2022/73, Ronald Den Ouden, Uitvergroot: Koerswijzigingen, V-N 2022/56.0 en R.M.J.T. van Dort, Het Smeerkuil-arrest (1983) nader verklaard, AV&S 2023/20, par. 4.2. Daarnaast zijn er auteurs die erop wijzen dat het Brandweermanarrest een uitleg geeft aan het Smeerkuilarrest die afwijkt van de uitleg waarvan in de (rechts)praktijk werd uitgegaan; zie bijv. redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2022/15.7, en W.C.T. Weterings, Civielrechtelijke vergoeding van letselschade door een werkgever en fiscale (on)belastbaarheid van een uitkering uit een door een werkgever afgesloten ongevallenverzekering. Een kwestie van voordeels­toerekening? TVP 2023/1, p. 14-15. Sommigen typeren het Brandweermanarrest (echter) als een verduidelijking; zie bijv. A.H.E. Bruin en E.W. Ros, Smeerkuil 2.0: als je begrijpt wat ik bedoelde…, MBB 2022/43, par. 5, en P.H.J. Essers, Belastingheffing over smartengeld-uitkeringen: weg ermee!, in: N. Gubbels e.a. (red.), Van Vijfeijkenbundel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 22.5.

52Aanhangsel Handelingen II 2021/22, nr. 2955.

53Als ik het goed heb gaat het om het bericht “Honderden gewonde veteranen die smartengeld krijgen moeten deel weer inleveren” in het Algemeen Dagblad van 23 juni 2023. Zie ook het nieuwsbericht van 23 juni 2023 “Veteraan knokt door: 'Belasting pikt deel van mijn smartengeld'” op taxlive.nl.

54Handelingen II 2022/23, nr. 98, item 2.

55Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1315.

56Besluit van 20 december 2023, Stb. 2023, 511, art. II(C).

57Art. XVI(1(g) van het Besluit van 20 december 2023, Stb. 2023, 511.

58Nota van toelichting bij het besluit van 20 december 2023, Stb. 2023, 511, p. 68.

59Nota van toelichting bij het besluit van 20 december 2023, Stb. 2023, 511, p. 65-68.

60Kennisgroepstandpunt van 6 februari 2024, KG:204:2024:5, te vinden via https://kennisgroepen.belastingdienst.nl/.

61Handelingen II 2023/24, nr. 44, item 15, p. 15. In de tussentijd is de minister van Defensie in een brief van 25 januari 2024 (Kamerstukken II 2023/24, 30 139, nr. 273) nog kort op de fiscale behandeling ingegaan naar aanleiding van een brief van de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en dienstslachtoffers, waarin is gesteld dat het besluit van het ministerie van Financiën om de fiscale behandeling niet te wijzigen, voor veel leden als onrechtvaardig voelt.

62Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1392.

63Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1392, p. 3-4.

64Zie https://radar.avrotros.nl/artikel/fragment-schadevergoeding-voor-veteranen-60249.

65Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1392, p. 2.

66Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1392, p. 4.

67Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1392, p. 5.

68Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1392, p. 4-5. Zie in vergelijkbare zin Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 34, p. 35-36.

69Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1392, p. 5.

70Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1392, p. 6.

71Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1392, p. 6.

72Handelingen II 2023/24, nr. 84, item 12.

73Handelingen II 2023/24, nr. 84, item 12, p. 6.

74De staatssecretaris van Defensie doel vermoedelijk op CRvB 28 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9032.

