Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 200226 patiëntenkaart tot 2 jaar voor ongeval; hoeft niet met MA verzekeraar te worden gedeeld mede vanwege aard deskundigenbericht

RBROT 200226 rb benoemt na traumachirurg revalidatie- en verzekeringsarts, 
- patiëntenkaart tot 2 jaar voor ongeval; hoeft niet met MA verzekeraar te worden gedeeld mede vanwege aard deskundigenbericht; 


2. De feiten

2.1. [verzoeker] werkzaam als vrachtwagenchauffeur bij [verweerder] heeft op 24 mei 2018 een ongeval gehad op het werk tijdens het laden en lossen waarbij zijn linkervoet knel kwam te zitten tussen een pompwagen en een ijzeren trap. Na een periode van arbeidsongeschiktheid is [verzoeker] sinds half augustus 2018 weer volledig aan het werk.

2.2. [verweerder] heeft een aansprakelijkheidsverzekering bij Allianz, Allianz heeft de aansprakelijkheid voor de in redelijkheid aan het arbeidsongeval toe te rekenen schade erkend en een bedrag van € 1.500,- aan voorschot betaald en een bedrag van € 13.040,37 aan kosten uitgekeerd.

2.3. [verzoeker] is na het ongeval behandeld op de spoedeisende hulp. In de jaren daarna is hij onder behandeling geweest bij een revalidatiearts, een fysiotherapeut en een GZ-psycholoog. Daarnaast is hij beoordeeld door verzekeringsartsen M. Houwers en C. Hutchinson, en traumachirurg dr. A.H. van der Veen (hierna: Van der Veen). Van der Veen heeft op 14 februari 2023 een rapportage traumatologische expertise opgesteld. Daarin concludeert deze dat er sprake is van een medische eindsituatie en stelt hij het invaliditeitspercentage op 1% voor de gehele persoon.

3. Het geschil

3.1. [verzoeker] verzoekt samengevat een voorlopig deskundigenbericht te bevelen van eerst een revalidatiearts en vervolgens een verzekeringsgeneeskundige, met voorlegging aan de revalidatiearts de IWMD-vraagstelling en aan de verzekeringsgeneeskundige de vraagstelling overgelegd als productie 5 (bedoeld zal zijn productie 4) bij dit verzoekschrift, op kosten van Allianz.

3.2. [verzoeker] motiveert zijn verzoek als volgt. Met het expertiserapport van Van der Veen staat vast dat er door het ongeval sprake is van blijvende beperkingen. Of die beperkingen ook leiden tot mogelijke arbeidsongeschiktheid zal nader onderzocht moeten worden. Aangezien er nog discussie is over het vastgestelde pijnsyndroom en over de vraag hoe de bij de expertise geduide beperkingen concreet moeten worden gemaakt en of die beperkingen ook leiden tot (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid, ligt een expertise door een revalidatiearts en door een verzekeringsgeneeskundige voor de hand. Een revalidatiearts kan beoordelen in hoeverre de pijnklachten zich voordoen en welke invloed die pijnklachten hebben op het functioneren van [verzoeker].  De revalidatiearts kan daarbij een medisch onderbouwde beoordeling geven die kan bijdragen aan het objectiveren en in kaart brengen van de klachten en beperkingen. Met de expertise van de verzekeringsgeneeskundige kunnen de beperkingen vervolgens nader worden beoordeeld en worden opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) waarbij rekening zal kunnen worden gehouden met beperkingen door pijnklachten.

3.3. Verweerders zijn het niet eens met de verzoeken en concluderen - kort weergegeven - primair tot een afwijzing, subsidiair met betrekking tot de verzekeringsarts een andere vraagstelling en met betrekking tot de revalidatiearts dat er door [verzoeker]meer aanvullende informatie wordt verstrekt. Voor het geval er deskundigen worden benoemd, dient [verzoeker] het kostenvoorschot te voldoen.

3.4. Verweerders voeren daartoe de formele afwijzingsgronden aan die de wet noemt en meer in het bijzonder dat [verzoeker] geen belang heeft bij zijn verzoek. Volgens Van der Veen is er sprake van een eindsituatie, Allianz dient enkel schade te vergoeden gerelateerd aan het bedrijfsongeval. Allianz is geen vangnet voor alle mogelijke onzekerheden in de toekomst.

