TGZRSHE 110226 TGZR merkt op dat de concrete mechanische impact van een aanrijding geen voorspellende waarde heeft voor optreden, duur en ernst van daarna optredende klachten
- Meer over dit onderwerp:
TGZRSHE 110226 ongegronde klachten; MA heeft betrokkene niet hoeven zien; heeft geen relevante informatie weggelaten en conclusies zijn voldoende en deugdelijk onderbouwd
- TGZR merkt op dat de concrete mechanische impact van een aanrijding geen voorspellende waarde heeft voor optreden, duur en ernst van daarna optredende klachten
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is, toen zij op 3 november 2015 in haar auto reed, aangereden door een andere automobilist, waarvoor de verzekeraar van de wederpartij (hierna: de verzekeraar) de aansprakelijkheid heeft erkend. De verzekeraar heeft op 3 januari 2023 aan een expertisebureau verzocht om een medisch advies uit te brengen. De arts heeft het medisch advies opgesteld en hij heeft het op 28 februari 2023 aan zijn opdrachtgever verstrekt. Klaagster heeft het medisch advies op 9 maart 2023 van de verzekeraar ontvangen. Klaagster is het niet eens met de wijze van totstandkoming en de inhoud van het advies en beklaagt zich daarover. De arts heeft verweer gevoerd tegen de klacht.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit: - het klaagschrift, ontvangen op 12 maart 2025; - het verweerschrift, ontvangen op 2 juni 2025; - het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 9 juli 2025, waarbij klaagster en haar gemachtigde zijn verschenen. De arts heeft niet deelgenomen aan het mondeling vooronderzoek.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De klacht en de reactie van de arts
3.1 Klaagster verwijt de arts het volgende: a) De arts heeft een beperkt en onvolledig onderzoek uitgevoerd doordat hij klaagster niet heeft gezien, gehoord, onderzocht of op andere wijze contact heeft gehad over het op te maken medisch advies. Daarnaast heeft hij geen bronnen geraadpleegd. b) Er zijn in het door de arts opgestelde advies veel feitelijke onjuistheden, aannames en diagnoses vermeld die niet overeenkomen met de diagnoses en bevindingen van de behandelend artsen/specialisten van klaagster. c) Er is zonder toestemming van klaagster gebruik gemaakt van (gegevens of stukken uit) het medisch dossier en niet kloppende gegevens van het UWV. d) Belangrijke medische informatie, die wel in haar medische stukken staat omschreven, is weggelaten uit het advies. Hierdoor is er een compleet vertekend beeld ontstaan van de fysieke en mentale gezondheid van klaagster. e) De standpunten en conclusies zijn onvoldoende dan wel onvolledig onderbouwd. Zo heeft de arts in het advies (en ook op latere verzoeken hierom) geen enkele uitleg gegeven hoe hij tot conclusies en diagnoses is gekomen en waarom is afgeweken van de conclusies en diagnoses van de behandelend artsen en specialisten. f) Er is geen mogelijkheid geboden tot het gebruik van het blokkeringsrecht of rectificatie van het opgestelde advies.
3.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college gaat hieronder voor zover nodig nader in op de standpunten van partijen.
4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling 4.1 Bij de beoordeling stelt het college het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg moet een rapport van een medisch adviseur aan de volgende eisen voldoen: 1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust; 2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden; 3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen; 4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen; 5. De rapportage beperkt zich tot het deskundigheidsgebied van de rapporteur.
4.2 Het college toetst daarbij inhoudelijk of het onderzoek door de medisch adviseur voldoende vakkundig en zorgvuldig is uitgevoerd. Met betrekking tot de conclusie van de rapportage beoordeelt het college of de medisch adviseur in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
4.3 Bij de beoordeling van de klacht is verder van belang dat een medisch advies in juridische zin moet worden onderscheiden van een medische expertise (of keuring), waarbij in de regel een fysieke en/of psychische beoordeling van een persoon op een specifiek moment plaatsvindt en waarbij ook de medewerking van die persoon nodig is.
