Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 091026 overlijden vanwege wondjes bij verwijderen verband door huisarts? vdo huisartsgeneeskunde

RBDHA 091026 overlijden vanwege wondjes bij verwijderen verband door huisarts? vdo huisartsgeneeskunde

2De feiten

2.1.

[verzoekster] is de dochter van wijlen mevrouw [patiënte] (hierna: ‘patiënte’). Patiënte is geboren op [geboortedatum] 1932 en was patiënte van [huisarts] .

2.2.

[huisarts] is als huisarts werkzaam bij [verweerster 1] . VvAA is de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [huisarts] .

2.3.

Op 10 augustus 2021 heeft [huisarts] een visite afgelegd bij patiënte in verband met een geïnfecteerde wond aan het rechteronderbeen. Tijdens het met een schaar verwijderen van een verband om dat onderbeen, heeft [huisarts] twee wondjes veroorzaakt. [huisarts] heeft vervolgens antibiotica voorgeschreven voor de reeds aanwezig geïnfecteerde wond en het rechteronderbeen gezwachteld.

2.4.

Op dezelfde dag heeft patiënte [verweerster 1] gebeld met de mededeling dat veel vocht uit de wond was gekomen, waarna [huisarts] heeft geadviseerd om [zorginstantie] – de (thuis)zorgorganisatie die voor 10 augustus 2021 patiënte monitorde en na 10 augustus 2021 haar wondzorg deed – te vragen of zij het verband kon wisselen.

2.5.

Later op de dag liet [verzoekster] [verweerster 1] weten dat patiënte niet meer door [huisarts] gezien wilde worden, waarna [huisarts] de zorg voor patiënte binnen de praktijk heeft overgedragen.

2.6.

Op 13 januari 2022 ontving [verweerster 1] het volgende waarneembericht van huisartsenpost [regio] :

“[…] Dochter belt Heeft last van haar been, heeft open wonden op been opgestroopte huid 1 veroorzaakt door haarzelf en een veroorzaakt door een schaar waar het verband mee doorgeknipt werd. Nu werd dochter gebeld dat het bed onder het bloed zit en ze de dokter niet kan bereiken. Dochter in paniek […]”

2.7.

De triagist van de huisartsenpost heeft [verzoekster] geadviseerd eerst zelf bij haar moeder te gaan kijken en – indien nodig – de thuiszorg te benaderen voor het opnieuw verbinden van het been.

2.8.

Op 15 januari 2022 is patiënte overleden als gevolg van een bloeding. In het schouwverslag is onder meer het volgende opgenomen:

“[…] Op de benen verder geen wondjes of ulceraties op die van het rechter scheenbeen na. Op het rechterscheenbeen zijn twee wondjes, van ongeveer 0,5 bij 1 cm doorsnee. Ik beoordeel deze als relatief diep (ongeveer 0,5 cm). Het vele bloedverlies is duidelijk afkomstig uit deze wondjes. Waarschijnlijk is een arterie opengegaan en heeft in combinatie met de bloedverdunners tot het bloedverlies geleid. Hierdoor is hartfalen ontstaan en is mevrouw overleden. […]”

2.9.

Bij brief van 19 juni 2023 heeft [verzoekster] [huisarts] aansprakelijk gesteld. VvAA heeft de aansprakelijkheid namens [huisarts] bij brief van 8 december 2023 afgewezen. Partijen hebben vervolgens over en weer gereageerd op elkaars standpunten en verweren. Bij brief van 7 oktober 2025 heeft [verzoekster] VvAA verzocht om medewerking te verlenen aan deskundigenonderzoek, waarop VvAA heeft laten weten daartoe niet bereid te zijn.

3Het geschil

3.1.