75Handelingen II 2023/24, nr. 84, item 12, p. 6. Zie over de belastbaarheid van de BIV ook de staatssecretaris van Financiën: “Dit was van het begin af aan wel duidelijk, die hele discussie dat er belasting over betaald moest worden. De staatssecretaris van Defensie heeft ook aangegeven dat het om de netto vergoeding per jaar gaat. Netto betekent dat je belasting betaalt over een brutobedrag. De verwarring is ontstaan door (...) een fout die de Belastingdienst heeft gemaakt (…) naar aanleiding van het brandweerarrest”, (Handelingen II 2023/24, nr. 84, item 12, p. 8). Zie later ook Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 34, p. 35: “Het stelsel van de BIV is in 2014 met de centrales voor overheidspersoneel bekeken en daarbij is het werkingsbereik van de BIV verruimd zodat meer oud-militairen hier recht op hadden. Hierbij was bij de sociale partners bekend dat belasting wordt geheven en is de hoogte van de BIV niet bijgesteld.”

76Handelingen II 2023/24, nr. 84, item 12, p. 7-8.

77Handelingen II 2023/24, nr. 84, item 12, p. 9.

78Bijv. de inbreng van Tweede Kamerlid Van Oostenbruggen, te kennen uit Handelingen II 2023/24, nr. 84, item 12, p. 10.

79Handelingen II 2023/24, nr. 84, item 12, p. 10; tevens opgenomen in Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1408. De motie is op 18 juni 2024 aangepast wat betreft de gestelde termijn; zie Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1411.

80Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1409.

81Handelingen II 2023/24, nr. 85, item 33, p. 1.

82G. Boot en A.O. Lubbers, Onderzoek naar de fiscale positie van de Bijzondere invaliditeitsverhoging, als bijlage met nr. 1193603 gevoegd bij Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1499.

83Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1499.

84Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1416.

85Rapport Boot/Lubbers, par. 2 respectievelijk par 3.3.

86Rapport Boot/Lubbers, p 20-21. Ik merk op dat de conclusies daarnaast ook zien op enige niet-fiscale kwesties, waaronder (i) of de periodieke BIV zou moeten worden omgevormd tot een eenmalige uitkering, (ii) of de (netto) BIV-uitkering zou moeten worden verhoogd en (iii) aanpassing van de RVS opdat ook op grond van de RVS om een aanvullende vergoeding van immateriële schade kan worden verzocht.

87Rapport Boot/Lubbers, p. 9.

88Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1499.

89Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1499, p. 6 (en eerder p. 4-5). Zie later ook Kamerstukken II 2025/26, 31 066, nr. 1513, p. 5.

90Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 2609.

91Zie later ook Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 34, p. 36.

92De staatssecretaris wijst bijvoorbeeld op het bericht van de Vakbond voor Burger en Militair defensiepersoneel op www.vbm.info/actueel-2/geen-bezwaar-tegen-belastingheffing-biv. Zie ook Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 34, p. 36.

93Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 2609, p. 3. Zie later ook Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 34, p. 36.

94Kamerstukken II 2025/26, 31 066, nr. 1513. Dat was naar aanleiding van (i) een toezegging aan het Tweede Kamerlid Nordkamp (Kamerstukken II 2024/25, 30 139, nr. 289, p. 41) en (iii) een motie van het Tweede Kamerlid Van Eijk (Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1409).

95Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 114, p. 28.

96Handelingen II, 2025/26, nr. 16, item 6, p. 6.

97Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 34, p. 34-36. Zie voor de (summiere) reactie van het Tweede Kamerlid Van Eijk op die brief Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 115, p. 60.

98Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 34, p. 35-36.

99Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 34, p. 36.

100Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 34, p. 36.

101Zie daarover bijvoorbeeld L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Handboeken nr. 2), Deventer: Wolters Kluwer 2020, randnr. 784 (p. 1320-1322), alsmede – voor de Wet IB 1964 – zeer uitgebreid J.F.M. Giele, Periodieke uitkeringen; deel I Uitkeringen verstrekt door of namens de overheid, (FED fiscale brochures), Deventer: Uitgeverij FED 1989.

102Wet van 11 mei 2000, Stb. 2000, 215; de inwerkingtreding per 1 januari 2001 volgt uit art. 11.3 van die wet in verbinding met art. II van de Wet van 11 mei 2000, Stb. 2000, 216.

103Zie Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nrs. 1-2, p. 45.

104Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 141.

