Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 181225 mondhygiëniste vervangt amalgaam- door composietvulling, kies gaat verloren; ass dient vdo in, ondanks vele pogingen geen deskundige gevonden

RBLIM 181225 mondhygiëniste vervangt amalgaam- door composietvulling, kies gaat verloren; ass dient vdo in, ondanks vele pogingen geen deskundige gevonden

2De partijen en hun onderlinge verhoudingen

2.1.

[verweerder] was patiënt van de tandartspraktijk ‘Kliniek [naam 1] ’ (hierna: de tandartspraktijk), gevestigd te [plaatsnaam] . [verweerder] heeft de tandartspraktijk aansprakelijk gesteld nu zij van mening is schade te hebben geleden door toedoen van de tandartspraktijk.

2.2.

De tandartspraktijk heeft de aansprakelijkheidsstelling gemeld bij haar verzekeraar Nationale-Nederlanden. Nationale-Nederlanden heeft de behandeling daarvan ter hand genomen.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[verweerder] is op 8 oktober 2018 tandheelkundig (aan haar kies) behandeld door een mondhygiëniste die (in loondienst) werkzaam was bij de tandartspraktijk. De behandeling hield in dat onder verdoving de amalgaamvulling werd vervangen door een composietvulling. Na uitwerking van de verdoving kreeg [verweerder] last van toenemende en aanhoudende pijnklachten. Op 11 oktober 2018 heeft een second opinion plaatsgevonden bij tandarts [X] . Deze wees [verweerder] erop dat de mondhygiëniste voor de gedane behandeling niet was opgeleid. Deze behandeling had alleen door een tandarts uitgevoerd mogen worden. [verweerder] meent dat de mondhygiëniste haar onrechtmatig heeft behandeld en dat ze daardoor pijnklachten heeft gekregen. In maart 2019 bleek dat de kies was afgestorven. Na verschillende consulten en behandelingen is uiteindelijk besloten de kies te verwijderen. Kort daarna zijn de pijnklachten verdwenen. [verweerder] stelt als gevolg van de onrechtmatige behandeling door de mondhygiëniste schade te hebben geleden. [verweerder] heeft de tandartspraktijk aansprakelijk gesteld en schat vooralsnog de totale schade op € 70.000,00. De tandartspraktijk heeft de aansprakelijkheidstelling gemeld bij haar verzekeraar Nationale-Nederlanden. Nationale-Nederlanden heeft aan de hand van diverse stukken de aansprakelijkheid beoordeeld en zij betwist dat er een fout is gemaakt. Nationale-Nederlanden wenst eerst duidelijkheid te verkrijgen over het verband tussen de behandeling door de mondhygiëniste en de door [verweerder] gestelde schade. Nationale-Nederlanden heeft de rechtbank daarom verzocht, op haar kosten, een voorlopig deskundigenbericht als bedoeld in artikel 202 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) te gelasten.

3.2.

[verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek. Het verweer kan als volgt worden samengevat.

[verweerder] heeft de beroepsorganisatie van mondhygiënisten (NVM) en ook de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) benaderd. Deze bevestigden dat de mondhygiëniste niet voor de gedane behandeling is opgeleid. De inspecteur gaf aan dat zonder interventie van een tandarts een dergelijke behandeling niet is toegestaan. [verweerder] stelt dat sprake is van een strafbaar feit omdat onbevoegd medisch is gehandeld. [verweerder] heeft aangifte gedaan tegen de mondhygiëniste wegens onder meer mishandeling, bedrog, onbevoegd medisch handelen en valsheid in geschrifte. Volgens [verweerder] onderzoekt het Openbaar Ministerie de kwestie, diverse betrokkenen zijn eerder dit jaar gehoord. Gelet op het lopende onderzoek door het Openbaar Ministerie is het verzoek van Nationale-Nederlanden prematuur. Daarnaast is sprake van misbruik van procesrecht. De reeds voorhanden zijnde medische adviezen/rapporten worden door Nationale-Nederlanden volledig genegeerd. Nationale-Nederlanden wil een nieuw medisch deskundigenbericht zonder te vermelden wat de bezwaren zijn tegen de reeds voorliggende rapporten.

4. De beoordeling

Vooraf

4.1.

Nationale-Nederlanden heeft verzocht om een voorlopig deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 202 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Daarmee zijn (onder meer) de wetsartikelen waarin het gaat om de voorlopige bewijsverrichtingen (waaronder een voorlopig deskundigenonderzoek) gewijzigd. Omdat Nationale-Nederlanden haar verzoek voor 1 januari 2025 heeft ingediend, zijn bij de beoordeling van het verzoek echter nog de wettelijke bepalingen zoals die voordien golden van toepassing.

Het toetsingskader voor het voorlopig deskundigenonderzoek

4.2.

Bij het beoordelen van een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht dient op grond van vaste rechtspraak (zie bijv. HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8610) het volgende tot uitgangspunt.

Een voorlopig deskundigenonderzoek kan ertoe dienen een partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is de procedure te beginnen of voort te zetten. Aan de rechter die heeft te oordelen over het verzoek een dergelijk onderzoek te gelasten, komt geen discretionaire bevoegdheid toe. Hij dient het onderzoek in beginsel te gelasten, mits het daartoe strekkende verzoek terzake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is echter anders indien de rechter op grond van in zijn beslissing te vermelden feiten en omstandigheden van oordeel is dat het verzoek in strijd is met een goede procesorde, dat van de bevoegdheid toepassing van dit middel te verlangen, misbruik wordt gemaakt - bijvoorbeeld omdat verzoeker wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid kan worden toegelaten -, of dat het verzoek moet afstuiten op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Voorts bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig deskundigenbericht indien verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft.

