Zoeken

Inloggen

Artikelen

CRvB 300307 urenbeperking; relatievering achteraf niet aanvaardbaar

CRvB 300307 urenbeperking; relatievering achteraf niet aanvaardbaar
Op een daartoe strekkende vraag van de Raad heeft het Uwv geantwoord dat de verzekeringsarts weliswaar heeft aangegeven dat appellante op medische gronden maximaal 30 uren per week werkzaam kan zijn, maar dat die in de kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van “ongeveer” voorziene urenrestrictie feitelijk betekent dat voor appellante een maximale werkweek van 32,27 uur haalbaar is. De verzekeringsarts heeft met de aanduiding “ongeveer” in de kritische FML voor een zekere bandbreedte gekozen. Deze opvatting van de arbeidsdeskundige is in hoger beroep uitdrukkelijk onderschreven door de bezwaarverzekeringsarts.

De Raad kan het Uwv hierin niet volgen en overweegt het volgende.

De urenbeperking was door de verzekeringsarts reeds aangegeven in zijn rapport van 11 juni 2002. De urenrestrictie is op energetische gronden gegeven. Zowel in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 11 juni 2002 als in die van
5 september 2003 is de urenbeperking bepaald op 30 uren per week. Van enige bandbreedte is in die rapportages geen sprake. Pas in de kritische FML is sprake van een urenbeperking van “gemiddeld ongeveer 30 uren per week”. Anders dan de bezwaarverzekeringsarts suggereert, is die tekst niet afkomstig van de verzekeringsarts, maar betreft het de standaardtekst van de FML onder rubriek VI. De systematiek van het Claim Beoordelings- en Borgings Systeem (CBBS) dwingt de verzekeringsarts een keuze te maken uit één van de standaardmogelijkheden.

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 11 maart 2003, RSV 2003, 161, heeft overwogen moet voor de zogenaamde medische parttimer vaststaan dat de voorgehouden functies aan de eis van de in medisch opzicht maximaal mogelijke omvang voldoen.
De verzekerde en de toetsende instantie dienen uit te gaan van de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde urenbeperking. Het is niet aanvaardbaar dat de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige achteraf nader beoordelen of de vastgestelde urenbeperking vatbaar is voor een zekere relativering. Er is geen reden om voor onder het CBBS tot stand gekomen besluiten een andere koers te kiezen, te minder waar in het CBBS op dit aspect reeds wordt gewerkt met een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd waardoor, afhankelijk van de manier van invulling van de arbeidsduurverkorting, reeds sprake kan zijn van een zekere bandbreedte.

Het vorenstaande betekent dat alle functies waarin gemiddeld meer dan 30 uren per week wordt gewerkt, als niet geschikt dienen te vervallen.
LJN BA2095

Deze website maakt gebruik van cookies