RBOVE 010726 Zweeds recht, na npo en beoordeling neuroloog en psychiater: PTSS, whiplashachtige klachten en hoofdpijn toegerekend; rb voornemens Zweedse vza te benoemen
RBOVE 010726 Zweeds recht, na npo en beoordeling neuroloog en psychiater: PTSS, whiplashachtige klachten en hoofdpijn toegerekend; rb voornemens Zweedse vza te benoemen
in vervolg op, o.m.:
RBOVE 090718 Zweeds recht, voorschot op schade; verzocht € 20000- toegewezen in Zweeds Kronen 49.800
- Zweeds recht, voorschot op bgk, verzocht 132 uur, uren bovenmatig, toegewezen in Zweedse Kronen 90 uur 1653 = 148.770
- verzoek tot veroordeling tot medewerking aan bedrijfseconomisch en arbeidsdeskundig onderzoek afgewezen: eerst vza expertise
- kosten deelgeschil, verzocht 49,8 x € 225,00 incl kantoorkosten; toegewezen 30 x 225,00
en
RBOVE 080421 Verzoek orthopedische expertise af-, neurologische toegewezen; 6 maanden wachttijd gebruikelijk;
- deskundige dient te bepalen welke gegevens voor onderzoek noodzakelijk zijn.
en
RBOVE 280421 KG; Afwijzing; voorschot VAV en BGK & vordering tzv afleggen huisbezoek
en
RBOVE 160425 rb wijst vdo vza, ad-er en bedrijfseconoom (be?) af, vovo n-o
2Samenvatting
Partijen hebben een geschil over de medische en financiële gevolgen van het ongeval dat [partij A] op 4 juni 2015 is overkomen in Zweden. Zij hebben daarover al meerdere juridische procedures tegen elkaar gevoerd. Dit is de eerste bodemprocedure. Protector heeft de aansprakelijkheid van haar verzekerde voor deze aanrijding erkend.
Zij stelt zich op het standpunt dat zij de schade van [partij A] als gevolg van het ongeval volledig heeft gecompenseerd en vordert een verklaring voor recht waarin dat wordt vastgelegd. [partij A] is het daar niet mee eens. Hij vordert een verklaring voor recht dat Protector gehouden is zijn schade te vergoeden, alsmede een voorschot op de schadevergoeding met verwijzing naar de schadestaatprocedure.
De rechtbank kan nog geen eindvonnis wijzen. De rechtbank is voornemens om, met toepassing van het Zweedse recht een verzekeringsarts, te benoemen, die aan de hand van de – in Zweden gebruikelijke – systematiek van de Zweedse Road Traffic Injury Commission, de rechtbank kan adviseren over de beperkingen van [partij A] om te werken als gevolg van het ongeval op 4 juni 2015. Voordat de rechtbank daartoe overgaat, zal zij partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank. Daarna kan de rechtbank verder beoordelen of [partij A] aanspraak kan maken op schadevergoeding en zo ja, op welk bedrag.
De rechtbank licht haar beslissing hieronder verder toe.
3De feiten
2.1.
Partijen hebben al ruim tien jaar een geschil over de medische en financiële gevolgen van het ongeval dat [partij A] op 4 juni 2015 is overkomen in Zweden. Zij hebben daarover al meerdere juridische procedures met elkaar gevoerd: een kort geding in 2016, een deelgeschil in 2017, een deelgeschil in 2018, een voorlopig deskundigenbericht in 2021 en een kort geding in 2021.
2.2.
In het geschil tussen partijen hebben drie medische expertises plaatsgevonden: een psychiatrische (door psychiater Van Eck in 2018, gezamenlijk door partijen aangezocht buiten rechte), een neurologische (door neuroloog Verlooy in 2021, door de rechtbank bevolen bij voorlopig deskundigenbericht) en een neuropsychologische (in 2022 door T. Koene in vervolg op neurologisch onderzoek Verlooy).
2.3.
De voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft in een door [partij A] aanhangig gemaakt kort geding in 2016 geoordeeld dat het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de door [partij A] gestelde klachten, beperkingen en het arbeidsverlies (nog) niet kon worden vastgesteld en dat er nader (deskundigen)onderzoek diende plaats te vinden naar de vraag of de door [partij A] gestelde en ervaren klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen het gevolg zijn van het ongeval op 4 juni 2015. Psychiater Van Eck heeft vervolgens op verzoek van partijen een expertise verricht.
