Overslaan en naar de inhoud gaan

HR 241097 aanspraken op vergoeding van materiële en van immateriële schade verknocht en dienen buiten de verdeling te blijven

HR 241097 aanspraken op vergoeding van materiële en van immateriële schade verknocht en dienen buiten de verdeling te blijven

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 1977 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd; het huwelijk is op 14 oktober 1991 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 15 augustus 1991.

(ii) De vrouw is tijdens het huwelijk in 1987 het slachtoffer geworden van een ongeval, waarbij zij een whiplash-leasie heeft opgelopen. Als gevolg hiervan kan zij haar beroep van fysiotherapeute niet meer uitoefenen.

(iii) De vrouw heeft vóór de ontbinding van het huwelijk de aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker van het ongeval aangesproken tot vergoeding van haar materiële en immateriële schade. Nog tijdens het huwelijk heeft de verzekeraar een voorschot van f 12.000, -- uitgekeerd; over de hoogte van de totale uit te keren schadevergoeding bestond toen nog geen overeenstemming.

(iv) Bij onderhandse akte van 19 december 1991 hebben partijen de gemeenschap van goederen partieel gescheiden en gedeeld. Daarbij is voormeld voorschot sans préjudice in de boedelscheiding betrokken en tussen partijen bij helfte verdeeld.

(v) Na de ontbinding van het huwelijk is door de verzekeraar nog f 178.000, -- aan schadevergoeding uitgekeerd. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat van het totaalbedrag van f 190.000, -- een bedrag van f 20.000, -- strekt ter vergoeding van immateriële schade en f 170.000, -- ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit inkomensschade, kosten van huishoudelijke hulp en verlies van zelfwerkzaamheid. Naar het Hof - eveneens in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld, heeft de man niet gesteld en is evenmin gebleken dat de tijdens het huwelijk door de gemeenschap geleden materiële schade uitgaat boven het bedrag van f 12.000, -- dat krachtens de hiervoor onder (iv) genoemde akte gelijkelijk tussen partijen is verdeeld.

3.2 In het onderhavige geding heeft de man een verklaring voor recht gevorderd dat de aanspraken ter zake van materiele en immateriële schade, door de vrouw geleden als gevolg van het haar in 1987 overkomen ongeval, voor zover deze op 19 december 1991 nog niet waren voldaan, behoren tot het actief van de gemeenschap van goederen, die tussen partijen ten tijde van het ongeval bestond. De vrouw heeft voorwaardelijk - voor het geval dat de Rechtbank zou oordelen dat haar aanspraken op schadevergoeding in de huwelijksgemeenschap zouden vallen - in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat haar aanspraken op schadevergoeding bij toescheiding aan haar niet tussen partijen behoren te worden verrekend.

De Rechtbank heeft zowel de vordering in conventie als die in reconventie toegewezen.

Het Hof heeft geoordeeld dat zowel de aanspraak op vergoeding van materiele schade als die op vergoeding van immateriële schade - voor zover deze het reeds voor de ontbinding van het huwelijk ontvangen bedrag van f 12.000, -- te boven gaan - naar hun aard in ieder geval in zoverre aan de vrouw zijn verknocht, dat zij bij de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding buiten de verdeling dienen te blijven. Ten overvloede heeft het Hof overwogen dat, voor zover zou moeten worden aangenomen dat de aanspraak op vergoeding van materiële schade en/of die op vergoeding van immateriële schade wel in de gemeenschap vallen - de eisen van redelijkheid en billijkheid, die partijen bij de verdeling jegens elkaar in acht hebben te nemen, in ieder geval meebrengen dat de schadevergoeding, voor zover het bedrag van f 12.000, -- te bovengaande, zonder nadere verrekening aan de vrouw moet worden toebedeeld. Op deze gronden heeft het Hof de vonnissen van de Rechtbank vernietigd en de vordering van de man alsnog afgewezen.

Hiertegen richt zich het middel.

3.3 Onderdeel 1 bestrijdt met een aantal rechts- en motiveringsklachten 's Hofs oordeel dat zowel de aanspraak op vergoeding van materiele schade als die op vergoeding van immateriële schade naar hun aard in ieder geval in zoverre aan de vrouw zijn verknocht, dat zij bij de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding buiten de verdeling dienen te blijven.

Het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan één der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt - een en ander als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW - hangt af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (HR 23 december 1988, NJ 1989, 700) .

Te dien aanzien heeft het Hof overwogen dat de aanspraak op vergoeding van immateriële schade naar zijn aard bestemd is om te dienen als compensatie voor het leed - zoals pijn, verdriet en verminderde levensvreugde - dat de vrouw heeft ondergaan en gelet op de aard van het letsel (whiplash) in de toekomst zal ondergaan, en dat de vergoeding derhalve uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van de vrouw verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Met betrekking tot de aanspraak op vergoeding van materiële schade heeft het Hof overwogen dat hiervoor evenzeer geldt dat deze betrekking heeft op financiële nadelen die na de ontbinding van het huwelijk uitsluitend door de vrouw zullen worden geleden; de inkomensschade betreft immers, aldus het Hof, het nadeel als gevolg van het verlies van haar verdiencapaciteit en de vergoeding strekt dan ook tot vervanging van de arbeidsinkomsten die zij - voornamelijk ná de ontbinding van het huwelijk - zal derven, terwijl ook de vergoeding voor het verlies aan zelfwerkzaamheid en voor de kosten van huishoudelijke hulp strekt ter compensatie voor in de toekomst door de vrouw te maken extra onkosten als gevolg van haar letsel. Hieraan heeft het Hof toegevoegd dat, voor zover als gevolg van het ongeval reeds tijdens het huwelijk van partijen materiële schade is geleden, deze moet worden geacht te zijn gedekt door het toen reeds ontvangen voorschot op de schadevergoeding van f 12.000, -- , dat tussen partijen gelijkelijk is verdeeld, nu de man niet heeft gesteld en ook niet is gebleken dat de tijdens het huwelijk door de gemeenschap geleden schade boven dat bedrag uitgaat.

Op grond hiervan heeft het Hof geoordeeld - zoals 's Hofs rov. 4.5 kennelijk moet worden verstaan - dat zowel de aanspraak op vergoeding van immateriële als die op vergoeding van materiële schade naar hun aard op bijzondere wijze aan de vrouw zijn verknocht en dat die bijzondere verknochtheid meebrengt dat deze aanspraken bij de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding buiten de verdeling moeten blijven en dus in zoverre niet in de gemeenschap vallen. Deze oordelen en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen geven geen blijk van een onjuiste opvatting met betrekking tot de in art. 1:94 lid 3 vervatte maatstaven; zij zijn ook niet onbegrijpelijk of ongenoegzaam gemotiveerd. Hierop stuiten alle klachten van onderdeel 1 af. Hoge Raad 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2470
zie ook Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1997, ECLI:NL:PHR:1997:48