RBDHA 021225 toeslagenaffaire; wel degelijk causaal verband tussen medische klachten en terugvordering kinderopvangtoeslag
- Meer over dit onderwerp:
RBDHA 021225 toeslagenaffaire; wel degelijk causaal verband tussen medische klachten en terugvordering kinderopvangtoeslag
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers zijn gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire. In dat kader heeft
[eisers sub 1] (eiser) voor het jaar 2012 een compensatiebedrag ontvangen van € 20.680 (compensatiebedrag). In het compensatiebedrag is een bedrag van € 7.500 begrepen voor vergoeding van immateriële schade. Het compensatiebedrag is later op grond van de Catshuisregeling aangevuld met een bedrag van € 9.320 (Catshuis surplus).
[eisers sub 2] (eiseres) heeft voor de jaren 2013 en 2014 een opzet/grove schuld-tegemoetkoming (o/gs-tegemoetkoming) ontvangen van in totaal € 14.799.
3. Omdat eisers van mening zijn dat zij meer schade hebben geleden door de problemen met de kinderopvangtoeslag dan het compensatiebedrag dat zij van verweerder hebben ontvangen, hebben zij een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Daarbij hebben eisers aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van tenminste € 309.133, als volgt gespecificeerd:
-Kosten van vrije dagen niet gespecificeerd
-Verlies aan inkomen eiser € 153.179
eiseres € 153.179
-Vermogensschade niet gespecificeerd
-Andere extra kosten niet gespecificeerd
-Financiële ondersteuning
door derden € 2.775
-Immateriële schade niet gespecificeerd
4. De CWS heeft op 6 juli 2022 haar advies uitgebracht en verweerder geadviseerd om aan eisers geen aanvullende schadevergoeding voor de werkelijke schade toe te kennen.
De materiële schadeposten zijn volgens de CWS niet aannemelijk gemaakt. De immateriële schade is in het advies begroot op een bedrag van € 24.500, maar omdat de reeds door eiser ontvangen vergoeding voor de immateriële schade van € 7.500 hierop in mindering dient te worden gebracht, evenals het Catshuis surplus en de door eiseres ontvangen o/gs-tegemoetkomingen, kan er per saldo geen aanvullende immateriële schadevergoeding aan eisers worden uitbetaald. In het primaire besluit heeft verweerder, conform het advies van de CWS, beslist dat eisers geen aanvullende schadevergoeding ontvangen.
5. Omdat de CWS geen advies heeft kunnen geven over de vraag of en in hoeverre sprake is van inkomensschade als gevolg van bestaande gezondheidsklachten die mogelijk zijn verergerd door de problemen met de kinderopvangtoeslag, heeft verweerder in de bezwaarfase de CWS gevraagd om een medisch deskundige in te schakelen en onderzoek te doen naar de vraag of de medische klachten van eisers zijn onderschat en verband houden met de problemen met de kinderopvangtoeslag. Naar aanleiding hiervan heeft de CWS Sanacare als medisch deskundige ingeschakeld. Sanacare heeft op 18 augustus 2023 een medisch advies uitgebracht (primaire advies). Eiser heeft om hem moverende redenen de eerder aan verweerder gegeven toestemming tot het inzien van het primaire advies, ingetrokken. De CWS heeft het primaire advies wel ingezien en in een nadere reactie van 15 september 2023 het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een verband tussen de medische klachten van eisers en de problemen met de kinderopvangtoeslag.
6. In reactie hierop hebben eisers huisartsenjournalen van 15 januari 2024 (eiser) en 7 februari 2024 (eiseres) overgelegd, waarna de CWS Sanacare om een reactie daarop en op de bezwaren van eisers heeft gevraagd. Sanacare heeft vervolgens gereageerd op 24 april 2024 en 3 juni 2024. Deze nadere reacties hebben niet tot een wijziging van het primaire advies geleid.
7. Verweerder heeft in het bestreden besluit aanleiding gezien om de immateriële schadevergoeding van eisers te verhogen tot een bedrag van € 31.300 en een vergoeding toe te kennen van € 600 voor de tijd die eisers kwijt zijn geweest aan regelzaken rondom de kinderopvangtoeslagproblematiek. Omdat de aanvullende schadevergoeding daarmee nog steeds minder is dan het totaal van de ontvangen compensaties, kan ook nu aan eisers geen aanvullende vergoeding worden uitbetaald. Eisers ontvangen wel een vergoeding van € 500 voor het voeren van de procedure bij de CWS die niet wordt verrekend met de reeds ontvangen compensatie.
Wat vinden eisers in beroep?
