Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNHO 030725 voldoende belang bij vdo vanwege platzbauch na baarmoederverwijdering; ook na afwijzing tuchtklacht; rb schetst procedure voor geval partijen het niet eens worden over gezamenlijk deskundige

RBNHO 030725 voldoende belang bij vdo vanwege platzbauch na baarmoederverwijdering; ook na afwijzing tuchtklacht; rb schetst procedure voor geval partijen het niet eens worden over gezamenlijk deskundige

zie voor het vervolg:
RBNHO 180925 vdo vanwege platzbauch na baarmoederverwijdering; vraagstelling en benoeming deskundige uit hetzelfde vakgebied

 

2Feiten

2.1.

Op 6 november 2017 is [verzoekster] geopereerd in het NWZ waarbij haar baarmoeder werd verwijderd. [verzoekster] is op 8 november 2017 uit het ziekenhuis ontslagen.

2.2.

Op 10 november 2017 heeft [verzoekster] contact opgenomen met het NWZ met vragen over de operatiewond. Zij is die dag ook op de huisartsenpost geweest om de wond te laten beoordelen.

2.3.

Op 12 november 2017 is [verzoekster] in het ziekenhuis opgenomen in verband met Platzbauch.1 Zij is diezelfde dag geopereerd. Na deze operatie kreeg zij een SPICA-verband als buikwandondersteuning. [verzoekster] is op 15 september 2017 ontslagen uit het ziekenhuis.

2.4.

[verzoekster] is tussen 15 november 2017 en 20 september 2019 meerdere keren naar het NWZ teruggegaan vanwege problemen met urineverlies en rondom het operatiegebied. Er werden geen gynaecologische problemen gevonden.

2.5.

Op 6 juni 2018 heeft [verzoekster] NWZ aansprakelijk gesteld voor onzorgvuldig handelen rondom haar operatie op 6 november 2017. NWZ betwist aansprakelijk te zijn voor onzorgvuldig handelen.

2.6.

De medisch adviseur van [verzoekster] , de heer [medisch adviseur] , heeft op 11 mei 2018 en 19 september 2019 een medisch advies uitgebracht.

2.7.

[verzoekster] heeft bij het regionaal tuchtcollege geklaagd over de handelswijze van de behandelend gynaecoloog in het NWZ. Het regionaal tuchtcollege heeft de klacht van [verzoekster] bij beslissing van 21 juni 2021 ongegrond verklaard. [verzoekster] heeft tegen de beslissing van het regionaal tuchtcollege beroep ingediend bij het centraal tuchtcollege. Zij werd in dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

3De beoordeling

3.1.

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen.

[verzoekster] stelt dat NWZ voorafgaande, tijdens en na de operatie op 6 november 2017 onvoldoende rekening heeft gehouden met haar epilepsie en/of COPD-allergie voor huisstofmijtallergie. Zij stelt dat zij daardoor na de operatie veel heeft moeten niezen waardoor mogelijk de Platzbauch is ontstaan. [verzoekster] verzoekt een deskundigenonderzoek te gelasten zodat zij duidelijkheid kan krijgen over de vragen of (1) er sprake is van onzorgvuldig handelen en (2) [verzoekster] daardoor schade heeft opgelopen.

NWZ betwist dat er sprake is van onzorgvuldig handelen. Naar mening van NWZ moet het verzoek van [verzoekster] worden afgewezen omdat zij onvoldoende belang heeft bij het verzoek en het verzoek onvoldoende bepaald is.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] voldoende belang heeft bij het verzoek. [verzoekster] is het niet eens met de beslissing van het regionaal tuchtcollege naar aanleiding van haar klacht over het handelen van de gynaecoloog. Anders dan NWZ aanvoert, betekent het feit dat het regionaal tuchtcollege de klacht van [verzoekster] ongegrond heeft verklaard niet dat [verzoekster] geen belang heeft bij een deskundigenonderzoek. Volgens vaste rechtspraak moet een rechter, als hij bij de beoordeling van het medisch handelen van een arts komt tot een oordeel dat afwijkt van het oordeel van de tuchtrechter zijn oordeel zodanig motiveren dat dit ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter voldoende begrijpelijk is. Daarbij valt in het bijzonder te denken aan een motivering met behulp van verklaringen van één of meer, zo nodig door de rechter te benoemen, deskundigen.2 Deze deskundige zal zich tijdens zijn onderzoek moeten baseren op de informatie zoals die blijkt uit het medische dossier. De rechtbank volgt niet de stelling van NWZ dat op basis van die informatie niet kan worden gekomen tot het oordeel dat onzorgvuldig is gehandeld. Dat moet een deskundige nu juist beoordelen. [verzoekster] heeft dus een belang bij een voorlopig deskundigenbericht om haar proceskansen in een civiele procedure te kunnen inschatten.