105De geciteerde tekst is afkomstig van InView; gaat om de versie van art. 30 Wet IB 1964 zoals die gegolden heeft van 1 januari 1997 tot 1 januari 2001.

106Wet van 16 december 1964, Stb. 1964, 512.

107Zie Kamerstukken II 1958/59, 5380, nr. 2, p. 4.

108Stb. 1941, S. 414. Zie ook Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied, 31 mei 1941, stuk 24, nr. 105.

109Kamerstukken II 1958/59, 5380, nr. 3, p. 42 (toelichting op art. 26).

110Stb. 1941, S. 414, p. 19.

111HR 30 september 1953, ECLI:NL:HR:1953:AY3325, BNB 1953/260.

112J.F.M. Giele, Periodieke uitkeringen; deel I Uitkeringen verstrekt door of namens de overheid, (FED fiscale brochures), Deventer: Uitgeverij FED 1989, p. 49 stelt dat de Hoge Raad hiermee niet alleen wetten in formele zin bedoeld maar wetten in materiële zin.

113Zie ook HR 17 mei 1961, ECLI:NL:HR:1961:AX8201, BNB 1961/181.

114HR 12 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1939, BNB 1996/251, rov. 3.1.

115J.F.M. Giele, Periodieke uitkeringen; deel I Uitkeringen verstrekt door of namens de overheid, (FED fiscale brochures), Deventer: Uitgeverij FED 1989, p. 54.

116L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Handboeken nr. 2), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 1320. Zie voor jurisprudentie onder de Wet IB 1964 ook uitgebreid Vakstudie Inkomstenbelasting 1964, art. 30 Wet IB 1964, aant. 9.

117HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0729, BNB 2013/78.

118Zie ook bijv. P.H.J. Essers, Belastingheffing over smartengeld-uitkeringen: weg ermee!, in: N. Gubbels e.a. (red.), Van Vijfeijkenbundel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 22.2.

119HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:959, BNB 2015/137.

120HR 29 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5698, BNB 1994/276.

121Wet van 11 mei 2000, Stb. 2000, 215.

122Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 142, toelichting op art. 3.5.5 (NB in het wetsvoorstel was art. 3.104 Wet IB 2001 nog genummerd 3.5.5; zie Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nrs. 1-2, p. 46-47).

123L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Handboeken nr. 2), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 1321.

124Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 3.104 Wet IB 2001, aant. 1.4.1.

125Wet van 23 december 2015, Stb. 2015, 541; zie Besluit van 14 maart 2016, Stb. 2016, 103 voor de inwerkingtreding.

126Kamerstukken II 2015/16, 34 303, nr. 3, p. 2-4.

127Kamerstukken II 2015/16, 34 303, nr. 3, p. 4.

128Kamerstukken II 2015/16, 34 303, nr. 3, p. 4-6.

129Vgl. Kamerstukken II 2015/16, 34 303, nr. 3, p. 3.

130Kamerstukken II 2015/16, 34 303, nr. 4, p. 3.

131Kamerstukken II 2015/16, 34 303, nr. 4, p. 4-7.

132Wet van 18 mei 1988, Stb. 1988, 266. De wet is in werking getreden op 28 mei 1988 en werkt op grond van art. 14 van die wet terug tot en met 1 januari 1986.

133Artikel 8 Wet Rietkerk-uitkering (tekst vanaf 1 januari 2001) luidt als volgt: “De over de uitkering verschuldigde belasting ingevolgde de Wet inkomstenbelasting 2001 en de verschuldigde premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1985, 181), de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1967, 655) en de Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) komen ten laste van het Rijk”.

134Kamerstukken II 1986/87, 19 771, nr. 3, p. 3-4.

135Zie P.H.J. Essers, Belastingheffing over smartengeld-uitkeringen: weg ermee!, in: N. Gubbels e.a. (red.), Van Vijfeijkenbundel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 22.3.

