Overslaan en naar de inhoud gaan

GHDHA 110326 door de man is voldoende onderbouwd gesteld dat de letselschadevergoeding aan hem verknocht is

GHDHA 110326 door de man is voldoende onderbouwd gesteld dat de letselschadevergoeding aan hem verknocht is
 

Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap

Peildatum

5.18

Tussen partijen is niet in geschil dat de peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap 30 januari 2024 betreft, zijnde de datum van het inleidende verzoekschrift tot echtscheiding door de man.

Letselschadevergoeding

5.19

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de door de man ontvangen letselschadevergoeding in de gemeenschap van goederen valt. De letselschadevergoeding betreft smartengeld voor de door de man dagelijks te ondervinden pijn en hinder aan zijn pols. De letselschadevergoeding is aan de man verknocht en valt buiten de gemeenschap van goederen. Daarnaast stelt de man dat de letselschadevergoeding nog traceerbaar is.

5.20

De vrouw stelt dat de letselschadevergoeding niet verknocht is aan de man. De man heeft onvoldoende aangetoond dat de letselschadevergoeding niet in de gemeenschap valt. Daarnaast stelt de vrouw dat een groot deel van de letselschadevergoeding gedurende het huwelijk is aangewend om grotere uitgaven te bekostigen. Het saldo op de gezamenlijke bankrekening is gevormd door de maandelijkse inkomsten en uitgaven van partijen.

5.21

Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 1:94 lid 3 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalde dat goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Bij de op 1 januari 2018 in werking getreden Wet van 24 april 2017, Stb. 2017, 177, tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, is deze regeling omtrent verknochtheid ongewijzigd opgenomen in het huidige artikel 1:94 lid 5 BW (vgl. Kamerstukken II 2013-2014, 33 987, nr. 6, p. 16). In dit geding is nog artikel 1:94 lid 3 (oud) BW van toepassing.

5.22

Volgens vaste rechtspraak is het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 (oud) BW aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed, respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt (art. 1:94 lid 3 (oud) BW) afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (vgl. HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293 en HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270).

5.23

Indien een der echtgenoten een vergoeding ontvangt voor schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet reeds sprake van verknochtheid in de zin van art. 1:94 lid 3 (oud) BW indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Omdat ook dan de omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen, zal de echtgenoot die zich op art. 1:94 lid 3 (oud) BW beroept, ten minste (tevens) moeten stellen op welke schade(n) van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre, die vragen ten aanzien van één of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen (HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8843 en HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957).

5.24

Om tot verknochtheid te kunnen concluderen is verder vereist dat aangetoond wordt dat ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap als gevolg van echtscheiding die in geld ontvangen schadevergoeding nog te identificeren is, in die zin dat aangetoond kan worden dat de ten titel van schadevergoeding ontvangen geldsom geheel of althans voor een deel nog aanwezig is.

5.25

Vaststaat dat de man op 21 februari 2018 zijn pols heeft gebroken en door de spoedeisende hulp van Medisch Centrum Haaglanden hiervoor conservatief is behandeld met onderarmgips. Achteraf is gebleken dat het ziekenhuis een verkeerde inschatting heeft gemaakt en is de man alsnog geopereerd. De man heeft het ziekenhuis in 2019 aansprakelijk gesteld. Op 10 april 2022 heeft de man een vaststellingsovereenkomst (productie 12 bij journaalbericht van 17 april 2025 van de man in eerste aanleg) met De Onderlinge Waarborgmaatschappij voor Instellingen in de Gezondheidszorg MediRisk B.A. gesloten waarin is vastgesteld dat hij als gevolg van deze verkeerde inschatting van het ziekenhuis een bedrag van € 40.000,- aan schadevergoeding ontvangt. In de vaststellingsovereenkomst is geen uitsplitsing gemaakt naar de diverse posten waaruit deze schadevergoeding is samengesteld.

5.26

Het hof overweegt als volgt. De man heeft naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd gesteld dat de door de man ontvangen schadevergoeding ziet op immateriële schadevergoeding/smartengeld. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij sinds de foutieve behandeling van het ziekenhuis pijn heeft aan zijn pols als gevolg waarvan hij zijn pols, ook in de toekomst, niet goed kan bewegen omdat de fijne motoriek is aangetast. Desondanks is de man sinds de breuk en de operatie niet minder gaan werken en is er zodoende geen sprake van wegvallende arbeidsinkomsten. Niet gesteld of gebleken is dat deze schadevergoeding ziet op (een schadevergoeding voor) materiële schade. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt daarnaast dat de man naast het bedrag van € 40.000,- nog een bedrag van € 11.248,32 heeft ontvangen voor materiële schade, zijnde de kosten van deskundige bijstand (artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst). Het enkele (blote) standpunt van de vrouw dat het aan de man is om aan te tonen dat de letselschadevergoeding niet in de gemeenschap valt, nu de vrouw de stellingen van de man voorts niet heeft betwist met enige onderbouwing of specificering, volstaat daartegenover niet. Het hof overweegt dat een smartengelduitkering naar maatschappelijke normen kan worden aangemerkt als een verknocht goed. De strekking van het goed op het moment van de verkrijging is bepalend voor de beantwoording van de vraag of het goed verknocht is.

5.27

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat het bedrag van € 40.000,- is overgeboekt naar de gemeenschappelijke bankrekening van partijen. Uit het door de vrouw overgelegde overzicht van het saldo op de gemeenschappelijke bankrekening op de peildatum (productie 8 bij haar verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van 25 maart 2024 in eerste aanleg) blijkt dat er op de peildatum (in ieder geval) een bedrag van € 40.443,91 aanwezig was. In zoverre kan niet worden vastgesteld dat het bedrag, zoals de vrouw stelt, is besteed aan gemeenschappelijke uitgaven, wat daar verder ook van zij.

5.28

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat door de man voldoende onderbouwd is gesteld dat de letselschadeschadevergoeding dient ter compensatie voor de pijn en hinder die de man tot op heden ervaart als gevolg van de foutieve behandeling van het ziekenhuis, en daarmee wegens het hoogstpersoonlijke karakter aan de man is verknocht en buiten de gemeenschap valt. Daarmee slaagt de vierde grief van de man. Het hof zal op dit punt dan ook overgaan tot vernietiging van de bestreden beschikking. Gerechtshof Den Haag 11 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:478