Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 311225 Zkh niet geslaagd in tegenbewijs tegen voorshands oordeel dat tumor kwaadaardig was; volgt verwijzing naar schadestaatproc.

RBMNE 311225 Zkh niet geslaagd in tegenbewijs tegen voorshands oordeel dat tumor kwaadaardig was; volgt verwijzing naar schadestaatproc.

In vervolg op:
RBMNE 020425 delay van 38 mnd bij borstkanker; bezwaren tegen desk. rapport afgewezen;
- dat niet meer kan worden vastgesteld of tumor al eerder kwaadaardig was is gevolg van fout; voorshands aangenomen causaal verband; tegenbewijs mogelijk

2De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 9 april 2025 (mogelijk is 2 april bedoeld, red. LSA LM) heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het rapport van [A] , dat als uitgangspunt moet dienen bij de beoordeling van het handelen van [gedaagde] omdat er geen zwaarwegende bezwaren tegen bestaan, volgt dat de hulpverleners van [gedaagde] niet hebben gehandeld zoals van redelijk handelende en redelijk bekwame hulpverleners mocht worden verwacht bij de behandeling van [B] . Daardoor is sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht (artikel 6:74 BW) dan wel een onrechtmatige gedraging (artikel 6:162 BW). Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat aan [B] de kans ontnomen is dat in 2015 vastgesteld kon worden dat de tumor kwaadaardig was. Dat nu niet kan worden vastgesteld of de tumor kwaadaardig was, is het gevolg van de fouten die [gedaagde] heeft gemaakt en daardoor bestaat nu onzekerheid over de causaliteit. De rechtbank heeft daarom aanleiding gezien om voorshands aan te nemen dat de tumor al kwaadaardig was in 2015 en 2016 en heeft [gedaagde] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen dit voorshands oordeel.

[gedaagde] slaagt er niet in om het voorshands bewijsoordeel te ontzenuwen

2.2.

Als een partij (in dit geval [gedaagde] ) wordt toegelaten tot tegenbewijs tegen een voorshands bewijsoordeel houdt dat in dat die partij het bewijs dient te ontzenuwen dat geleverd is door de partij op wie de bewijslast rust ( [eiser sub 1] c.s.).1 Er is sprake van geslaagd tegenbewijs als er zoveel twijfel is gezaaid door [gedaagde] dat de eerdere overtuiging van de rechter aan het wankelen wordt gebracht en de rechter niet (meer) vermoedt dat de stellingen van [eiser sub 1] c.s. juist zijn. Daar is [gedaagde] niet in geslaagd.

Er is geen begin van tegenbewijs te vinden in het rapport van [A]

2.3.

[gedaagde] stelt ten eerste dat een begin van (tegen)bewijs is geleverd met de rapportage van prof. [A] van 4 augustus 2022. [gedaagde] wijst specifiek op het volgende:

  1. [A] merkt op dat het mammografische onderzoek van 17 augustus 2018 wijst op een nieuwe tumor. Op pagina 2 van zijn rapport schrijft hij: “dit suggereert een nieuwe tumor”;

  2. Op pagina 4 van het rapport schrijft [A] : “Gezien het verdere beloop is dit een kanker met een zeer agressief karakter”. [gedaagde] wijst er op dat [A] concludeert dat het niet uitgesloten is dat een snelgroeiende kanker pas na de controle op 14 januari 2016 is ontstaan en dat in augustus 2018 volgens [A] nog sprake was van stagering cT2N0, wat betekent dat na 38 maanden geen aanwijzingen waren dat er in de tussenliggende periode uitzaaiingen naar de lymfklieren waren opgetreden.

  3. Uit de röntgenafbeelding waarop de punctie is afgebeeld (productie 8 bij de conclusie van antwoord) kan worden afgeleid dat de biopten op 9 juni 2015 zijn afgenomen uit de laesie waarvan [gedaagde] wordt verweten niet te hebben onderkend dat deze kwaadaardig was.

  4. Het antwoord van [A] op vraag 3A is voor tweeërlei uitleg vatbaar. Het antwoord op 3A is: “Er had MDO zoals eerder beschreven met verslaglegging moeten plaats vinden .Bij twijfel over representativiteit biopten : 5 biopten . Collega [C] geeft echter aan dat twijfel werd weggenomen in klein MDO waarin biopsienaald in zwelling zichtbaar was dus wel representatief! Echter classificerende diagnose ontbreekt evenals verslag hiervan.”

[gedaagde] leest in die passage dat de biopten wel representatief waren.