136Brief Staatssecretaris van Financiën van 26 oktober 2017, nr. 2017-0000203326, V-N 2017/57.6, ook te vinden in Aanhangsel van de Handelingen II 2017/18, nr. 328.

137Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 15, p. 39.

138Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 85.

139Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 85, p. 2-3.

140Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 85, p. 3-4.

141Regeling van 31 december 2018, nr. IZV 2018-0000208765, Stcrt 2018, 72059, art. IV(E)(2) en – voor de inwerkingtreding en de terugwerkende kracht – art. XXXI(1)(b); zie p. 28 voor de toelichting.

142Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 85, p. 3-4. Zie in gelijke zin de toelichting op de invoering van art. 8.1(f) Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 in Stcrt 2018, 72059, p. 28.

143Art. 3.84 Wet IB 2001 voorziet weliswaar in een vrijstelling voor eindheffingsbestanddelen, maar (i) dat is een vrijstelling in het kader van loon, (ii) terwijl de getto-uitkering volgens de bewindslieden tot het belastbaar inkomen wordt gerekend omdat zij (publiekrechtelijke) periodieke uitkeringen zijn (zie Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 85, p. 2 en eerder Aanhangsel van de Handelingen II 2017/18, nr. 328, antwoord 3) en (iii) ik niet zo snel zie dat een met art. 3.84 Wet IB 2001 vergelijkbare bepaling is opgenomen in afdeling 3.5 (betreffende belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen).

144Ik beperk mij hierna tot de vraag of – kort gezegd – een herkwalificatie op grond van art. 11(2) UBLB doorwerkt naar de inkomstenbelasting. De vraag of een (her)kwalificatie in de Wet LB of daarop gebaseerde regelgeving doorwerkt naar de inkomstenbelasting kan ook rijzen met betrekking tot andere bepalingen. Een voorbeeld is de samenvoegingsbepaling in art. 9.4 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, waarvan de toepassing kan meebrengen dat loon uit vroegere dienstbetrekking heeft te gelden als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Zie over de vraag of herkwalificatie op grond van die samenvoegingsbepaling doorwerkt naar de regeling van arbeidskorting in de inkomstenbelasting HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657, BNB 2025/27, rov. 5.2.1 en onderdeel 9 van mijn voorafgaande conclusie van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:459, alsmede punt 9 va de kritische noot van A.L. Mertens in BNB 2025/27.

145Conclusie A-G Van Ballegooijen 4 december 2006, ECLI:NL:PHR:2007:AY9929, voorafgaand aan HR 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9929, BNB 2008/89.

146W.A.P. van Roij wijst in FED 2007/95, punt 3 erop dat sommige uitkeringen die in art. 11 UBLB zijn genoemd reeds als zodanig als loon kwalificeren op grond van art. 10 Wet LB. Bij dergelijke uitkeringen leidt art. 11(2) UBLB dus niet tot een herkwalificatie als loon. Om dergelijke uitkeringen gaat het mij daarom niet in verband met de doorwerkingsvraag. Het gaat mij alleen om de uitkeringen die niet reeds als loon kwalificeren op grond van art. 10 Wet LB.

147HR 9 april 1975, ECLI:NL:HR:1975:AX3975, BNB 1975/127.

148HR 24 juli 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1678, BNB 1995/308. Zie HR 15 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2215, BNB 1997/325, rov. 3.1.

149Conclusie Van Ballegooijen, punt 3.20.

150HR 12 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1939, BNB 1996/251.

151Conclusie Van Ballegooijen, punt 3.20. Zie ook, maar stelliger, W.A.P. van Roij in: FED 2007/95, punt 6.

152Conclusie Van Ballegooijen, punt 3.22.

153HR 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9929, BNB 2008/89.

154R.H. Happé in HR BNB 2008/89, punt 1.

155W.A.P. van Roij in FED 2007/95, punt 4-6.

156A.L. Mertens, Het beginsel van de minste pijn, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2026, par. 2.2.4 (p. 37-38).