4. De beoordeling

4.1. Een verzoek tot het gelasten van een deskundigenonderzoek dient in beginsel te worden toegewezen als het verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek kunnen worden bewezen. Het verzoek kan worden afgewezen als de verzoeker er geen belang bij heeft, als het verzoek in strijd is met een goede procesorde, als misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid toepassing een voorlopig deskundigen-bericht te verlangen bijvoorbeeld omdat verzoeker wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid kan worden toegelaten of als het verzoek afstuit op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (1).

Met betrekking tot de revalidatiearts

4.2.  [verzoeker] stelt dat Van der Veen - anders dan Allianz meent - een pijnsyndroom heeft vastgesteld en dat de beperkingen van [verzoeker] omvangrijker zijn dan in het rapport van Van der Veen vermeld omdat de subjectieve pijnklachten in die rapportage niet zijn meegenomen. De pijn speelt een belangrijke rol en heeft nu al grote invloed op het dagelijks functioneren. [verzoeker] werkt wel weer, maar ervaart nog steeds klachten en beperkingen die hem hinderen tijdens en na zijn werk. De pijn die hij ondervindt aan zijn linkerhak wordt in de jaren steeds erger, hij gebruikt daarvoor dagelijks pijnstilling. Het is daarom in het belang van [verzoeker] te laten onderzoeken in hoeverre de pijnklachten zich voordoen en welke invloed de pijnklachten hebben op zijn functioneren (op termijn) welk onderzoek vervolgens weer kan bijdragen aan het objectiveren en in kaart brengen van de klachten en beperkingen, aldus [verzoeker] 

4.3.  Allianz voert inderdaad aan dat Van der Veen geen pijnsyndroom heeft vastgesteld en voorts dat een revalidatiearts niet de aangewezen arts is als expertisearts in een personenschadezaak nu deze geen primaire medische diagnose stelt maar aan de hand van de door een andere medisch specialist vastgestelde diagnose en beperkingen de mogelijkheid van patiënten om zo zelfstandig mogelijk te kunnen functioneren optimaliseert. Een revalidatiearts is ook niet opgeleid om te bepalen of de door Van der Veen vastgestelde beperkingen leiden tot (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid zodat een onderzoek door een revalidatiearts geen toegevoegde waarde heeft.

4.4. Partijen gaan langs elkaar heen in de kwestie of Van der Veen een pijnsyndroom heeft vastgesteld. Van der Veen rapporteert dat er 'differentiaaldiagnostisch' sprake is van een pijnsyndroom maar dat er zijns inziens geen sprake is van een 'complex regionaal pijnsyndroom. Anders gezegd, Van der Veen concludeert dat er sprake is van pijn, maar dat hij niet heeft vastgesteld dat dit door het letsel aan de linkerhak wordt veroorzaakt, zijns inziens is dat niet geval. Aan Allianz kan dus worden toegegeven dat er in zoverre door Van der Veen geen pijnsyndroom is vastgesteld. Dat neemt niet weg dat er kennelijk wel sprake is van een differentiaaldiagnostisch pijnsyndroom, dus van pijn. [verzoeker] heeft er belang bij dat die pijn verder wordt onderzocht, geobjectiveerd en in kaart gebracht om zijn positie in de letselschadezaak nader te kunnen bepalen. Het aan een revalidatiearts voorleggen van de IWMD vraagstelling kan daaraan dienstbaar zijn. Dat de deskundige zich daarbij dient te beperken tot zijn eigen vakgebied ligt in die vraagstelling besloten.

Met betrekking tot de verzekeringsarts

4.5. In het verlengde van wat hiervoor is overwogen kan [verzoeker] worden gevolgd in zijn redenering dat een verzekeringsarts op basis van de vastgestelde beperkingen een FML kan opstellen.

Conclusie

4.6. [verzoeker] heeft zijn belang bij de verzochte deskundigenberichten voldoende heeft onderbouwd. Van de door Allianz aangevoerde bezwaren - strijd met de goede procesorde of misbruik van bevoegdheid of een ander zwaarwichtig geoordeeld bezwaar, is voorshands onvoldoende gebleken, ook al kan uit het rapport van Van der Veen worden afgeleid dat de door [verzoeker] ervaren pijn door hem niet zondermeer aan het letsel wordt toegeschreven. De verzoeken zullen dan ook worden gewezen op de navolgende wijze.