Het verzoek strekt er – samengevat en na vermindering en wijziging van eis – toe dat de rechtbank:

  • -

    bepaalt dat een voorlopig deskundigenonderzoek zal worden verricht, met benoeming van drs. [naam 1] (hierna: ‘ [naam 1] ’) tot deskundige, teneinde een rapport uit te brengen waarin de in randnummer 42 van het verzoekschrift geformuleerde vragen worden beantwoord;

  • -

    bepaalt dat (indien de hiervoor genoemde deskundige concludeert dat [huisarts] niet heeft gehandeld conform de professionele standaard) tevens een deskundige vaatchirurg wordt benoemd;

  • -

    het voorschot op de kosten van de deskundige(n) begroot en primair bepaalt dat dit voorschot door Verweerders wordt voldaan en subsidiair bepaalt dat ieder van partijen de helft van dit voorschot voldoet.

3.2.

Aan haar verzoek legt [verzoekster] – samengevat – ten grondslag dat [huisarts] tijdens de visite op 10 augustus 2021 in strijd met de professionele standaard heeft gehandeld door het verband op het rechteronderbeen van patiënte met een ‘gewone’ schaar te verwijderen in plaats van het verband los te weken of een verbandschaar te gebruiken. Als gevolg van dit onzorgvuldige handelen zijn twee wonden veroorzaakt. [verzoekster] stelt zich primair op het standpunt dat de fatale bloeding van patiënte uit de door [huisarts] veroorzaakte wond is ontstaan. Subsidiair stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat patiënte is overleden door gebrek aan nazorg van [huisarts] . Bij een expertise door een huisarts kan worden beoordeeld of [huisarts] tijdens de visite volgens de professionele standaard heeft gehandeld. Voor zover dat niet het geval is, kan bij expertise door een vaatchirurg het causaal verband tussen de normschending(en) en het overlijden van patiënte worden beoordeeld.

3.3.

Verweerders voeren verweer dat (primair) strekt tot afwijzing van het verzoek van [verzoekster] met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten. Verweerders betwisten dat [verzoekster] een relevant belang heeft bij toewijzing van de verzochte deskundigenberichten, omdat het causaal verband tussen het handelen van [huisarts] op 10 augustus 2021 en het overlijden van patiënte geenszins aannemelijk is gemaakt en naar verwachting niet zal kunnen worden vastgesteld. [verzoekster] heeft immers niet duidelijk gemaakt welke wonden door [huisarts] zijn veroorzaakt, waardoor niet kan worden vastgesteld hoe die wondjes zich hebben ontwikkeld. Subsidiair stellen Verweerders zich op het standpunt dat het verzoek om deskundigen te benoemen prematuur is, omdat partijen fundamenteel van mening verschillen over de feitelijke toedracht. Uiterst subsidiair – voor zover de rechtbank aanleiding ziet voor een voorlopig deskundigenbericht – voeren Verweerders aan dat er geen aanleiding is om een vaatchirurg als deskundige te benoemen. De huisartsdeskundige kan wellicht ook beoordelen of er causaal verband bestaat tussen de (eventuele) normschending en het overlijden van patiënte. Pas als de huisartsdeskundige laat weten dat beantwoording van de causaliteitsvragen zijn deskundigheid te buiten gaat, ligt het in de rede dat die deskundige laat weten welk medisch specialisme daarvoor wel is aangewezen. Indien de rechtbank het verzoek tot het gelasten van een deskundigenbericht toewijst, verzoeken Verweerders om de door hen voorgestelde deskundige aan te wijzen, hun voorgestelde vraagstelling te hanteren en dat (het voorschot op) de kosten voor rekening komt/komen van [verzoekster] .

3.4.

Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat haar ter zake een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht als bedoeld in artikel 202 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’) geen discretionaire bevoegdheid toekomt. Dit betekent dat een dergelijk verzoek in beginsel moet worden toegewezen, mits dat verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is alleen anders als de rechtbank oordeelt dat verzoeker daarbij geen belang heeft zoals bedoeld in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’), of als sprake is van strijd met de goede procesorde, misbruik van bevoegdheid of een ander zwaarwichtig bezwaar dat zich tegen toewijzing van het verzoek verzet.

4.2.