157P.W.H. Hoogstraten & K. Taouil, Loonheffingen (Fed Fiscale Studieserie nr. 7), Deventer: Wolters Kluwer 2026, p. 107-109.

158Zie vooral L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Handboeken nr. 2), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 1078-1079. Uit een passage op p. 1320 zou kunnen worden afgeleid dat de auteur de arresten achterhaald acht; hij geeft te kennen dat de kwalificatie van AOW-uitkeringen op grond van art. 11(2) UBLB voor de loonbelasting geen gevolg heeft voor de kwalificatie voor de inkomstenbelasting als publiekrechtelijke periodieke uitkering.

159Een conclusie die ik ook heb getrokken is dat ik in mijn overweging ten overvloede in punt 7.5 van mijn conclusie van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:459, wat al te kort door de bocht ben gegaan, gezien ik daarin veronderstelde dat de kwalificatie op grond van art. 11(2) Wet LB doorwerkt naar de inkomstenbelasting.

160In andere zin ogenschijnlijk redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2007/37.14.

161Nogmaals: ik abstraheer hier van de in art. 11(2) UBLB uitkeringen die reeds ‘echt’ loon zijn op grond van de maatstaven van art. 10 Wet LB.

162Een AOW-uitkering is niet op grond van de maatstaven van art. 10 Wet LB e.v. als loon aan te merken; zie bijv. A.L. Mertens, Het beginsel van de minste pijn, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2026, par. 2.2.4 (p. 36-37).

163Zie rov. 5.4.11 van de uitspraak van het gerechtshof, te kennen uit BNB 2008/89.

164Voor het hierna volgende heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de beknopte uiteenzetting door A.C. Rijkers, Hoofdlijnen fiscale behandeling van vergoedingen voor letselschade, in: A.F.J. Blondeel e.a. (red.), Letselschade en de fiscus: enige fiscale aspecten van de vergoeding van letselschade, mede in het licht van de Wet IB 2001, Den Haag: Stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars 2002, par. 6.1, alsmede van het handboek van L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Handboeken nr. 2), Deventer: Wolters Kluwer 2020, randnrs. 49-59.

165A.C. Rijkers, Hoofdlijnen fiscale behandeling van vergoedingen voor letselschade, in: A.F.J. Blondeel e.a. (red.), Letselschade en de fiscus: enige fiscale aspecten van de vergoeding van letselschade, mede in het licht van de Wet IB 2001, Den Haag: Stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars 2002, p. 103.

166J.E.A.M. Van Dijck in BNB 1984/2.

167Vgl. L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Handboeken nr. 2), Deventer: Wolters Kluwer 2020, randnr. 57.

168A.C. Rijkers, Hoofdlijnen fiscale behandeling van vergoedingen voor letselschade, in: A.F.J. Blondeel e.a. (red.), Letselschade en de fiscus: enige fiscale aspecten van de vergoeding van letselschade, mede in het licht van de Wet IB 2001, Den Haag: Stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars 2002, p. 105. Vgl. ook L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Handboeken nr. 2), Deventer: Wolters Kluwer 2020, randnr. 57: “het bronbegrip [heeft] ook in de Wet IB 2001 voor de invulling van het fiscale inkomensbegrip zijn betekenis (…) behouden.”

169J.E.A.M. van Dijck in BNB 1984/2.

170J.E.A.M. van Dijck, Vervanging van inkomsten, Deventer: FED 1996, p. 66-70.

171J.E.A.M. van Dijck, Vervanging van inkomsten, Deventer: FED 1996, p. 66.

172J.E.A.M. van Dijck in BNB 1984/2. De eerste contouren van dit betoog zijn al terug te vinden in J.E.A.M. van Dijck, De rechter en het begrip ‘bron van inkomen’, in: Om der schattinge wille (Van der Poel-bundel), Deventer: Kluwer 1958, p. 64-65.