4.7. Partijen hebben een overeenstemming over de te benoemen revalidatiearts in de persoon van drs. M. van Woensel van Expertise Centrum Medi Libar en de te benoemen verzekeringsarts in de persoon van drs. W.K. Joemai van 1MedischAdviseur, maar maken over en weer bezwaar tegen voorgestelde vragen.

4.8. Drs. Van Woensel heeft zich desgevraagd bereid en in staat verklaard om het onderzoek te verrichten en daartoe vrij te staan. Het voorschot op loon en kosten heeft drs. Van Woensel begroot op € 7.517,97 inclusief btw, uitgaande van 22 uren maal uurtarief € 257,50 (exclusief btw) voor zichzelf, en 4 uren maal uurtarief € 128.75 (exclusief btw) voor secretariële bijstand plus € 33.20 voor porti kosten. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich over dit voorschot uit te laten en hebben geen bezwaar gemaakt tegen voornoemd voorschot.

4.9. Partijen zijn het erover eens dat de revalidatiearts de standaard IWMD-vraagstelling dient te beantwoorden en dat er door [verzoeker] nog geen medische gegevens verstrekt zijn van de periode voor het ongeval en na 9 februari 2020. Allianz verlangt dat [verzoeker] zal verstrekken een ongeclausuleerd huisartsenjournaal inclusief specialisten- en verwijsbrieven vanaf 24 mei 2016 tot en met heden en een medicatie- en episodelijst. [verzoeker] dient deze medische informatie te verstrekken zodat de revalidatiearts op basis van objectieve gegevens bekend raakt met zowel de medische voorgeschiedenis als met de huidige medische situatie. Zonder die informatie kan de revalidatiearts immers niet de IWMD-vragen die zien op de voorgeschiedenis en de huidige ontwikkeling beantwoorden. Met betrekking tot de medicatie- en episode lijst geldt nog dat deze niet in de tijd gelimiteerd dient te worden. Van der Veen heeft ernstige obese geconstateerd bij [verzoeker]. een huisartsenjournaal tot twee jaar terug geeft waarschijnlijk geen goed beeld voor deze chronische aandoening. Die gegevens zijn wel terug te vinden op verzochte medicatie- en episodelijst. Allianz is op zich niet op zoek naar niet-ongevalsvreemde beperkingen maar nu er obese is geconstateerd, kan dit gegeven niet buiten beschouwing worden gelaten. Puur pijn leidt immers tot smartengeld maar als het leidt tot arbeidsongeschiktheid dan moet er schadevergoeding worden betaald en Allianz wil dan wel uitgezocht hebben dat er geen andere factoren zijn die tot de pijnklachten leiden, aldus Allianz.

4.10. [verzoeker] verzet zich niet langer tegen verstrekking van de gegevens van tot twee jaar voor het ongeval tot heden, maar wel tegen het verstrekken van een ongelimiteerde medicatie- en episode lijst en beroept zich daarbij op de Medische Paragraaf

4.11. Bij de beoordeling van de vraag welke medische informatie [verzoeker] beschikbaar moet stellen, zal worden aangesloten bij de Medische Paragraaf bij de Gedragscode Behandeling Letselschade van de Letselschaderaad (hierna: de Medische Paragraaf). Uit paragraaf 3.3 van de Medische Paragraaf volgt onder meer dat het over het algemeen proportioneel zal zijn om medische informatie op te vragen met betrekking tot de schadeveroorzakende gebeurtenis. Er kunnen zich daarnaast feiten en omstandigheden voordoen op grond waarvan het proportioneel kan zijn om aanvullende medische informatie op te vragen betreffende een periode van vóór de schadeveroorzakende gebeurtenis en/of de periode ná de schadeveroorzakende gebeurtenis. Het kan onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn dat de medisch adviseur van de aansprakelijke partij ook inzage krijgt in medische informatie van de benadeelde die niet direct ziet op de schadeveroorzakende gebeurtenis als zodanig. De Medische Paragraaf geeft vervolgens (niet limitatief) een aantal concrete "proportionaliteitscriteria", waaronder: de looptijd van de schade en de omvang van de letselschadevordering, de aard en complexiteit van het letsel, de klachten en het klachtenverloop, de relevante medische voorgeschiedenis en de opstelling van de benadeelde.