Verweerders hebben beargumenteerd dat [verzoekster] onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoek. Volgens Verweerders volgt uit het medisch dossier van [zorginstantie] van de wondverpleegkundige dat aanvankelijk sprake was van drie wondjes op het been van patiënte; één wond op de enkel, één onderste wond aan het scheenbeen en één bovenste wond aan het scheenbeen. Later, vanaf 12 oktober 2021, is daar één wondje bijgekomen, namelijk één extra wondje naast de onderste scheenbeenwond. Het is volgens Verweerders niet duidelijk welke wonden waardoor zijn veroorzaakt. Evenmin is duidelijk waardoor de fatale bloeding is veroorzaakt. Die oorzaak kan volgens Verweerders ook niet meer worden herleid, omdat informatie over de ontwikkeling van de wondjes in de periode van 10 augustus tot 22 september 2021 ontbreekt. Bovendien, zo stellen Verweerders, lijkt uit het huisartsenbericht van 15 januari 2022 (productie 8 bij het verzoekschrift) te volgen dat de wondjes door de schaar niets te maken hebben met de fatale bloeding, nu daarin is opgenomen dat de “2 kleinere wondjes niet gebloed” hebben.

4.3.

De rechtbank verwerpt het verweer dat [verzoekster] onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoek. Op de door [verzoekster] overgelegde foto’s van 8 september 2021 zijn de reeds bestaande enkelwond en de door [huisarts] veroorzaakte onderste en bovenste scheenbeenwonden duidelijk zichtbaar. De foto’s van 22 september 2021 en 18 oktober 2021 laten een wondontwikkeling zien, waarbij de onderste scheenbeenwond zich uitbreidt. Vanaf de foto’s van 1 november 2021 is zichtbaar dat naast de onderste scheenbeenwond een nieuw wondje is ontstaan, waarvan de oorzaak niet duidelijk is. [verzoekster] stelt dat deze nieuwe wond veroorzaakt is door ontsteking van de naastgelegen onderste scheenbeenwond, maar dat kan de rechtbank niet vaststellen. Op de foto’s vanaf 17 november 2021 is te zien dat de onderste twee scheenbeenwonden (de door [huisarts] veroorzaakte onderste scheenbeenwond en de hiernaast gelegen nieuw ontstane scheenbeenwond) samen zijn gegroeid tot één grote brugvormige wond. Uit het schouwverslag volgt bovendien dat “op de benen verder geen wondjes of ulceraties op die van het rechter scheenbeen na” aanwezig zijn. En dat “het vele bloedverlies duidelijk afkomstig is uit deze wondjes”. Ondanks dat de oorzaak van de nieuwe onderste scheenbeenwond niet duidelijk is, staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat [huisarts] op 10 augustus 2021 de onderste scheenbeenwond heeft veroorzaakt en dat de brugvormige wond gedeeltelijk uit die wond is ontstaan. Hoewel reeds sprake was van een kwetsbare predispositie van patiënte, valt niet volledig uit te sluiten dat de fatale bloeding (en het daaropvolgende overlijden van patiënte) is ontstaan uit de brugvormige wond. Dat het overlijden van patiënte mogelijk (mede) is veroorzaakt door eventueel onvoldoende nazorg door [verweerster 1] is, ondanks de omstandigheid dat patiënte voor haar wondzorg in behandeling was bij [zorginstantie] en dat [verzoekster] de dagen voorafgaand aan het overlijden van patiënte uitsluitend contact heeft gehad met de huisartsenpost in plaats van met [verweerster 1] , evenmin op voorhand volledig uit te sluiten. Daarom gaat het verweer dat [verzoekster] geen enkel belang heeft bij toewijzing van het verzoek in dit geval niet op. Het verzoek om een deskundigenbericht te gelasten door een huisartsgeneeskundige zal daarom worden toegewezen.

4.4.