2.4.
Bij deelgeschilbeschikking van 7 november 2017 heeft deze rechtbank geoordeeld dat [partij A] het huisartsenjournaal van twee jaren voor het ongeval aan Van Eck diende te verstrekken. In februari 2018 heeft Van Eck een definitief rapport uitgebracht.
Bij deelbeschikking van 9 juli 2018 heeft de rechtbank het door [partij A] verzochte voorschot wegens ‘pain and suffering’ toegewezen (ook al was de definitieve mate van beperkingen nog niet vastgesteld) en het verzochte voorschot wegens ‘costs caused directly by the accident’ gedeeltelijk toegewezen (voor kosten voor fysiotherapie). Het door [partij A] verzochte voorschot wegens ‘loss of income’ is bij die deelbeschikking afgewezen, omdat nog niet duidelijk was of en, zo ja, in welke mate [partij A] als gevolg van het ongeval wordt belet om arbeid te verrichten.
2.5.
Tegelijkertijd met het indienen van een verzoek voorlopig deskundigenbericht, waarna bij beschikking neuroloog Verlooy is benoemd als deskundige, is [partij A] een kort geding gestart bij de voorzieningenrechter in deze rechtbank in 2021. In dat kort geding heeft [partij A] (wederom) een voorschot wegens ‘loss of income’ gevorderd.
De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen, omdat de concrete situatie in het schaderegelingstraject (nog) niet anders was dan ten tijde van de deelbeschikking in 2018 en er dus geen nieuwe feiten of omstandigheden voorhanden waren op grond waarvan bevoorschotting aan de orde was.
2.6.
[partij A] heeft bij dagvaarding van 11 september 2024 deze procedure in de hoofdzaak en het incident ingeleid. Bij vonnis in het incident van 16 april 2025 in deze procedure heeft de rechtbank de incidentele vorderingen van [partij A] tot het gelasten van drie voorlopige deskundigenonderzoeken afgewezen.
2.7.
Vóór het ongeval, met ingang van 24 december 2012, was [partij A] een eenmanszaak, Koeriersdienst Twente, gestart.
2.8.
Protector heeft aan [partij A] een bedrag ter hoogte van € 4.842,20 betaald aan voorschotten.
4De vorderingen
in conventie
4.1.
Protector vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat [partij A] als gevolg van het ongeval op 4 juni 2025 volledig is vergoed met hetgeen Protector aan [partij A] heeft betaald en dat [partij A] niets meer te vorderen heeft van Protector, waarbij [partij A] wordt veroordeeld in de proceskosten, inclusief de nakosten.
4.2.
Protector legt – samengevat – aan haar vordering ten grondslag dat zij met de reeds aan [partij A] verrichte betalingen, de schade van [partij A] volledig heeft vergoed, inclusief de gestelde buitengerechtelijke kosten van zijn advocaat. De verrichte medische onderzoeken geven geen rechtvaardiging voor een hogere schadevergoeding. Bovendien zijn de door [partij A] genoemde schadeposten onvoldoende onderbouwd dan wel aannemelijk gemaakt. Er is geen reden voor aanvullende expertises, omdat er niet tot nauwelijks beperkingen zijn vastgesteld door de medisch experts. Naar Zweeds recht is een dergelijk onderzoek onder de gegeven omstandigheden niet aan de orde, gezien de vereiste objectivering van klachten en beperkingen daaraan voorafgaand.
4.3.
[partij A] voert verweer. [partij A] concludeert – samengevat – tot niet-ontvankelijkheid van Protector, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Protector, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Protector in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.5.
[partij A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat Protector gehouden is de schade van [partij A] als gevolg van het ongeval van 4 juni 2015 te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
II. Protector veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schade van € 75.000,00;
III. Protector veroordeelt tot betaling van een voorschot op de buitengerechtelijke kosten van € 15.000,00;
IV. Protector veroordeelt in de proceskosten.
4.6.
[partij A] legt – samengevat – aan zijn vorderingen ten grondslag dat zijn schade op dit moment nog niet begroot kan worden, omdat daartoe eerst nader (deskundigen)onderzoek moet plaatsvinden. Gelet op het beperkte bedrag dat tot op heden aan voorschotten is uitgekeerd, de lange looptijd van de procedure en de mogelijke schadeomvang, acht [partij A] het redelijk dat op dit moment een aanvullend voorschot wordt toegewezen. [partij A] ervaart tot op heden klachten en beperkingen als gevolg van het ongeval op 4 juni 2015. Deze hebben geleid tot zijn volledige arbeidsongeschiktheid.