4.12. Concreet in deze zaak is de realiteit dat het deskundigenbericht - in ieder geval voor een deel is gebaseerd op informatie die afkomstig is van [verzoeker] zelf nu het gaat om pijnklachten. Daarom mag van [verzoeker] worden verlangd de verzochte gegevens te verstrekken, maar met de beperking tot een termijn van twee jaar voor het ongeval. Deze termijn wordt namelijk in de Medische Paragraaf, onderdeel 3 sub f, aangemerkt als proportioneel. Tot het verstrekken van méér informatie, in de zin van informatie uit het nog verdere verleden, is [verzoeker] niet gehouden. Daartoe wordt het volgende overwogen. Het gaat hier om een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht. Deze verzoekschriftprocedure heeft een ander karakter dan een bodemzaak waarin bindende eindbeslissingen kunnen worden genomen of een deelgeschilprocedure. Dit maakt dat Allianz in een procedure als deze minder eisen kan stellen aan het beschikbaar komen van de medische gegevens van [verzoeker] dan in een hoofdzaak. Een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht is er immers primair op gericht dat [verzoeker] de beschikking krijgt over een deskundigenbericht op grond waarvan hij zijn proceskansen en/of onderhandelingspositie (beter) kan beoordelen én kan afwegen of die kansen groot genoeg zijn om op te wegen tegen een (verdergaande) inbreuk op zijn recht op privacy in een te voeren bodemzaak.

Genoemde medisch informatie hoeft niet te worden gedeeld met (de medisch adviseur van) Allianz. Het is de taak van de deskundige om op basis van alle medische informatie de vragen te beantwoorden en daarvan verslag te doen. Het karakter van het voorlopig deskundigenbericht gaat niet samen met een aan [verzoeker] op te leggen verplichting om alle medische informatie aan Allianz te verschaffen. Als het tot een bodemprocedure komt, heeft zij nog voldoende mogelijkheden om haar recht op een eerlijk proces ("equality of arms") te waarborgen, terwijl het recht op privacy van [verzoeker] onomkeerbaar wordt geschonden als hij in deze fase van het geschil al alle medische informatie zou moeten delen met Allianz en/of haar medisch adviseur (2).

4.13. Dat hierover anders gedacht moet worden, volgt niet uit de uitspraken waar Allianz naar verwijst. Ook in die zaken (waaronder deelgeschillen) wordt overlegging van de gegevens of beperkt tot twee jaar voor het ongeval, was er sprake van complexe (deels) geestelijke) problematiek of van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voor het ongeval. Al deze omstandigheden spelen niet in deze zaak.

4.14. Drs. Joemai heeft zich desgevraagd bereid en in staat verklaard om het onderzoek te verrichten en daartoe vrij te staan. Het voorschot op loon en kosten heeft drs. Joemai begroot op € 5.959,73 inclusief btw, uitgaande van 17 uur maal uurtarief € 267,- (exclusief btw) voor zichzelf, en 4 uur maal uurtarief € 96,60 (exclusief btw) voor (secretariële) bijstand. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich over dit voorschot uit te laten en hebben geen bezwaar gemaakt tegen voornoemd voorschot.

4.15. Allianz heeft bezwaar gemaakt tegen de door [verzoeker] voorgestelde vragen aan drs. Joemai. Het bezwaar van Allianz komt - samengevat - op het volgende neer. Volgens Allianz wordt met de vragen bewerkstelligt dat de verzekeringsarts het onderzoek van Van der Veen gaat over doen en beperkingen die [verzoeker] zegt te hebben mee kan nemen in zijn rapportage terwijl de verzekeringsarts de beperkingen zoals die door de medisch specialist zijn vastgesteld nader dient uit te werken in maat en getal. Daarnaast is de hypothetische vraag naar de situatie zonder arbeidsongeval al beantwoord door Van der Veen en hoeft dus niet opnieuw gesteld te worden. Tenslotte dient het onderzoek zich niet te richten op belemmeringen maar op beperkingen.