4.4. Het medisch advies is een (in principe intern) advies aan één van de partijen, die betrokken zijn bij de afwikkeling van de schade na het ongeval. Degene over wie het advies gaat, heeft in principe geen recht op inzage in dat advies. Dit komt doordat geen sprake is van een geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen, in dit geval, klaagster en de arts. Ook is in dit geval geen sprake van een medische keuring, zoals bedoeld in artikel 7:446 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De gezondheidstoestand van klaagster is weliswaar onderwerp van het advies ten aanzien van de vraag of er letsel is dat in een causaal verband staat met het ongeval, maar de gang van zaken betreft een ‘papieren exercitie’ buiten betrokkenheid van klaagster en is niet op één lijn te stellen met een medische keuring. De wettelijke bepalingen die recht geven op inzage en blokkade zijn in dit geval daarom niet van toepassing (zie onder meer HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1670 en de conclusie bij die beschikking). In de praktijk worden adviezen van medisch adviseurs van de betrokken partijen overigens vaak wel uitgewisseld en kunnen de betrokken partijen (via hun medisch adviseurs) ook commentaar geven op elkaars medische adviezen.
4.5 Een medisch advies wordt uitgebracht op verzoek van een partij die een beoordeling wenst van de schade als gevolg van bijvoorbeeld een ongeval. Dat kan zowel de advocaat (of andere belangenbehartiger) van het slachtoffer zijn als de verzekeraar van de wederpartij. In dit geval is opdracht gegeven door de verzekeraar. Aan de arts is de vraag voorgelegd om aan de hand van de door de verzekeraar aan de arts overhandigde documentatie een beoordeling te geven of, en zo ja welke, fysieke en/of psychische klachten van klaagster een (rechtstreeks) gevolg zijn van het ongeval en dus in medisch causaal verband staan tot dat ongeval. Daarvoor moet de arts onder meer een vergelijking maken tussen de situatie vóór het ongeval en de situatie ná het ongeval. Om dit te kunnen beoordelen is de voorgeschiedenis, anders dan klaagster betoogt, wel degelijk van belang, maar ook hoe het beloop van de klachten in de periode na het ongeval is geweest. Van toepassing zijn de Beroepscode voor Medisch Adviseurs van de GAV (Geneeskundig Adviseurs Verzekeringszaken) en de Medische Paragraaf van de GBL (Gedragscode Behandeling Letselschade).
4.6 Het college beoordeelt de klacht met inachtneming van het voorgaande.
Klachtonderdeel a) geen contact met klaagster en geen bronnen geraadpleegd 4.7 Voor het uitbrengen van een medisch advies is het meestal niet nodig dat de betrokkene door de medisch adviseur wordt gezien. Normaal gesproken wordt een advies opgesteld aan de hand van een beoordeling van de (medische en eventueel aanvullende) stukken. Het is ter beoordeling aan de medisch adviseur hoe hij zijn onderzoek inricht om de vraag van zijn opdrachtgever te beantwoorden. In dit geval kan, gelet op de aan de arts voorgelegde opdracht, niet worden gezegd dat hij klaagster had moeten zien of horen, dan wel op andere wijze contact met haar had moeten leggen. Voor het opstellen van een medisch advies zoals hier aan de orde, was dat niet nodig. Dat de medisch adviseur klaagster niet heeft gezien of gesproken, is daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
4.8 De arts heeft in het medisch advies vermeld welke documentatie hij van zijn opdrachtgever heeft ontvangen en in zijn rapport heeft gebruikt. Dat zijn de bronnen, waarop hij de rapportage heeft gebaseerd. Daarom kan niet worden volgehouden dat de arts geen bronnen heeft gebruikt. Ook op dit punt is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klachtonderdeel a) is op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) feitelijke onjuistheden, aannames en onjuiste diagnoses 4.9 Het college gaat hierna in op de door klaagster gestelde onjuistheden in de rapportage van de arts.
4.10 Bij de ontvangen medische informatie noemt de arts een patiëntendossier met verslaglegging van ‘de fysiotherapeuten’ vanaf november 2015 tot en met februari 2017. Het is klaagster onduidelijk om welke fysiotherapeuten het gaat. Daarop heeft de arts bij verweerschrift geantwoord dat de informatie is ontleend aan het patiëntendossier van een fysiotherapiepraktijk in klaagsters woonplaats, waarin meerdere fysiotherapeuten werkzaam waren, die op verschillende data hebben gerapporteerd. In dat dossier staan geen namen van de behandelaars genoteerd. Het college ziet in het overzicht van de dossierinformatie bij het rapport dat van meerdere fysiotherapeuten op verschillende tijdstippen informatie is ontvangen, onder meer een ongedateerd document met een patiëntendossier, wat het door de arts bedoelde dossier moet zijn. De bronvermelding door de arts voldoet daarmee aan de daaraan te stellen eisen. Hij kan en hoeft geen concretere informatie ter zake de bronnen geven dan hij zelf uit het aan hem verstrekte dossier kan destilleren.