3.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek van [verzoekster] ook voldoende bepaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] toegelicht dat door de te benoemen deskundige moet worden beoordeeld of het handelen van NWZ voor, tijdens en na de operatie op 6 november 2017 al dan niet zorgvuldig is geweest. Daar komt bij dat uit de door NWZ voorgestelde vraagstelling blijkt welk handelen getoetst moet worden en dat dit haar duidelijk is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] ingestemd met deze vraagstelling. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van [verzoekster] voldoende bepaald is.

3.4.

Het verzoek van [verzoekster] een deskundige te benoemen zal dan ook worden toegewezen.

Persoon deskundige

3.5.

[verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld in te kunnen stemmen met benoeming van prof. dr. F.W. Jansen , gynaecoloog in het LUMC (hierna: prof. Jansen ). De rechtbank heeft prof. Jansen benaderd. Het is de rechtbank gebleken, zoals mr. Schoemaker ook al tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, dat prof. Jansen met pensioen is en niet meer als deskundige kan worden benoemd.

3.6.

Tijdens de mondelinge behandeling is de mogelijkheid dat prof. Jansen niet als deskundige zou kunnen worden benoemd door de rechter met partijen besproken. Afgesproken is dat [verzoekster] in die situatie de gelegenheid krijgt om te onderzoeken of zij kan instemmen met het benoemen van de andere deskundige die NWZ heeft voorgesteld, prof. dr. J.P.W.R. Roovers, urogynaecoloog in het Amsterdam UMC/ MediLibra. Indien [verzoekster] niet kan instemmen met benoeming van prof. dr. Roovers als deskundige dienen partijen te onderzoeken of zij in onderling overleg overeenstemming kunnen krijgen over de persoon van de te benoemen deskundige. Indien dat niet mogelijk blijkt, dienen partijen beiden één naam van een deskundige aan de rechtbank door te geven en zal de rechtbank uit deze twee personen een deskundige benaderen en zo mogelijk benoemen. Om partijen in de gelegenheid te stellen te onderzoeken wie als deskundige in deze zaak kan worden benoemd, zal de rechtbank de behandeling van de zaak aanhouden met zes weken. In het geval partijen geen overeenstemming bereiken over een te benoemen deskundige, zal iedere partij schriftelijk mogen reageren op de voordracht die de andere partij doet, voordat de rechtbank verder zal beslissen.

Aan de deskundige te stellen vragen

3.7.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] ingestemd met de vragen zoals deze door NWZ in het verweerschrift zijn opgenomen. [verzoekster] heeft voorgesteld twee aanvullende vragen op te nemen, te weten:

  1. Is er een juiste dikte en juiste materiaal hechtdraad gebruikt?

  2. Is er op een juiste wijze geopereerd namelijk met een doorlopende hechting en had er niet een onderbroken hechtingsmethodiek moeten plaatsvinden?

NWZ heeft betwist dat deze vragen aan de te benoemen deskundige gesteld zouden moeten worden. NWZ wijst in dat verband op de beslissing van het regionaal tuchtcollege.

3.8.

Uit wat de rechtbank onder 3.2 heeft overwogen, volgt dat het feit dat het regionaal tuchtcollege een beslissing heeft genomen, niet tot gevolg heeft dat het verzoek van [verzoekster] een voorlopig deskundigenbericht te gelasten moet worden afgewezen. Dit argument geldt ook voor de aanvullende vragen die [verzoekster] aan de deskundige wil stellen. [verzoekster] wenst deze vragen te stellen omdat zij ten tijde van de operatie een te hoog BMI had en, zo stelt zij, een grotere kans liep op hoesten en/of een forse niesbui na de operatie vanwege haar allergie. Het feit dat het regionaal tuchtcollege van oordeel was dat er geen sprake was van een allergie dan wel een verhoogd risico daarop, maakt niet dat de aanvullende vragen daarom niet aan de te benoemen deskundige gesteld kunnen worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de hierboven vermelde vragen ook aan de deskundige gesteld moeten worden. In plaats van deze vragen aan vraag 7 toe te voegen, zal de rechtbank deze vragen aan vraag 6 toevoegen.

3.9.

Aan vraag 11 van de door NWZ geformuleerde vragen zal de rechtbank de woorden ‘op uw vakgebied’ toevoegen. Daarnaast zal de rechtbank aan het einde van de vragen een nieuwe alinea toevoegen dat ‘Waar in de vraagstelling wordt gevraagd uw oordeel te baseren op de professionele standaard, wordt de professionele standaard bedoeld geldend tijdens de operatie 6 november 2017.’

Te betalen voorschot

3.10.

[verzoekster] verzoekt NWZ in de kosten van het deskundigenbericht te veroordelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de in beginsel door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [verzoekster] moeten worden betaald.

1Platzbauch is een littekenbreuk in de buikwand waardoor de wond open gaat.

2Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1532

Rechtbank Noord-Holland 3 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15773