4.16. Aan de te benoemen deskundige zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd. Daarbij wordt uitgegaan van de vraagstelling zoals die door  [verzoeker] is voorgesteld, maar daarin worden wel enkele wijzigingen aangebracht in die zin dat de opdracht minder breed wordt gegeven aan de deskundige. Het rapport van Van der Veen dient als uitgangspunt te dienen voor wat betreft de gestelde diagnose van de beperkingen met de opmerking dat door Van der Veen geen rekening is gehouden met de ervaren pijnklachten. Om die reden dient de deskundige ook het rapport van de revalidatiearts drs. Van Woensel mee te nemen. Het onderzoek door drs. Joemai is bedoeld om meer duidelijkheid te verkrijgen over de mate waarin de pijnklachten zich voordoen en over de vraag in hoeverre die klachten invloed hebben op het functioneren (ook op lange termijn) van [verzoeker]. Nu ook de door  [verzoeker] ingeschakelde expert, drs. D.A.W. van der Heijden enkel spreekt over beperkingen en niet over belemmeringen wordt zonder onderbouwing door [verzoeker] die dus ontbreekt - geen aanleiding gezien de vraagstelling op die manier uit te breiden. Hetzelfde geldt voor de vraag met betrekking tot een vergelijk tot een gezond persoon.

4.17. Partijen zijn het er over eens dat aan de deskundigen het volledige procesdossier waaronder het rapport van Van der Veen en de in dat rapport genoemde medische informatie wordt verstrekt. De kantonrechter zal dienovereenkomstig bepalen en ook dat aan drs. Joemai het definitieve rapport van drs. Van Woensel zal worden verstrekt nu zij dit nodig zal hebben voor haar onderzoek.

4.18. De termijn voor het uitbrengen van het deskundigenrapport van drs. Van Woensel. gelet op de door de deskundige genoemde benodigde tijd voor de rapportage wordt gesteld op uiterlijk vijf maanden nadat de deskundige het bericht van de griffier heeft ontvangen dat het voorschot is voldaan en aan hem het procesdossier ter hand is gesteld. De benodigde tijd voor het onderzoek van drs. Joemai zal, gelet op de door drs. Van Woensel benodigde tijd en de door drs. Joemai benodigde tijd voor de rapportage worden gesteld op uiterlijk tien maanden. Drs. Joemai zal haar onderzoek pas dienen aan te vangen nadat haar is doorgegeven dat het voorschot is voldaan en zij het definitieve rapport van drs. Van Woensel heeft ontvangen.

Wanneer een deskundige meer tijd nodig heeft, kan de rechtbank om uitstel worden verzocht.

4.19. In de omstandigheid dat de Allianz aansprakelijkheid heeft erkend en in beginsel gehouden is om de schade te vergoeden die [verzoeker] als gevolg van het ongeval lijdt, ziet de kantonrechter aanleiding af te wijken van de hoofdregel van artikel 195 Rv. De kantonrechter zal daarom bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundigen door Allianz moet worden gedeponeerd.

4.20. Partijen worden erop gewezen dat zij wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. Deze verplichting wordt hierna in de beslissing nader omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de kantonrechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

4.21. Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

4.22. Er is geen aanleiding om een van partijen in de proceskosten te veroordelen.

5. De beslissing
De kantonrechter:

5.1. beveelt een onderzoek door de volgende deskundigen:

1) drs. M. van Woensel, revalidatiearts, correspondentieadres: Expertise Centrum Medi Libra, (adres)

2) drs. W. Joemai, verzekeringsarts, correspondentieadres: 1MA medisch adviesbureau, (adres)

5.2. bepaalt dat aan drs. Van Woensel de standaard IWMD vragen worden voorgelegd;

5.3. bepaalt dat aan drs. Joemai de volgende vragen zullen worden voorgelegd:

1. Wat zijn uw bevindingen bij anamnese en verzekeringsgeneeskundig onderzoek? 
2. Kunt u op basis van de door drs. Van der Veen en drs. Van Woensel opgestelde rapportages en uw eigen onderzoek de ongeval gerelateerde beperkingen en belastbaarheid van [verzoeker] vaststellen, en zo uitgebreid mogelijk omschrijven in maat en getal?
3. Zijn er andere beperkingen waarmee bij de beoordeling rekening dient te worden gehouden?
4. Welke beperkingen of (indien van toepassing) de toename daarvan dienen naar uw oordeel te worden geduid als gevolg van het ongeval. Kunt u dit zo goed mogelijk toelichten en onderbouwen?
5. Welke van de huidige beperkingen bestonden naar uw mening voor het ongeval op 24 mei 2018 of zouden ook op enig moment (zijn) ontstaan als het ongeval [verzoeker] niet was overkomen? Kunt u daarbij een indicatie geven op welke termijn en in welke mate dit dan het geval zou zijn (geweest)?
6. Kunt u een FML of een belastbaarheids- en beperkingenprofiel invullen waarbij de ongeval gerelateerde beperkingen en de belastbaarheid worden meegenomen. Kunt u vervolgens indien van toepassing, ook een FML invullen voor de niet-ongeval gerelateerde beperkingen?
7. Heeft u nog op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van de casus van belang kunnen zijn?