4.11 De arts heeft ook benoemd dat hij de tekst in het advies heeft ontleend aan de aantekeningen in het patiëntendossier. Het college heeft geconstateerd dat de arts in zijn beschrijving van de ontvangen medische informatie steeds een samenvatting heeft gegeven van de teksten in het betreffende document en dat hij deze teksten niet letterlijk heeft overgenomen. Op basis van de documenten die zich in het klachtdossier bevinden, is het college van oordeel dat de arts de betreffende informatie telkens correct en proportioneel heeft weergegeven. Dat klaagster de letterlijke tekst die de arts heeft gebruikt niet in de verslagen van de fysiotherapeuten (en andere zorgverleners) heeft kunnen terugvinden, betekent daarom niet dat de samenvattingen van de artsonjuist zijn.
4.12 Volgens klaagster heeft de arts ten onrechte genoteerd dat de verdenking op een carpaal tunnel syndroom (CTS) met een echo is bevestigd. In de brief van de neuroloog aan de huisarts van 21 november 2017 staat echter: “aanvullend echo toont wel een medianuscompressie” en in de conclusie: “CTS bdz wv polsspalk”. De notitie van de arts is dus niet onjuist.
4.13 Voor hetgeen de arts ter zake de ergotherapie heeft genoteerd, geldt dat dit blijkens het dossier is gebaseerd op de van de behandelaar afkomstige informatie. Als het zo is dat die informatie onjuist is, dan kan dat de arts niet worden verweten. Hij heeft het betreffende verslag immers niet zelf opgemaakt.
4.14 Correct is de stelling van klaagster dat de zin “Het lijkt mij een aanrijding met een laag mechanische impact” een aanname van de arts is. Die aanname is navolgbaar gezien de informatie die de arts tot zijn beschikking had. De arts heeft daarbij bovendien ook vermeld dat hij geen concrete informatie heeft over de toedracht van het ongeval en vraagt daarover nadere informatie op. In die zin is zijn beoordeling voorlopig. Het college merkt daarnaast op dat de concrete mechanische impact van een aanrijding geen voorspellende waarde heeft voor het optreden, de duur en de ernst van daarna optredende klachten (paragraaf 2.1 van de Richtlijn Diagnostiek en Behandeling van mensen met Whiplash Associated Disorder I/II van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie) en dus bij de beoordeling van de klachten niet van doorslaggevend belang is. Van veel groter belang is hoe de (pijn)klachten direct na het ongeval waren en hoe zich het beeld van die klachten heeft ontwikkeld in de periode daarna. Daar heeft de arts zich dan ook – bij afwezigheid van een rapport over de impact – in het bijzonder op gebaseerd. Dat had hij overigens ook moeten doen als er wel een rapport over de impact was geweest. Daarbij behoren alle factoren, ook niet ongeval-gerelateerde factoren, te worden meegewogen. Aldus komt een medisch adviseur tot een beschouwing, namelijk een beschrijving van wat hij in het dossier heeft gezien en wat hij daarvan vindt. De arts heeft zorgvuldig en juist gehandeld door te benoemen welke informatie hij niet had, deze informatie op te vragen en zijn bevindingen (voorlopig) te baseren op de informatie die hij wel had.