Naar Zweeds recht kunnen (en moeten) zijn klachten en beperkingen worden toegerekend aan het ongeval van 4 juni 2015, ook al kunnen deze klachten niet medisch geobjectiveerd worden. [partij A] was ten tijde van het ongeval gezond en werkte fulltime. Er is geen alternatieve oorzaak voor zijn fysieke, cognitieve en psychische klachten gevonden. Er is nog geen onderzoek gedaan door een verzekeringsarts. Dat onderzoek is wel nodig om de ongevalsgerelateerde schade in kaart te kunnen brengen.
4.7.
Protector voert verweer. Protector concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
in conventie en reconventie
5.1.
De vorderingen in conventie en reconventie lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.
Rechtsmacht Nederlandse rechter
5.2.
Op grond van artikel 4 van de toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat [partij A] woonachtig is in Nederland.
Toepasselijkheid Zweeds recht
5.3.
Op grond van het Haags Verkeersongevallenverdrag is Zweeds recht van toepassing op de over en weer ingestelde vorderingen van partijen, nu het ongeval in Zweden heeft plaatsgevonden. Dat is tussen partijen overigens ook niet in discussie.
5.4.
De vraag of [partij A] recht heeft op schadevergoeding en zo ja, wat daarvan de omvang is en hoe dit moet worden begroot, moet dus worden bepaald volgens de Zweedse wetgeving, jurisprudentie en richtlijnen.
5.5.
De kernvraag die in deze procedure voorligt is of er sprake is van ongevalsgerelateerde klachten bij [partij A] en of deze klachten leiden tot beperkingen en schade die tot een hoger bedrag aan schadevergoeding zou moeten leiden dan het bedrag dat Protector reeds aan [partij A] heeft uitgekeerd.
Ongevalsgerelateerde klachten?
5.6.
Daartoe zal allereerst de vraag moeten beantwoord of er sprake is van ongevalsgerelateerde klachten bij [partij A], meer specifiek of de klachten van [partij A] die medisch niet-objectiveerbaar zijn, ook kunnen worden toegerekend aan het ongeval.
Partijen twisten daarover.
Standpunt [partij A]
5.7.
Volgens [partij A] heeft hij zowel fysieke, cognitieve als psychische klachten als gevolg van het ongeval en dienen deze aan het ongeval van 4 juni 2005 te worden toegerekend. [partij A] was ten tijde van het ongeval gezond en werkte fulltime. Na het ongeval is hij arbeidsongeschikt geraakt. Er is geen alternatieve oorzaak voor zijn klachten gevonden. Zijn klachten moeten dan ook worden toegerekend aan het ongeval.
Standpunt Protector
5.8.
Volgens Protector wordt een benadeelde in Zweden niet gecompenseerd voor schade door niet-objectiveerbare klachten. Protector licht haar stelling toe aan de hand van een door haar Zweedse advocaat mr. Y. Fransson opgesteld advies van december 2024. Volgens Protector komt het erop neer dat wanneer de klachten van een benadeelde partij niet-objectiveerbaar zijn, de bewijslast voor het (juridisch) causaal verband tussen alle klachten en het ongeval voor diegene zeer moeilijk zal zijn. Naar Zweeds recht moet de (juridische) causaliteitsbeoordeling namelijk gebaseerd zijn op medisch wetenschappelijk geaccepteerde kennis en niet op hypotheses en veronderstellingen. In het Zweedse recht wordt daarom veel waarde gehecht aan medische expertises, omdat deze gebaseerd zijn op algemeen aanvaarde principes in de geneeskunde.
Juridisch kader
5.9.
De rechtbank hanteert voor de beoordeling van de (juridische) causaliteit als uitgangspunt de uitspraak van de Zweedse Hoge Raad, zoals die ook door de Zweedse advocaat van Protector, mr. Y. Fransson, is uiteengezet in haar juridisch advies van december 2024 aan Protector, overgelegd als productie 1 bij de incidentele conclusie van antwoord. De rechtbank begrijpt daaruit dat enkel de aanwezigheid van klachten na een verkeersongeval op zichzelf niet voldoende bewijs vormt voor een causaal verband tussen de klachten en het ongeval. Bij de beoordeling van de causaliteit moet rekening worden gehouden met een reeks verschillende factoren, zoals de gezondheidstoestand vóór het ongeval, de ernst van het trauma bij het ongeval, de aanvang van de klachten in verband met het ongeval, de continuïteit van de klachten en alternatieve verklaringen voor het letsel.