5.4. bepaalt dat de deskundige ieder voor zich tijdens het onderzoek partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat daarvan uit het schriftelijk bericht zal blijken;

5.5. bepaalt dat de deskundige ieder voor zich een concept-deskundigenbericht aan partijen zal toesturen en partijen in de gelegenheid zal stellen op dat concept te reageren alvorens een definitief bericht uit te brengen. In het definitieve deskundigenbericht zal de deskundige de reacties van partijen op het concept bespreken;

5.6. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige drs. Van Woensel vast op € 7.517,97 inclusief btw en van drs. Joemai op € 5.959,73:

5.7. bepaalt dat Allianz beide voorschotten moet betalen binnen twee weken na ontvangst van een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR);

5.8. bepaalt dat als Allianz het voorschot niet of niet op tijd betaalt de kantonrechter beslist wat er verder met de zaak gebeurt:

5.9. draagt de griffier op aan de deskundigen te melden dat het voorschot is gestort en bepaalt dat de deskundige (eerst drs. Van Woensel en daarna drs. Joemai) daarna pas met het onderzoek mag beginnen:

5.10. bepaalt dat [verzoeker] aan drs. Van Woensel versterkt een ongeclausuleerd huisartsenjournaal inclusief specialisten- en verwijsbrieven vanaf 24 mei 2016 tot en met heden en een medicatie- en episodelijst vanaf 24 mei 2016 opstuurt naar drs. Van Woensel en dat [verzoeker] het definitieve rapport van drs. Van Woensel in afschrift aan deskundige drs. Joemai dient te doen toekomen.

5.11. bepaalt dat de deskundigen zich houden aan de Leidraad deskundigen in civiele zaken (hierna: leidraad') en de gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken (zoals gepubliceerd op      ) en wijst in het bijzonder op de informatie over het beginsel van hoor en wederhoor ten aanzien van het communiceren met en door de partijen:

5.12. bepaalt dat de partijen in de gelegenheid moeten worden gesteld om op- en aanmerkingen op het concept rapport te maken;

5.13. bepaalt dat de deskundige drs. Van Woensel het definitieve rapport uiterlijk vijf maanden na de start van het onderzoek inlevert en dat als deze termijn niet haalbaar blijkt de deskundige de kantonrechter en de partijen dat zo spoedig mogelijk laat weten en ook welke termijn wel haalbaar is;

5.14. bepaalt dat deskundige drs. Joemai haar onderzoek zal dienen te starten na afronding van het deskundigenbericht van drs. Van Woensel en binnen vier weken nadat zij het rapport van deskundige drs. Van Woensel heeft ontvangen, en haar definitieve rapport uiterlijk vijf maanden na de start van het onderzoek inlevert en dat als deze termijn niet haalbaar blijkt de deskundige de kantonrechter en de partijen dat zo spoedig mogelijk laat weten en ook welke termijn wel haalbaar is:

5.15. bepaalt dat de deskundigen bij de inlevering van het eigen rapport een eindnota voegt die voldoet aan de eisen zoals opgenomen in de leidraad;

5.16. bepaalt dat de deskundige(n) het onderzoek onderbreekt als dreigt dat het voorschot wordt overschreden en in dat geval een schriftelijk verzoek aan de kantonrechter doet om een aanvullend voorschot:

5.17. wijst af het meer of anders verzochte.

(1) Zie meest recent Hof Den Haag 29 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1805
(2) Rechtbank Oost-Brabant 9 april 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:1569


Met dank aan mr Peter van Huizen, Schaderecht Advocatuur, voor het inzenden van deze uitspraak.

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBROT-200226