RBMNE 241225 auto niet aansprakelijk voor ongeval met scooter; auto reed op eigen weghelft; partijen onder ede gehoord ter zitting in deelgeschil
- Meer over dit onderwerp:
RBMNE 241225 auto niet aansprakelijk voor ongeval met scooter; auto reed op eigen weghelft; partijen onder ede gehoord ter zitting in deelgeschil
- verzocht 15 uur x 295 + 21%; begroot, niet toegewezen, 12 x € 270 excl BTW = € 3240,00; verwijzing naar Van en Salhi; TvP 2025/2
2De kern van de zaak
2.1.
[verzoeker] verzoekt in deze deelgeschillenprocedure de vaststelling van de aansprakelijkheid van Univé voor een verkeersongeval. Partijen verschillen van mening over de toedracht van de aanrijding en wiens schuld het is. De rechtbank wijst het verzoek af omdat niet is komen vast te staan dat [ verweerder sub 2] - de verzekerde van Univé - een verkeersfout heeft gemaakt. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
3De achtergrond van het geschil
3.1.
Op 15 oktober 2024 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen [verzoeker] op een scooter en [ verweerder sub 2] in een auto. [verzoeker] liep daarbij letsel op aan zijn duim, been, enkel en voet. Het ongeval vond plaats op het [straat] in Soest. Onderstaande afbeelding (productie 2 foto b verweerschrift) betreft de situatie ter plaatse, gezien vanuit de rijrichting van [verzoeker] :
Foto: productie 2 foto b verweerschrift
Foto verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.
3.2.
Volgens [verzoeker] is [ verweerder sub 2] aansprakelijk voor het ongeval. Hij reed met een snelheid van ongeveer 15 km per uur rechtdoor op zijn scooter en was voornemens om linksaf het fietspad op te rijden (op de foto tussen de twee roodwitte paaltjes). Voordat hij dit kon doen belandde [ verweerder sub 2] – die vanuit [verzoeker] gezien van rechts kwam - met haar auto op zijn weghelft doordat zij de bocht naar links afsneed. Hierdoor reed [verzoeker] tegen het linker voorportier van [ verweerder sub 2] aan.
3.3.
[ verweerder sub 2] houdt er een andere lezing op na. Volgens haar heeft zij de bocht naar links niet afgesneden maar nam zij in een rustig tempo op haar eigen weghelft de bocht. Zij zag [verzoeker] vanaf de linkerkant naderen op zijn scooter maar [verzoeker] zag haar niet en is daarom, met hoge snelheid, tegen haar auto aangereden toen hij linksaf het fietspad op wilde gaan. Namens [ verweerder sub 2] heeft Univé de aansprakelijkheid voor het ontstaan van het verkeersongeval afgewezen.
4De beoordeling
Het verzoek van [verzoeker] leent zich naar haar aard voor behandeling in deelgeschil
4.1.
[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschillenprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
4.2.
In dit geval verschillen partijen van mening over wie aansprakelijk is voor het ongeval van 15 oktober 2024. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Het verzoek van [verzoeker] leent zich daarom naar haar aard voor behandeling in deelgeschil – wat tussen partijen ook niet in geschil is – en de rechtbank zal hieronder overgaan tot de inhoudelijke beoordeling daarvan.
[ verweerder sub 2] is niet aansprakelijk voor het verkeersongeval
4.3.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om vast te stellen dat Univé als WAM-verzekeraar van [ verweerder sub 2] aansprakelijk is voor het verkeersongeval van 15 oktober 2024. Volgens [verzoeker] heeft [ verweerder sub 2] hem afgesneden en heeft zij hiermee een verkeersfout gemaakt en is zij daarom verantwoordelijk voor het onstaan van het ongeval. [verzoeker] stelt dat een onafhankelijke getuige zijn lezing van de toedracht kan bevestigen en verwijst naar de getuigenverklaring van mevrouw [getuige] (hierna: [getuige] ). [getuige] stelt dat zij het ongeval heeft gezien en verklaarde hierover het volgende:
" Ik [getuige] verklaar hierbij dat de heer [verzoeker] tijdens het ongeluk met de scooter niks verkeerds heeft gedaan de heer [verzoeker] lag ruim 2 meter van de bocht af ervoor op de grond met de scooter boven op hem. De mevrouw in kwestie heeft haar bocht veel te krap genomen aangezien ze met de auto aan de zijkant tegen de heer [verzoeker] aan is gereden terwijl de vrouw in kwestie de bocht naar links maakte en daarbij dus een ruimere bocht had moeten nemen. Je kan normaliter die bocht met 2 normale formaat auto's tegelijkertijd nemen. De mevrouw in kwestie reed niet op het weg deel waar de mevrouw in kwestie normaal had horen te rijden volgens de verkeersregels de mevrouw in kwestie heeft de bocht veel te krap genomen waardoor de mevrouw in kwestie niet aan de rechter kant van de weg reed maar aan de linker kant van de weg en zo op die manier nog 2 meter voor de desbetreffende bocht uw cliënt de heer [verzoeker] aan de zijkant van haar auto raakte .... "
4.4.