Die beoordeling van de causaliteit moet worden gebaseerd op medisch wetenschappelijk onderbouwde kennis en niet op hypotheses en veronderstellingen. Maar ook wanneer een medisch aantoonbare verklaring voor de klachten van de benadeelde ontbreekt, kan een oorzakelijk verband worden aangenomen. Klachten hoeven niet per definitie geobjectiveerd te zijn, ze moeten objectiveerbaar zijn. In dit verband is het ook mogelijk dat subjectieve klachten aan het ongeval worden toegerekend.
Het is voorts aan de benadeelde, om te stellen en – in geval van gemotiveerde betwisting door de verzekeraar – te bewijzen 1) dat hij klachten heeft naar aanleiding van het ongeval en dat zijn klachten in oorzakelijk verband kunnen staan met het ongeval. Indien moet worden geoordeeld dat de benadeelde is geslaagd in het leveren van het bewijs dat er een vermeend verband is met zijn klachten en het ongeval, dan is het vervolgens aan de benadeelde om te stellen, en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen, 2) dat het meer waarschijnlijk is dat zijn klachten zijn veroorzaakt door het ongeval dan door andere oorzaken.
5.10.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van klachten van [partij A] die kunnen worden verklaard door het ongeval dat [partij A] op 4 juni 2015 is overkomen en waarvan het meer waarschijnlijk is dat deze zijn veroorzaakt door het ongeval dan door alternatieve oorzaken. Het volgende is daarvoor redengevend.
5.11.
[partij A] heeft gesteld dat hij – als gevolg van het ongeval – de volgende klachten heeft:
- ( nachtelijk) angstklachten;
- vrees om auto te rijden;
- vergeetachtigheid;
- concentratieproblemen;
- cognitieve klachten;
- rugklachten;
- hoofdpijnklachten;
- visusklachten; en
- nekklachten.
5.12.
Protector heeft betwist dat al deze klachten (nog) bestaan en ook dat deze kunnen worden toegerekend aan het ongeval.
5.13.
Vast staat dat er drie medische expertises naar ongevalsgerelateerde klachten bij [partij A] hebben plaatsgevonden, een in 2018 (psychiater Van Eck) en twee in 2021/2022 (neuroloog Verlooy/klinisch neuropsycholoog T. Koene). Partijen verschillen van mening over de conclusies die daaruit kunnen worden getrokken.
5.14.
De rechtbank stelt voorop dat de inhoud van deze medische expertises bindend is voor partijen. Dat is tussen partijen overigens ook niet in geschil. Uit de medische expertise volgt, voor zover hier van belang, het volgende.
Bevindingen Van Eck
Psychiater Van Eck concludeert in zijn definitieve rapportage van 23 januari 2018 onder meer dat [partij A] na het ongeval op 4 juni 2005 whiplash-achtige klachten heeft ontwikkeld, alsmede een posttraumatische stressstoornis en dat hij strikt genomen nog voldoet aan de criteria zoals gemeld in het DSM IV-TR systeem (en ook DSM 5). Uit het rapport volgt verder dat [partij A] nog steeds klachten ondervindt, zoals nachtmerries, angst bij autorijden, beperkte toekomstgedachten, pijnklachten, vergeetachtigheid en concentratieproblemen.
Gezien de duur van de klachten is de aandoening inmiddels chronisch, aldus Van Eck.
Van Eck concludeert voorts tot een functionele invaliditeit conform de richtlijnen van de American Medical Association(AMA), zesde editie, van 5%.
Van Eck antwoordt naar aanleiding van de aan hem voorgelegde vragen in zijn rapport als volgt:
“ Consistentie
d . Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals de uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?
Antwoord:
Ja, er is sprake van onderlinge samenhang.
[…]
2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval:
a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?
Antwoord:
Neen. Er is geen informatie in de meegestuurde medische stukken te vinden.
b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?
Antwoord:
Niet van toepassing.
Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval
c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?
Antwoord:
Neen.
d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
Antwoord:
Niet van toepassing.
[..]