173J.E.A.M. van Dijck, Vervanging van inkomsten, Deventer: FED 1996, p. 67-68.

174J.E.A.M. van Dijck, Vervanging van inkomsten, Deventer: FED 1996, p. 69-70.

175A.C. Rijkers, Hoofdlijnen fiscale behandeling van vergoedingen voor letselschade, in: A.F.J. Blondeel e.a. (red.), Letselschade en de fiscus: enige fiscale aspecten van de vergoeding van letselschade, mede in het licht van de Wet IB 2001, Den Haag: Stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars 2002, par. 6.4.1.

176P.H.J. Essers, Belastingheffing over smartengeld-uitkeringen: weg ermee!, in: N. Gubbels e.a. (red.), Van Vijfeijkenbundel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, hoofdstuk 22. Vgl. ook P.H.J. Essers, Amoreel of immoreel?, WFR 2018/2.

177Zie daarnaast ook bijv. A. Hilge en P.L.F. Seegers, De onbelastbaarheid van letselschade, WFR 2019/241, par. 2.2.1 en M.J. Hoogeveen in Cursus Belastingrecht IB.3.4.2.B.a (‘actueel t/m 04-03-2026’). Verder verwijst Th.J.M. van Schendel, Vergoeding van inkomensschade bij een ongeval, WFR 2007/437, par. 4.5.1 bij de door hem bepleite benadering met een ‘vergelijk’ naar de bovenbronnelijke afbakening.

178L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Handboeken nr. 2), Deventer: Wolters Kluwer 2020, randnr. 101 (op p. 136).

179R.M.J.T. van Dort, Schadevergoeding en afkoopsom (Fiscale monografieën, nr. 13), Deventer: Kluwer 2002, p. 94. Vgl. meer recent ook R.M.J.T. van Dort, Het Smeerkuil-arrest (1983) nader verklaard, AV&S 2023/20, par. 2.3.

180J.Th. Smalbraak, Smartegeld en inkomstenbelasting, WPNR 1984/5697, p. 289-291.

181T. El Ouardi en C. Chaoui, Onder de loep: het (fiscale) leed bij letselschadevergoedingen, MBB 2021/8.

182Zie bijv. A.H.E. Bruin en E.W. Ros, Smeerkuil 2.0: als je begrijpt wat ik bedoelde…, MBB 2022/43, T. el Ouardi e.a., Wegwijs in de loonbelasting, Den Haag: Lefebvre Sdu B.V. 2025, par. 4.2.2 (p. 83), M.J.G.A.M. Weerepas in Cursus Belastingrecht LB.2.2.0.b1 (‘actueel t/m 01-03-2026’) en P.W.H. Hoogstraten & K. Taouil, Loonheffingen (Fed Fiscale Studieserie nr. 7), Deventer: Wolters Kluwer 2026, p. 129.

183Zie daarnaast ook bijv. Th.J.M. van Schendel, Vergoeding van inkomensschade bij een ongeval, WFR 2007/437, par. 4.3.1.

184P.H.J. Essers, Belastingheffing over smartengeld-uitkeringen: weg ermee!, in: N. Gubbels e.a. (red.), Van Vijfeijkenbundel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, hoofdstuk 22. Zie eerder ook P.H.J. Essers, Amoreel of immoreel?, WFR 2018/2.

185P.H.J. Essers, Belastingheffing over smartengeld-uitkeringen: weg ermee!, in: N. Gubbels e.a. (red.), Van Vijfeijkenbundel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 22.2.

186P.H.J. Essers, Belastingheffing over smartengeld-uitkeringen: weg ermee!, in: N. Gubbels e.a. (red.), Van Vijfeijkenbundel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 22.3 resp. 22.5.

187P.H.J. Essers, Belastingheffing over smartengeld-uitkeringen: weg ermee!, in: N. Gubbels e.a. (red.), Van Vijfeijkenbundel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 22.5.

