Overslaan en naar de inhoud gaan

GHARL 231225 hoger beroep richt zich ook tegen beslissingen in deelgeschil ofschoon daartegen in exploot van dagvaarding geen beroep was ingesteld

GHARL 231225 hoger beroep richt zich ook tegen beslissingen in deelgeschil ofschoon daartegen in exploot van dagvaarding geen beroep was ingesteld


in vervolg op:
RBMNE 090425 hoger beroep toegestaan; beschikking in deelgeschil na aansprakelijkheid skicentrum na val op kunstmatige skibaan

in vervolg op:

RBMNE 010524 ernstig letsel na val op kunstmatige skibaan; alleen helmadvies is onvoldoende; skicentrum aansprakelijk
- toegewezen conform verzoek 25 uur x € 225,00 + 21% = € 6.806,25

 

Het oordeel van het hof

3.1

Het hof zal oordelen dat [appellant1] ontvankelijk is in haar hoger beroep. Deze beslissing zal het hof hierna uitleggen.

3.2

Op [datum] is [geïntimeerde] tijdens een skiles op de indoor skibaan van [appellant1] gevallen. [geïntimeerde] droeg tijdens de les geen helm en heeft door de val ernstig letsel opgelopen. In een zogenoemde deelgeschilprocedure heeft [geïntimeerde] verzocht om een verklaring voor recht dat [appellant1] aansprakelijk is voor de schade die hij door het ongeval heeft geleden. De rechtbank heeft in de beschikking beslist dat [appellant1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] door onvoldoende toezicht te houden op de naleving van haar advies om tijdens de les een helm te dragen.

3.3

[appellant1] is het niet eens met deze beslissing en heeft in de bodemprocedure bij de rechtbank gevorderd om terug te komen op de bindende beslissingen die zijn opgenomen in deze beschikking dan wel om toestemming om daarvan in hoger beroep te gaan. In het vonnis van 9 april 2025 heeft de rechtbank die toestemming verleend.. Met betrekking tot de verleende toestemming heeft de rechtbank – kort gezegd – overwogen dat een deelgeschilbeschikking, voor zover die ziet op bindende eindbeslissingen over de materiële rechtsverhouding van partijen, gelijk wordt gesteld met (eind)beslissingen in een tussenvonnis en dat in dat geval – net als bij een tussenvonnis – hoger beroep kan worden ingesteld nadat tussentijds verlof is verleend.

3.4

[appellant1] heeft vervolgens bij dit hof hoger beroep ingesteld. In het exploot van dagvaarding heeft zij het volgende opgenomen:

“[…] het vonnis, op 9 april 2025 door de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad gewezen onder zaak/rolnummer C/16/587439 / HL tussen mijn opdrachtgeefsters als gedaagden en gerekwireerde als eiser, vernietigt en opnieuw rechtdoende aan geïntimeerde alsnog zijn vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instantiën, uitvoerbaar bij voorraad, en daarnaast te veroordelen tot restitutie van hetgeen appellante heeft voldaan […]uit hoofde van het vonnis van 9 april 2025 voornoemd.”

3.5

In de memorie van grieven heeft [appellant1] mede bezwaren gericht tegen de deelgeschilbeschikking en geconcludeerd als volgt:

“[…] tot vernietiging van de bestreden beschikking en het tussenvonnis van 9 april 2025 waarin ten onrechte is geweigerd op vorenstaande gronden de bestreden beschikking te herzien (evident richt zich deze conclusie niet op de toestemming om tussentijds hoger beroep te mogen instellen) […]”

3.6

[geïntimeerde] is van mening dat [appellant1] niet ontvankelijk is in haar hoger beroep omdat zij in de memorie van grieven bezwaren heeft gericht tegen beslissingen in de beschikking, terwijl zij in het exploot van dagvaarding daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld.

3.7

Het hof stelt bij de beoordeling van dit standpunt van [geïntimeerde] voorop dat het bij de uitleg van gedingstukken, zoals in dit geval het exploot van de dagvaarding in hoger beroep, niet aankomt op een (geïsoleerde) beschouwing van enkel de (letterlijke) bewoordingen van wat daarin is opgenomen, maar dat daarbij ook de inhoud van wat aan de eis ten grondslag is gelegd, de wijze waarop de wederpartij een en ander heeft opgevat of redelijkerwijs heeft moeten opvatten en het overige partijdebat moet worden betrokken.1 Tegen dit licht bezien en om reden van het navolgende snijdt het betoog van [geïntimeerde] geen hout. Allereerst heeft te gelden dat, anders dan [geïntimeerde] kennelijk veronderstelt, de dagvaarding in hoger beroep niet al een definitieve afbakening van het geschil inhoudt. Voor eerder gewezen tussenvonnissen geldt dat de appellant de vrijheid heeft om bij nadere omlijning van het hoger beroep in de memorie van grieven ook grieven te richten tegen beslissingen in voorafgaande tussenvonnissen, behoudens uitzonderingen die zich in dit geval niet voordoen.2 Toepassing van deze regel in deze situatie leidt niet tot strijd met de goede procesorde en de gerechtvaardigde belangen van [geïntimeerde] worden hiermee evenmin geschaad. Voor [geïntimeerde] moet verder voldoende duidelijk zijn geweest dat het hoger beroep van [appellant1] zich ook richtte tegen de deelgeschilbeschikking omdat [appellant1] juist daarvoor toestemming heeft gevraagd en verkregen van de rechtbank. Daarnaast heeft [appellant1] in de afsluitende conclusie van de dagvaarding in hoger beroep (‘het petitum’) wel degelijk gevorderd ‘om aan geïntimeerde alsnog zijn vorderingen te ontzeggen’, wat onmiskenbaar verwijst naar de beslissingen in de beschikking.

De conclusie

3.8

Het voorgaande betekent dat de incidentele vordering van [geïntimeerde] zal worden afgewezen. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.

1Zie onder meer HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1314.

2Zie onder meer HR 26 oktober 2001, NJ 2001, 665 en HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7494.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8622