De rechtbank overweegt ten overvloede nog als volgt. In deze beschikking heeft de rechtbank slechts te oordelen over de vraag of [verzoekster] voldoende belang heeft bij een deskundigenbericht over de vraag of [verweerster 1] bij het verwijderen van het verband en/of in het kader van de nazorg in strijd met de professionele standaard heeft gehandeld. Daarbij is tussen partijen nog in geschil of [huisarts] bij het verwijderen van het verband een gewone schaar of een verbandschaar heeft gebruikt. Ook als zou blijken dat [huisarts] bij het verwijderen van het verband onzorgvuldig heeft gehandeld, maakt dat nog niet zonder meer dat [verweerster 1] (mede) aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] als gevolg van het overlijden van haar moeder.1 Op het eerste gezicht lijken bij het – zeer onfortuinlijke – overlijden van patiënte immers vele factoren een rol te hebben gespeeld. In de eerste plaats is dat de kwetsbare predispositie van patiënte en het ongelukkige beloop van de – op zichzelf vrij kleine – wondjes. Daarnaast verwijt [verzoekster] ook [zorginstantie] en de huisartsenpost dat zij in hun zorg zijn tekortgeschoten. Bovendien zit er een tijdsverloop van vijf maanden tussen het door [huisarts] veroorzaken van twee vrij oppervlakkige wondjes en het overlijden. Of [verzoekster] onder aan de streep veel baat heeft bij het deskundigenonderzoek valt om die reden te betwijfelen, maar dat is een afweging die zij zelf – mede in het licht van de met dat onderzoek gemoeide kosten – zal dienen te maken.

4.5.

Het verzoek van [verzoekster] om een vaatchirurg als deskundige te benoemen, op voorwaarde dat [huisarts] in strijd met de professionele standaard heeft gehandeld, zal worden afgewezen. In onderhavige zaak is tussen partijen in geschil welke schaar [huisarts] heeft gebruikt bij het verwijderen van het verband bij patiënte en of hij daarmee in strijd heeft gehandeld met de professionele standaard. Zolang nog niet vaststaat of [huisarts] in strijd heeft gehandeld met de professionele standaard, acht de rechtbank dit verzoek van [verzoekster] prematuur.

Persoon van de deskundige

4.6.

[verzoekster] heeft aanvankelijk verzocht prof. dr. [naam 2] (hierna: ‘ [naam 2] ’) als deskundige te benoemen. Verweerders hebben daartegen bezwaar gemaakt, omdat [naam 2] niet meer praktiserend is. Bovendien is gebleken dat [naam 2] geen expertises meer verricht vanwege zijn pensioen. [verzoekster] heeft vervolgens ter zitting voorgesteld om [naam 1] als deskundige te benoemen en Verweerders om dr. [naam 3] (hierna: ‘ [naam 3] ’) of prof. dr. [naam 4] (hierna: ‘ [naam 4] ’) als deskundige te benoemen. Ter zitting is besproken dat partijen in onderling overleg zouden treden over de persoon van de deskundige. Bij e-mail van 31 augustus 2026 heeft de rechtbank partijen gevraagd of zij onderling overeenstemming hebben bereikt over de persoon van de deskundige. Bij brieven van 16 september 2026 hebben partijen laten weten dat zij onderling geen overeenstemming hebben bereikt.

4.7.

[verzoekster] heeft in haar brief van 16 september 2026 bezwaar gemaakt tegen benoeming van [naam 4] , vanwege negatieve ervaringen met zijn rapportages. Verweerders hebben op hun beurt bezwaar gemaakt tegen benoeming van [naam 1] , omdat zij niet langer als praktiserend huisarts werkzaam is.

4.8.

De rechtbank heeft besloten om [naam 3] te benaderen, omdat hij werkzaam is als praktiserend huisarts. De omstandigheid dat [verzoekster] slechts één geanonimiseerd rapport heeft ontvangen en dat zij op basis daarvan geen volledig beeld heeft kunnen vormen van de kwaliteit van de rapportages, is naar oordeel van de rechtbank geen gegronde reden om de betreffende deskundige niet te benaderen.

4.9.

[naam 3] heeft de rechtbank bij e-mail van 18 september 2026 desgevraagd laten weten bereid te zijn en in staat te zijn om in deze zaak als deskundige op te treden. De rechtbank zal [naam 3] daarom tot deskundige benoemen.

Vraagstelling

4.10.