8. Eisers stellen dat hun inkomensschade ten onrechte niet is vergoed. Volgens eisers volgt uit de nadere reactie van Sanacare van 3 juni 2024 dat sprake is van een causaal verband tussen de medische klachten van eiser en de problemen met de kinderopvangtoeslag. Uit het huisartsenjournaal van 15 januari 2024 blijkt dat die problemen de bestaande depressiviteitsklachten van eiser hebben verergerd. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers verwezen naar uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 20241 en 16 december 20242.
Wat vindt verweerder in beroep?
9. Onder verwijzing naar de adviezen van de CWS en de bezwaarschriftenadviescommissie, stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers geen recht hebben op vergoeding van de gestelde inkomensschade. Volgens verweerder is er geen direct oorzakelijk verband tussen de medische klachten van eiser en de kinderopvangtoeslagproblematiek.
Wat is het toetsingskader?
10. Uit artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen volgt dat een aanvrager van compensatie voor werkelijke schade aannemelijk dient te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan het na de integrale beoordeling toegekende bedrag. Concreet betekent dit dat eisers aannemelijk dienen te maken dat zij daadwerkelijk schade hebben geleden, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de handelwijze van verweerder.3
Wat is het oordeel van de rechtbank?
11. In geschil is de inkomensschade die eisers stellen te hebben geleden ten gevolge van de problemen met de kinderopvangtoeslag. Omdat eisers enkel voor het jaar 2012 zijn gecompenseerd, kunnen alleen de gevolgen van de stopzetting van de kinderopvangtoeslag over dat jaar betrokken worden bij de beoordeling van deze schadepost. Vaststaat dat de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012 bij besluit van 1 maart 2014 is stopgezet en bij besluit van 6 maart 2015 is het recht op kinderopvangtoeslag herzien naar nihil, met als gevolg dat eisers geconfronteerd werden met een terugvordering van € 22.489. De eerste dwangverrekening vond plaats in juni 2015.
Inkomensschade van eiser
12. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder ten aanzien van eiser terecht het ontbreken van causaal verband heeft aangenomen. Ter beantwoording van deze vraag heeft eiser een beslissing van het UWV van 7 januari 2022 en het huisartsenjournaal van 15 januari 2024 overgelegd.
12.1
Uit de beslissing van het UWV blijkt dat eiser vanaf 18 november 2021 recht heeft op een uitkering op grond van de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten naar 80 tot 100 %. Eiser is met deze beslissing volledig en duurzaam arbeidsongeschikt verklaard en niet wordt verwacht dat eisers mogelijkheden om te werken nog zullen verbeteren. Uit het aan die beslissing ten grondslag liggende rapport van 8 december 2021 van de verzekeringsarts blijkt dat eiser bekend is met de diagnoses ADHD en een recidiverende depressieve stoornis die gedeeltelijk in remissie is. Volgens de verzekeringsarts is het aannemelijk dat eisers depressie mede in stand wordt gehouden door ziekmakende externe factoren, zoals dupering door de toeslagenaffaire.
12.2
De rechtbank leest verder in het huisartsenjournaal dat eiser al jaren bekend is met depressieve klachten en ADHD en dat hij nog steeds kampt met een sterk wisselende stemming en onrust. In een mutatie van de huisarts van 23 november 2015 is tevens het volgende vermeld:
“snel boos, toenemend snel geïrriteerd, durft niet meer naar buiten, bang om dan buiten gaan gezien het gedrag, sluit zich steeds vaker op in huis blijkt veel stress te hebben door procedures omtrent ontstane schulden door mogelijke terugvorderingen van de toeslagen. Erg emotioneel. Prikkelbaar/ boos gevoel/gedrag, stress intolerantie gaarne uw begeleiding, verwezen aan de psychiater”.
12.3
De rechtbank acht ook de volgende passages uit het advies van Sanacare van
3 juni 2024 van belang:
“Derhalve kan gesteld worden dat de ouder ontregeld is geraakt door de stress van gevolgen van de KOT bij reeds bestaande psychiatrische problematiek.
(…)
Depressieve episodes zijn begonnen in 2010 (volgens informatie CWS). Dit is voor de periode van de eerste brief van de belastingdienst. Het is aannemelijk dat iemand die al financiële problemen heeft en dan een brief van de belastingdienst ontvangt dat hij geen recht had op de toeslag en geld moet gaan terugbetalen last krijgt van stemmingsproblemen. Uit het huisartsenverslag blijkt dat er toename is, of dat er sprake is van een recidief depressieve stoornis in 2015, het jaar dat ook de financiële problemen door de KOT spelen. Dit was voor de huisarts reden om de ouder te verwijzen naar de psychiater.