3. OVERIG
a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
Antwoord:
Er zijn twee aspecten die naar mijn mening nog aandacht behoeven. De eerste is de vraag of er inderdaad geen psychiatrische pathologie vóór het ongeluk aanwezig was, dit zou eenvoudig terug te halen zijn door het huisartsenjournaal van een aantal jaren voor het ongeluk op te vragen. Ik heb de huisarts hierom verzocht maar dit niet gekregen. Het tweede aspect dat van belang is, is in hoeverre de subjectief beleefde cognitieve stoornissen (vergeetachtigheid, concentratievermindering) daadwerkelijk objectief aantoonbaar zijn. Onderzoek hiernaar is naar mijn mening pas relevant na het aflopen van het revalidatietraject, daar, als het goed is, hier in de revalidatie ook aandacht aan wordt besteed.
[…]
Nu is het DSM-systeem dichitoom iemand heeft of wél of géén aandoening. Een middenweg is er niet. Terwijl mijn vak een vak van nuances is! In deze expertise wordt van mij een uitspraak gevraagd en bovenstaande is mijn motivatie geweest om de diagnose PTSS vast te stellen en verder te gaan met het uitwerken van het functieverlies volgens de AMA.
[…]
Antwoord/aanvulling 3
Naar aanleiding van het inzien van voldoende journaalgegevens van de huisarts kan ik vermelden dat de voorgeschiedenis van betrokkene niet wijst op een somatoforme stoornis en/of een andersoortige psychiatrische aandoening.”.
Bevindingen Verlooy
Neuroloog Verlooy concludeert in zijn definitieve rapportage van 27 juni 2022:
“ Betrokkene meldt cognitieve klachten sinds het ongeval in de vorm van verminderd geheugen. Het is echter, uitgaande van een (zeer) licht traumatisch hoofd/hersenletsel, niet waarschijnlijk dat deze klachten berusten op cognitieve stoornissen als gevolg van hersenschade ten gevolge van het ongeval. Tijdens het neurologisch onderzoek vallen geen geheugenstoornissen of andere cognitieve stoornissen op […]
Er is in 2016 in de curatieve sector neuropsychologisch onderzoek verricht, maar cognitieve stoornissen konden niet betrouwbaar worden geobjectiveerd vanwege onderpresteren en onwaarschijnlijk lage prestaties bij dit onderzoek.
Neuropsychologisch onderzoek is inmiddels herhaald door drs. T. Koene, klinisch neuropsycholoog. Ook na dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen betrouwbare uitspraken mogelijk zijn over het cognitief functioneren vanwege onderpresteren.
Stoornissen van het geheugen of eventuele andere cognitieve stoornissen als gevolg van hersenschade veroorzaakt door het ongeval kunnen dus niet worden geobjectiveerd middels neuropsychologisch onderzoek, maar zijn op grond van de neurologische bevindingen niet waarschijnlijk.
Het is uitgaande van de anamnese, aannemelijk dat de klachten over pijn rechts in het voorhoofd, waar betrokkene blijkens de anamnese nog steeds last van heeft sinds het ongeval, gezien kan worden als een posttraumatische hoofdpijn, omdat betrokkene, althans uitgaande van de anamnese, deze vorm van hoofdpijn vóór het ongeval niet had en de klachten direct na het ongeval zijn ontstaan. Daarbij dient echter te worden overwogen dat er geen (journaal)gegevens beschikbaar zijn over de periode van een jaar voorafgaand aan het ongeval omdat (zoals later in de fase van opmerkingen en verzoeken duidelijk is geworden) betrokkene in deze periode het spreekuur van de huisarts niet heeft bezocht, zodat uitsluitend kan worden uitgegaan van wat betrokkene hier zelf tijdens de anamnese over heeft gezegd.
[…]
In het journaal van de huisarts wordt op 13-06-2014 een ongeval vermeld met daarna nekklachten en hoofdpijn. […] De huisarts concludeert tot nekklachten na aanrijding.
Over het verdere beloop is geen informatie beschikbaar omdat er geen journaalaantekeningen beschikbaar zijn tussen 13-06-2014 en 5-6-2015.
[…]
Tijdens het huidige onderzoek blijkt betrokkene desgevraagd met nekklachten te bedoelen dat hij pijn ervaart in de bovenrug, dat wil zeggen hoog thoracaal en dat die pijn volgens zijn eigen zeggen uitstraalt vanuit de middenrug, waarbij hij wijst naar midthoracaal, hetgeen uiteraard niet past bij whiplashklachten van de nek.