4.3.

[verweerder] stelt dat er al medische adviezen voorhanden zijn. De rechtbank constateert dat de medische adviezen op verzoek van [verweerder] zijn opgemaakt en dat Nationale-Nederlanden betwist dat sprake is van een fout en van aansprakelijkheid. Nationale-Nederlanden heeft dus belang bij haar verzoek een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. Er is geen sprake van strijd met de goede procesorde, misbruik van bevoegdheid of een ander zwaarwichtig bezwaar. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de behandeling van dit verzoek aan te houden tot dat meer duidelijkheid is verkregen over het strafrechtelijk onderzoek.

4.4.

Op basis van het voorgaande (4.2. en 4.3.) lag het verzoek voor toewijzing gereed. Bij e-mails van 25 juli 2024 en 18 september 2024 heeft de rechtbank partijen verzocht om in gezamenlijk overleg een deskundige voor te dragen. Nadat gebleken was dat partijen geen deskundige in onderling overleg konden voordragen heeft de rechtbank achtereenvolgens contact opgenomen met vier deskundigen, te weten:

  1. [naam 2] van de afdeling Centrum Bijzondere Tandheelkunde van het Radboudumc te Nijmegen,
  2. [naam 3] (tandarts – docent) van de afdeling Tandheelkunde van het Radboudumc te Nijmegen,
  3. [naam 4] (tandarts), tandheelkundig adviseur bij Addent,
  4. ACTA (Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam).

Deze deskundigen hebben de rechtbank bericht de opdracht niet te kunnen of willen aanvaarden.

4.5.

Vervolgens heeft de rechtbank partijen bij e-mail van 24 juni 2025 onder meer het volgende bericht:

“In de hierboven genoemde procedure heeft de rechtbank geen deskundige bereid gevonden ter beantwoording van de onderzoeksvragen zoals besproken ter zitting van 24 juli 2024.

De rechtbank vraagt u daarom nogmaals een andere deskundige voor te stellen. Ik verzoek u (bij voorkeur) gezamenlijk een voorstel te doen voor de te benoemen deskundige. Mochten partijen niet gezamenlijk één deskundige kunnen voordragen, dan dient ieder der partijen een lijstje aan te leveren van maximaal 3 namen en adressen van deskundigen die uw voorkeur hebben om als zodanig te worden benoemd én een lijstje van maximaal 3 deskundigen die volgens u niet benoemd mogen/kunnen worden met een nadere onderbouwing waarom niet.”

4.6.

Bij brief van 26 augustus 2025 heeft mr. Van Katwijk de rechtbank bericht dat het partijen niet is gelukt om te komen tot een gezamenlijk voorstel van deskundigen zoals verzocht door de rechtbank. Mr. Van Katwijk heeft namens Nationale-Nederlanden nog drie deskundigen voorgesteld, te weten 1) [naam 5] verbonden aan Tandartspraktijk [X] , 2) [naam 6] verbonden aan ACTA en 3) [naam 7] verbonden aan Kliniek & Academie reconstructieve tandheelkunde.

4.7.

Bij e-mail van 4 september 2025 heeft de rechtbank [echtgenoot] onder meer het volgende bericht:

“De rechtbank constateert dat u niet inhoudelijk heeft gereageerd op de door mr. Van Katwijk voorgestelde deskundigen in zijn brief van 26 augustus 2025. De rechtbank verzoekt u nogmaals om, binnen twee weken na heden, schriftelijk uw standpunt te geven op de door mr. Van Katwijk voorgestelde deskundigen: drs. [naam 5] en drs. [naam 7] . Bij het uitblijven van een inhoudelijke reactie uwerzijds zal de rechtbank de procedurele beslissing nemen die haar gerade voorkomt.”

Voorts is in die e-mail bericht dat in de eerdere e-mail van de rechtbank van 24 juni 2025 abusievelijk is vermeld dat de onderzoeksvragen ter zitting van 24 juli 2024 zijn besproken.

4.8.

Bij brief van 5 september 2025 heeft [echtgenoot] namens [verweerder] gereageerd. Hij heeft de rechtbank onder meer bericht met geen enkele Nederlandse deskundige/tandarts, die door de wederpartij wordt voorgesteld, akkoord te gaan.

4.9.

De rechtbank heeft de door mr. Van Katwijk voorgestelde deskundige bij ACTA niet meer benaderd omdat ACTA reeds eerder had aangegeven geen expertise onderzoeken meer te verrichten. De overige twee deskundigen, [naam 5] en [naam 7] , hebben de rechtbank bericht de opdracht niet te kunnen aanvaarden.

4.10.

Ondanks vele pogingen is geen deskundige bereid gevonden de opdracht te aanvaarden. In deze omstandigheden dient te worden geconcludeerd dat aan het verzoek geen uitvoering kan worden gegeven. De rechtbank zal daarom verstaan dat aan deze procedure een einde is gekomen (vergelijk de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 februari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:963). De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

stelt vast dat aan het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht geen uitvoering kan worden gegeven en verstaat dat aan deze verzoekschriftprocedure een einde is gekomen,

5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Rechtbank Limburg 18 december 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:12600