Partijen verschillen van mening over de aan de deskundige voor te leggen vragen.

4.11.

[verzoekster] wil de volgende vragen voorleggen aan de deskundige:

“Vraag 1

Kunt u onafhankelijk in deze kwestie rapporteren? Wilt u dit toelichten?

Vraag 2

Indien u het noodzakelijk vindt om partijen te horen, past u dan hoor- en wederhoor toe? Wilt u ook een verslag opmaken van de gesprekken die u heeft gevoerd?

Vraag 3

Beschikt u over voldoende gegevens om deze casus te kunnen beoordelen? Zo nee, wilt u aangeven welke gegevens u graag nog zou ontvangen, alvorens te rapporteren?

Vraag 4

Kunt u na bestudering van de medische stukken een samenvatting geven van de door u bestudeerde informatie en per consult ingaan op de door mevrouw [patiënte] geuite klachten?

Vraag 5

  • -

    Had de huisarts, gelet op de medische voorgeschiedenis van mevrouw [patiënte] (flinterdunne oedemateuze huid, diabetes, gebruik van Prednisolon en bloedverdnners), eerst moeten proberen het verband af te weken, in plaats van een schaar te gebruiken?

  • -

    Kunt u op basis van het dossier vaststellen of de twee wonden veroorzaakt kunnen zijn door het gebruik van een verbandschaar? Kunt u dit toelichten?

  • -

    Uitgaande van de veronderstelling dat de huisarts een normale schaar heeft gebruikt; heeft hij daarmee conform de professionele standaard gehandeld?

Vraag 6

Hoe beoordeelt u de geleverde zorg ná 10 augustus 2021? Was het terecht dat de huisarts mevrouw [patiënte] niet meer heft gebeld of bezocht, ondanks de berichten van [zorginstantie] en de HAP? Wilt u bij uw beantwoording expliciet ingaan op de ernst van de klachten?

Vraag 7

Indien u oordeelt dat de huisarts contact met mevrouw [patiënte] had moeten zoeken, wat zou het beleid dan naar uw inschatting vermoedelijk zijn geweest?

Vraag 8

Hoe dient een huisarts op grond van de professionele standaard te handelen indien hij aangeeft een patiënt niet langer te willen of te kunnen behandelen? Blijkt uit de door u bestudeerde stukken dat geen behandelrelatie meer bestond? Zo ja, voldeed de wijze waarop daaraan invulling is gegeven aan de professionele standaard?

Vraag 9

Kunt u uw antwoorden zoveel mogelijk baseren op geldende richtlijnen en literatuur?”

4.12.

Verweerders maken bezwaar tegen de door [verzoekster] voorgestelde vraagstelling, omdat deze volgens hen sturend is en onvoldoende gericht op een rechtens adequate voorlichting. Verweerders stellen voor de volgende vragen voor te leggen aan de deskundige:

“Vraag 1

a. Staat het u vrij om deze expertise te verrichten, in die zin dat u niet in een persoonlijke of zakelijke relatie staat tot de bij deze expertise betrokken patiënt, de artsen en de huisartsenpraktijk?

b. Hebt u met deze casus geen directe of indirecte bemoeienis gehad?

Vraag 2

Beschikt u over voldoende gegevens om de hierna volgende vragen te kunnen

beantwoorden? Zo nee, wilt u dan aangeven welke informatie u nog wilt ontvangen?

Vraag 3

Kunt u een samenvatting geven van de medische voorgeschiedenis op uw vakgebied van

betrokkene?

Vraag 4

Wat zijn uw bevindingen ten aanzien van het beleid op medisch gebied? Kunt u de gestelde

diagnose, de ingestelde behandelingen en het resultaat daarvan beschrijven?

Vraag 5

Bent u op grond van uw bevindingen van oordeel dat de betrokken huisarts bij het consult

van 10 augustus 2021 in strijd heeft gehandeld met de toentertijd geldende professionele

standaard, dat wil zeggen dat hij niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk

handelend en redelijk bekwaam huisarts onder gelijke omstandigheden had mogen worden

verwacht?