Univé stelt dat de getuigenverklaring van [getuige] buiten beschouwing gelaten moet worden omdat [ verweerder sub 2] gemotiveerd betwist dat [getuige] het ongeval heeft zien gebeuren. De aanwezigheid van een getuige staat ook niet op het door partijen ingevulde aanrijdingsformulier vermeld. [getuige] was volgens [ verweerder sub 2] pas een of twee minuten na het ongeval ter plaatse en heeft [verzoeker] toen geholpen met opstaan. Bovendien is de verklaring van [getuige] niet onder ede afgelegd. [verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om [getuige] binnen dit deelgeschil als getuige te horen. Univé heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat een deelgeschilprocdure zich niet leent voor een dergelijke uitvoerige bewijslevering.
4.5.
De lezingen van [verzoeker] en [ verweerder sub 2] over de toedracht zijn op enkele punten verschillend, maar desondanks is het volgens de rechtbank – mede aan de hand van de onder ede afgelegde verklaringen ter zitting – voldoende duidelijk geworden onder welke omstandigheden de aanrijding heeft plaatsgevonden en kan de aansprakelijkheidsvraag beantwoord worden. De rechtbank acht een getuigenverhoor van [getuige] niet nodig omdat deze niets zal veranderen aan hetgeen [verzoeker] en [ verweerder sub 2] tijdens de zitting onder ede hebben verklaard.
4.6.
De rechtbank zal eerst vaststellen waar [ verweerder sub 2] zich bevond op het moment van de aanrijding. [ verweerder sub 2] betwist dat zij op de weghelft van [verzoeker] terecht is gekomen. Univé heeft de onderstaande foto als productie 5 bij verweerschrift ingebracht waarop de door [ verweerder sub 2] bestuurde auto (een aantal maanden na het ongeval) ter illustratie is neergezet op exact de locatie waar de aanrijding plaatsvond. Ter zitting heeft [verzoeker] bevestigd dat dit de plek is waar de aanrijding plaatsvond, waarbij hij de kanttekening maakte dat de auto van [ verweerder sub 2] misschien nog iets meer naar rechts stond (richting de trottoirband). Volgens [verzoeker] is er in onderstaande situatie sprake van afsnijden omdat een tegemoetkomende auto de auto van [ verweerder sub 2] niet kan passeren zonder dat deze elkaar dan raken. De rechtbank stelt vast dat partijen het niet helemaal eens zijn met elkaar, maar dat de auto van [ verweerder sub 2] zich ongeveer op de plek bevond zoals op onderstaande afbeelding is weergegeven.
Foto: productie 5 verweerschrift
Foto verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.
4.7.
Nu is vastgesteld waar [ verweerder sub 2] zich ongeveer bevond op het moment van de aanrijding zal de rechtbank vaststellen waar [verzoeker] zich op dat moment bevond. In dit kader hebben partijen tijdens de zitting onderstaande foto, die als productie 4 bij het verweerschrift is overgelegd, besproken. Deze foto is ongeveer een half uur na het ongeval genomen.
Foto: productie 4 verweerschrift
Foto verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.
4.8.
[verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat zijn scooter na het ongeval op deze plek neergezet is. Direct na het ongeval lag hij naar eigen zeggen samen met de scooter iets meer naar links. Op de vraag van de rechtbank hoever de scooter van de stoep af lag, antwoordde [verzoeker] dat dit 2/2,5/3 meter vanaf de trottoirband was. Dit komt overeen met de verklaring van [ verweerder sub 2] aan Univé. Zij heeft verklaard dat [verzoeker] met zijn scooter een aanzienlijk stuk van de stoeprand lag. Dit standpunt heeft [ verweerder sub 2] ter zitting herhaald.