4.15 Klaagster stelt dat zij de door de oogarts voorstelde oogdruppels wel heeft gebruikt, maar dat het geen verbetering gaf. De arts heeft niet zonder voorbehoud genoteerd dat de oogdruppels niet zijn gebruikt, maar heeft vermeld dat deze ‘voor zover hij kon nagaan’ niet zijn gebruikt. De arts heeft dus ook op dit punt geen onjuiste conclusie getrokken. Uit de door klaagster overgelegde stukken blijkt overigens niet dat zij oogdruppels gebruikt heeft. 4.16 De conclusie van de arts over het resultaat van de behandeling van de pijnklachten, te weten dat deze behandelingen geen goed resultaat hadden, is ook niet onjuist. Die conclusie vindt namelijk steun in alle stukken die zich in het dossier bevinden. De arts beschrijft dat “ook mentale beleving van de klachten een belangrijke factor was”. Klaagster meent dat dit onjuist is, omdat de psycholoog ook geschreven heeft dat zij geen emotionele klachten ervaart en een andere zorgverlener geen ingang zag voor multidisciplinaire behandeling, omdat de psychologische hulpvraag ontbrak. De arts heeft in reactie hierop bij verweerschrift betoogd dat het niet ervaren van emotionele klachten enerzijds en het op alle levensgebieden worden gehinderd door de pijn anderzijds niet met elkaar in tegenspraak is. Het college onderschrijft dat. Daarnaast constateert het college dat de zin waar klaagster bezwaar tegen maakt, in de samenvattende conclusie is opgenomen en vooraf is gegaan door een alinea waarin de arts heeft weergegeven dat een behandeling op de pijnpoli weinig nut leek te hebben vanwege de bestaande psychologische problematiek en dat bij klaagster een somatisch symptoomstoornis is vastgesteld, waarvoor therapie is ingezet. Die samenvatting is gebaseerd op de stukken die zich in het dossier bevinden. Ook hier geldt dat hetgeen de arts schrijft, steun vindt in het dossier.
4.17 Klaagster stelt dat bij haar nooit hyperventilatie en paroxysmale positie duizeligheid (BPPD) is vastgesteld en verwijst daarvoor naar het huisartsenjournaal. In dat journaal is echter op 30 november 2017 een bericht van de KNO-arts opgenomen inclusief de conclusie: “BPPD van het posterieure semicirculaire kanaal, (…) Nijmeegse vragenlijst suggestief voor hyperventilatie”. De notitie van de arts is dus ook op dit punt correct.
4.18 Verder geldt dat hetgeen de arts meldt over de verbetering die is opgetreden, is gebaseerd op de brief van de verzekeringsarts die klaagster in juli 2017 heeft gezien en waarin dit is vermeld. Daarnaast heeft de arts dit gebaseerd op de informatie van de verschillende behandelaars (“de behandelende sector”) die zich in het dossier bevindt, waaruit inderdaad volgt dat op sommige vlakken in de loop der tijd verbetering is opgetreden. 4.19 Ten slotte overweegt het college dat de conclusie van de arts dat in medische zin sprake is van een eindsituatie, zeer wel verdedigbaar is. Zoals de arts ook in zijn verweerschrift opmerkt, zegt hij daarmee niet dat de klachten van klaagster verdwenen zijn. 4.20 De conclusie van al het voorgaande is dat de weergave in het rapport van de onderliggende stukken uit het medisch dossier niet onjuist is. Het betreft verder een weergave van relevante informatie die de arts op een navolgbare manier gerangschikt en beoordeeld heeft. Klachtonderdeel b) is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) gebruik medisch dossier en gegevens UWV
4.21 Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft klaagster desgevraagd gezegd dat het bij dit klachtonderdeel alleen gaat om de door de arts gebruikte documentatie van het UWV. Daarom gaat het college bij de beoordeling van dit klachtonderdeel alleen hierop in. Uit het dossier blijkt dat de arts zelf geen informatie over klaagster heeft opgevraagd bij derden, zoals het UWV, maar dat hij zich heeft gebaseerd op de documentatie die aan hem door de verzekeraar is overhandigd. Daarbij bevond zich de in het rapport opgesomde informatie uit 2016 en 2017 van het UWV. Uit het door de arts overgelegde (concept) expertiserapport van 25 november 2016 blijkt dat bij de gelegenheid van die expertise is besproken dat de advocaat van klaagster de medische informatie van het UWV zou opvragen en aan de verzekeraar verstrekken. Dat klaagster haar advocaat in 2021 gevraagd heeft om geen gegevens van het UWV met de verzekeraar te delen, kan uiteraard geen betrekking hebben op gegevens die voordien al aan de verzekeraar waren verstrekt. De arts mocht er bovendien van uitgaan dat de stukken die hem door de verzekeraar zijn verstrekt, met toestemming van klaagster aan de verzekeraar waren overhandigd. Hij mocht zijn advies (mede) op deze stukken baseren. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.Klachtonderdeel d) belangrijke informatie weggelaten 4.22 De arts heeft een overzicht gemaakt van de gegevens die hem voor zijn beoordeling zijn overhandigd. Hij heeft in de rapportage een korte samenvatting gegeven van de gegevens die hij voor zijn advies heeft gebruikt. De arts was niet verplicht om alle aan hem verstrekte informatie (volledig en letterlijk) te vermelden. Het is voldoende om te vermelden welke informatie relevant is en nodig is om de daarop gebaseerde conclusies over de gezondheidsschade en het al dan niet bestaan van causaal verband met het ongeval te kunnen volgen en begrijpen. Naar het oordeel van het college heeft de arts alle relevante symptomen, diagnoses, behandelingen en het beloop op zakelijke wijze beschreven. Daarbij geldt dat een samenvatting voldoende is. De arts is niet verplicht om álle bevindingen van behandelaars als de oogarts en de neuropsycholoog letterlijk over te nemen. Het college heeft in het dossier geen aanknopingspunt gevonden om te veronderstellen dat de arts relevante informatie heeft weggelaten. Klaagster heeft ook niet gespecificeerd welke relevante informatie zou zijn weggelaten. Ook kan niet worden geconcludeerd dat door toedoen van de arts een compleet vertekend beeld is ontstaan van de fysieke en mentale gezondheid van klaagster. In de aard van het medisch advies ligt besloten dat de arts op basis van alle informatie, in onderlinge samenhang bezien, rapporteert over de vraag of er wel of geen oorzakelijk verband bestaat tussen de klachten en het ongeval. Daarbij geldt dat de arts geen mening heeft gegeven over de toedracht van het ongeval. Hij schrijft weliswaar dat de impact van de aanrijding laag lijkt, maar hij vraagt ook nadere informatie daarover op. Klachtonderdeel d) is eveneens kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) conclusies onvoldoende en onvolledig onderbouwd
4.23 Het advies bevat een uitgebreide beschouwing waarin de relevante aspecten van de zaak worden benoemd, zowel ongeval gerelateerd als niet ongeval gerelateerd, met verwijzing naar de medische documentatie. Daarbij heeft de arts ook vermeld welke onduidelijkheden resteerden en op die punten nadere informatie gevraagd. Het college is van oordeel dat de arts zijn bevindingen en conclusies consistent heeft weergegeven en dat deze te volgen zijn. Het college verwijst daarvoor ook naar hetgeen bij de voorgaande klachtonderdelen is overwogen, in het bijzonder bij klachtonderdeel b). De conclusies zijn voldoende en deugdelijk onderbouwd en gebaseerd op de feiten die uit de medische documentatie blijken. Dit geldt óók voor de conclusie van de arts over de psychische problematiek van klaagster. Ook daarvoor geldt dat deze steun vindt in de stukken waarop de arts zijn conclusie heeft gebaseerd. Klaagster is het met deze conclusies niet eens, maar dat betekent niet dat de conclusies niet juist zijn. Ook klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f) geen mogelijkheid tot rectificatie of blokkeren rapportage
4.24 Het college verwijst naar hetgeen hiervoor (in 4.4) is overwogen. Het medisch advies is geen medische keuring (of expertise), waarbij de mogelijkheid om een rapport te rectificeren of zelfs te blokkeren, wél bestaat. De bepalingen in de wet over het recht op inzage en het blokkaderecht zijn zoals onder 4.4. al is overwogen, niet van toepassing op het medisch advies zoals in deze zaak aan de orde. De betrokkene, die het met het advies niet eens is, heeft de mogelijkheid om een eigen medisch adviseur in te schakelen. Die eigen medisch adviseur kan hetzij een eigen advies uitbrengen, hetzij met de medisch adviseur van de verzekeraar in overleg of discussie treden, hetzij beide. Een recht op inzage, rectificatie of blokkering heeft de betrokkene echter niet. Dit klachtonderdeel is eveneens kennelijk ongegrond.
Slotsom
4.25 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn. Het rapport van de arts voldoet in alle opzichten aan de eisen die daarvoor gelden.
5. De beslissing
Het college: - verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond. ECLI_NL_TGZRSHE_2026_34