Vraag 6

Kunt u, indien u bij vraag 5 concludeert dat niet is gehandeld conform de destijds geldende professionele standaard, aangeven:

a. welk handelen mocht worden verwacht? Wilt u bij uw antwoord de relevante beroepsregels en/of relevante literatuur vermelden?

b. hoe het verdere beloop er naar verwachting zou hebben uitgezien indien zou zijn gehandeld conform uw antwoord op vraag 6a? Kunt u uw antwoord zo uitvoerig mogelijk toelichten?

c. of indien zou zijn gehandeld conform uw antwoord op vraag 6a, patiënte niet zou zijn overleden op 15 januari 2022?

Vraag 7

Bent u op grond van uw bevindingen van oordeel dat de betrokken huisarts in de periode vanaf 11 augustus 2021 t/m 15 januari 2022 in strijd heeft gehandeld met de toentertijd geldende professionele standaard, dat wil zeggen dat hij niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts onder gelijke omstandigheden had mogen worden verwacht?

Vraag 8

Kunt u, indien u bij vraag 7 concludeert dat niet is gehandeld conform de destijds geldende professionele standaard, aangeven:

a. welk handelen mocht worden verwacht? Wilt u bij uw antwoord de relevante beroepsregels en/of relevante literatuur vermelden?

b. hoe het verdere beloop er naar verwachting zou hebben uitgezien indien zou zijn gehandeld conform uw antwoord op vraag 7a? Kunt u uw antwoord zo uitvoerig mogelijk toelichten?

c. of indien zou zijn gehandeld conform uw antwoord op vraag 7a, patiënte niet zou zijn overleden op 15 januari 2022?

Vraag 9

Acht u een expertise op een ander vakgebied geïndiceerd?

Vraag 10

Heeft u nog opmerkingen die van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van deze zaak?”

4.13.

[verzoekster] heeft geen bezwaar tegen de door Verweerders voorgestelde vragen 1, 2, 3 en 10. Voor wat betreft de tussenliggende vragen volgt de rechtbank Verweerders in hun verweer dat de door [verzoekster] voorgestelde vragen een sturend karakter hebben. De rechtbank sluit daarom aan bij de vragen zoals die door Verweerders zijn voorgesteld. Nu de feiten met betrekking tot de door [huisarts] gebruikte schaar op 10 augustus 2021 nog niet zijn vastgesteld, zal vraag 5 worden gesplitst in twee deelvragen waarmee onderscheid wordt gemaakt tussen het scenario waarin [huisarts] een verbandschaar heeft gebruikt en het scenario waarin [huisarts] een normale schaar heeft gebruikt bij het verwijderen van het verband bij patiënte.

4.14.

Aan de te benoemen deskundige zal de volgende vraagstelling worden voorgelegd:

Vraag 1

  1. Staat het u vrij om deze expertise te verrichten, in die zin dat u niet in een persoonlijke of zakelijke relatie staat tot de bij deze expertise betrokken patiënt, de artsen en de huisartsenpraktijk?

  2. Hebt u met deze casus geen directe of indirecte bemoeienis gehad?

Vraag 2

Beschikt u over voldoende gegevens om de hierna volgende vragen te kunnen beantwoorden? Zo nee, wilt u dan aangeven welke informatie u nog wilt ontvangen?

Vraag 3

Kunt u een samenvatting geven van de medische voorgeschiedenis op uw vakgebied van betrokkene?

Vraag 4

Wat zijn uw bevindingen ten aanzien van het beleid op medisch gebied? Kunt u de gestelde diagnose, de ingestelde behandelingen en het resultaat daarvan beschrijven?

Vraag 5

  1. Uitgaande van de veronderstelling dat de huisarts bij het consult van 10 augustus 2021 een normale schaar heeft gebruikt; heeft hij daarmee conform de professionele standaard gehandeld?

  2. Uitgaande van de veronderstelling dat de huisarts bij het consult van 10 augustus 2021 een verbandschaar heeft gebruikt; heeft hij daarmee conform de professionele standaard gehandeld?