2.4.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 9 april 2025 al een oordeel gegeven over voorgaande punten, zodat de akte van [gedaagde] feitelijk een verkapt hoger beroep inhoudt. De eerste twee punten komen er op neer dat [gedaagde] stelt dat de tumor pas na 2016 kwaadaardig is geworden. In overweging 3.32 van het tussenvonnis van 9 april 2025 heeft de rechtbank al rekening gehouden met de kans dat de tumor niet kwaadaardig was in 2015 en 2016. Dat is ook de reden dat de rechtbank een voorshands oordeel heeft gegeven waartegen [gedaagde] nog bewijs mocht leveren, en niet direct heeft aangenomen dat de tumor in 2015 en 2016 kwaadaardig was. Met het derde en het vierde punt probeert [gedaagde] (wederom) te betogen dat de afgenomen biopten representatief waren en dus eigenlijk dat [gedaagde] niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Daar heeft de rechtbank al een oordeel over gegeven in de overwegingen 3.23 – 3.25 van het tussenvonnis. De geciteerde passages uit het rapport van [A] leveren dan ook geen (begin van) tegenbewijs op tegen het voorshands oordeel van de rechtbank.

Het tegenbewijs is ook niet geleverd door te vragen een deskundige te benoemen

2.5.

[gedaagde] stelt zich verder op het standpunt dat het nodig is om een deskundigenbericht te laten plaatsvinden en verwijst daarbij naar het arrest Nefalit/ [achternaam] .2

Volgens [gedaagde] zou een in mammacarcinoom gespecialiseerde oncologisch chirurg, een radioloog gespecialiseerd in de mammaradiologie en een patholoog gespecialiseerd in de mammapathologie benoemd moeten worden om het vereiste tegenbewijs te kunnen leveren. Daar is de rechtbank het niet mee eens. Uit het arrest Nefalit / [achternaam] volgt dat onder de omstandigheden die in die zaak speelden het in algemeen voor de hand ligt om een deskundige te benoemen. In die zaak ging het om de vraag naar de grootte van de kans dat de gezondheidsschade van de werknemer was veroorzaakt in de uitoefening van zijn werkzaamheden door een toerekenbare tekortkoming van de werkgever in verhouding tot de kans dat de gezondheidsschade door hemzelf was veroorzaakt omdat hij had gerookt. In deze zaak gaat het er om dat [gedaagde] moet bewijzen dat de tumor niet al kwaadaardig was in 2015 en 2016. Dat is geen vraag naar de kans dat dit het geval was. Het is aan [gedaagde] om tegenbewijs te leveren tegen het voorshands oordeel dat de tumor al kwaadaardig was. En het is niet aan de rechtbank om een deskundige te benoemen om (mogelijk) het bewijs te kunnen leveren, dat door [gedaagde] geleverd moet worden. [gedaagde] had het gevraagde tegenbewijs kunnen leveren door, bijvoorbeeld, (statistische) informatie te overleggen over hoe een mammacarcinoom zoals die van [B] had zich gemiddeld gezien ontwikkelt over een periode van drie jaar. Op grond van het tussenvonnis had [gedaagde] die bewijsstukken dan ook direct in het geding moeten brengen. Dat is niet gebeurd.

De gevraagde verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is wordt toegewezen

2.6.

De conclusie is dat [gedaagde] niet het bewijs heeft geleverd dat de tumor van [B] nog niet kwaadaardig was bij de controles in 2015 en 2016 en het voorshands oordeel dus niet heeft kunnen ontzenuwen. Daarom gaat de rechtbank er vanuit dat de tumor kwaadaardig was en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser sub 1] c.s. heeft geleden. Dit betekent de door [eiser sub 1] c.s. gevraagde verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van medisch onzorgvuldig handelen tussen 8 juni 2015 en 15 januari 2016 binnen de muren van [gedaagde]

en voor de daaruit voor hen voortvloeiende materiële- en immateriële (overlijdens)schade, wordt toegewezen.

De verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt ook toegewezen

2.7.

[eiser sub 1] c.s. heeft ook gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld om alle materiële- en immateriële schade te vergoeden van [eiser sub 1] c.s. en te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Zoals overwogen is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle schade die [eiser sub 1] c.s. heeft geleden, zodat dat deel van de vordering kan worden toegewezen. Vervolgens is het de vraag of het mogelijk is om te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Om te kunnen verwijzen naar de schadestaatprocedure moet aan twee vereisten worden voldaan: i) in de hoofdprocedure moet de grondslag voor aansprakelijkheid worden vastgesteld en ii) de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden moet aannemelijk zijn. Dit laatste volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad.3 De grondslag voor de aansprakelijkheid is met dit vonnis en het tussenvonnis van 9 april 2025 vastgesteld. Verder is het aannemelijk dat [eiser sub 1] c.s. schade heeft geleden dan wel zal lijden. Aan beide vereisten is voldaan en dat betekent dat naar de schadestaatprocedure verwezen kan worden.

1Zie o.a. HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3807, NJ 2003/468, rov. 4.3.3 en HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0613, NJ 2008/219, m.nt. C.J.M. Klaassen, rov. 3.5.

2ECLI:NL:HR:2006:AU6092.

3ECLI:NL:HR:2023:428, r.o. 3.2.4.

 

Rechtbank Midden-Nederland 31 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7206