(…)
Gezien de meerdere pre-existente stressfactoren bij de ouder is er een mogelijkheid dat hij ook zonder de problemen met de KOT zou zijn ontregeld, doch gezien de verslaglegging van de huisarts is er een samenhang met de extra financiële problemen door de KOT. Mogelijk zou het beloop milder zijn geweest zonder de extra problemen van de KOT.”
12.4
De rechtbank constateert op basis van het voorgaande dat er een verband bestaat tussen de psychische klachten van eiser en de kinderopvangtoeslagproblematiek en dat deze problemen kennelijk voor eiser de directe aanleiding zijn geweest om zich op 23 november 2015 te wenden tot de huisarts en daarna de psychiater. De mutatie van 23 november 2015 past bovendien in de tijdlijn van gebeurtenissen, aangezien eiser zich ná het terugvorderingsbesluit van 6 maart 2015 en ná de eerste invorderingshandeling in juni 2015 tot de huisarts heeft gewend.
12.5
De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in de situatie van eiser sprake is van reeds langer bestaande psychische problematiek en dat hij al met die klachten kampte voordat de problemen met de kinderopvangtoeslag daadwerkelijk begonnen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat eerder bestaande medische problematiek niet in de weg staat aan het aannemen van een causaal verband indien sprake is van een toename van eerder bestaande medische klachten door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Met dit in het achterhoofd en met inachtneming van de hiervoor vermelde feiten uit het procesdossier, met name de mutatie van de huisarts van 23 november 2015, stelt de rechtbank vast dat uit het huisartsenjournaal onomstotelijk blijkt dat de psychische klachten van eiser zijn verergerd door de (gevolgen van de) terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
12.6
Gelet op al het voorgaande kan de rechtbank niet anders dan een direct causaal verband aannemen tussen de problemen met de kinderopvangtoeslag en de toegenomen psychische klachten van eiser. Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene, geldt dat dit causaal verband voor een schadevergoeding in aanmerking komt nu de eerder bestaande medische problematiek van eiser niet in de weg staat aan het aannemen van aansprakelijkheid voor de schade die eiser als gevolg van zijn verergerde gezondheidsklachten heeft geleden en de daardoor veroorzaakte inkomensschade.
12.7
Gelet hierop dient het beroep in zoverre gegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu voor een nieuwe beslissing op bezwaar nader onderzoek nodig is naar de omvang en hoogte van de schade. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Inkomensschade van eiseres
13. In wat eisers naar voren hebben gebracht en de stukken die zij hebben overgelegd, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van een causaal verband tussen de (verergerde) gezondheidsklachten van eiseres en de problemen met de kinderopvangtoeslag. Het huisartsenjournaal van 7 februari 2024 geeft geen informatie over de periode voor 22 juni 2021 en de eerste mutatie waarin een link met de kinderopvangtoeslagproblematiek wordt gelegd dateert van 22 juni 2021, ruim nadat de problemen met de kinderopvangtoeslag zijn begonnen. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de problemen met de kinderopvangtoeslag in haar geval tot inkomensschade hebben geleid.
Immateriële schadevergoeding
14. Eisers hebben ter zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Als een rechtbank de zaak terugwijst naar verweerder om opnieuw een beslissing op bezwaar te nemen, start voor het vaststellen van de redelijke termijn in eerste aanleg geen nieuwe behandelingsfase. Er geldt als uitgangspunt dat de berechting in eerste aanleg niet binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden als het totale tijdsverloop, dus de opstelsom van het tijdsverloop van de fase vóór terugwijzing en van de fase na terugwijzing langer dan twee jaar heeft geduurd. Daarbij geldt dat de duur van het bezwaar opnieuw ingaat op de dag nadat de terugwijzingsuitspraak is gewezen.4 Dat betekent dat op het moment van deze uitspraak de hoogte van de te vergoeden schade nog niet kan worden vastgesteld. De rechtbank geeft verweerder in overweging om bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar tevens een oordeel te geven over dit schadevergoedingsverzoek.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen over de inkomensschade van eiser. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken, gerekend vanaf de dag na verzending van deze uitspraak.
16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 53 en de proceskosten vergoedt. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Nu de zaak wordt teruggewezen dient verweerder in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar, de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast te stellen.
1ECLI:NL:RBAMS:2024:504.
2ECLI:NL:RBAMS:2024:7990.
3ECLI:NL:RVS:2023:3620.
4Hoge Raad 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1818, r.o. 3.2 en Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1153, r.o. 3.2.
Rechtbank Den Haag 2 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22400
