RBNHO 020426 letselschadevergoeding na peildatum is verknocht
- Meer over dit onderwerp:
RBNHO 020426 letselschadevergoeding na peildatum is verknocht
Ad k) letselschadevergoeding
2.49.
De man voert aan dat hij op 7 mei 2019 slachtoffer is geworden van een verkeersongeval. In verband met dit ongeval is aan de man een schadevergoeding uitgekeerd van € 45.000,-, bestaande uit € 12.062,- aan materiele schadevergoeding en € 32.938,- aan immateriële schadevergoeding. De materiele schade bestond onder meer uit schade aan de auto van de man. De man stelt zich op het standpunt dat de materiele schadevergoeding deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap en de immateriële schadevergoeding niet. Voor de peildatum 11 februari 2021 is een bedrag van € 20.000,- aan de man uitgekeerd, waaronder de materiele schadevergoeding. Na de peildatum is nog een bedrag van € 25.000,-. Dit bedrag betreft volgens de man volledig een vergoeding voor de immateriële schade die de man heeft geleden en komt niet voor verdeling in aanmerking.
2.50.
De vrouw stelt dat het gehele schadevergoedingsbedrag bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.
2.51.
Artikel 1:94, derde lid, BW bepaalt dat goederen (en schulden) die aan één van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. De vraag wanneer een goed verknocht is, kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord, maar is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Wanneer één van de echtgenoten een vergoeding ontvangt voor schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, zoals in dit geval de man, is niet reeds daarmee sprake van verknochtheid. Uit vaste rechtspraak ten aanzien van de verknochtheid van letselschade-uitkeringen valt af te leiden dat ten aanzien van immateriële schade over het algemeen wordt aangenomen dat deze verknocht is, zodat deze buiten de gemeenschap moet worden gehouden bij echtscheiding.
2.52.
De rechtbank maakt uit de stukken op dat de man in verband met een ongeval op 7 mei 2019 een bedrag van € 45.000,- uitgekeerd heeft gekregen in verband met materiele en immateriële schade en dat zijn auto op 7 mei 2019 is gerepareerd voor een bedrag van € 12.062,-. Voor de peildatum 11 februari 2021 heeft de man een bedrag van € 20.000,- uitgekeerd gekregen en na de peildatum een bedrag van € 25.000,-. Partijen zijn het erover eens dat het voor de peildatum uitgekeerde bedrag in het kader van de verdeling van de saldi op de bankrekeningen zal worden meegenomen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het na de peildatum uitgekeerde bedrag zag op immateriële schade, te weten verlies aan verdiencapaciteit aan de zijde van de man. Deze immateriële schadevergoeding is naar het oordeel van de rechtbank aan de man verknocht en valt niet in de gemeenschap. Rechtbank Noord-Holland 2 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3478