188Zie M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, par. 13.4.3.2 (p. 359), met verwijzingen naar uitlatingen van enige eerdere presidenten van de Hoge Raad.

189Zie M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, par. 13.4.3.2 (p. 359), met verwijzing naar een arrest van de civiele kamer. Een precedent van de belastingkamer is bijv. HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ5176, BNB 2010/242, rov. 3.3.1.

190Zie bijv. redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2022/15.7, A.L. Mertens, in: BNB 2022/81, punt 8, P.A.C. Hoynck van Papendrecht, Letselschadevergoeding in de loonbelasting: de (smeer)put is nog niet gedempt, TVP 2022/4, p. 121-128 (met name par. 4), R.M.J.T. van Dort, Het Smeerkuil-arrest (1983) nader verklaard, AV&S 2023/20, par. 4.3-4.5, en W.C.T. Weterings, Civielrechtelijke vergoeding van letselschade door een werkgever en fiscale (on)belastbaarheid van een uitkering uit een door een werkgever afgesloten ongevallenverzekering. Een kwestie van voordeels­toerekening? TVP 2023/1, p. 13-19.

191Dat is ook de conclusie van Rapport Boot/Lubbers, p. 11-12.

192Zie over die privatisering bjjv. HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4366 , rov. 3.3.1.

193In vergelijkbare zin J.F.M. Giele, Periodieke uitkeringen; deel I Uitkeringen verstrekt door of namens de overheid, (FED fiscale brochures), Deventer: Uitgeverij FED 1989, p. 55.

194Beroepschrift in cassatie, p. 16.

195Vgl. in het kader van het AMPW-wetsvoorstel Kamerstukken II 1965/66, 8199, nr. 10, p. 4: “De bijzondere invaliditeitsverhoging, in de wandeling meestal aangeduid met de term „smartegeld", vormt een in bepaalde gevallen toe te kennen deel van het pensioen, dat de Algemene burgerlijke pensioenwet niet kent. Dit „smartegeld", in de militaire sfeer al gekend sedert de tijd van Prins Maurits, heeft de burgerpensioenwetgeving nimmer overgenomen. Zolang de militaire pensioenen bij de wet zijn geregeld heeft ook dit „smartegeld" in die wetten regeling gevonden. De ondergetekenden achten geen grond aanwezig om het nu buiten de Algemene militaire pensioenwet te houden.”

196Beroepschrift in cassatie, p. 16-17.

197Belanghebbende verwijst naar Kamerstukken II 1983/84, 18 413, nr. 3, p. 4.

198Ik realiseer me overigens dat Rijkers (zie ‎4.8) en Van Dort (zie ‎4.10) ter zake van de toenmalige BIV onder de AMPW hebben opgemerkt dat als deze BIV niet belastbaar zou zijn als loon, zij belastbaar zou zijn als periodieke uitkering op grond van het toenmalige art. 30(1)(c) Wet IB 1964, thans art. 3.101(1)(c) Wet IB 2001. Ik ben er echter niet zeker van of dit betekent dat deze auteurs van opvatting zijn dat de (toenmalige) BIV niet is aan te merken als publiekrechtelijke periodieke uitkering (dan wel dat zij wat te snel naar de categorie van letter (c) zijn gegaan). Hoe dan ook, zo de auteurs die opvatting zouden hebben, ontbreekt een argumentatie.

199Zie p. 3 van de in cassatie voorgedragen pleitnota de advocaat van belanghebbende.

200Zie over dat begrip bijv. Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 3.101 Wet IB 2001, aant. 4.2 (‘actueel t/m 01-08-2026’), J.F.M. Giele, Periodieke uitkeringen; deel I Uitkeringen verstrekt door of namens de overheid, (FED fiscale brochures), Deventer: Uitgeverij FED 1989, par. 3.3, en H.P.A.M. van Arendonk, Lijfrente, tegenwaarde voor en waarde van een prestatie, MBB 1983, afl. 9, p. 200-203.