4.9.
De rechtbank stelt naar aanleiding van het voorgaande vast dat niet is aangetoond dat [ verweerder sub 2] tijdens het nemen van de bocht op de weghelft van [verzoeker] terecht is gekomen. Uitgaande van de situatie zoals op de foto van productie 5 bij verweerschrift was er voor [verzoeker] genoeg ruimte om [ verweerder sub 2] te laten passeren en vervolgens zijn weg te vervolgen – linksafslaand - het fietspad op. Ook indien de auto van [ verweerder sub 2] nog iets naar rechts reed hadden beide voertuigen elkaar kunnen passeren, als [verzoeker] zelf voldoende rechts had gehouden en aan [ verweerder sub 2] voorrang had verleend bij het nemen van de bocht naar links. Dit heeft [verzoeker] niet gedaan gezien de plek waar hij ten val is gekomen, namelijk minstens 2 meter vanaf de trottoirband vandaan. Een weg met twee rijrichtingen is gemiddeld 4,5 tot 5,5 meter breed. Bij een afstand van 2 meter vanaf de trottoirband reed [verzoeker] tegen de middenas van de weg aan. Indien [verzoeker] na het ongeval met zijn scooter 2,5 tot 3 meter vanaf de trottoirband had gelegen – hetgeen volgens zijn eigen verklaring ook mogelijk was – dan reed [verzoeker] op de weghelft van [ verweerder sub 2] op het moment van de aanrijding.
4.10.
De rechtbank vindt het scenario dat [verzoeker] te hard heeft gereden en (mede) hierdoor [ verweerder sub 2] niet heeft gezien aannemelijk. Beide partijen hebben verklaard dat zij elkaar voor het eerst zagen toen [verzoeker] net de bocht om kwam vanuit de [straat] het [straat] in en [ verweerder sub 2] bezig was om de bocht naar links op het [straat] te maken. [verzoeker] schatte ter zitting in dat de afstand vanaf de [straat] naar de plaats van de aanrijding maximaal 50 meter is. Indien [verzoeker] – zoals hij op het aanrijdingsformulier en ter zitting heeft verklaard – maximaal 15 km per uur reed, dan had hij er ongeveer 10 seconden over gedaan om de plek van de aanrijding te bereiken. De rechtbank overweegt dat [ verweerder sub 2] de bocht in dat scenario dan al ruim door zou zijn voordat [verzoeker] daar aan zou zijn gekomen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [verzoeker] een stuk harder moet hebben gereden dan 15 km per uur.
4.11.
Nu niet is komen vast te staan dat het verkeersongeval aan [ verweerder sub 2] te wijten is, wijst de rechtbank het verzoek van [verzoeker] af. Hiermee wordt niet toe gekomen aan het subsidiaire verweer (tevens te gelden als een voorwaardelijk zelfstandig verzoek) van Univé en [ verweerder sub 2] , te weten indien sprake zou zijn van aansprakelijkheid aan de zijde van [ verweerder sub 2] , dat op haar (en dus op Univé) geen schadevergoedingsverplichting rust jegens [verzoeker] , althans dat op haar een schadeverplichting rust van minder dan 50%.
Begroting van de kosten van het deelgeschil
4.12.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.13.
[verzoeker] verzoekt onder verwijzing naar een specificatie om de kosten van dit deelgeschil te begroten op (15 uur x € 295,- exclusief BTW) € 5.354,25 inclusief BTW, te vermeerderen met het griffierecht. Univé en [ verweerder sub 2] voeren hiertegen aan dat het bedrag gematigd moet worden omdat het aantal bestede uren onredelijk is. Er wordt een bijstelling naar 10 uur verzocht. Daarnaast wordt het uurtarief bovenmatig geacht. Uitgegaan moet worden van € 260,- per uur.
4.14.
De rechtbank is met Univé en [ verweerder sub 2] van oordeel dat het een overzichtelijk en afgebakend geschil betreft, hetgeen een bijstelling van het aantal uren rechtvaardigt. De rechtbank stelt het uurtarief bij naar € 270,- omdat het een juridisch overzichtelijke zaak betreft1. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 12 uren × € 270,-, dus op € 3.240,- exclusief BTW, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 331,-. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en Univé niet veroordelen tot betaling daarvan.
1Vgl. A.J. Van en D. Salhi “De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?” TVP 2025/2
Rechtbank Midden-Nederland 24 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7076