Bij het onderzoek van de CWK zijn er geen afwijkende bevindingen en zijn er met name geen bevindingen of pijngedrag, die de aanwezigheid van nekklachten aannemelijk zouden kunnen maken.
De door betrokkene gemelde pijn midthoracaal en hoogthoracaal kunnen niet gezien worden als een neurologische stoornis, Bij onderzoek is er overigens alleen aangifte van midthoracaal drukpijn bij een versterkte thorale kyfose. Hoog thoracaal en ter hoogte van de cervicale overgang zijn er tijdens het onderzoek geen klachten over druk – of kloppijn.
Mogelijk betreft het aspecifieke rugklachten maar evaluatie daarvan vallen in principe buiten het neurologisch vakgebied.
Betrokkene klaagt over een verminderde visus rechts […] Blijkens de medische correspondentie is er bij oogheelkundig onderzoek in 2026 (de rechtbank begrijpt: 2016) en 2017 ook sprake geweest van een verminderde visus rechts waarbij door de oogartsen geen oorzaak kon worden vastgesteld. […]
Evaluatie van deze klacht valt echter verder buiten het neurologisch vakgebied […]
Betrokkene geeft pijn aan in de laterale zijde van het bovenbeen, waarbij hij wijst op de spieren in het bovenbeen. Bij onderzoek zijn er geen afwijkingen en er zijn geen aanwijzingen voor een neurologische stoornis.
In de medische correspondentie wordt aanvankelijk frequent melding gemaakt van een spraakstoornis. […] Bij het huidige onderzoek bestaat er een lichte neiging tot stotteren, maar er zijn geen aanwijzingen voor een neurologische spraakstoornis […].
Conclusie
Status na licht traumatisch hoofd/-hersenletsel. Geen aanwijzingen voor een whiplash associated disorder.”
[…]
Verlooy antwoordt verderop naar aanleiding van de aan hem voorgelegde vragen in zijn rapport als volgt:
“ Er is geen volledige samenhang tussen de informatie van betrokkene en de gegevens uit het medisch dossier, met name wat betreft het tijdstip van ontstaan van nekklachten (waarbij betrokkene overigens doelt op klachten in de bovenrug). Volgens betrokkene bestaan deze klachten vanaf het ongeval, maar uit de medische correspondentie valt op te maken dat de klachten pas later zijn ontstaan, waardoor het niet aannemelijk is dat de klachten direct na het ongeval zijn ontstaan.
[…]
Bij neurologisch onderzoek bedraagt de visus van het rechter oog 0,25, Er zijn verder geen neurologische afwijkingen.
[…]
Uitgaande van de anamnese van betrokkene bestonden er geen klachten of afwijkingen op neurologisch vakgebied vóór het ongeval, behoudens wel eens stresshoofdpijn, gelokaliseerd in het voorhoofd boven de ogen.
[…]
Er kunnen op neurologisch gebied geen beperkingen worden vastgesteld.
[…]”.
Bevindingen Koene
Koene concludeert in haar definitieve rapportage van 11 maart 2022 op de aan haar gestelde vragen als volgt:
“ 1. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentaal functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn?
Het taalgebruik is zorgvuldig en correct. De spraak is vloeiend met te lang aangehouden klinkers en af en toe een hapering aan het begin van een woord. Er vallen geen woordvindstoornissen of andere taalstoornissen op. Het taalbegrip is ook goed. Het emotioneel gedrag maakt, gegeven de situatie, een neutrale indruk. Het bewustzijn lijkt helder.
De resultaten op de tests voor de aandacht en concentratie, het tempo van informatie verwerken en het leren, onthouden en herinneren van nieuwe informatie zijn overwegend laag tot zeer laag. De resultaten op tests voor de taal, de executieve functies en de visio-ruimtelijke vaardigheden zijn overwegend voldoende. Op basis van het gesprek en de antwoorden op een vragenlijst zijn er op dit moment geen aanwijzingen voor stemmingsproblemen. Op de verschillende tests voor de validiteit variëren de uitkomsten van zeer laag tot goed. Onderpresteren moet worden overwogen en kan niet worden uitgesloten, maar is niet met zekerheid aangetoond.
In vergelijking met het onderzoek van 2016 is er weinig verbetering opgetreden. Er zijn ook deze keer geen betrouwbare uitspraken mogelijk over het cognitief functioneren.
2. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van die bepaalde gebeurtenis of aandoening?