201Vgl. HR 31 maart 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2423, BNB 1955/141 betreffende art. 16(3) Besluit IB 1941 waarin was bepaald dat lijfrenten aan bloedverwanten in de rechte linie niet voor aftrek vatbaar zijn, "tenzij zij de tegenwaarde voor een praestatie vormen". De Hoge Raad overwoog dat “voor de beantwoording van de vraag, of een lijfrente de tegenwaarde voor een praestatie vormt, slechts van belang is of in de overeenkomst van partijen de aanvaarding der lijfrenteverplichting haar grond vindt in de bedongen tegenpraestatie (…)”.

202Wat betreft de periodieke uitkeringen die tegenover immateriële schade staan, bepleit Rijkers een aanpassing van de regeling, omdat zijns inziens de regeling niet evenwichtig is; zie A.C. Rijkers, Hoofdlijnen fiscale behandeling van vergoedingen voor letselschade, in: A.F.J. Blondeel e.a. (red.), Letselschade en de fiscus: enige fiscale aspecten van de vergoeding van letselschade, mede in het licht van de Wet IB 2001, Den Haag: Stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars 2002, p. 108-109.

203Zo werd onder de Wet op de inkomstenbelasting 1914 (Wet van 19 december 1914, Stb. 1914, 563) de periodieke uitkeringen wel in bron-termen omschreven, te weten in art. 4 als “hetgeen, in geld of geldswaarde, zuiver genoten wordt als opbrengst van (…) rechten op periodieke uitkeeringen van het leven afhankelijk”. Zie over de bron bij periodieke uitkeringen onder die wet bijv. P.J.A. Adriani, Het bronnenstelsel der wet op de inkomstenbelasting, WPNR 1936, nr. 3485, p. 521-524.

204Vgl. ook Rapport Boot/Lubbers, par. 3.4.3 (op p. 10-11).

205Zie bijv. relatief recent HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:416, BNB 2025/112, rov. 4.3.2. Zie uitgebreider – met vele verwijzingen naar rechtspraak van het EHRM – bijv. HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1212, BNB 2014/31, rov. 3.3.1.

206Ik heb dat in het verleden eens geanalyseerd; zie M.R.T. Pauwels, Belastingen en mensenrechtenverdragen: kroniek 2011-2013, MBB 2014/4, p. 165-188, par. 5.2.4, met verwijzingen naar jurisprudentie.

207Vergelijk ook het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, waarin wordt uiteengezet dat zowel kan beargumenteerd dat sprake is van vergelijkbare gevallen als kan worden beargumenteerd dat de gevallen onvergelijkbaar zijn; zie Kamerstukken II 2015/16, 34 303, nr. 4, p. 4-5.

208Beroepschrift in cassatie, p. 20.

209Ik heb me niet erin verdiept of dat de bestuursrechter of de civiele rechter zou moeten zijn.

210Vgl. Rapport Boot/Lubbers, p. 14, voetnoot 49: “wij [hebben] geen aanwijzing (…) gevonden dat er (ooit) een toezegging zou zijn gedaan dat de BIV-uitkering een ‘netto’ uitkering is.”

211Het gaat om HvJ (GK) 6 november 2018, Bauer en Willmeroth, C-569/16 en C-570/16, ECLI:EU:C:2018:871.

212Vgl. HvJ (GK) 26 februari 2013, Hans Åkerberg Fransson, C-617/10, ECLI:EU:C:2013:105, punt 19-21 en HvJ 30 april 2014, Pfleger, C-390/12, ECLI:EU:C:2014:281, punten 33-36.

213Vgl. HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2082, rov. 2.5.3 en 2.6.

214Vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, BNB 2018/164, rov. 3.4.5.

215Vgl. doel en strekking van art. 8:41 Awb zoals omschreven in bijv. HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670, BNB 2021/47, rov. 2.2.1.

 

Parket bij de Hoge Raad 28 augustus 2026, ECLI:NL:PHR:2026:824