Vraag 6

Kunt u, indien u bij vraag 5a en/of 5b concludeert dat niet is gehandeld conform de destijds geldende professionele standaard, aangeven:

  1. welk handelen mocht worden verwacht? Wilt u bij uw antwoord de relevante beroepsregels en/of relevante literatuur vermelden?

  2. hoe het verdere beloop er naar verwachting zou hebben uitgezien indien zou zijn gehandeld conform uw antwoord op vraag 6a? Kunt u uw antwoord zo uitvoerig mogelijk toelichten?

  3. of indien zou zijn gehandeld conform uw antwoord op vraag 6a, patiënte niet zou zijn overleden op 15 januari 2022?

Vraag 7

Bent u op grond van uw bevindingen van oordeel dat de betrokken huisarts in de periode vanaf 11 augustus 2021 t/m 15 januari 2022 in strijd heeft gehandeld met de toentertijd geldende professionele standaard, dat wil zeggen dat hij niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts onder gelijke omstandigheden had mogen worden verwacht?

Vraag 8

Kunt u, indien u bij vraag 7 concludeert dat niet is gehandeld conform de destijds geldende professionele standaard, aangeven:

  1. welk handelen mocht worden verwacht? Wilt u bij uw antwoord de relevante beroepsregels en/of relevante literatuur vermelden?

  2. hoe het verdere beloop er naar verwachting zou hebben uitgezien indien zou zijn gehandeld conform uw antwoord op vraag 7a? Kunt u uw antwoord zo uitvoerig mogelijk toelichten?

  3. of indien zou zijn gehandeld conform uw antwoord op vraag 7a, patiënte niet zou zijn overleden op 15 januari 2022?

Vraag 9

Acht u een expertise op een ander vakgebied geïndiceerd?

Vraag 10

Heeft u nog opmerkingen die van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van deze zaak?

Kosten van de deskundige

4.15.

[naam 3] heeft zijn kosten verbonden aan het onderzoek en het opstellen van een rapport desgevraagd begroot op een bedrag van in totaal € 5.040 exclusief btw (€ 6.098,40 inclusief btw). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de hoogte van voornoemd voorschot en hebben daartegen geen bezwaar gemaakt. Het voorschot komt de rechtbank ook niet onredelijk voor. De rechtbank zal de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige daarom vaststellen op het door de deskundige begrote bedrag.

4.16.

Op grond van artikel 195 Rv geldt als hoofdregel dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de verzoekende partij moet worden betaald. Bovendien heeft de VvAA geen aansprakelijkheid erkend. De rechtbank zal dan ook bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige door [verzoekster] moet worden betaald.

Slotopmerkingen

4.17.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

4.18.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt een onderzoek door de volgende deskundige:

dr. [naam 3]

Stichting DOKh, afdeling Medische expertise

[adres]

[e-mailadres]

[telefoonnummer]

5.2.

bepaalt dat aan de deskundige de vraagstelling zoals weergegeven onder 4.14 ter beantwoording zal worden voorgelegd;

het voorschot

5.3.

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 6.098,40 inclusief btw;

5.4.

bepaalt dat [verzoekster] het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;

5.5.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot;

het onderzoek

5.6.

bepaalt dat [verzoekster] haar procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen;

5.7.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats;

5.8.

wijst de deskundige erop dat:

  • -

    de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie) en deze in acht dient te nemen;

  • -

    de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen;

  • -

    de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;

5.9.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek;

het schriftelijk rapport

5.10.

draagt de deskundige op om uiterlijk vier maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren (met vermelding van het zaaknummer), onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;

5.11.

wijst de deskundig erop dat uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;

5.12.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;

5.13.

bepaalt dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en zijn reactie daarop moet vermelden;

5.14.

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan partijen en aan de deskundige zal zenden;

5.15.

wijst het meer of anders verzochte af.

1Ter zitting heeft de advocaat van [verzoekster] bevestigd dat patiënte [verweerster 1] niet bij leven aansprakelijk heeft gesteld.

 

Rechtbank Den Haag 9 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29816

↑