Er zijn geen betrouwbare uitspraken mogelijk over het cognitief functioneren.
3. Zijn er wellicht andere dan die bepaalde gebeurtenis of aandoening (al dan niet ermee
samenhangend), die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?
Er zijn tijdens dit onderzoek geen gebeurtenissen of aandoeningen ter sprake gekomen anders dan het doorgemaakte ongeval, die een verklaring kunnen vormen voor de ervaren beperkingen op cognitief gebied.
4. Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een ten gevolge van de genoemde gebeurtenis of aandoening ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?
Op basis van de deels zeer afwijkende testresultaten op het gebied van tempo en leervermogen, en de mogelijkheid van onderpresteren, kan niet worden aangegeven welke reële beperkingen er zijn in het functioneren.
[…]”.
5.15.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de medische rapportages kan worden uitgegaan van de volgende klachten bij [partij A] als gevolg van het ongeval:
- posttraumatische stressstoornis;
- whiplashachtige klachten, zoals vergeetachtigheid en concentratieproblemen;
- posttraumatische hoofdpijn.
5.16.
[partij A] heeft naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate aangetoond dat het meer waarschijnlijk is dat deze klachten van hem zijn veroorzaakt door het ongeval dan door (eventuele) andere oorzaken. Ook uit de bevindingen van revalidatiecentrum Roessingh te Enschede is geen alternatieve oorzaak af te leiden.
5.17.
Van de overige door [partij A] gestelde klachten, kan – op basis van de uitgevoerde medische expertises – niet worden vastgesteld dat deze zijn ontstaan als gevolg van het ongeval dat [partij A] op 4 juni 2015 is overkomen, omdat uit de medische rapportages blijkt dat deze klachten al bestonden vóór het ongeval of omdat er volgens de deskundigen in medisch opzicht geen aanwijzingen zijn dat die klachten kunnen worden toegeschreven aan het ongeval. [partij A] heeft voorts onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou kunnen volgen dat er wél een oorzakelijk verband is met zijn overige klachten en het ongeval.
5.18.
De rechtbank overweegt in dat verband dat tussen partijen niet (langer) in discussie is dat over de periode van 13 juni 2014 tot en met 5 juni 2015 geen journaalgegevens van de huisarts beschikbaar zijn, omdat [partij A] in deze periode de huisarts niet heeft bezocht. Alle medisch deskundigen hebben de relevante (beschikbare) informatie uit het huisartsenjournaal kunnen betrekken en ook betrokken bij hun onderzoek.
5.19.
Dat [partij A] een jaar voor het onderzoek van Koene met zijn gezin is verhuisd naar een andere woonplaats en dat [partij A], zoals Protector stelt, dit als stressvol heeft ervaren, acht de rechtbank niet aannemelijk als alternatieve verklaring voor de klachten.
Uitgangspunt beoordelingssystematiek Zweedse Road Traffic Injury Commission en benoeming verzekeringsarts
5.20.
De rechtbank is voornemens om voor de verdere beoordeling – conform de Zweedse praktijk – aansluiting te zoeken bij de systematiek van de Zweedse Road Traffic Injury Commission. De rechtbank begrijpt dat deze instantie aan de hand van tabellen een berekening maakt op basis van het functieverlies aan de hand van een door een verzekeringsarts geconstateerde medische invaliditeit.
De rechtbank is voornemens om een verzekeringsarts te benoemen die, op basis van de door de rechtbank vastgestelde ongevalsgerelateerde klachten en beschikbare expertiserapporten, in kaart brengt wat de arbeidsbeperkingen zijn van [partij A] aan de hand van de in Zweden gebruikelijke beoordelingssystematiek van de Road Traffic Injury Commission. Het ligt voor de hand dat de rechtbank daartoe een Zweedse verzekeringsarts, dan wel een in Zweden gevestigde verzekeringsarts, zal benoemen die bekend is met die Zweedse beoordelingssystematiek en -praktijk. De rechtbank heeft ter zitting van mr. Fransson begrepen dat de beoordeling door een verzekeringsarts in Zweden een ‘papieren beoordeling’ betreft en dat de verzekeringsarts [partij A] daarvoor niet hoeft te zien.
5.21.
De rechtbank zal partijen eerst in de gelegenheid stellen om zich over dit voornemen zoals weergeven in rechtsoverweging 5.20. bij akte uit te laten. De rechtbank zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen.
5.22.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Rechtbank Overijssel 1 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5113
